Transcript 1 | Pagina
Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Inleidend college Hematopoiese Inleiding: hematopoiese Vorming van bloed vindt voornamelijk plaats in het beenmerg Bloedvormende, hematopoetische stamcellen vormen basis o Stamcellen zijn in staat om na celdeling nieuwe stamcellen te vormen (self-renewal) Ontwikkeling tot identieke progenitorcel is essentiële functie om niet halverwege ons leven (“op 50 jaar”) zonder voorlopercellen te vallen o Stamcellen zijn in staat om na celdeling voorlopercellen te vormen Voorlopercellen: belangrijk voor verdere differentiatie en aanmaak van vss bloedcellen (functionele cellen) DUS kiezen op bepaald moment voor bepaalde richting Functionele cellen Rode bloedcellen (RBC) Witte bloedcellen Trombocyten Levensduur van circulerende bloedcellen is beperkt o Sommige lymfocyten: paar jaar → belang algemene immunologie o Rode bloedcellen: 100 dagen o Bloedplaatjes: 3 – 5 dagen o Granulocyten: < 1 dag → belang bij infecties Continue aanmaak van bloedcellen: honderdduizenden per seconde → gigantisch proces o Stamcellen zelf: delen zelden (eens om paar weken/maanden) Alleen meest primitieve hematopoietische stamcel is in staat om na transplantatie levenslang hematopoiese te verzorgen Strak gereguleerd proces → verstoringen kunnen leiden tot o Anemie: te weinig RBC o Immuundeficiënties: vss types Hormonale immuun deficiëntie: B-cellen, plasma cellen T-cel deficiëntie Neutropenie: neutrofiele granulocyten Complement deficiëntie … o Bloedkanker/leukemie Regulatie van hematopoiese Groeifactoren en cytokines verzorgen proliferatie en differentiatie o Erytropoietine (EPO): belangrijke groeifactor om RBC aan te maken o Trombopoietine (TPO): belangrijke groeifactor voor aanmaak bloedplaatjes o Granulocyte colony stimulating factor (G-CSF) o Vele anderen Genexpressie-regulatie: signaaltransductie en transcriptiefactoren o Cytokines en groeifactoren binden aan receptoren op membraan → zetten signaaltransductie binnen cel in gang via membraan- en cytoplasmatische eiwitten o Uiteindelijk activatie van transcriptiefactoren die binden aan regulatoire elementen van promotors → zo activatie genen Genexpressie-regulatie: epigenetica o Verzamelnaam voor processen waarbij erfelijke veranderingen in ons DNA (zonder dat daarbij DNA-volgorde zelf verandert) regulerende rol spelen bij genexpressie → zo aansturen vd wijze van hematopoiese Bij veel soorten kankers: epigenetica bepalend voor waarom bepaalde genen niet geactiveerd kunnen w of net veel geactiveerd w o Compactheid van DNA speelt rol: bepaalt of bepaalde cellen makkelijker of moeilijker geactiveerd w en of bepaalde cellen meer tot uiting komen 1|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Controle van hematopoiese door stimulerende en remmende factoren zorgt ervoor dat alle soorten bloedcellen voldoende (maar niet te veel) aanwezig zijn = evenwicht o Igv stoornis evenwicht: er kunnen te veel of te weinig cellen van 1 soort zijn o Bij bloedingen gaan meer bloedplaatjes nodig zijn om goede hemostase te bewaren Oorsprong bloed Hematopoiese komt snel op gang: eerste stap vindt 2 – 3 weken na bevruchting plaats door differentiatie vd blastocyt in 3 cellagen o Endoderm Epitheliale cellen van lever, long, GI tractus o Mesoderm: belangrijk voor aanmaak bloedcellen Mesodermale progenitor cel Myocyten Osteoblast Chrondrocyten Adipocyten Endotheliale cellen Hematopoietische progenitor cel Epitheliale cellen lever, long, GI tractus Beenmergcellen, bloedcellen Keratinocyten precursoren, neuronen, oligodendrocyten, ependymale cellen o Ectoderm Keratinocyten precursoren, neuronen, oligodendrocyten, ependymale cellen Tegen 28e dag: circulatie tss embryo, dooierzak en chorion Omdat mesoderm zo verspreid is in vss ontwikkelende weefsels: bloedcellen w gevormd in deze verschillende weefsels o Lever o Spijsverteringsorganen o Milt o … 2|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Foetaal leven: 3 fasen hematopoiese o Tegen 6e week: hematopoiese detecteerbaar in dooierzak = eerste fase Systeem wil asap RBC aanmaken → om O2 en CO2 uitwisseling te optimaliseren WBC: in vroege levensfase niet zo belangrijk door minimale vatbaarheid voor infecties Bloedplaatsjes: in vroege levensfase niet zo belangrijk door minimale risico voor bloedingen Hematologie | 2015 - 2016 Meetbare hematopoietische producten Portland, Gower 1 and 2 hemoglobins Primitive erythroblasts Granulocytes Non-platelet producing megakaryocytes o Hepatische fase = tweede fase In 3e maand vh embryonaal leven bereikt lever zijn piekfunctie met bewijs voor definitieve erythropoiese Indien ziekte van beenmerg ontstaat in het latere leven kan hematopoiese terugvallen op lever en milt: bewijs dat organen geheugen vertonen van vroegere functie Primitieve cellen verdwijnen volledig tegen einde vd 4e maand Megakaryopoietische activiteit ontwikkeling start samen met splenische activiteit met Erythropoiese Granulopoiese Lymfopoiese Megakaryopoese o Thymus is eerste orgaan vh lymfatisch systeem o Medullaire fase = 3e fase Medullaire productie start met ossificatie en ontwikkeling van merg in zijn kern met resorptie van kraakbeen en endosteaal bot Deze ruimte: geïnvadeerd door mesenchym dat zijn ontstaan vindt in mesoderm Beenmerg w belangrijkste tegen einde vd zwangerschap Postnataal en rest vh leven o Tijdens vroege jeugd blijft merg uitsluitend rood Ook in lange botten (femur, tibia) o Rond 5 – 7 jaar verschijnt vet in lange botten → retrogressie Rood merg in lange botten w geel merg Actief rood merg w gelimiteerd tot ‘flat bones’ Sternum Heup Ribben Proximale eindes van lange botten Bij veel bloedverlies of destructie rood merg: mesenchymale cellen hebben potentieel om te transformeren o Volwassen hematopoiese: mesenchym ontwikkelt in orgaanentiteit Reticulair weefsel Vetweefsel Hematopoietisch weefsel Hemoglobine bestaat uit verschillende ketens o Vorm en soort verschilt afhankelijk vd levensfase: in begin vd zwangerschap w andere vorm gemaakt dan op middenste of laatste deel zws of wnn men volwassen is Hematologische technieken Overzicht Anamnese en onderzoek van patiënt o Bv. lymfoom kan men vaak via KO vaststellen zonder direct op beeldvorming over te gaan → voel naar lymfeklieren 3|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Belangrijk: weten waar lymfeklieren zitten + wat vergroting vd lymfeklier betekent (kan wijzen op kanker maar vaak reactief proces) Bv. pt met erg vergrote klieren Onderzoek van bloed o Voor hematoloog redelijk gemakelijk ivm weefselcollectie in andere disciplines Onderzoek van beenmerg Immunofenotypering Cytogenetica Moleculaire technieken Beeldvorming o RX Bv. duidelijk gezwel boven hart wat lymfeklierkanker was: niet te voelen bij klinisch onderzoek, maar kan eventueel een vena cava syndroom geven o CT Bv. pt met lymfeklierkanker waarbij buik volledig met lymfoom is opgevuld o PET-scan Kan heel wat kwaadaardige ziektes aantonen en pathologisch gedrag observeren tov normaal weefsel Automatische celtelling Inleiding o Vroeger: telling van bloedcellen in bloedstalen door microscoop en telkamer Was tijdrovend Bevatte foutenbronnen Was onhygiënisch o Vandaag maakt men gebruik van automatische celtellers 4|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Belangrijkste meetbare parameters o Aantal rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes o Witte bloedceldifferentiatie o Concentratie hemoglobine o Volume aan rode bloedcellen in volbloed (hematocriet) o Gemiddelde volume vd rode bloedcellen (MCV) o Gemiddelde hoeveelheid hemoglobine per rode bloedcel (MCH) o Gemiddelde concentratie hemoglobine per rode bloedcel (MCHC) Voordeel o Sneller info (< 1 minuut/staal) o Aantal getelde cellen is vele malen hoger dan bij manuele methode → betere precisie o Waarschuwt (vlaggen) bij abberante bloedcelpopulaties of belangrijke kwantitatieve afwijkingen → microscopisch nazicht aangewezen o Staalverwisseling en staalmanipulatie tot minimum herleid Nadeel o Geeft snel info, maar niet altijd diagnose o Metingen vooral om accurate en precieze bloedceltellingen te genereren bij normale bloedcelpopulaties o Niet alle significante abnormaliteiten kunnen herkend w die wel waarneembaar zijn bij microscopisch onderzoek o Ahv microscopie toch nog diagnose gaan opzoeken Principes o Alle parameters die gegenereerd w: zijn gemeten of berekend obv o o o o Meting van hemoglobine enerzijds Telling vd bloedcellen en hun indeling volgens grootte anderzijds Hemoglobinemeting Meetkanaal maakt gebruik van colorimetrie Lysis RBC → vrijzetting hemoglobine → stabiel methemoglobinederivaat Derivaat: fotometrisch gemeten door golflenge van 540 nm Impedantie Bloedcellen geuspendeerd in elektrolytoplossing veroorzaken verschil in elektrische weerstand of impedantie als ze paseren door meetopening waarover potentiaalverschil bestaat Elke passage bloedcel = kortstondige stroompuls Grootte stroompuls: rechtstreeks in verhouding tot grootte vd getelde bloedcel RBC, WBC en bloedplaatjes kunnen geteld en in grootte gemeten w door impedantieprincipe Meeste toestellen zullen afgeleide parameters zoals MCV, MCH, MCHC en hematocriet ook zo bekomen Lichtverstrooiing Bij passage door lasterstraal: bloedcellen verstrooien licht → telling mogelijk Geeft bijkomende informatie over cellen door metingen onder verschillende hoeken Voorwaartse lichtverstrooiing: grootte van bloedcel Zijwaartse verstrooiing: granulariteit en interne structuur (kern) vd cel Additionele meetprincipes Principe van lichtverstrooiing: aan basis van differentiële tellling WBC maar vereist additionele analyseprincipes om tot volledige differentie in 5 fracties te komen Neutrofielen Eosinofielen Basofielen Monocyten Lymfocyten Welk principe is afhankelijk vd fabrikant Voorbeelden Combinatie lichtverstrooiing en conductiviteit Combinatie lichtverstrooiing en fluorescentie flowcytometrie Combinatie lichtvertrooiing en peroxidaseactiviteit Combinatie lichtvertrooiing en ge(de)polariseerde lichtverstrooiing Tegenwoordig ook aparte kanalen en meetprincipes om immature WBC, gekernde RBC en reticulocyten op te sporen en te kwantificeren Al deze metingen w meestal weergegeven in scattergrammen 5|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Cytologisch onderzoek van bloed Doel: owv technische tekortkomingen bij bloedceltellers in herkennen aberrante cellen of afwijkende bloedcelmorfologie → soms bijkomend cytologisch onderzoek nodig Bloeduitstrijkje w gemaakt en gefixeerd o Bloedafname: bij voorkeur EDTA als anticoagulans Binnen 2 – 4u moet bloeduistrijkje gemaakt w o Vervolgens uitstrijkje gefixeerd met methanol en gekleurd Cellulaire elementen perifere bloed o Bloedcellen bestaan uit 3 grote groepen Rode bloedcellen (erytrocyten) Kleine, kernloze bloedcellen Belangrijkste eiwit: hemoglobine → verantwoordelijk voor zuurstoftransport Witte bloedcellen (leukocyten) Bestaat uit Granulocyten Neutrofiele Eosinofiele Basofiele Lymfocyten Monocyten Rol in immuunsysteem Bloedplaatjes (trombocyten): geen cellen maar celfragmenten Kleinste celdeeltjes in bloed Geen celkern Centrale rol in bloedstolling Algemene beoordeling bloeduitstrijkje o Microscopisch met kleine vergroting (100x) Verdeling cellen nagekeken Gezocht nr beste zone voor witte bloedceltelling en beoordeling bloedcelmorfologie o Microscopisch met grote vergroting (500x) Witte bloedceltelling Celafwijkingen w met juiste terminologie benoemd RBC Afwijkingen in grootte: anisocytose Kleur: hypochromasie/polychromasie Vorm: poikilocytose Insluitsels WBC Kern- en cytoplasma-anomalieën Bloedplaatjes Groter of in aggregaten Semikwantitatief gescoord Enkele aanwezig: 1+ Matig aanwezig: 2+ Sterk aanwezig: 3+ Beenmergonderzoek Algemeen o Beenmerg is plaats waar bloedcelaanmaak plaatsvindt o Beenmerg is samengesteld uit grote hoeveelheid voorloper/immature cellen (precursoren) en uitgerijpte/mature cellen o Mature cellen w uit beenmerg losgelaten en komen in perifere bloed terecht Beenmergpunctie = heel makkelijke techniek om hemopoëse te bepalen Indicaties o Onbegrepen tekort of toename van één of meerdere celtypen 6|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Tekorten Anemie Leukopenie Trombopenie Toenames (abnormaal hoge perifere bloedceltellingen) Leukocytose Trombocytose Polyglobulie o Aantreffen van abnormale bloedcellen in perifeer bloed o Bij splenomegalie of koorts van onbekende oorsprong o Stagering hematologische en sommige niet-hematologische kwaadaardige ziekten Noodzakelijk bij opsporen metastasen van kankers zoals Hodgkin- en non-Hodgkinlymfoom en vaste tumoren Beenmerginvasie beïnvloedt prognose en behandeling o HIV infecties Contra-indicaties zijn er eigenlijk niet o Ook al zijn bloedplaatjes heel laag: mogelijk als men goed afdrukt Bekomen van beenmergpreparat o Aantal locaties mogelijk voor afname Borstbeen (sternum) Crista iliaca posterior (achterzijde bekken) Tibia: slechts tot 6 – 8 jaar mogelijk o Ideale positie voor botbiopt en beenmergaspiraat: spina iliaca posterior superior Voordeel: beeld vd bloedaanmaak + of botstructuur is aangetast Beenmerg lijkt soms niet alle cellen vrij te laten → botbiopt is ‘mooi complementair’ o Speciale holle naald nodig om door bot beenmerg te aspireren o Mergbrokjes w op glaasje uitgestreken → zo maakt men meerdere preparaten vh aspiraat die in labo gekleurd w Samenstelling beenmergprepataat o Microscopisch bij normale hematopoëse: alle voorstadia van diverse bloedcellen Alle beenmergcellen hebben gemeenschappelijke (unipotente) stamcel die zich in stand houdt door zichzelf te vermenigvuldigen Oiv groeifactoren: stamcel rijpt uit in vss uitrijpingsstadia → aanleiding tot ontstaan van specifieke mergreeksen Myeloïde reeks: vorming granulocyten Erytroïdereeks: vorming RBC Megakaryocytaire reeks: aanmaak bloedplaatjes o Vss hematologische maligniteiten ontstaan thv vss uitrijpingsstadia vd mergreeksen 7|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Chronische myeloïde aandoeningen: fout in vroege hematopoëtische stamcellen Cellen delen snel en veel Behoud van capaciteit om uit te rijpen Ontstaan leukemie: vnl door toename uitgerijpte cellen Chronische lymfoproliferatieve aandoening: lymfoïde stamcel beschadigd in beenmerg Lymfocyten gaan te veel uitrijpen Apoptose wordt onmogelijk gemaakt Lymfomen hebben bv. fouten tijdens zeer actieve celdeling in klieren Morfologische beoordeling beenmerg o Kleine vergroting → beoordeling Kwaliteit beenmergpreparaat: representatieve staalname? Cellulariteit Aanwezigheid en uitzicht mergbrokjes en megakaryocyten Screening naar tumorale celgroepjes o Sterke vergroting (minimum 500x) Verschillende beenmergcellen tellen: beenmergdifferentiatie Evaluatie uitrijpingspatroon mergreeksen Evaluatie morfologisch aspect Interpretatie ijzerstofwisseling (Perls kleuring) o Besluit vd beenmergbeoordeling = interpretatie vd genoteerde afwijkingen samen met andere relevante informatie/onderzoeken o Indeling hematologische maligniteiten: via ‘World Health Organisation Classification’ Classificatie impliceert klinische gegevens, morfologische bevindingen, cytogenetica en moleculaire diagnostiek Verklaring enkele begrippen o Blasten = zeer jonge voorlopercellen (precursorcellen) Zijn van myeloide (myeloblasten) of lymfoïde (lymfoblasten) oorsprong Acute leukemie: verhoogde, ongecontroleerde aanmaak waarbij blasten niet uitrijpen o Blastose = aanwezigheid van blasten in perifere bloed (% weergegeven) o Linksverschuiving Verschuiving vd granulocyten igv toename van granulocytaire voorlopercellen (immature granulocyten) in perifere bloed > 5% neutrofielen zijn staafkernige neutrofielen en/of andere voorlopercellen Al dan niet in combinatie met enkele blasten Teken van beenmergstimulatie, vaak gepaard met verhoogde leukocytose o Leukemoïde reactie Extreem hoge leukocytose Meestal in combinatie met linksverschuiving vd granulocytaire reeks Geen sprake van hematologische maligniteit → maar vaak paraneoplastisch, reactioneel bijvoorbeeld bij infectie, intoxicatie o Leuko-erytroblastaire formule Als erytroblasten en immature granulocyten samen voorkomen in perifere bloed Duidt vaak op ernstige pathologie Beenmergverdringing tgv maligniteit (metastasen) Extramedullaire hematopoëse … Immunofenotypering bloed- en beenmergcellen = belangrijk onderdeel in diagnostiek hematologische aandoeningen: vaak eerste aanvulling op morfologische bevindingen Techniek die w uitgevoerd met flow cytometer o Meet vss eigenschappen van cellen in vloeistofstroom: cellen w eerst in contact gebracht met monoclonale antistoffen waaraan fluorescerend label (fluorochroom) is gebonden Gelabelde antistoffen zullen binden met evt aanwezige CD-antigenen Hematologische cellen: specifieke moleculen (eiwitten / antigenen) op celmembraan of binnen in cel die verschillen naargelang 8|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Celsoort Uitrijpingsstadium vd cel Identificatie vd eiwitten of antigenen gebeurt obv bindingen met specifieke As Voor antigenen benaming gebruikt men CD (cluster of differentiation)-nomenclatuur CD-merker Hematologische celsoort met dit antigen CD19, CD20 B-lymfocyten CD3, CD4, CD8 T-lymfocyten CD56 NK-lymfocyten CD13, CD33 myeloide cellen CD14, CD64 monocyten CD34 blasten CD138 plasmacellen CD235a rode bloedcellen CD45 alle witte bloedcellen o Metingen Laserlicht gericht op cellen in vloeistofstroom die door hydrodynamische focussering 1 voor 1 lichtstraal passeren en voor verstrooiing vh laserlicht zorgen Voorwaartse lichtstrooiing (forward scatter, FSC): celgrootte Lage FSC: lymfocyten Hoge FSC: monocyten Zijwaartse strooiing (side scatter, SSC): granulariteit en interne structuur (kern) Lage SCC: lymfocyten Hoge SSC: granulocyten Anderzijds w fluorescentie opgewekt als cel beladen met fluorochroom gelabelde antistoffen lichtbron passeert o Detectoren nemen lichtverstrooiing en fluorescentie van passerende cel waar → verwerken info voor analyse Bij testen van meerdere antistoffen kan men inzicht krijgen in verhouding tss vss hematologische celpopulaties en stadium van differentiatie Indicaties voor hematologische immunofenotypering o Diagnose en subtypering van acute leukemie (myeloïd of lymfoïd: AML, B-ALL, T-ALL) o Diagnose en subtypering van chronische lymfatische leukemie (CLL) en lymfomen o Bepaling van restziekte tijdens en na behandeling Hiervoor moet voorafgaand aan behandeling profiel van CD-merkers vd leukemiecel gekend zijn In bloed of beenmerg dat tijdens en na behandeling w afgenomen: nagaan of er nog cellen met specifieke CD-merker profiel aanwezig zijn en hoeveel o Opvolging vd lymfocytensubpopulaties na transplantatie o Aantonen van leukemie of lymfoomcellen in andere weefsels (bv. liquor, lymfeklier) o Aantonen vd aan- of afwezigheid van bepaalde CD-merkers die via eiwit glycosylfosfatidyl-inositol (GPI) op cellen zijn verankerd Bij ptn met paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) ontbreekt GPI ankereiwit → bepaalde CD-merkers (bv. CD14 op monocyten) afwezig 9|Pagina Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Voorbeeld: acute myeloïde leukemie (AML) met translocatie (8;21) o Membraankenmerken van blasten kunnen gedetailleerd in kaart w gebracht met flowcytometrische immunofenotypering o Blasten vertonen CD-merkerprofiel dat past bij myeloblasten CD34: kenmerkend voor zeer jonge cellen/blasten CD 13 en CD33: kenmerkend voor myeloïde cellen Afwijkend: soms CD19 en CD56 (normaal op resp B-lymfocyten en NK-lymfocyten) Nooit op normale (niet leukemische) myeloblasten aangetroffen Immunofenotypisch bewijs voor blasten van leukemische oorsprong W frequent aangetroffen bij AML-patiënten die specifieke cytogenetische afwijking vertonen: translocatie (8;21) o Dankzij specifieke CD-merkerprofiel kan met immunofenotypering tijdens en na vss fases in AML-behandeling w nagegaan of er nog restziekte aanwezig is in bloed of beenmerg Hematologische biochemie Hematologische biochemie: groepeert testen die op biochemische basis defecten opsporen aan (delen van) RBC die leiden tot congenitale hemolytische anemieën o In praktijk meestal congenitale afwijkingen van Hemoglobine RBC-membraan RBC-enzymen o Testen dus slechts voor specifieke indicaties Diagnostiek hemoglobinopathieën o Gezonde volwassen mens In hoofdzaak hemoglobine A (HbA): 97% Hemoglobine A2 (HbA2): 2,5 – 3,5% Hemoglobine F (HbF): 1% o Definitieve diagnose voor hemoglobinopathieën vereist DNA-analyse Analyses behorende tot hematologische biochemie kunnen reeds preliminaire diagnose bekomen o Modernere kwantitatieve analysetechnieken kunnen Structureel afwijkende hemoglobinetypes opsporen Kwantitatief resultaat genereren voor alle aanwezige hemoglobinefracties Bv. thalassemieën: geen afwijkende hemoglobines maar deficiënte synthese vd normale globineketens α-thalassemie: HbA2 < 2,5% β-thalassemie: HbA2 > 3,5% Daarnaast: enkele kwalitatieve methoden die vnl confirmatieve rol spelen: Hb-variant moet met tweede methode bevestigd worden o Elektroforese Gelelektroforese Uitgevoerd in alkalisch milieu (pH 8,2 – 9) op celluloseacetaat- of agarosegel als drager Op relatieve eenvoudige wijze: talrijke hemoglobinevarianten gedetecteerd die verschillend migreren van HbA Vnl belangrijke componenten als HbA2, HbF en HbS kunnen aangetoond en evt gekwantificeerd w door densitometrie Maar aangewezen HbA2 en HbF door afzonderlijke analyse te kwantificeren HbA2 door microchromatografie HbF door alkalische denaturatie Uitgevoerd op agarosegel in zuur milieu (pH 6): laat toe om verder te differentiëren tss vss fracties die samen migreren bij alkalische elektroforese Onderscheid HbC en HbA2 Onderscheid HbS en HbD 10 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 ISO-elektrische focussering = variant vd klassieke elektroforese waarbij naast elektrisch veld ook pH-gradiënt aanwezig is Hb-moleculen zullen migreren totdat pH overeenkomt met iso-elektrisch punt vd moleculen → dan hebben moleculen geen nettolading meer → migreren niet verder Vss hemoglobinebanden kunnen gekleurd en densitometrisch gekwantificeerd w Capillaire zone elektroforese (CZE) = elektroforese uitgevoerd in capillaire tubes Na aanleg van elektrisch veld: Hb-moleculen gescheiden obv elektroforetische mobiliteit die (afhankelijk vd aard vd lading) versterkt of verzwakt w door elektroosmotische flow (EOF) van bufferoplossing Voordelen Kortere looptijden Kleinere staalvolumes Automatisatie Performante kwantificatie vd verschillende hemoglobinefracties Hogedrukvloeistofchromatografie o Niet gezien: verdere verdieping op HB p. 34 Additionele analyseprincipes o Sikkelceltest: tegenwoordig snelle en eenvoudige sikkelceloplosbaarheidstest Na toevoeging van detergens en oxidatiemiddel aan bloedstaal: evt aanwezige HbS slaat neer → vertroebeling Onderscheid tss homozygote of heterozygote aanwezigheid: niet mogelijk Positieve en negatieve controlestalen zijn aangeraden Nut? Duidelijke plaats als confirmatieve test als met kwantitatieve screeningsmethode HbS w aangetoond Ook in geval van dringende anesthesie kan test zeer nuttig blijken Kleihauer-Betke-test Kan nuttig zijn als er verhoogde HbF-fractie werd aangetoond Verdeling HbF over RBC kan helpen bij diagnose sommige thalassemieën Heterocellulair: in sommige cellen Pancellulair: in alle cellen Isopropanol en hittedenaturatietes → onstabiele hemoglobines opsporen o o Cytogenetische en moleculaire onderzoeken bij kwaadaardige hematopoëtische aandoeningen Deze onderzoeken nemen belangrijke plaats in bij diagnose en behandeling van hematologische en oncologische aandoeningen o Leveren diagnostische informatie over aanwezigheid van clonale aandoeningen o Prognostische informatie die belangrijk is voor risicostratificatie en dus voor intensiteit vd gekozen therapie o Andere cytogenetische of moleculaire afwijkingen identificeren doelwitten voor specifieke, doelgerichte therapie o Vastgestelde afwijkingen bij diagnose zijn opvolgbare merkers voor minimale residuele ziekte tijdens verloop vd behandeling of na beëindigen ervan Bij diagnose van maligne aandoeningen w afwijkingen gedetecteerd in maligne cellen tegen achtergrond van normale cellen o Bij diagnose: overmaat aan maligne cellen o In loop vd behandeling w maligne cellen geëradiceerd of tot kleine minderheid gereduceerd o Daarom: bij opvolging nood aan technieken met lage detectiedrempel → klein aantal afwijkende cellen in overmaat van niet-afwijkende cellen kunnen detecteren! 11 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Cytogenetisch onderzoek o Cellen afkomstig vd patiënt worden gekweekt o Aan einde vd cultuur w inhibitor vd mitosespoel toegevoegd → zo w delende cellen in metafase stilgelegd (‘metafase-arrest’) In ‘metafase-arrest’: DNA in chromosomen verpakt en als dusdanig analyseerbaar Na oogsten w cellen aan hypotone shock blootgesteld → celkernen op microscopieglaasjes gebracht, gekleurd met banderingstechnieken en gefotografeerd o Chromosomen van metafasekernen w in overeenstemmende chromosomenkaarten (karyogram) gerangschikt → info vd karyogrammen w in formule (karyotype) samengevat Karyotypering o Eerste getal = aantal chromosomen o ‘X…’ = geslachtschromosomen o Tweede getal = aantal geanalyseerde metafasekernen o Voorbeelden Normale man: 46,XY[20] Normale vrouw: 46,XX[20] 45,X,-Y,t(8;21)(q22;q22)[19]/46,XY[1] Vd 20 onderzochte kernen vertonen 19 verlies van Y-chromosoom Gebalanceerde translocatie tussen chromosomale regio’s 8q22 en 21q22 Eén normale cel teruggevonden o Afwijkingen vh karyotype Aangeboren (‘constitutioneel’) → in principe in alle lichaamscellen aanwezig Afwijkingen in karyotype van maligne cellen zijn ontstaan (‘verworven’) tijdens leven in somatische cellen → afwezig in niet-maligne cellen o In context van maligniteit: essentieel dat In onderzochte materiaal maligne cellen in voldoende aantallen aanwezig zijn Voldoende cellen worden onderzocht o Afwijkingen kunnen numerisch en/of structureel zijn o Als bij cytogenetisch onderzoek in meerdere cellen zelfde verworven chromosomale afwijking w vastgesteld: met zekerheid sprake van clonale afwijking o Sommige afwijkingen zijn recurrrent bij specifieke aandoeningen → verwijzen vanzelf naar specifieke diagnose o Cytogenetisch onderzoek w gekenmerkt door beperkte resolutie, hoge detectiedrempel o Voor onderzoek moeten leefbare cellen naar labo verstuurd w o Grote voordeel Globaal genomisch overzicht Men kan enkelvoudige cellen analyseren Overige informatie uit hoorcollege Gen-rooster in AML o Verdere typering van genen door individuele genen te bestuderen 12 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Geeft nog een beter begrip van ziektes zodat men medicatie kan afstellen op het genetisch materiaal Samenwerking met patholoog = hééééééééél belangrijk! o Zonder goede patholoog kan men geen hematologie doen: belangrijk voor differentiaties bloedkankers, lymfeklierkankers, … o Vier afbeeldingen zijn allemaal vormen van lymfeklierkanker Li boven: enorm agressieve vorm → sterke behandeling nodig Re boven: Hodgkin lymfoom → 90% kans op genezing en behandeling moet niet zo agressief zijn als Li boven Li onder: indolente vorm Re onder: kan in maag relatie hebben met H. pylori → irradicatie van helicobacter nodig zonder bestraling of heelkunde Arteriodese techniek: goede centrifuge waarmee we bloedcellen kunnen weghalen voor diagnostische of therapeutische redenen bv. stamceltransplantatie, teveel aan WBC of RBC verwijderen, … Kanker o 1/3 Europeanen zal tijdens zijn leven met deze ziekte geconfronteerd worden 1/5 zal eraan overlijden o Tussen 1995 en 2015: toename in incidentie van 48% beschreven in België Veel te maken met toenemende leeftijd Inzicht in factoren als milieu, vervuiling, …: nog onvoldoende beschreven om conclusies te trekken Van diagnose naar therapie o Hoe sneller diagnose, hoe beter resultaat o Hoe correcter diagnose, hoe minder tijdverlies o Hoe verfijnder diagnose, hoe beter therapie o Individualisering van therapie Diagnostische mogelijkheden tot DNA niveau Verfijnd bepalen van prognostische factoren tot moleculair niveau Steeds afwegen van kwaliteit versus kwantiteit van leven 13 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Leeftijdscategorieën (hoe jong is jong? hoe oud is oud?) Voorbeeld examenvraag: productie bloedcellen bij ongeboren kind in eerste 6 maanden? Vooral plaatsvinden in de platte beenderen Holle beenderen Lever en milt → juiste antwoord Dooierzak 14 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Anemie Algemene inleiding Erythrocyt functie, productie en destructie Massa = Productie x Survival (M = P x S) 2500 mL (M) = 25 mL/dag (P) 100 dagen (S) Van 5 – 6 liter bloed dat circuleert in ons lichaam bestaat 50% uit RBC RBC gaat niet levenslang mee: hebben geen kern → beperkte overleving mogelijk van 100 – 120 dagen o Beenmerg moet RBC kunnen vervangen in redelijk stabiele fase o Reticulo-endotheliale systeem en nieren spelen belangrijke rol in hemostase van destructie en vorming van RBC Eytropoëtine (EPO) stimuleert erytropoëse Geproduceerd in nier naargelang bloed verzadigd is met zuurstof Fysiologische rol erytropoëtine: verminderde zuurstofspanning w gedetecteerd in nieren → cascade Peritubulaire interstitiële cellen secreteren door lagere O2-spanning EPO in bloed Pro-erythroblasten in rode beenmerg gaan sneller omgezet w in reticulocyten Meer reticulocyten komen in circulatie Grotere hoeveelheid RBC in circulatie Verhoogde zuurstoflevering aan weefsels Herstel hemostase 15 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Waardes EPO Igv normaal hemoglobine tss 12 – 18g/dL (afh man of vrouw): lage EPO concentratie Indien bloedarmoede: hoge EPO concentratie Terminale nierinsufficiëntie: laag hemoglobine en lage EPO concentratie Nier- en longproblemen: soms belangrijke rol in ontstaan RBC-aandoeningen Cytokines zoals TNF en interleukine-1: remmende invloed op erytrocytenproductie Hemoglobine o Hemoglobinemolecuul bestaat uit 4 subeenheden of 'ketens' die 2 aan 2 identiek zijn Elke keten bevat heemmolecuul dat ih midden (door 4 liganden gebonden) ijzerion bevat → belangrijk voor zuurstoftransport 1 hemoglobine kan dus 4 zuurstofmoleculen opnemen o Productiefasen Er heerst duidelijk verschil tss prenatale en postnatale hemoglobine Prenataal: vooral α- en γ-ketens Postnataal: vooral alfa en beta ketens Waarom is er verschil in hemoglobine tussen levensfases? Foetaal hemoglobine kan veel sterker zuurstof binden: want zuurstof moet via placenta onttrokken worden In postnatale periode wordt zuurstof beschikbaar via longen Functies van RBC membraan o Celvorm vervormbaarheid behouden voor osmotisch evenwicht tss plasma en cytoplasma vd RBC o Ondersteunend skeletaal systeem voor oppervlakte antigenen o Faciliteren transport van essentiële ionen en gassen Passief transport: gassen, glucose 16 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Actief transport: Na+, K+ Destructie vd RBC o Vss zaken treden op Verminderde generatie ATP door niet-oxidatieve glycloytische pathway Verminderde hoeveelheden cholesterol en fosfolipiden veroorzaken Verlies selectieve permeabiliteit Toename Na+ en afname K+ Afgenomen oppervlakte-tot-volume ratio Membraan accumuleert IgG op oppervlakte Methemoglobine reductase stopt activiteit → accumulatie methemoglobine Niet-functionele vorm van ijzer Verdere stopzetting metabole activiteiten o Hemolyse: verschilt tss extra- en intravasculair Extravasculaire hemolyse: 90% Treedt op in reticulo-endotheliaal systeem Milt Beenmerg Fagocytose door macrofagen RBC degradatie Disassemblatie hemoglobine Ijzer w gebonden aan transferrine → getransporteerd naar hepatocyten voor opslag Aminozuren getransfereerd naar AZ-pool lichaam Protoporfyine afsplitsing α-koolstof: uitgeademd als CO2 Open tetrapyroolring: omgezet tot biliverdine → in lever verder geconjugeerd tot bilirubine glucuronide Intravasculaire hemolyse: 10% Hemoglobineketens dissociëren in vrije dimeren W gebonden aan plasma haptoglobine Getransporteerd naar lever voor opslag Ijzer w gebonden aan transferrine → naar lichaamsopslag Afbraak protoporfyrine: identiek als extravasculaire hemolyse Excessieve continue hemolyse: consistent met Toegenomen indirect bilirubine Depletie haptoglobine Toename LDH (iso-enzymen 1 en 2) Toename reticulocyten Meetbaar methemalbumine Toename ijzervoorraad Hyperplastisch beenmerg Overzicht vd anemieën Anemie is meest frequente aandoening vd RBC Definitie: daling vh totale volume van RBC in circulatie (red cell mass) o Gemiddeld volume Mannen: 28 – 35 mL/kg Vrouwen: 22 – 30 mL/kg Referentiewaarden variëren volgens geslacht en leeftijd o Normaalwaardes hemoglobine tussen 12 – 18 g/dL (afhankelijk van geslacht) Aandoeningen RBC worden opgedeeld o Aantal RBC: anemie vs polycytemie o Absolute bevindingen (primaire absolute polycytemie) of relatieve bevindingen (secundaire relatieve polycytemie) o Morfologische of pathofysiologische criteria 17 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Morfologische indeling Microcytaire hypochrome anemie Normocytaire normochrome anemie Macrocytaire hyperchrome anemie Pathofysiologische indeling Anemie door gebrekkige productie van RBC Anemie door verhoogde afbraak of verlies van RBC Anemie door sequestratie (pooling door milt) o Erfelijkheid: verworven dan wel aangeboren afwijkingen Beoordeling van anemie o Evaluatie van RBC, hematocriet, hemoglobine Hematocriet = volume van bloed dat door RBC’en w ingenomen Mean corpuscular volume (MCV) en mean corpuscular hemoglobin (MCH) + MCHC MCV = hematocriet/RBC telling MCH = hemoglobine/RBC telling MCHC = hemoglobine/hematocriet o Evaluatie vh aantal reticulocyten: eventuele productiestoornis vaststellen o Klinische evaluatie Miltvolume: plaats van afbraak Lever Klieren Orgaanweerslag o Evaluatie nutritionele status: ijzer en vitamines o Evaluatie plasmavolume Ligt aan basis van dilutieanemie en dehydratatiepolycytemie: belangrijke DD gegevens o (Microscopie bloed, beenmerg/botboor) Anemie heeft dynamisch aspect o Aantal RBC w bepaald door stamcelactiviteit in beenmerg o Vertraagde vertaling in perifere bloed Eytropoëtische activiteit in beenmerg kan tot 8x normale waarde gestimuleerd w voordat aantal perifere RBC zal dalen o Gemiddelde levensduur RBC = 120 dagen Opmerking: hemolytische anemie o Klinische bevindingen in hemolytische anemie Icterus Galstenen Donkere of rode urine Symptomen anemie Verdunning corticaal bot Extramedullaire hematopoietische massa’s Splenomegalie o Veel voorkomende laboratoriumbevindingen in hemolytische anemie 18 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Erfelijke anemieën Aangeboren of erfelijke anemieën kunnen w gekenmerkt door Aandoeningen hemoglobineketens o Defectieve synthese bv. thalassemie o Abnormale varianten bv. Hb S, Hb C, onstabiel Aandoeningen membraan RBC o Erfelijke sferocytose o Erfelijke elliptocytose o Erfelijke stomatocytose o … Aandoeningen metabolisme RBC: deficiëntie van o Pyruvaatkinase o Triose fosfaat isomerase o Pyrimidine-5-nucleotidase o Glucose-6-fosfaat dehydrogenase o Glutathion synthetase o … Thalassemieën Inleiding Eén vd meest frequente aangeboren ziekten bij mens o Komt meest voor in landen rond Middelandse Zee: tot 30% draagt genetische afwijking o In toenemende mate ook in Westerse wereld: via migratie Ontstaan door erfelijke afwijking in o Gen dat codeert voor α-ketens Normaal in 4-voud aanwezig: 2 op elk chromosoom 16 o Gen dat codeert voor β-ketens Normaal in 2-voud: 1 op elk chromosoom 11 Gevolgen o Gedaalde Hb-productie: anemie o Ongecoördineerde accumulatie bepaalde globineketens in overmaat in RBC → destructie RBC: intramedullaire (en perifere) hemolyse o Erythroide hyperplasie extramedullair Opvalende bleke nagels Hepato-splenomegalie 19 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Vergroting lymfeklieren als compensatie voor gebrek RBC Skeletafwijkingen Hematologie | 2015 - 2016 Fe-overlading o α+/β+ wijst op nog α- en β-productie o Homozygoot vs heterozygoot: ‘trait’ Gekenmerkt door o Igv ernstige homozygote β-thalassemie: 2 missende β-genen Weinig of geen β-ketens aangemaakt Aggregaten van α-ketens terug te vinden die neerslaan en RBC onleefbaar maken o Igv ernstige 𝛼-thalassemie: opstapeling van niet-α-ketens γ-tetrameren: hemoglobin Barts γ-tetrameren: hemoglobine H Prenatale genetische diagnose is perfect mogelijk Kliniek: ernst vd symptomen vormt basis voor klinische onderverdeling β-thalassemie: slechts 2 β-genen ipv 4 o β-thalassemia major: homozygote vorm met 2 missende β-genen Diagnose Tss zes mnd – 1 jaar leeftijd gesteld Obv klassieke beeld van Ernstige transfusieafhankelijke anemie Failure to thrive Hepatosplenomegalie Latere kenmerken Geëxpandeerde extramedullaire beenmergproductie (met skeletafwijkingen) Verhoogde vatbaarheid voor infecties Verhoogde ijzerabsorptie uit darm → spontane ijzerstapeling Gemiddelde levensverwachting < 40 jaar omwille van Toenemende ijzerbelasting Verhoogde resorptie Vooral door herhaalde transfusies Leverbeschadiging Myocardbeschadiging Efficiënte chelatietherapie (zie verder) verbetert levenverwachting beduidend o β-thalassemia intermedia (klinisch syndroom) deletie 1 β-gen in combinatie met andere afwijking Meestal hemoglobinewaarden tss 7 – 9 gram/dL Vereisen toch vaak geen transfusies tenzij bij infecties of groeivertraging 20 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Galstenen komen frequent voor door chronische hemolyse Kunnen spontaan ijzerstapeling vertonen (zelfs zonder herhaalde transfusies) o β-thalassemia minor = ‘thalassemia trait’: deletie 1 gen, andere oké Heterozygote vorm Veelal benigne aandoening Weinig uitgesproken splenomegalie Geen transfusiebehoefte Afwezige ijzerstapeling Asymptomatische aandoening met normale levensverwachting o Overzicht: kliniek β-thalassemieën Major Intermedia Minor Transfusies +++++ bij infectie geen Hb 7 g/dL 7 – 10 g/dL > 10 g/dL Icterus ++++ + – Splenomegalie ++++ ++ + Skeletafwijkingen ++ + – Laag MCV – MCH +++ ++ + Reticulocytose ++ + RDW: normaal Target cellen 35% + +/– Thalassemia minima: geen symptomen α-thalassemieën α-thalassemie: hemoglobine H o Verloopt minder ernstig dan β-thalassemia major o Vereist geen hypertransfusieprogramma α-thalassemie: hemoglobine Barts o Niet compatibel met leven tenzij prenataal herhaalde transfusies o Postnatale verderzetting van transfusies Technische onderzoeken Typische laboratoriumbevindingen o Microcytaire hypochrome anemie Met sterk afwijkende erytrocytenmorfologie (target cells) o Tekens van hemolyse met Gestegen reticulocytenwaarden Gedaald haptoglobine Verhoging vh indirecte bilirubine Verhoging vh lactaatdehydrogenase (LDH) o Erytroïde hyperplasie en dysplasie in beenmerg o Verhoogde ijzer- en ferritinespiegels Verdere onderzoeken o Bepaling hemoglobinetypes via elektroforese is nuttig bij β-thalassemie Hb A2 (α2, δ2) Hb F (α2, γ2) o Doorgedreven genetische studies voor correcte diagnose bv. DNA-fingerprinting Behandeling Blijft beperkt tot majeure en sommige intermediaire vormen! Kinderen met majeure vorm: hyper-transfusieprogramma o Hypertransfusie of transfusie op indicatie: hoeveelheid RBC die w toegediend verschillen niet (dus niet meer RBC toegediend bij hypertransfusie) o Doel: dalhemoglobinegehalte > 11g/dL houden Onderdrukt endogene erytropoëse → gevolgen Normale groei zonder skeletafwijkingen Verhoogde levenskwaliteit o Transfusie brengt echter ijzer met zich mee 21 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Ijzerchelatie blijft absoluut noodzakelijk!! Verlengt ongetwijfeld levensverwachting Deferoxamine w langdurig (twaalf uur) toegediend: IV of subcutaan Zware psychische en sociale belasting Kan leiden tot huid-, oog- en oorproblemen Deferiprone en Deferasirox: effectieve perorale ijzerchelatoren Valabel alternatief voor Deferoxamine Vertonen (ernstige) nevenwerkingen Agranulocytose (deferiprone) Nierafwijkingen (deferasirox) CI voor ijzertoediening! Erytropoëtine o Hemoglobineproductie verhogen o Overleving RBC verlengen Thalassemia major → enige curatieve therapie: allogene stamceltransplantatie o 90% laagrisicopatiënten hebben ziektevrije overleving o 50% hoogrisicopatiënten overleven Supportieve therapie thalassemiesyndromen o Levenslange supplementen foliumzuur en vitamine E Overleving eigen én getransfundeerd bloed verlengen dankzij capaciteit om vrije radicalen te neutraliseren o Snelle bestrijding van infecties + vermijden (bv. hepatitis B en andere vaccinaties) o Vermijden van erytrotoxische medicatie o Verhogen van hemoglobine F (α2, γ2)-productie met hydroxyurea of butyraat: kan symptomen van bètathalassemie terugdringen Splenectomie: blijft aangewezen bij thalassemia major en intermedia o Vermindert dikwijls ernst van hemolyse o Gevaar op ernstige postsplenectomische infecties met omkapselde bacteriën Owv pneumokokkeninfecties: bij voorkeur gewacht tot na leeftijd 5 – 6 jaar Preoperatieve vaccinatie tegen pneumokokken, Haemophilus en meningokokken is aangewezen Postoperatieve antibioticaprofylaxe (penicilline of amoxilline) is aangewezen Genetica o Genetische counseling kan aantal ernstige thalassemiesyndromen terugdringen Carriers opsporen in risicopopulaties Foetale DNA-analyse (embryoselectie) o Gentherapie bleef tot nog toe ontgoochelend Sikkelcelanamie Voorkomen: distributie vnl in malariagebied Komt hoofdzakelijk voor bij zwarten van Centraal-Afrikaanse origine Maar ook in Sicilië, Griekenland, Midden-Oosten en India (en hun migrantenpopulaties) 22 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Oorzaak: genetische mutant van hemoglobine: Hb S Voor klinische manifestatie: moeder én vader hebben afwijkend gen nodig om door te geven aan kind Dus niet te weinig productie ketens maar defect in β-keten: verkeerd gevormd o Hemoglobine S is gevolg van 1 enkele AZ-substitutie in β-keten van hemoglobine Op DNA-niveau: adenine vervangen door thymine op positie 6 vd β-keten Op eiwitniveau: glutamine wordt valine o Hemoglobine C geeft mild klinisch beeld van sikkelcelanemie: glutamine vervangen door lysine op positie 6 vd β-keten Hemoglobine S o Slaat neer en zorgt voor sikkelvorm van RBC: Hb S slaat neer bij Lage zuurstofspanning Zuur milieu Temperatuurverhoging o Gevolgen vd sikkelvorm Sikkeling van RBC’en leidt tot microcirculatie-stoornissen: adhesie, verstopping en vervolgens necrose Verhoogt bloedafbraak/hemolyse voornamelijk in milt o Deficiëntie van NO kan bijdragen tot symptomatologie Kliniek Vss vormen sikkelcelanemie + symptomatisch of niet? o Homozygote vorm van HbSS Symptomatisch Levensverwachting vnl beperkt tot 35 – 45 jaar o Sikkelceltrait Heterozygote vorm Asymptomatisch! o Ptn met combinatie van HbS en β-thalassemie (HbS-β) = symptomatisch o In mildere mate symptomen bij associatie van HbS met HbC (HbSC) Symptomen / complicaties Acute complicaties Chronische complicaties Infecties (vnl omkapselde bacterieën) Pulmonale hypertensie Vaso-occlusieve crisis Retinopathie Acute-chestsyndroom Ulcus cruris Cerebrovasculaire complicaties Nierfunctiestoornissen Priapisme Osteonecrose Hepatobiliaire complicaties Ijzerstapeling Acute miltsequestratie o Eerste symptomen na leeftijd van 4 – 6 maanden Hevige vaso-occlusieve pijncrisissen (tgv acute occlusie) in Bot (osteonecrose) 23 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Bv. volwassen man die owv alle infarcten in botten veel te klein is gebleven o o o o o o Grote spiergroepen Gewrichten Abdomen Intercurrerende infecties kunnen uitlokkende factor zijn Bij jonge kinderen (< 4 jaar) treden crisissen vooral op thv kleinste bloedvaten in handen en voeten (hand-foot syndrome) Sequestratiecrisissen in milt of long = ‘acute chestsyndroom’ Kunnen leiden tot abrupte daling vd hemoglobine Mogelijk gevolg op lange termijn: pulmonale hypertensie Cerebrovasculaire complicaties: frequent Aplastische crisissen kunnen veroorzaakt w door parvovirusinfecties Priapisme is gevolg van vaatobstructie in corpora cavernosa Dikwijls niet reversibel Meestal slechts matige anemie met progressieve asplenie (door infarctisatie) Begeleidende: verhoogde infectievatbaarheid (vnl omkapselde bacteriën) Weefselinfarcten (tgv chronische slechte microcirculatie) kunnen op alle niveaus worden aangetroffen → typisch Onderbenen met grote weefseldefecten Aseptische necrose vd femurkoppen 24 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Ijzerstapeling (is niet goed voor lichaam) Is gemeenschappelijk punt met thalassemie 2 redenen Door lichaam om te compenseren wat tekort is Transfusies w veel gegeven als therapie Diagnose Aantonen typische sikkelcellen op perifeer bloeduitstrijkje Terugvinden van HbS op hemoglobine-elektroforese met afwezigheid van HbA Typische bevindingen bij sikkeltest op perifeer bloeduitstrijkje (verlagen van O2-spanning) Moleculair genetisch onderzoek: enkel nodig bij complexe afwijkingen o Wnn Hb-electroferese geen uitsluitsel kan geven o Bv. combinaties van HbS met andere globinegenmutaties αthalassemie Zeldzamere Hb-mutanten Behandeling Hoofdzakelijk gericht op preventie van sikkelcelcrisissen o Snelle behandeling van Infecties (altijd, bij iedere eerste klacht) Alkalinisatie o Vermijden van Koude Dehydratatie Grote hoogtes Vaccinatie tegen omkapselde bacteriën: pneumokokken, Haemophilus en meningokokken Preventieve antibiotica (penicilline of amoxicilline) door functionele asplenie Bij ingestelde vaso-occlusieve crisissen (dus ‘aanval’) o Voldoende hydratatie: PO of IV Igv IV: glucose 5% en bicarbonaat o Pijnstilling opstarten!!: morfinederivaten (eventueel pethidine) meestal noodzakelijk Zuurstoftoediening is noodzakelijk indien saturatie < 95% o Desaturatie ABSOLUUT vermijden! Eventueel aangewezen o Bloedverdunning o Bicarbonaatsupplementen o Foliumzuur o Zinksulfaat o (pentoxyfylline) o (vitamine E) Bloedtransfusies om snel ernstige crisis te onderdrukken o Maar leiden tot Ijzerstapeling 25 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Orgaandysfunctie Mogelijk allo-immunisatie o Wisseltransfusies (‘verdunnen met normaal bloed’ om zo circulatie te herstellen) vooral nuttig als Hemoglobine > 9g/dL Priapisme Acute chest-syndroom Cerebrale stoornissen Bij zware sikkelcelanemie: allogene stamceltransplantatie overwegen o Meestal niet gedaan in ontwikkelingslanden (waar HbS meeste voorkomt) maar zou in principe wel kunnen als je er vroeg bij bent Hydroxyurea PO induceert productie van HbF (α2, γ2) o Vermindert aantal en ernst vd crisissen Sildenafil en inhalatie van NO kunnen vasculopathie verbeteren Genetische counseling van carriers is noodzakelijk Andere hemoglobinopathieën > 1000 abnormale of variaties van hemoglobines zijn reeds beschreven Zeldzaam Meestal recissief Dikwijls asymptomatisch In combinatie met HbS: kunnen leiden tot symptomatische sikkelcelziekte Hb E Hb C Hb D Hb Lepore Hb Zurich Hb Oarab … o o o o Methemoglobinopathieën o Veroorzaakt door o o Specifieke mutaties in hemoglobine: Hb M Of door genetisch tekort aan NADH-methemoglobinereductase In circulerende hemoglobin: ijzer bevindt zich in geoxideerde vorm (Fe3+) ipv gewone ferrovorm (Fe2+) Leidt tot verlaagde zuurstofaffiniteit vd hemoglobine en tot cyanose Oxiderende medicatie te vermijden Aangeboren membraanafwijkingen vd RBC Heriditaire sferocytose Voorkomen o Meest frequente vorm van aangeboren hemolytische anemie in West-Europa (1/10002500) o Overerving Meestal autosomaal dominant overgeërfde membraanafwijking vd RBC 5 – 10% vermoedelijk nieuwe mutatie (geen afwijkingen bij ouders teruggevonden) 26 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Typische vorm w veroorzaakt door functionele afwijkingen van membraanproteïnen (oa spectrine en ankyrine) o Leidend tot Verminderd celloppervlak Lagere lipideninhoud Veranderde permeabiliteit o Afwijkingen verhogen osmotische fragiliteit van RBC → induceren chronische hemolyse Kliniek o Leeftijd Presenteert zich typisch bij zuigelingen en jonge kinderen Maar diagnose op elke leeftijd is mogelijk o Bij milde hemolytische anemie: soms géén symptomen Vaak dus zonder klinische weerslag Erger beeld kan wel uitgelokt worden door bv. infectie (daarbuiten weinig last) o Meest frequente symptomen: anemie met Splenomegalie En icterus o Klassiek: zelfs in neonatale fase al forse icterus ontwikkeld Onafhankelijk van ernst latere sferocytose o Familiale anamnese meestal suggestief o Hemolyse treedt dikwijls op in crisissen: infecties, stress, zwangerschap, … o Aplatische crisissen Oorzaken Foliumzuurtekort FZ-deficiëntie er bovendien makkelijk door chronische hemolyse Infecties met parvovirussen Zorgt voor falen erytro- en myelopoëse o Complicaties: galstenen (bilirubinestenen) op vroege leeftijd o Splenectomie vanaf 12 jarige leeftijd (pneumokokken-vaccin!): enkel igv ernstige hemolyse met transfusienood Diagnose o Biochemisch Eerder lichte vorm anemie Positieve hemolytische parameters Gestegen reticulocytose Gedaald haptoglobine Verhoogd indirecte bilirubine Verhoogd lactaatdehydrogenase 27 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Typische sferocyten op perifere uitstrijkje: congenitale sferocytose met dense sferocyten + daarnaast enkele normale RBC en reticulocyten Sterk verhoogde MCHC (mean corpuscular hemoglobin concentration) Is ratio hemoglobine/hematocriet: vaak opvallend hoog Heeft ermee te maken dat hematocriet afhankelijk is van aantal RBC Verhoogde osmotische fragiliteit Oude test: RBC in natriumrijk milieu brengen → cellen sneller kapot dan normaal o Flowcytometrische screeningstest sinds kort beschikbaar Behandeling o Splenectomie blijft meest efficiënte behandelingsvorm voor symptomatische patiënten Vermijdt voorkomen ernstige hemolytische en aplastische crisissen Indien mogelijk uitgesteld tot 5 – 6 jaar (liefst pas vanaf 12 jaar zo mogelijk): preventie overwhelming postsplenectomie sepsis (OPSI-syndroom) door omkapselde bacteriën (pneumokokken, meningokokken) Pneumokokkenvacin ten laatste 3 – 4 weken voor splenectomie is aangewezen Jonge risicopatiënten (astma, verhoogde infectievatbaarheid, metabool lijden): penicillineprofylaxe eerste jaar postsplenectomie Voor splenectomie ook controleren op galstenen Evt gelijktijdige cholecystectomie mogelijk Chronische hemolyse: risico op galstenen neemt beduidend toe vanaf 10 jaar Klein risico op pulmonaire arteriële hypertensie na splenectomie o Splenectomie kan uitgesteld w igv diagnose op latere leeftijd (> 40 jaar) of als pt totaal asymptomatisch is o Bij continue laaggraadige hemolyse: foliumzuursupplementen nodig Andere aangeboren membraanafwijkingen vd RBC Andere opties o Congenitale elliptocytose o Congenitale ovalocytose o Congenitale stomatocytose Klinisch: varieert van asymptomatische tot ernstige hemolyse Splenectomie evt noodzakelijk Aangeboren enzymafwijkingen vd RBC Belang glucosehuishouding RBC Energiebron Regulator oxydo-reductieverhouding Regulator zuurstofaffiniteit Veel enzymen betrokken bij metabole processen → deficiëntie: vss hemolytische processen Glucose-6-fosfaat-dehydrogenase (G-6-PD) o Functie Belangrijk bij productie NADPH: reduceert NADPH dat nodig is voor reductie glutathion Beschermt RBC tegen oxidatieve schade 28 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Oxidatieve schade geeft Schade aan RBC membraan Precipitatie van hemoglobine → DUS hemolyse o Indien defect (steeds geslachtsgebonden) Oxidatieve stress Uitgelokt door Infecties en acute stress (bv. diabetische ketoacidose) Medicatie (antimalaria, sulfonamiden, andere antibiotica, analgetica, …) Favisme: eten van (witte) bonen! Geeft aanleiding tot acute intravasculaire hemolyse (want membraan gaat kapot) Hemoglobinurie ‘zwarte’ urine Tegelijkertijd resistentie tegen infecties door malariaparasieten! Pyruvaatkinase o Enzym dat instaat voor vorming van energiemolecules (ATP) die nodig zijn voor functioneren van RBC o Deficiëntie pyruvaatkinase: te weinig ATP aangemaakt om RBC goed te laten functioneren Voorkomen 1 vd belangrijkste oorzaken van erfelijke non-sferocytaire hemolytische anemie/ chronische congenitale hemolytische anemie Overerving: autosomaal recessief Wereldwijd voorkomen maar in bepaalde bevolkingsgroepen frequenter: NoordEuropa, China, Amish uit Pennsylvania Genetisch en klinisch beeld zeer heterogeen: varieert van asymptomatische tot ernstige hemolytische crisissen bij infecties Exacte mechanisme van hemolyse is nog niet duidelijk Symptomen Icterus Galstenen Splenectomie kan nuttig zijn Andere oorzaken congenitale anemie (Andere enzymatische afwijkingen) Congenitale sideroblastische anemie Porfyrieën o Hepatische vs erytrocytair o Acuut vs chronisch o Dermatologisch vs internistisch Verworven anemieën Ferriprieve of ijzergebrekanemie Inleiding Cariëntiële anemie = anemie door tekorten Maar 0,0002% van lichaam is ijzer o Heeft ermee te maken dat ijzer onmisbaar is maar ook buitengewoon schadelijk o Fe-distributie bij volwassene Hemoglobine 70% Myoglobine 5% Overige deel Ferritine en hemosiderine ± 25% 29 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Plasma-ijzer transferrineenzymgebonden ijzer 0,5% o Totaal: volwassen Man 50 mg/kg Vrouw 35 mg/kg Lichaam ijzerdistributie en –opslag Hematologie | 2015 - 2016 en niet-transferrinegebonden, cytochroom- en o Lichaam gaat zeer zuinig om met ijzer Dagelijks verlies: 1 – 2 mg Vnl door darmcellen: aanvulling nodig Menstruerende vrouw: meer bloedverlies → hoger ijzertekort Lichaam zal er alles aan doen om niet meer op te nemen dan nodig Voeding en ijzer Nl dieet: 6 mg/1000 kcal (10 – 20 mg/d) Vegetariers kunnen dit ook perfect aanvullen België: ong 11,3 (+/- 4,4) mg/d ijzer bij volwassene Ijzer uit sommige voedingselementen: makkelijker of minder makkelijk opgenomen bv. veel ijzer uit vlees maar weinig uit spinazie Rijst 1% Spinazie 1,4% Brood 5% Bonen 1,6 – 7% Vis 6 – 10% Kip 18% Steak 20% Kalfslever 15% In Afrika: 50% ijzertekort omdat er te weinig ijzer wordt aangeboden o Eerste deel vd dunne darm is voornaamste plaats opname ijzer Om te kunnen w opgenomen: moet gereduceerd w naar Fe2+ (ipv Fe3+) Gebeurt door ferritine reductase Dan intracellulair in darmcellen: gebonden aan ferritine Slechts 10% vd PO ingenomen ijzer w daadwerkelijk geresorbeerd Absorptie kan variëren Verhoging resorptie: vitamine C (bv. fruitsap) Vermindering absorptie: fytaten, fosfaten, tannaten (bv. koffie, thee, melk, eten) Ijzerbehoefte in voeding Afhankelijk vd leeftijd Kinderen tot 6 m 6 mg/d 30 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 6 m tot 10 j 10 mg/d Mannen 11 tot 18 j 12 mg/d > 19 j 10 mg/d Vrouwen 11 tot 50 j 15 mg/d > 51 j 10 mg/d Zwangeren (30 mg/d) en menstruerende vrouwen hebben dit meer nodig Dagelijkse ijzerbehoefte (opgenomen ijzer) Volwassen man: 1 miligram Volwassen menstruerende vrouw: tot 3 miligram Zwangere vrouwen: verhoogde ijzerbehoefte van > 3 – 5 mg/d Vanuit klinisch standpunt: enkel belangrijk in laatste trimester Borstvoeding en in adolescente groeifase: 1,5 mg/d ijzer nodig Via basolaterale transporter (ferroportine): uit cel o Hepcidine is zeer belangrijke regulator! Regelt ijzerabsorptie in darm via modulatie van ferroportine Bepaalt of extra ijzer w opgenomen of extracellulair blijft Hoog hepcidine: ijzer blijft opgesloten in reticulo-endotheliaal systeem (RES) en komt niet vrij uit beenmerg Lage hepcidine: ijzer komt makkelijker vrij uit darmcel en RES Congenitale hemochromatose: slecht functioneren of te weinig hepcidine → te veel ijzer kan vrij gesteld w en orgaanschade veroorzaken Vrijzetten hepcidine w bepaald door vss factoren Als beenmerg bloed wil aanmaken: ijzer nodig → lage hepcidine waarde (door erythroferrone van beenmerg) Igv hoog plasma ijzer-transferrine: stimulatie hepcidineproductie → minder ijzer vrij Cytokines stimuleren hepcidineproductie zodat minder ijzer vrijgesteld w o Transport ijzer uit darm naar beenmerg en andere weefsels: via transferrine Elk transferrine-eiwit kan 2 atomen van ijzer dragen Transferrine levert Fe aan weefsels met transferrinereceptoren bv. lever, spieren, … Bij hoge transferrinewaarde zal al veel ijzer beschikbaar zijn waardoor hepcidinewaarde ook zal toenemen o Ferritine = opslagplaats voor ijzerreserves in Macrofagen Reticulo-endotheliaal systeem en lever Ferriprieve of ijzergebrekanemie Anemie veroorzaakt door ijzergebrek is meest frequente vorm van anemie ter wereld o Ontwikkelde landen 1 – 2% bij mannen Tot 5% bij vrouwen o Ontwikkelingslanden: kan oplopen tot ≥ 50% Oorzaken ijzergebrek o In overgrote meerderheid door bloedverlies: gynaecologisch of gastro-intestinaal Bij vrouwen: ferriprieve anemie is gynaecologisch tot tegendeel bewezen 31 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Bij mannen: ferriprieve anemie is meestal alarmteken! Occult bloedverlies opsporen Infecties met H. pylori gaan dikwijls gepaard met ijzertekort In tropen: mijnwormen (hookworms) belangrijke oorzaak Hematurie, epistaxis en hemoptoë: leiden slechts zelden tot klinische ferriprivie Iatrogene ferriprivie is niet zeldzaam Bv. door analgetica zoals acetylsalicylzuur Bv. langdurige therapie met omeprazole Vermindere ijzerinname is in westerse landen weinig belangrijk tenzij bij ptn met Achlorhydrie Gastrectomie Veganisme Anorexie Spruw en/of coeliakie Münchausen: nooit vergeten! Gefingeerde klachten/nagebootste stoornis Bv. automutulatie met opzettelijke aderlatingen bestaat o o o o o o Kliniek Symptomatologie: vaak die van oorzakelijke aandoening met daarenboven symptomen van anemie Anemie heeft negatieve impact op elke orgaanfunctie en op “quality of life” o Centraal zenuwstelsel Cognitieve functie Hoofdpijn Humeur o Cardiovasculair stelsel Tachycardie Angor Hypotensie Zwakte o Cardiorespiratoir stelsel Dyspneu na inspanning Cardiale decompensatie o Huid Bleekheid Koude o Nierfunctie Verminderde perfusie Vloeistofretentie o GI tractus: onregelmatige darmbewegingen o Genitale tractus Menstruele stoornissen Libidoverlies Impotentie o Immuunsysteem: immuundeficiëntie Subklinisch ijzergebrek = zeer typisch concentratiestoornissen Klinisch onderzoek o Bleekheid vd oogleden (conjunctiva) 32 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Bleke handpalmen o Nagelbed niet rood doorlopen maar bleek o Cheilitis + witte lippen Ernstige langdurige ferriprivie o Epitheelbeschadiging Brokkelige nagels Ragaden Lepelnagels (nu maar zelden) o Mucositis: glossitis, oesofagitis met Plummer-Vinsonsyndroom, gastritis en achlorhydrie o Picca Zucht naar het consumeren van niet-eetbare dingen, zoals aarde, haar, steentjes, munten of verfschilfers die van houtwerk worden gepeuterd. Ook het eten van grote hoeveelheden onbewerkt, ongekookt of rauw voedsel wordt als pica gezien, bijvoorbeeld rauwe eieren, rauwe aardappelen, ijs, ongekookte rijst, meel, zout, suiker enz. Patiënten vertonen geen afkeer van gewoon voedsel. Diagnose Labo-onderzoek o Bij vermoeden anemie: steeds aanvraag van Hb, Hct, RBC, MCV, MCH WBC, trombocyten en complet formule Reticulocyten 33 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Microcytaire hypochrome anemie Microcytair Hypochroom Microcytair = verlaagd MCV Hypochroom = verlaagd MCH DD: verlaagd MCV Gedaalde ijzerreserve: ferriprieve anemie Geen reticulocytair antwoord voor compensatie Normale ijzerreserve Denken aan thalassemie: wel reticulocytair antwoord voor compensatie Anemie bij chronische ziekte Sideroblastische anemie o Laag serumijzer o Hoge bindingscapaciteit: saturatie van transferrine < 10% Maar transferrine kan in inflammatoire toestanden vals verlaagd zijn o Laag ferritine: < 12 mg/100 mL Cave: ferritine is ook acute-fasereactant → vals positieve verhoging mogelijk! o Ijzerreserves in beenmerg uitgeput o Bij ernstige ferriprieve anemie treft men soms lichte leukopenie aan o Trombocytose is frequent bij ferriprivie en wijst soms op actieve bloedingen Vroeger beenmergpunctie (met ijzerkleuring) gouden standaard maar bij 95% ijzerdefficiënte ptn: niet nodig! vd Behandeling Eerst en vooral oorzaak aanpakken: gynaecologisch, gastro-enterologisch, diëtair,… o GI bloedverlies Ernstig (alarm-)symptoom: mogelijk kanker bij volwassenen met ferriprieve anemie! Diepgaande exploratie (endoscopisch, beeldvomring) aangewezen Herhaling exploratie na 3 mnd persisterende ferriprivie Bij 20 – 30% blijft oorzaak occult bloedverlies onbekend o Hellicobacter pylori: eradicatie kan anemie corrigeren In alle gevallen zal ijzer PO toegediend w o Best ovv ferrozouten (fumaraat, gluconaat, sulfaat) omdat ferrivormen slecht w geabsorbeerd Betere absorptie van 2-waardig dan 3-waardig ijzer maar betere tolerantie vh laatste o Voldoende lang innemen Minstens 8 – 12 weken na normalisatie anemie Effect 5 – 10 dagen na start therapie: reticulocytose begint te stijgen = teken dat beenmerg terug ah produceren is Geleidelijk aan normaliseert Hb → daarna ook MCV en MCH o Dosis Volwassenen en adolescenten: minimaal 200 mg elementair ijzer per dag Jongere kinderen: siroop in aangepaste dosis (6 mg/kg/dag): intoxicatie voorkomen 34 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen o o IV o o Hematologie | 2015 - 2016 Siroop is te laag geconcentreerd voor volwassenen Zwangere vrouwen: best in 3e trimester profylactisch ijzer innemen (50 – 100 mg elementair ijzer/dag + foliumzuur) Ijzer w best nuchter ingenomen met wat fruitsap ’s morgens of 30 minuten voor maaltijd Oplosbare bruistabletten met lage dosis vitamine C = betere absorptie Thee belemmert absorptie Nevenwerkingen PO ijzertherapie Maaglast Obstipatie Zwarte faecesverkleuring ijzer (Venofer, Injectafer): betere tolerantie, veiliger Dus kan je geven als pt last heeft van PO therapie Cave IM ijzer is geen optie: pijnlijk, geeft verkleuring en sarcomen mogelijk Megaloblastische anemie Inleiding Megaloblastische anemieën zijn te wijten aan vitamine B12- of foliumzuurgebrek o Dus zijn ook cariëntiële anemieën o Veroorzaakt stoornis in DNA synthese → ontstaan te groot cytoplasma in verhouding tot kern zal (nucleocytoplasmatische dysmaturatie) Daarom term ‘megaloblastose’ Functies vit B12 en foliumzuur (FZ) o Vitamine B12 (cobalamine) = essentiële cofactor bij methylering Oa in DNA synthese: bij defect is er ophoping homocysteïne en methylmanolzuur Vit B12 w opgenomen in terminale ileum Intrinsic factor w gesecreteerd door pariëtaalcellen vd maag Vit B12 combineert met intrinsic factor tvv complex W niet verteerd door GI enzymen W geabsorbeerd in terminale ileum door pinocytose Vit B12 w getransporteerd naar lever → hier opslag o FZ Belangrijk bij synthese thymidine vanuit uracil 35 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Omzetting tetrahydrofolaat terug naar 5-methyltetrahydrofolaat! Bij deficiëntie FZ: enkel homocysteïne verhoogd o Beide factoren hebben invloed op alle sneldelende weefsels zoals beenmerg en mucosa Diagnose megaloblastische anemie o Typische anamnese / kliniek Cave: psychiatrie (ptn die dit nadoen, maar is niet frequent) o Typisch bloedbeeld Macrocytair Hyperchroom En tekens van hemolyse! Hyperchroom Macrocytair DD andere oorzaken van macrocytose Alcohol! (moet zelfs niet gigantisch veel alcoholgebruik zijn) Enkel macrocytose, zonder Hb-daling, normale WBC en bloedplaatjes Igv fors gebruik: meestal ook anemie en deficiënties Myelodysplasie Verhoogde reticulocytose Chemotherapie (cytostatica) bv. Hydrea Leverinsufficiëntie Myxoedeem Neonataal Evt pancytopenie: als vit B12- of FZ-deficiëntie langer bestaan kunnen ze aanleiding geven tot Leukopenie Trombocytopenie Geen compenserende reticulocytose Massief gestegen LDH Owv intramedullaire hemolyse van “megaloblasten” o Typisch mergbeeld (ook owv intramedullaire hemolyse van megaloblasten) o Doseren van Vitamine B12 Foliumzuur (serum én rode bloedcellen) 36 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Homocysteinemie en methylmalonzuur Voor DD tussen deficiëntie B12 en FZ o (Schillingtest): bij twijfelgevallen o Anti-pariëtaalcel- en anti-intrinsic-factor antistoffen opsporen o Bv. pt met duidelijke anemieklachten Diepe anemie problemen: zal langzaam ontstaan zijn Macrocytaire anemie (MCV gestegen) Reticulocyten: 10 = zeer laag Dus beenmerg kan niet compenseren omdat voedingsstoffen niet aanwezig zijn Verhoogd LDH en bilirubine: typerend voor hemolyse In beenmerg w RBC gemaakt Maar foute aanmaak → w snel afgebroken: intramedullaire hemolyse Typerend voor foliumzuurdeficiëntie en vit B12 deficiëntie Behandeling o Oorzakelijk! o Igv anemie tgv vit B12-deficiëntie: vitamine B12 parenteraal, meestal IM (/IV/SC) Andere optie: in hoge dosissen PO Zelfs bij perniciosa o Igv anemie tgv FZ-deficiëntie Foliumzuur PO Tenzij bij malabsorptie: dan IV Folinezuur bij foliumzuurantagonisten → voorkomen van excessieve toxiciteit (“folinezuur-rescue”) Foliumzuur preventief: (pre)-zwangerschap (spina bifida) Foliumzuur anticipatie op beenmergsuppressie en recovery, post-hemolyse… o Wat zie je bij substitutie FZ of vit B12? Eerst reticulocytose: antwoord vh beenmerg Uiteindelijk ook stijging Hb Als ook leukopenie en trombocytopenie was: normaliseren ook o Follow-up maagcarcinoom: jaarlijks gastroscopie bij perniciosa (?) 37 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 1. Pernicieuze anemie = ‘perniciosa’ Inleiding Veroorzaakt door defecte secretie intrinsiek factor: vitamine B12 w niet of zeer weinig geresorbeerd in terminale ileum o Is auto-immune aandoening: antistoffen tegen pariëtaalcellen en/of intrinsic factor o Vaak ook auto-immunologische fenomenen thv schildklier, pancreas, bijnier, huid, … Relatief frequente aandoening (7 – 10/100.000/jaar) van vooral oudere leeftijdscategorieën o Vrouwen > mannen o Familiaal voorkomen o Vnl Noord-Europa o Vnl bij ptn met bloedgroep A Achlorhydrie (toestand van verlaagde maagzuurproductie): bijna permanent aanwezig Kliniek Labo: tamelijk ernstige macrocytaire hyperchrome anemie met niet zeldzaam ook o Leukopenie o Trombopenie Lichte geelzucht: intramedullaire hemolyse fragiele megaloblasten Mucosale beschadiging leidt tot o Karakteristieke glossitis (ontsteking vd tong): pijnlijk, rood o Cheilitis o Atrofische gastritis Haarwortelbeschadiding met haaruitval Perniciosa dikwijls geassocieerd met o (vroegtijdig) grijs haar o Blauwe ogen o Bloedgroep A Andere auto-immune stoornissen dragen bij aan pernicieuze symptomen o Myxoedeem o Thyrotoxicose (bv. met protrusie vd ogen) 38 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Ziekte van Addison o Hypoparathyroïdie o Vitiligo o … Verhoogde incidentie aan maagcarcinoom o Jaarlijkse en levenslange gastroscopie nodig Neurologisch soms gecombineerde strengpathologie (neuranemie): vindt men enkel terug bij vit B12-deficiëntie (niet bij foliumzuurdeficiëntie) o Symmetrische paresthesieën ledematen o Stoornissen vibratiezin en proprioceptie o Spierzwakte o Uiteindelijk spastische ataxie o Mentale stoornissen zoals dementie: niet zeldzaam Kunnen optreden in afwezigheid van anemie (vooral bij ouderen) Diagnose Bloedname o Bepaling vitamine B12-spiegels o Opsporen antistoffen tegen intrinsic factor o Terugvinden macrocytose, megaloblastische afwijkingen ook in WBC o Lichte graad van hemolyse Gestegen indirect bilirubine Gestegen LDH Karakteristiek beenmergbeeld Serum en urine: verhoogde gehaltes homocysteïne en methulmalonzuur o Vaak vóór daling vitamine B12-spiegels Schillingtest: radioactief gemerkt vit B12 (al dan niet met IF) toedienen voor beoordeling resorptie via urinaire excretie vh isotoop o Diagnostisch voor perniciosa maar meestal niet noodzakelijk Behandeling: parenterale toedining vitamine B12 Dosis dient hoog genoeg te zijn o Normale dagelijkse behoefte: 1 – 5 µg o Daarbij: leverreserves terug aanvullen: 5 mg nodig o Klassiek schema 1000 µg/dag IM of SC (bij trombopenie) gedurende 1 week 1000 µg/week gedurende 4 weken 1000 µg om 2 maanden Effect = heel snel → bloedtransfusie meestal niet aangewezen Foliumzuursupplementen zijn niet nodig tenzij men megaloblastische anemie om dringende klinische redenen snel wilt behandelen Reticulocytaire crisis te verwachten binnen 5 – 10 dagen o Plotseling efficiënt verlopende erytropoëse zorgt dat grote hoeveelheden kalium w verbruikt → mogelijks levensbedreigende hypokaliemieën o Dus ‘aanvalsbehandeling’ gebeurt best onder toezicht Normalisatie van bloedbeeld verwacht binnen 1 – 2 maanden o Neurologische defecten recupereren bij 90% binnen 6 maanden 2. Megaloblastische anemie door andere vormen vitamine B12-gebruik Slechts zelden is vit B12-gebrek gevolg van voedingsproblemen 39 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Dagelijkse behoefte: 1 – 5 µg o Normale vleesbevattende voeding: 10 – 15 µg o Leverreserves: meestal voldoende voor normale functie gedurende 3 – 5 jaar zonder inname Uitzonderingen o Strikte vegetariërs (veganisten) zijn uitzondering Veganisme (niet vegetariërs): eten geen lever, spiervlees, vis, melk, eiersdooiers Enkel zeer extreme voeding kan tot deficiëntie leiden o Ondervoeding in ZH en vnl rusthuizen: weinig frequent, doch reëel o GI aantasting → deficiënte absorptie thv terminale ileum Gastrectomie Pancreasaandoeningen Parasaire overwoekering (niet zo frequent bij ons maar doordat parasieten veel B12 opnemen: kan leiden tot tekort) Diphyllobotbrium latum Giardia Taenia Dundarm Blind loop syndroom → bacteriële overgroei Ileale resectie Intrinsieke ziekten vh terminale ileum (Crohn!!) Medicatie Bv. metformine (behandeling van diabetes) o Zws: zelden oorzaak van gebrek tenzij igv ernstige ondervoedingstoestand vooraf o Congenitale oorzaken Congenitale B12-malabsorptie (Imerslund) met proteïnurie = zeldzaam Congenitaal: ook transcobalaminedeficiëntie mogelijk Kliniek o Symptomen hangen af van onderliggende aandoening o Specifieke vitamine B12-symptomen: gelijkaardig aan die vd pernicieuze anemie Behandeling: zelfde als vd pernicieuze anemie 3. Foliumzuurgebrek Inleiding Reserves FZ = heel wat minder groot dan die van vitamine B12: symptomatologie sneller (binnen enkele weken) tot uiting Oorzaken o Inadequaat dieet (gedurende vss weken): armoede, instellingen, alcohol, te weinig verse groenten, … o Malabsorptie Jejunale aandoeningen Glutenenteropathie Pancreasaandoeningen Levercirrose Darmlymfoma Whipple of amyloidosis Tropische spruw o Verhoogd verbruik Hyperactieve hematopoëse (door hemolyse of tijdens herstel na chemotherapie) bv. hemolytische anemie Zwangerschap Prematuriteit Inflammatoire ziekten Kanker 40 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 … o Excessief verlies: dialyse o Medicatie Anticonvulsiva (diphantoine en difenylhydantoïne) Sulphasalazine Barbituraten Foliumzuurantagonisten Methotrexaat Pyrimethamine (Daraprim®) Trimetoprim (Bactrim®) Kliniek Lijkt klinisch sterk op pernicieuze anemie zonder neurologische symptomen Gebrek kan tijdens zws leiden tot neurale buisdefecten bij foetus o Anencefalie o Spina bifida o Encefalocoele Diagnostiek: labo Macrocytaire hyperchrome anemie met intramedullaire hemolyse = klassiek o LDH sterk gestegen Leukopenie en trombopenie kunnen voorkomen Foliumzuurgehalte: in serum en RBC (maat voor FZ-reserve) verlaag Antilichamen tegen gliadine kunnen positief zijn Malabsorptietesten wijzen op verstoring Behandeling Eerst en vooral oorzakelijke behandeling Foliumzuursubstitutie o 4 – 5 mg/dag o Na correctie: afbouwen tot 1 – 2 mg/dag o Zolang aanhouden tot oorzaak is gecorrigeerd (zws, anticonvulsiva,…) Bij onderliggend vit B12 gebrek: empirische therapie met enkel FZ kan ernstige neurologische symptomen uitlokken! Folinezuur: indicaties o Intoxicatie met foliumzuurantagonisten die reductie van folaat verhinderen o Excessieve toxiciteit van sommige chemothrapeutica voorkomen Profylactische foliumzuursupplementen o Zwangeren: al vanaf preconceptie o Pt onder hemodialyse o Chronische hemolyse o Tijdens herstel na chemotherapie Andere nutritionele anemieën: tekorten aan vit C, vit A, vit B6, vit E en sommige oligoelementen kunnen ook (carentiële) anemie veroorzaken Anemie bij chronische aandoeningen of secundaire anemie Allerhande chronische aandoeningen gaan soms gepaard met matige tot ernstige secundaire anemie Chronische infecties o Abcessen o TBC o Osteomyelitis o Pyelonefritis 41 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Endocarditis o HIV Chronische inflammatoire aandoeningen o Reumatoïde artritis o Polymyalgia o Lupus o Crohn o Colitis Chronische leveraandoeningen (cirrose) Chronische nieraandoeningen Endocrinologische ziekten Vss tumoren: vnl indien gemetastaseerd Oorzaken zijn divers Onderdrukking erytropoëse met verhoogde apoptose in beenmerg door o Cytokines bv. IL-1 en -6, IFN-γ en TNF uit monocyten/macrofagen o Vrijzetting lactoferrine uit chronische gestimuleerde granulocyten bij infecties Verstoren ijzermetabolisme: sequestratie in reticulo-endotheliaal systeem Verminderde EPO-productie: nieraandoeningen, IFN-γ Verminderde gevoeligheid voor EPO Hypersplenisme (levercirrose) Bloedingen (slokdarmvarices) Verkorte levensduur RBC (microangiopatisch) Hormonale deficiënties: schildklier, bijnier, gonaden Gebrek aan vitaminen en/of oligo-elementen Inductie hepcidine (regulator ijzerabsorptie) door inflammatoire cytokines → ijzer minder opgenomen uit darm → ijzertekort Kliniek Symptomen secundaire anemie = chronische bloedarmoede +/- onderliggende aandoening o Bleek o Moe o Adynamisch o Depressief o Verminderde inspanningstolerantie o Dyspnee o Harkloppingen o … Diagnostiek o Normochrome, normocytaire anemie Soms licht microcytair Meestal mild en weinig evolutief o Verhoogde CPR wijst op onderliggende immuunactivatie o Ijzer? Transferrine laag Fe serum laag Ferritine (vals) hoog: acute-fasereactant Ijzerreserves in beenmerg overvloedig Inbouwstoornis: aanwezigheid sideroblasten maar gebrekkige incorporatie van ijzer in erytroïde voorlopers 42 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Tabel: differentiatie secundaire anemie met ferriprieve anemie Secundaire Ferriprieve Ijzer gedaald gedaald Transferrine gedaald / normaal gestegen Transferrine-saturatie gedaald gedaald Ferritine normaal / gestegen gedaald Oplosbare transferrine normaal gestegen receptor Ratio oplosbare transferrine laag (< 1) hoog (> 2) receptor / log(ferritine) Cytokines gestegen normaal Combinatie gedaald gedaald gedaald gedaald/normaal normaal/gestegen hoog (> 2) gestegen Behandeling: oorzakelijk, erythropoietine, NESP, anti-TNF Simpel gezegd: onderliggende oorzaak aanpakken o Chronische osteomyelitis behandelen → normalisatie anemie o Systeemziekte die slecht gecontroleerd is behandelen o Maligniteit behandeling: op langere termijn meestal pas succesvol o Hormonale substitutie kan anemie van endocrinologische aandoeningen erg verbeteren o Splenectomie igv ernstige hypersplenisme bij cirrose (subjectieve toestand verbeteren) o Chronische nieraandoening: EPO therapie Transplantaties kunnen eventueel definitieve oplossing geven (bij ernstig lever- en nierlijden) Support systemen Bloedtransfusie o Kunnen aangewezen zijn bij symptomatische anemieën o Opletten voor mogelijk Besmettingsrisico Immunisatie Hogere ijzerbelasting Bepaalde maligniteit met EPO behandelen: omdat maligniteiten niet altijd EPO toename veroorzaken o Bv. anemie secundair aan carcinomen, chronische leukemieën, multipel myelomen en soms ook reuma (afhankelijk van endogene productie epo) o Terugbetaling is maar voor beperkt aantal aandoeningen Bv. FE, 36 jarige man Had beeldvorming gekregen o RX toonde grote kliermassa o CT toonde aan dat het grote klieren waren o PET scan toonde activiteit → verdenking op kanker (later bevestigd: Hodgkin lymfoom) 43 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Bloedbeeld o Bloedarmoede Niet zo heel diepe anemie Door onderliggende maligniteit (frequent in kliniek maar w vaak tegen gezondigd) o Hb viel wel mee o MCV: juist normocytair o Reticulocyten: normaal waardes Maar dat is eigenlijk abnormaal: zou aan hoge kant moeten zijn om probleem te compenseren! o Ijzer en transferrine: laag o Ferritine belangrijk: sterk verhoogd Dus NIET microcytaire anemie obv ijzerdeficiëntie Is sleutel tot antwoord Beenmergpunctie met ijzerkleuring: beenmerg zat propbol ijzer bij deze pt dus zeker geen tekort DUS deze pt had bloedarmoede uitgelokt door onderliggende maligniteit Verworven hemolytische anemieën Inleiding Verworven hemolytische aandoeningen w ingedeeld volgens Intrinsieke vs extrinsieke afwijkingen vd RBC Klinisch: intra- vs extravasculaire hemolyse o Intravascylaire hemolyse: naast klassieke symptomen (anemie en icterus) 44 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Meetbaar Hb → eventueel accumulatie in nieren en urine Hemoglobinurie Hemoglobinemie Frequent fragmentocyten op perifere bloeduitstrijkje o Extravasculair: buiten bloedvat → vnl in reticulo-endotheliaal systeem (milt, lever) Kliniek Anemie-symptomen o Vermoeidheid, adynamie, fatigue o Cardiaal, pulmonair, …: orgaanafbraak mogelijk Huidskleur o Bleekheid (palor) o Geelzucht Donkere urine Splenomegalie Pigment galstenen: bij chronisch proces of acuut aangeboren afwijking Symptomen van onderliggende aandoening Labo: afbraak en hemolyse in bloedbeeld kunnen herkennen zijn belangrijkste punten!!! Gemeenschappelijk (afbraak en compensatie) o Normochroom o Normocytair Soms licht macrocytair (door verhoogd aantal reticulocyten) DD anemie volgens grootte vd RBC o Reticulocytose (hoge immature fractie) Beenmerg probeert bloedarmoede te compenseren!! (belangrijk) o Tekens van bloedafbraak LDH Indirecte hyperbilirubinemie Evt verlaagd hapto o Urobilinurie Afhankelijk van oorzaak o Hemoglobinemie, hemoglobinurie o Fragmentocyten! Intravasculair Mechanisch Microangiopathisch 45 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Agglutinatie RBC, MCV+++ (vals!) o Coombs test positief 1. Immuungemedieerde hemolytische anemieën Onderverdeling Naargelang gerichtheid vd betrokken antistof o Allo-immune hemolytische anemie Hemolytische transfusiereacties (ABO, rhesus) Hemolyse bij pasgeborene (rhesus) Na allogene stamceltransplantatie: bloedgroepincompatibiliteit tss donor en receptor o Auto-immune hemolytische anemie Naargelang karakteristieken vd betrokken antistof: klinisch sterk verschillend! o Warme auto-antilichamen Maximaal actief op lichaamstemperatuur Extravasculaire hemolyse o Koude auto-antilichamen Maximaal actief op temperaturen < 37°C Intravasculaire hemolyse Naargelang onderliggende oorzaak o Idiopathische auto-immune hemolytische anemie o Secundaire immuunhemolytische anemie Lymfoproliferatieve aandoeningen Systeemaandoeningen (reumatoïde artritis, lupus) Virale aandoeningen Protozoaire aandoeningen (Mycoplasma) Andere maligniteiten (ovariumtumoren) Chronische inflammatoire aandoeningen (colitis ulcerosa) Medicatie Coombs test: w altijd gedaan voor transfusie of bij verdenking auto-immuunhemolyse Aantonen voor auto-immuunhemolyse (auto-immuunantistoffen op cellen controleren) o Controle bloedbeeld o Directe Coombs test Doet men snel igv vermoeden van hemolyse Anemie Compensatie/reticulocytose Afbraak van RBC (hoger indirect bilirubine, …) Controle of antistoffen zich gebonden hebben aan RBC oppervlakte-antigenen RBC vd pt w geïncubeerd met antihumane AS (Coombs serum) Als agglutinatie plaats vindt: link tss humane antilichamen op RBC’s en antihumane AS → diagnose auto-immuunhemolyse Indirecte Coombs test: bloed kruisen voordat je transfusie gaat doen o Bij elke transfusie w indirecte Coombs uitgevoerd: weten of serum in transfusiept zou reageren op donor 46 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Dus controle of ze AS hebben tegen lichaamsvreemde antigene structuren Hierdoor: hemolyse proberen voorkomen (transfusie niet uitvoeren igv positieve test) o Verloop test: serum van recipient w bekomen waarin Ig’s zitten Recipiënt serum w aan staal donorbloed gevoegd Recipient Ig’s kunnen antilichaam-antigen complexen vormen met RBC van donor Anti-humane Ig’s (Coombs antilichamen/serum) w aan staal toegevoegd → zal voor agglutinatie zorgen als humane Ig’s aan RBC zijn gebonden Auto-immune hemolytische anemie (AIHA) door warmetypeantilichamen AIHA w in 80% vd gevallen veroorzaakt door warmetype auto-immuun antilichamen o Meestal vh IgG-type die leiden tot extravasculaire hemolyse o Oorzaken 20 – 30% zal na exploratie idiopathisch of primair blijken Overige oorzaken = secundair Virale infecties Systeemaandoeningen (SLE) Lymfoplroliferatieve aandoeningen Chronische lymfocytaire leukemie Lymfoom Chronisch inflammatoire syndromen: Crohn, colitis GM (methyldopa, fludarabine) Kliniek o Klinische symptomatologie zeer verscheiden: van acute hemolytische-opstoten tot laaggradige chronische hemolyse Igv chronische hemolyse: vaak (hepato)-splenomegalie Acute opstoten: mogelijk bij infectie, zwangerschap en chirurgische ingrepen o Raadpleging meestal tgv Anemie Icterus o Symptomen onderliggende aandoening kunnen hemolysetekens langdurig maskeren Labo: meestal diagnostisch o Klassieke hemolyseparameters Anemie Macrocytose Reticulocytose Gedaald haptoglobine Gestegen indirect bilirubine Gestegen LDH o Bij meerderheid: positieve directe Coombsreactie o Perifere bloeduitstrijkje Polychromasie door reticulocyten Typische sferocyten Soms immuuntrombocytopenie (evanssyndroom) o Zeldzaam: leuko-erytroblastische formule 47 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Behandeling o Verwijder onderliggende oorzaak o Foliumzuur: omdat beenmerg zo snel is gaan produceren dat FZ-tekort is ontstaan o Corticosteroïden: prednisolone 60 mg/dag Blijft hoeksteen voor symptomatische behandeling o Splenectomie Alleen noodzakelijk igv CI voor corticosteroïden Neveneffecten CS te ernstig o Immunosuppressie Azathioprine Cyclofosfamide Chlorambucil Ciclosporine Hoge dosis immunoglobulines Plasmaferese Anti-CD20 therapie? Rituximab meer en meer als tweedelijnstherapie ingezet Transfusie? Casus: vrouw, 41 jaar o VG: hemithyroïdectomie (benigne) o Verhaal Sinds 2 wkn: griepaal beeld met koorts, hoesten en groene sputa Kreeg behandeling: amoxiclav Toename vermoeidheid, verdere SA neg o Medicatie: L-thyroxine o KO Grauw-gele kleur PM ok 38,1°C Auscultatie Cor nl Crepitaties + discrete demping re basaal Abdomen soepel zonder HSM Gn klieren voelbaar o RX thorax: verdichting infrahilair in rechter longonderveld o ECG: sinusale tachycardie o Labo MCV is aan hoge kant Reticulocyten: hoog Reticulocyten zijn wat groter → kan aanleiding geven tot wat macrocytose 48 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Perifeer bloeduitstrijkje Sterke agglutinatie vd RBC Uitgesproken sferocytose Erythrofagocytose door neutrofielen Forse thrombocytose o Directe antiglobulinetest (directe Coombstest) DAT: sterk positief DAT met anti-IgG: zwak positief DAT met anti-IgA: negatief DAT met anti-IgM: negatief DAT met anti-C3c: sterk positief DAT met anti-C3d: sterk positief o Koude agglutinines: aanwezig Titer (4°C): 1/512 Auto-immune hemolytische anemie door koudetypeantilichamen (koudeagglutininesyndroom, CHAD) AHAI w in 20% vd gevallen veroorzaakt door koud agglutinine o Koud agglutinine = autoantistof die vnl actief is < 37°C o Koude agglutininen zijn meestal vh IgM-type Sterk complementbindend Leiden tot intravasculaire hemolyse Oorzaken o Soms primair of idiopathisch CHAD: primary cold agglutinin diseases o Secundair: vnl terug te vinden bij Vss infectieuze aandoeningen Mycoplamsa pneumonia EBV (infectieuze mononucleosis) Syfilis Lymfomen, chronische lymfatische leukemie, … Systeemziekten Paroxysmale koude hemoglobinurie Kliniek o Acute hemolytische opstoten: bij koudeblootstelling → leidt tot acute hemoglobinurie o Acrocyanose o Raynaudfenomeen o Pijngevoelens in oppervlakkige spiergroepen o Soms splenomegalie o Tekens onderliggende aandoening: pneumonie, klieren, monoculeosis, … Labo o Positieve hemolyseparameters met intravasculaire kenmerken o Coombsreactie is positief: meestal enkel voor complement o Monoklonaliteit vd antistof kan wijzen op onderliggend lymfoom Behandeling o Verwijder onderliggende oorzaak o Foliumzuur o Symptomatisch Verhoog temperatuur Vermijd koude expositie 49 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Post-Mycoplasma of postviraal: meestal zelflimiterend (3 – 4 weken) → behoeven geen behandeling o Corticosteroïden en/of splenectomie: niet doen want ontgoochelende resultaten o Immunosuppressie Azathioprine Cyclophophamide Chlorambucil Ciclosporine Hoge dosis immunoglobuline Plasmaferese Anti-CD20 therapie? Transfusie? 2. Extracorpusculaire (extrinsieke) verworven abnormaliteiten die RBC beschadigen Onderverdeling volgens grootte aangetaste bloedvaten Micro-angiopathische hemolytische anemie Macro-angiopathische hemolytische anemie (w niet verder behandeld) Micro-angiopatische hemolyse Gekenmerkt door fragmentatie RBC in bloedbaan: fragmentocyten (of schizocyten)!! o Dysfunctie endotheelcellen o Kapotsnijden RBC op fibrinedraden Primair verworven aandoeningen o Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) = ziekte van Moschcowitz Terminologie: aandoening is combinatie van Trombotisch Trombocytopenisch Purpura Lijkt contradictorisch: weinig bloedplaatjes/purpura mét trombose Door afwezigheid specifiek plasmaprotease (ADAMTS13) dat normaal von willebrandfactor (vWF) splitst (figuren HB p. 77 ter illustratie) Oorzaak: vorming auto-ADAMTS13 antistoffen Congenitaal Of op immunologische basis (idiopathisch of auto-immuun?) Gevolg: in plasma abnormaal grote vWF-complexen → plaatjesactivatie Microtrombi Intravasculaire stolling Diepe trombopenie!! Nierinsufficiëntie: mogelijk levensbedreigend! Cerebrale trombotische fenomenen: mogelijk levensbedreigend! Levensbedreigende aandoening: zonder adequate behandeling mortaliteit > 90% Klinisch: pentade Koorts Hemolytische anemie Coombs-negatief Aanwezigheid van schistocyten/fragmentocyten Gestegen indirect bilirubine Gestegen LDH (hemolyse + weefselbeschadiging) Trombocytopenie In acute fase zeer laag (< 20.000/µL) Vaak bloedingstekens CZS abnormaliteiten: vaak te maken met trombosen in capillairen vd hersenen Meest frequent: coma, convulsies en focale deficits Vaak in gevorderde en niet gediagnosticeerde gevallen 50 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Renale afwijkingen (kan, maar hoeft niet) Gestegen serum creatinine Microscopische hematurie Proteïnurie Behandeling Therapeutische plasma-uitwisseling met plasma als substitutievloeistof Plasmaferese: wegnemen anti-ADAMTS13 antistoffen → vervangen door normale plasmacomponenten Antiaggregerende medicatie (aspirine) en corticosteroïden Recente toepassing van monoclonale antilichamen tegen B-cellen (anti-CD20, Rituximab) Splenectomie en vincristine-infusen zelden noodzakelijk o Hemolytisch uremisch syndroom (HUS) = Von Gasser Oorzaak Meestal tgv toxine geproduceerd door sommige E. Coli, Shigella- of Salmonellastammen (diarree door Enterobacteriaceae) of zelfs streptokokken Verotoxine Shigatoxine Kan evt ook viraal Genereert karakteristieke microtrombi en fibrinedraden → fragmentatie van RBC Renale symptomen Atypische HUS: mutaties in complementregulerende factoren Casus: vrouw, 20 jaar o Verhaal Griepaal syndroom sinds 1 week (voornamelijk BLW klachten, temperatuur tot 38,2 °C) Ontwikkelen van icterische sclerae, hoofdpijn, verwardheid o Geen belangrijke medische voorgeschiedenis o Doorverwezen wegens bloedresultaten huisarts: toonden micro-angiopathische hemolyse Casus Casus Casus Casus 56 Casus Normaal Casus Casus 5 Casus Casus 6 Casus Casus Normaal Casus5 Casus 6 Normaal 1 31 43 4 4 Micro-angiopathische hemolyse Micro-angiopathische hemolyse Micro-angiopathische hemolyse Casus 1 Casus 3 6.8 8.7 verhoogd Hemoglobine 6.9 Hemoglobine 6.16.8 8.7 7.2 6.8 6.9 12-18 8.7 g/dL verhoogd Verhoogd verhoogd verhoogd Reticulocyten verhoogd Reticulocyten Verhoogd verhoogd verhoogd verhoogd Bloedplaatjes 70000 18000 Bloedplaatjes 31000 17000 22000 70000 6.1 6.9 7.2 6.1 Verhoogd verhoogd Verhoogd Verhoogd 18000 31000 150000-450000/ 17000 18000 µL 22000 31000 12-18 7.2 g/dL 12-18 g/dL Verhoogd 150000-450000/ 22000 150000-450000/ µL µL 70000 17000 Normaal Normaal 5.18 1.23 0.88 Creatinine 1.85.18 Creatinine 1.1 5.18 1.23 0.70-1.30 1.23 mg/dL0.88 0.88 1.8 1.8 1.1 1.1 0.70-1.30 mg/dL 0.70-1.30 mg/dL 3.95 2.68 1.68 Bilirubine totaal 3.89 Bilirubine 3.95 totaal 2.10 3.95 2.68 <1.68 1.00 mg/dL 3.89 2.68 1.68 3.89 2.10 <2.10 1.00 mg/dL < 1.00 mg/dL 2.98 2.19 1.32 Bilirubine indirect 3.21 Bilirubine 2.98 indirect 1.81 2.98 2.19 <1.32 0.50 mg/dL 3.21 2.19 1.32 3.21 1.81 <1.81 0.50 mg/dL < 0.50 mg/dL 2771 2665 2130 LDH 12360 LDH 2771 1800 2771 2665 240-480 2665 U/L12360 2130 2130 12360 1800 1800 240-480 U/L 240-480 U/L Normaal Stolling Normaal Stolling Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal o Perifeer bloedbeeld van micro-angiopathische hemolytische anemie met multipele (door fragmentocyten fibrinedraden) gefragmenteerde RBC: fragmentocyten of schizocyten 51 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Leukopenie, leukocytose en leukocytaire dysfunctie Inleiding WBC-aantal Bij afwijkingen in WBC-aantal: ALTIJD differentiatie (complet formule) aanvragen → controleren in welke reeks probleem zit (lymfocyten, basofielen, leukocyten, …) o Normaalwaarde WBC = 4 – 10 x 109/L o Hogere waardes = leukocytose o Lagere waardes = leukopenie of leukocytopenie Weinig specifiek Geeft niet aan welk subtype van leukocyten deficiënt Geen aanwijzing over te verwachten klinisch beeld of therapeutische aanpak Verschil tss interpretatie van relatieve cytose (%) en absolute cytose (x 109/L) o Als je WBC-aantal en formule krijgt: meestal formule in % Daar moet je mee uitkijken want kan zijn dat je denkt dat samenstelling klopt obv relatieve cytose terwijl er wel iets mis is DUS belang van correcte interpretatie: eerder kijken naar absolute aantallen! o Illustrerend voorbeeld Voorbeeld 1,2 x 109 WBC/L Via relatieve waardes zou men niet onmiddelijk probleem vaststellen in neutrofielen maar absolute waardes zijn veel te laag Voorbeeld 15 x 109 WBC/L Er lijkt (obv relatieve waarde) tekort aan lymfocyten te zijn maar er is absoluut geen probleem in absolute aantal Neutrofielen waren hier wel veel te hoog Leukocytentelling Moderne cellentellers: knn binnen enkele minuten met leukocytenaantal raming geven van aantal granulocyten, eosinofielen, basofielen, lymfocyten en monocytaire of daarop gelijkende (blastaire) cellen o Solitaire leukocytenbepaling zonder formule w dus nog maar weinig/niet gedaan o MAAR simpel microscopisch onderzoek van uitstrijkje: blijft onontbeerlijk om morfologische cellulaire elementen te typeren Dus moet bij elke abnormale leukocytenwaarde of afwijkende formule gebeuren! Maar leukocytose = momentopname van gehele kinetiek vd verschillende soorten WBC o Paar uur later kan WBC-aantal al compleet veranderd zijn Dus igv afwijkingen die je niet verwacht: context controleren Mss stressfactor? → WBC komen wat van vaatwand af waardoor lichte leukocytose o Aantal circulerende WBC w bepaald door Inflow vanuit beenmerg Transit-tijd in circulatie Outflow in weefsels (al dan niet gevolgd door recirculatie) 52 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Omgevingsfactoren (roken?)/ diurne factoren o Bij afwijking is context van belang bv. stress kan leukocytose geven door verhoogde WBC vrijstelling vanuit bloedvatwand (bezoek arts, moeilijke venapunctie, rokers, …) Fysiologische variaties: sequestratie en marginatie o Neutrofielen die je ziet: is slechts deel vd totale granulocyten pool in lichaam (TBGP) (paars = wat je meet in bloed) 50% vd totale granulocyten pool (TBGP) bevindt zich in gemargineerde granulocyten pool (MGP) tegen vaatwand Overige granulocyten zitten in circulerende pool (CGP): enkel dit deel w gemeten o Bij gelijkblijvende TBGP: sterk vss waarden in circulerende bloed knn w gemeten afhankelijk van plotse shifts Gebruik corticosteroïden Demarginisatie vd neutrofielen (loskomen van wand) → extra gemeten Stijging van absoluut WBC aantal Bij sepsis: leukopenie ontwikkeling lijkt onlogisch omdat men segmentaire WBC nodig heeft om dit te overwinnen MAAR Reactie beenmerg laat even op zich wachten Granulopenie gemeten doordat granulocyten aan vaatwand vasthechten tgv complement-gemedieerde marginatie Bv. id longen Is ‘pseudogranulopenie’: ook te vinden bij starvation en anorexia nervosa Maar ook toxische invloed sepsis op beenmerg Pseudo-cytopenieën door technische fouten o Technische fouten vinden vandaag dag eigenlijk niet meer plaats Onnauwkeurig op zeer lage/hoge waarden: ± 10%! Bij valuatie van leukocytenaantal: rekening houden met bepaald aantal factoren o Leeftijd Pasgeborenen: meer neutrofielen, eosinofielen, lymfocyten en monocyten Jonge kinderen: eerder linksverschuiving → later evolutie naar volwassen waarden (lagere waarden) Neutrofielen na 14 dagen Monocyten na 1 jaar Eosinofielen na 14 – 15 jaar Lymfocyten na 18 jaar Hoe ouder men wordt: hoe minder goede WBC o Ras: negroïde ras heeft minder WBC aantal door lagere neutrofielenwaardes o Tijdstip van afname Soort dag-nachtritme (meestal weinig belang) o Techniek van bepaling 53 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Neutropenie, granulopenie en agranulocytose Veruit meest frequente vorm van leukopenie: die wat myeloïde reeks aantasten → oorzaken daling kunnen sterk verschillen Lymfopenie Monocytopenie o Klinische waarde niet zo belangrijk: eerder zeldzame aandoeningen Alleen beschreven bij hairy cell-leukemie o Gaat meestal samen met neutro- en trombopenie Maar mono(cyto)penie kan andere cytopenieën voorafgaan → diagnostische indicator Granulopenie = daling van neutrofielen, basofielen en/of eosinofielen o Grenswaarden Granulopenie, neutropenie: ANC < 2 x 109/L Agranulocytose: ANC < 0,5 x 109/L Heeft klinische consequenties!: granulopenie w symptomatisch vanaf < 0,5 x 10 9/L Meestal pas symptomatisch na 5 – 7 dagen Klinische consequenties: verhoogde infectievatbaarheid Oppassen voor ernstige infecties Zeker opletten op lange termijn Granulocytenaantal van 1 – 2 x 109/L leidt meestal niet tot klinische symptomatologie o Kliniek w bepaald door neutropenie Lage waarde veroorzaakt verhoogde infectievatbaarheid Eosinopenie en basofilopenie: minder belangrijk o Zeer belangrijke klinische waarde! Neutropenie = tekort aan circulerende neutrofiele granulocyten (geen lijstjes vanbuiten leren!) Mogelijke oorzaken Niet medicatie geïnduceerd o Congenitaal (Kostmann’s syndroom): ziet men vooral bij kinderen, bij volwassenen zeldzaam o Verworven: eerder aan denken bij volwassenen Stamcelaandoeningen (AA, Myelodysplasie) Deficiëntie (bv. Vit B12, foliumzuur) Toxisch (bv. Benzeen, bestraling): hobby, beroep, … Post-infectieus (sepsis, viraal) Immunologisch (lupus, RA, Felty) Chronische lymfatische leukemie, hairy cell-leukemie T-cel / LGL / NK-cel pathologie Sequestratie (hypersplenisme) Idiopathisch Medicatie-geïnduceerd = één vd allerbelangrijkste o 2 mogelijkheden Dosisafhankelijk, obligaat (cytostatica): GM’en waaran je op voorhand weet dat ze neutropenie gaan ontwikkelen Bv. methotrexaat bij reumatoïde artritis Bv. chemo onderdrukt sneldelende cellen in beenmerg → leukopenie Daarom: niet te hoog doseren opdat ze kans hebben op recuperatie Idiosyncratisch, allergisch, incidenteel (analgetica, tranquillizers, antipyretica, antibiotica, anticonvulsiva) Goede anamnese van welke GM gebruikt w, wanneer gestart, … → dan opzoeken of dit GM dat kan geven (dus geen nut om vanbuiten te leren) Dan moet je GM ook echt stoppen en vermijden!!!! o Drug induced agranulocytosis 54 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Frequentste hematologische verwikkeling van GM-gebruik: 100/miljoen inwoners/jaar Eerste waar men moet aan denken bij vaststelling neutropenie! Cave kan tot meest ernstige, soms levensbedreigende symptomatologie leiden! Mortaliteit: steeds ± 5 – 10%! (behoorlijk hoog en niet te onderschatten dus) Klinisch beeld ‘Slow onset’ Meestal voorspelbare medicatie (dosisafhankelijk) Verloop eerder atypisch Toenemende malaise Progressieve ontwikkelende infectiviteit Laattijdige herkenning → trage recuperatie en frequent sequelen Fulminant verlopend Dosisonafhankelijk, idiosyncratisch Typisch verloop: enkele uren na inname kan zich al klinisch beeld ontwikkelen (ptn komen vaak doodziek binnen!) Koude rillingen Hoofdpijn Extreme malaise Koorts Mucositis mond/keel Vaak door aanhoudend beeld: inname extra dosis → mucositis onstaat met mogelijks zelf gangreneuze ulceraties of massieve mondvloerflegmone Sepsis Verwarring Complicaties: sepsis, flegmoneuze disseminatie en fatale afloop Bij stop medicatie: relatief snelle recuperatie tot normale granulocytengetallen Binnen 7 – 10 dagen Behandeling Preventief Bloedcontroles: zeker bij langdurige GM gebruik met voorspelbare agranulocytose Substituut producten Patiënt-informatie Er zijn bepaalde GM (bv. die wat opgestart w tegen snelwerkende schildklier) waarbij agranulocytose niet zelden is: pt waarschuwen en informeren! Causaal = voornaamste element in behandeling: vroegtijdige herkenning, stoppen medicatie en tijdig verwijzen Supportief Igv opkomen koorts: onmiddellijk naar ziekenhuis komen Empirische AB therapie (breedspectrum!) = must! Antischimmelprofylaxe is aangewezen Isolatiemaatregelen Al dan niet met darmdecontaminatie Kunnen levensreddend zijn Bij slow onset vorm: recombinante groeifactoren (G-CSF, granulocyte colony stimulating factor) kunnen aangewezn zijn Profylactisch bij myelotoxische chemotherapieschema’s Pseudo-neutropenie: mogelijke oorzaken o Technische fout: ‘oud bloed’ o Aggregatie: EDTA, paraproteïne o Marginatie, sequestratie Idiopathisch Neutropenie en risico van infectieuze complicaties Inschatting infectierisico 55 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Hoe lagere waarde, hoe hoger risico op infectie en complicaties Igv diepe neutropenie (zeker igv ook koorts): opname essentieel want anders binnen 24 – 48u overlijden mogelijk! Oorzaken achterhalen: culturen afnemen Hygiënische maatregelen en isolatie AB o Hoe langer neutropenie bestaat, hoe hoger risico dat men onherroepelijke infectie krijgt o Evolutie neutropenie Onderliggende oorzaak van neutropene koorts o Niet geïdentificeerd bij 60 – 70% (FUO): géén inflammatie! o Bewezen infectieus 30 – 40% (andere gemaskeerd door empirische antibiotherapie?) o Bacteriëmie bij 10 – 20% Steeds opzoeken klinische, radiologische, microbiologische focus! Leukocytaire dysfunctie Het neutrofiele antwoord bij inflammatie Neutrofiele antwoord bij inflammatie: mobilisatie neutrofiele granulocyten naar infectiehaard Het neutrofiele antwoord bij inflammatie behelst achtereenvolgens circulerende PMN adhesie chemotaxis Ontsteking/ inflammatie fagocytose killing Adhesie vd granulocyt tegen vaatwand en diapedese doorheen endotheelcelbarrière (dus neutrofiel kan vanuit bloed vaatwand doorkruisen → kijken waar infectie is) Chemotaxis in richting vd hoogste chemokineconcentratie Fagocytose vh invaderende micro-organisme → uiteindelijk ‘killing’ via o Enzymatische (myeloperoxydase) mechanismen o Oxydatieve mechanismen (superoxide, H2O2 enz) Kwalitatieve afijwkingen vd WBC (vaak bij licht gedaalde of zelfs normale aantallen) = zeldzaam Klinische beelden zijn verscheiden: dikwijls uniek en onderling moeilijk vergelijkbaar Diagnostische technieken erg ingewikkeld en enkel beschikbaar in gespecialiseerde laboratoria Granulocytaire functiedefecten Granulocyten hebben normaal aantal maar kunnen bacteriën niet opnemen en kapot maken Klinische presentatie infectie in pt met granulocytair functie defect: lijkt sterk op die bij ptn met ernstige neutropenie → minimale tekens tot symptomen van levensbedreigende infecties o Dus te overwegen igv atypische verhoogde infectie-vatbaarheid Voorkomen o Vrij zeldzaam als aangeboren afwijking (CGD-chronic granulomatous disease, ChediakHigashi, hyper IgE syndroom, …) 56 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Meer en meer frequent als verworven granulocytaire aandoening Sporadisch medicatie-geinduceerd Typevoorbeeld: myelodysplasie Vormen van defecten o Defecten in micobiële doding o Defecten in chemotaxis en adhesie o Defecten in fagocytose Leukocytose Neutrofiele leukocytose → oorzaken Bacteriële infecties = standaard oorzaak van leukocytose o Maar andere infecties ook mogelijk o Pyogeen: gelokaliseerd of gegeneraliseerd Inflammatie/necrosis o Hartinfarct o Ischemie o Trauma o Vasculitis Metabole afwijkingen o Uremie o Acidosis o Jicht o Eclampsia Corticosteroiden therapie (demarginatie) Myeloproliferatieve ziekten (zie later) o Polycytemia vera o Myelofibrose o Chronische myeloide leukemie Elke maligniteit: “paraneoplastisch” Pseudo: roken, stress (adrenaline) Eosinofiele leukocytose → oorzaken Allergieën o Astma o Hooikoorts o Urticaria o Medicatie bv. antibiotica (penicilline), allopurinol Parasieten o Oxyuriasis (aarsmade), taeniasis (lintworm), ankylostomiasis (mijnworm), Ascariasis (spoelworm), Ecchinococcus, schistosomiasis, bilharziose, Filariasis, … o Cave: “expatriate syndrome” = bij inwijkelingen zoeken naar parasitose als oorzaak van eosinofilie Bepaalde huidaandoeningen Systeemaandoeningen Kwaadaardige aandoeningen o Hodgkin en andere lymfomen o Eosinofiele leukemie o Hypereosinofiel syndroom (premaligne?) Basofiele leukocytose Weinig frequente bevinding Oorzaken o Meestal paraneoplastisch → prognostisch erg ongunstig o Anafylaxie (weefsels vs bloed!) 57 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Myeloproliferatieve neoplasieën o Systemische mastocytose: meestal infiltraten pathologische mestcellen in beenmerg of huid o Myxoedeem o Colitis ulcerosa o Infectie Monocytose Vaak eerst stijging monocyten en dan volgen segmentkernigen o DUS kan in juiste klinische context teken zijn van herstel van bloedbeeld Oorzaken o Infecties: mogelijk silentieuze handteken ve atypische chronische infectie Tuberculose Brucellose Bacteriële endocarditis Malaria Kala-azar Trypanosomiasis Tyfus o Andere inflammatoire/ systeemziekten Sarcoidose Ulceratieve coIitis, Crohn Reumatoide artritis Systemische lupus erytematosus o Hodgkin’s & andere maligne aandoeningen o Acute myelomonocytaire & monocytaire leukemieën o Myelodysplastische syndromen (chronische myelomonocytaire leukemie) Lymfocytosis Aanpak lymfocytose Eerste belangrijkste stap is kliniek o Bv. igv verdenking virale infecties (koorts, spierpijn, …): geen moeilijke onderzoeken doen Belangrijk!: onderscheid maken tss o Polyclonaal = allemaal vss lymfocyten (met vss genetisch materiaal) verhoogd Is meest frequente vorm Bij PCR: Gaussiaans verdeeld Oorzaken Acute infecties VIRAAL! Bv. rubella, bof, mononucleosis, CMV, hepatitis, parvovirus, … Is meest voorkomende oorzaak van lymfocytose Bacteriëel: pertussis Normaal gaat bacteriële vorm niet gepaard met lymfocytose maar kinkhoest is uitzondering Chronische infecties bv. tuberculose, brucellose, infectieuze hepatitis, syfilis Thyrotoxicosis Typisch bij rokers (vooral bij vrouwen) o Monoclonaal = 1 voorloper van lymfocyten clonaal verhoogd Bij PCR: geen Gaussiaanse verdeling maar gewoon ‘streepje’ Oorzaken (meer van belang dan bij polyclonaal!) Monoclonal lymphocytosis of undetermined significance (MLUS): wsl preleukemisch fenomeen Andere lymfoide leukemieën en lymfoma’s 58 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Cave: onderscheid tss “Natural Killer Cell lymfocytose” = indolent “NK cel leukemie” = aggressief Als men lymfocytose niet echt goed in begin kan verklaren: mogelijkheid monoclonale lymfocytose overwegen → immuunfenotypering (via clusters of differentiation (CD)) o Geeft vss zaken aan: T- of B-lymfocyten, B-lymfocyten van 1 kloon, … o Veel chronische lymfatische leukemieën vinden immers insidieus en asymptomatisch plaats o Er kan dus maligniteit achter zitten! Opmerking: leukemoide reactie = reactieve en excessieve leucocytose Extreem hoog aantal WBC maar meest afwijkende is differentiatie o Aanwezigheid immature voorlopers (myeloblasten, promyelocyten, myelocyten, …) in perifeer bloed: cellen die normaal thuis horen in beenmerg maar niet in het bloed Zouden normaal niet in perifeer bloed mogen aanwezig zijn o Als je dit vindt: altijd iets ad hand! Vaker bij kinderen Oorzaak o Ernstige infectie: kinderen kunnen dit nog vaak krijgen! o Chronische infectie o Ernstige hemolyse o Gemetastaseerde maligniteit DD o Chronische myeloide leukemie o Andere MPN Voorbeeld o Pt had harde buik en is bloedbeeld van appendicitis o Hoog aantal WBC: leukocytose beeld Blasten, staven, myelocyten, …: zaten in bloed terwijl dit niet mag Kwam tgv extreme stress voor lichaam → beenmerg veel stimulus om (staafvormige/ segmentaire) WBC te vormen die normaal infectie gaan bestrijden Maar komen vroegtijdig in bloedbaan terecht onder vorm van voorlopers o Bij behandeling: verdwijnt 59 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Leuko-erythroblastische formule = aanwezigheid RBC en WBC voorlopers in perifere bloed Opsomming van oorzaken: minder belangrijk o Erytroblast / normoblast = RBC waar nog kern in zit Als dit in perifeer bloed komt: per definitie fout Igv gepaard met voorlopers vd witte reeks: ‘leuko-erytroblastische formule’ o Gewoon herkennen dat als je dit ziet: er is iets verkeerd in ontwikkeling → verder onderzoek noodzakelijk! Oorzaken o Metastasen in beenmerg o Myelofibrose o Ernstige hemolyse o (Leukemie) o (Multiple myeloma) o (Hodgkin) o (Non-Hodgkin's lymfoma en histiocytaire tumoren) o (Miliaire tuberculose) o (Ernstige megaloblastische anemie) Bv. pt vermoeid, niks lukte meer, … o Bloedbeeld Op korte termijn ontstaan hemolyse en daardoor reactie beenmerg Aanmaak RBC Ook normbolasten (RBC met nog kern in) Maar ook stimulatie WBC om één of andere reden Leukocytose Ook WBC-voorlopers Leuko-erytroblastische formule o Stappen die je dan moet doen Morfologie vh bloedbeeld Toonde hier sferocyten Directe Coombs reactie: owv optie auto-immuunhemolyse → was hier sterk positief Dan is volgende stap: kijken of het koud/warme AS is, welk antigen, … 60 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Trombopenie en trombopathie Inleiding Normale fysiologie Trombopoeitine = belangrijk hormoon dat instaat voor omvorming multipotentiële stamcel naar megakaryoblasten die instaan voor vorming bloedplaatjes Functie bloedplaatjes: eerste stelping van bloed in gang zetten Trombopenie → oorzaken Deficiënte plaatjesproductie tgv beenmergdefect of te weinig bouwstenen o Congenitaal o Verworven via Medicatie (oa ideosyncratisch versus chemo) Beenmerginvasie, -aplasie, bestraling, … Overmatige plaatjesdestructie (bv. immunologisch) Sequestratie: hypersplenisme/splenomegalie o Milt is bloedreservoir: bloedplaatjes kunnen vast komen te zitten → tekort Dilutie (post massieve transfusie) Pseudotrombocytopenie (aggregatie via EDTA) o Bloed w afgenomen op EDTA → sommige gezonde mensen hun bloed heeft dan klontering van bloedplaatjes → automatische celteller kan dit niet goed tellen Patiënten hebben uiteraard geen bloedingsprobleem Aantonen plaatjesaggregaten bij morfologisch onderzoek bloeduitstrijkje bevestigt diagnose o Pt onderzoeken als er trombopenie is vastgesteld en je ziet geen lage bloedplaatjes: denken aan labo-artefact (pseudotrombopenie)!! Als kliniek en labo niet in overeenstemming: altijd aan laboratoriumartefact denken Trombopathie Klinisch beeld trombopenie maar zonder daling van bloedplaatjes Vormen o Congenitaal o Verworven Bv. aspirine!: gaat aggregatie tegen en kan trombopathie veroorzaken Bloedingsneiging: belangrijk onderscheid tss plaatjesprobleem vs stollingsprobleem! Plaatjesprobleem (trombopenie of –pathie) Eerder oppervlakkige bloedingen o Petechiën, purpura thv huid en mucosa Huid: vaak op plaatsen waar druk wat hoger is Mucosaal: neus, darm, … o Mucosale bloedingen o Verlengde bloeding na trauma “Tandarts krijgt bloeding niet gestopt na trekken vd tand” Risico op bloeding: afhankelijk van o Ernst trombocytopenie < 10.000 bloedplaatjes/µL: 21% risico op bloeding 61 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 10.000 – 20.000 bpl/µL: 10% risico op bloeding < 20.000 bpl/µL: w duidelijk symptomatisch 20.000 – 50.000 bpl/µL: 5% risico op bloeding o Levensstijl pt bv. groter risico igv sporter Foto’s: plaatjesprobleem o Petechiën op huid: kleine bloedingen op onderbenen of drukplaatsen o Petechiën op mucosa o Blauwe plekken op benen en purpura (roodpaarse vlekken) o Petechieën en purpura Opmerking: deze foto kwam van vrouw, 77 jaar, trombocyten 4 x 109/L, normale RBC, WBC en differentiatie o Orale bloeding 62 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Bloedingen in/rond oog Bloeding bij oogfundus: kan schade achterlaten Fundusbloeding ook sterk voorspellend voor cerebrale bloedingen Dus zeker onderzoeken Indien aanwezig: profylactisch te werk gaan! Intracerebrale bloeding o Meeste schrik voor maar gelukkig zeldzaam o Igv bloedplaatjes < 10.000/µL: kan bij licht trauma ontstaan → levensbedreigend! Stollingsprobleem → eerder diepe bloedingen Spontane gewrichts- en weke delen bloedingen o Typisch stollingsstoornis: diepe blieding in knie of in gluteusspier Ernstige bloeding na trauma, chirurgie, tandextractie, … o “Tandarts merkt eerst niets maar als pt thuis is begint hij/zij ernstig te bloeden” Immuun gemediëerde trombopenie (ITP) Immuun trombocytopenische purpura: acuut of chronisch o Acuut: meestal bij kinderen → kort verloop Meestal postviraal Spontane remissie o Chronisch (≥ 6 maanden ziekteverloop): bij volwassenen kan dit levenslang blijven bestaan Oorzaken o Vaak geen oorzaak te vinden → idiopathische/primaire ITP: ziekte van Werlhof, AITP o Als antistofvorming tegen bloedplaatjes ontstaat met trombocytopenie tot gevolg: secundaire ITP Systeemziekten (bv. lupus) Virale (en bacteriële) infecties bv. HIV, HVC, H. pylori Bij jonge pt die zich voor 1e keer met geïsoleerde trombopenie presenteert: eerst denken aan virale infectie! 63 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Acute ITP bij kinderen w meestal voorafgegaan door antigenstimulus 2 – 3 weken voor ITP: virale infectie of vaccinatie (mazelen-bof-rubellavaccin is hiervoor gekend) Lymfoproliferatieve aandoeningen Bv. CLL, Hodgkin, … Medicatie-geïnduceerd: veel GM induceren (via directe kruisreactiviteit of door innocent bystander fenomeen (immuuncomplexen)) trombocytopenie Kinine Sulfamiden Digitalis Goudderivaten Herparine Immuungemedieerde vorm Is één vd meest voorkomende oorzaken van trombopenie Allo-antistoffen (HLA- of plaatjes specifiek/HP of human platelet antigens) → tgv Posttransfusie purpura Neonatale allo-immune trombocytopenie Kliniek o Acute ITP: snel aanleiding tot bloedingssymptomen (huid, mucosae) o Chronische ITP Bij erg lage bloedplaatjeswaarden: soms merkwaardig weinig symptomen o Levensbedreigende, spontane bloedingen (cerebraal, abdominaal) igv < 10 x109/L Mortaliteit: 20% o Heparinegeïnduceerde trombocytopenie (HIT): paradoxaal gepaard met trombose! Diagnostiek o Bloedplaatjesgeassocieerde antilichamen: niet diagnostisch bij klassieke ITP o MPV (mean platelet volume): verhoogd door overmaat aan jonge plaatjes o Beenmerg: normale of hyperactieve megakaryocytaire reeks → bewijs voor perifere afbraak o Bloedplaatjesoverlevingstesten: versnelde afbraak (minuten of uren ipv 8 – 10 dagen) Behandeling acute/chronische ITP o Spontane remissie: vnl kinderen (meestal postviraal) o Oorzakelijk H. pylori eradicatie Oorzakelijk GM stoppen o Symptomatisch Prednison 1 – 2 mg/kg/dag voor 1 – 4 weken Starten tot normalisatie bloedplaatjes Dan over aantal weken/maanden voorzichtig afbouwen Effect Blokkeert fagocytose van met antilichamen bedekte bloedplaatjes Geeft zekere stabiliteit ad bloedvaten 70% succes met CS maar bij afbouwen vaak terug trombopenie Complete remissie slechts bij 20 – 30% bereikt DUS andere oplossing zoeken: combinatie met gammaglobulines in 2e lijn Afhankelijk van aantallen Igv < 20.000 bpl/µL: essentieel om te behandelen > 30.000 bpl/µL kan men toch nog even wachten Hoge doses gammaglobulines Globulines verzadigen/blinderen reticulo-endotheliale systeem (RES) voor zekere tijd Goede behandeling in acute situaties maar niet op lange termijn: 80% remissie Soms blijvend voor kinderen Meestal transiënt bij volwassenen 64 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 W gebruikt in alle gevallen waar snelle stijging vd bloedplaatjes nodig is igv CS relatief tegenaangewezen (zws, diabetes, jeugdige leeftijd, osteoporose, maag-ucera, infecties, …) CS onvoldoende actief Acute/ernstige situaties: steeds CS + gammaglobulines waar mogelijk Oa als trombopenie en bloedingen bestaan die levensbedreigend kunnen zijn (slijmvliesbloeding maag, hersenbloeding, …) Anti-rhesus-globulines (bij Rh+ patiënten) Splenectomie: in feite ‘verwijdering’ van deel vh reticulo-endotheliale systeem Als geen veilig plaatjesaantal kan w gehandhaafd mbv CS en immunoglobulines en er is reëel bloedingsrisico Liever niet bij kinderen Vaak spontaan herstel: lever kan functie RES overnemen Milt belangrijke rol in immuniteit: verhoogde kans op overwhelming infecties door lipidenomkapselde bacteriën Sneller voor gekozen bij volwassenen ivm kinderen Indien voor gekozen: preoperatief pneumokokkenvaccinatie! Trombopoiëtine agonisten (Eltrombopag®, Romiplostim®): zetten megakaryocyten aan om meer bloedplaatjes te maken Effectiviteit wijst erop dat er niet alleen probleem is van verhoogde afbraak maar ook van verminderde aanmaak van bloedplaatjes Dure GM → mogen pas bij chronische ITP w opgestart na falen vd medicamenteuze therapie en spelectomie Immuunsuppressieve therapie o Monoclonaal anti CD20 (rituximab, Mabthera®) o Transfusie van bloedplaatjes (?) W niet gedaan want onmiddellijk afgebroken bij auto-immune trombopenie Als pt met ernstige bloedingen binnenkomt: kan toch wel opgestart w o Medicatie counseling 65 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Aandoeningen hematopoëtische stamcel Hematopoiese Hematopoiese: vertrekkend van multipotente hematopoietische stamcel → in vss differentiatie-stappen aanleiding tot uitgroei alle rijpe cellulaire elementen aanwezig in bloedbaan o Proliferatie- en differentiatieprocessen w geregeld door zowel stimulerende (EPO, IL-2, trombopoietine, …) als inhiberende (TNF, IL-1, …) cytokines Hematopoietische stamcel: 1 differentiatiestap verder dan multipotente progenitorcel (MPSC) Aplasie = stamcel stopt met aanmaak bloedcellen (dus probleem van productie) Vaak ‘aplastische anemie’ genoemd maar is verwarrend Want is bloedprobleem maar niet uitsluitend van bloedcellijn maar van alle vormen! Definitie: zeldzame stamcelaandoening waarbij beschadiging van vroege multipotente stamcel leidt tot aplasie in beenmerg en pancytopenie Etiologische classificatie Congenitaal o Fanconi o (Dyskeratosis congenita) Verworven o Directe toxiciteit Iatrogeen Bestraling Chemotherapie: altijd rekening houden met aplasie! Geeft tijdelijke aplasie: stamcellen kunnen zich nog normaal herstelen Blijvende aplasie als te hoge dosis wordt gegeven (vnl vroeger door handmatige toediening en gebrek aan veiligheidskleppen) Omgevingsfactoren (bv. Benzeen of straling: Tsjernobyl, Fukushima) Intermediaire metabolieten van sommige medicaties (bv. chloramfenicol, 1/40.000) o Indirect: immuungemediëerd (hele zeldzame situaties) Viraal (bv. hepatitis) geassociëerd Transient: Parvovirussen Zwangerschap Medicatie Idiopathische aplastische anemie 66 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Symptomen van aplastische anemie w bepaald door pancytopenie (beeldjes: illustratief) Anemie o Duurt weken – maanden voor ontwikkeling → geleidelijke presentatie (niet acute shock dus) Leukopenie: verhoogde infectieneiging o Komen vaak met ernstige symptomen binnen o Huidontsteking o Pt met ontsteking parodontium en gingiva o Ontsteking vh slijmvlies vd wang o Blaasje: kan op virale infectie wijzen o Zeer uitgebreide Herpes zoster infectie 67 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Trombocytopenie: verhoogde bloedingsneiging (oppervlakkige bloedingen) Diagnostiek Bloed o Pancytopenie: je mist eindproducten!! Normochrome anemie met reticulocytopenie Granulocyten < 1,5 x 109/L (severe vs very severe) Trombopenie (< 10 x 109/L = very severe) DD van pancytopenie Afwezigheid van vitaminedeficiënties Beenmerginfiltatie Hemofagocytair syndroom Cave: hypersplenisme o Geen voorlopers in bloed Als ook maar één voorloper te vinden is: kan eigenlijk geen aplasie zijn Cave: leuko-erytroblastische formule Botbiopt en beenmergcultuur: zeer nuttig o Lage cellulariteit in beenmerg (< 25%) Links = normaal Rechts (2 figuren) = aplastische anemie Behandeling Supportieve therapie o Belangrijkste: inschatting vd ernst vd situatie + onmiddellijk supportief werken want is hematologische urgentie wat betreft infectievatbaarheid en bloedingsneiging Infectievatbaarheid: microbiologisch onderzoek, culturen nemen, breedspectrum AB, isolatie, beeldvormend onderzoek, … Aangepast transfusiebleid ter correctie anemie en bloedingspreventie: bestraalde en leukocytenarme bloedproducten o Infectiepreventie Profylactische 68 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Antibiotica: quinolones Anti-schimmelmiddelen (fluconazole, itraconazole, posaconazole) Antivirale middelen (acyclovir, gancyclovir) Mucosa-hygiene (tandarts!): antiseptische spoeling, antibiotische tandpasta Isolatie Isolatietechnieken (gefilterde lucht, positieve druk) Beperkt bezoek, aangepast voedsel, evt. diepvriestoilet Surveillantie-culturen PERSONEEL! o Bloedingspreventie Profylactische bloedplaatjes-transfusies/plasma (Tranexaminezuur (Exacyl IV of PO)) Fysische preventie o Groeifactoren (G-CSF, erytropoietine, trombopoietine)?? Immunosuppressie: cyclosporine, antithomocytenglobuline (ATG), corticoiden o Belangrijk om ziekte onder controle te krijgen o Want belangrijk deel vd idiopathische aplastische anemieën w veroorzaakt door humorale en/of cellulaire immuundysfunctie Allogene Stamceltransplantatie! o Eerstelijns enkel bij jongeren (< 40 jr) o Compatibele donor nodig: haplo-identical (HLA-compatibel op moleculair niveau) Sibling (broer of zuster) MUD: matched unrelated donor (6/6)(12/12) o Stamcellen komen van: bloed, beenmerg, navelstrengbloed, (embryonaal) o “Full” conditionering of RIC (Reduced Intensity Conditioning) Androgenen (oudere ptn) Trombopoetine agonisten: medicatie voor toekomst Casus Forse anemie o Presenteert met klachten van anemie: weken – maanden voor ontwikkeling o Zal zich geleidelijk aanbieden en niet acuut omdat het anders een shock zou zijn WBC aantal is laag o Mogelijke presentaties 69 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Ernstige infecties Zelfs shock door laag aantal segmentairkernigen o Denk in absolute getallen!! Diepe lymfopenie Relatief lymfocytair Segmentairkernigen gaan enkele dagen mee (snel lage waardes) terwijl lymfocyten jaren kunnen door gaan Bloedplaatjes: zeer laag en bloedingen zijn perfect mogelijk Myelodysplasie (MDS) Algemene inleiding Myelodysplastisch syndroom w gekenmerkt door o Aanmaak afwijkende cellen die niet normaal zijn onder microscoop o Ineffectieve hematopoïese dat zich uit als cytopenie Voorbeeldcasussen o 78-jarige vrouw w door cardioloog gezien ivm drukkende pijn op borst bij inspanning VG Patiënte heeft laatste maanden al enkele bovenste luchtweginfecties doorgemaakt Verder blanco Bloedbeeld Hb 8,5 g/dL MCV 103 fL WBC 2 x 109/L 23 % neutrofiele granulocyten 46 % monocyten 31% lymfocyten Trombocyten 89 x 109/L Gemiddelde presentatie MDS rond 65 – 70 jaar: hoe ouder, hoe hogere kans Kliniek Pijn op borst Bleek Bloedarmoede Luchtweginfecties door niet goed geproduceerde WBC Gedaalde bloedplaatjes: niet onmiddelijk bloedingen en blauwe plekken zijn normaal o 65-jarige pt klaagt sedert enkele weken over vermoeidheid bij inspanning en snel blauwe plekken bij gering trauma VG 70 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Laatste maanden al enkele malen koorts ontwikkeld met klachten bovenste luchtwegen waarvoor antibiotica Patiënt rookt pakje/dag gedurende 25 jaar (verband met benzeen? Niet zo duidelijk als bij kanker) Bloedbeeld Hb 6,0 g/dL MCV 105 fL WBC 1,5 x 109/L 1% blasten 2% staafkerningen 34% neutrofiele granulocyten 10% monocyten 53% lymfocyten Trombocyten 25 x 109/L o 28-jarige patiënte komt voor jaarlijkse controle op consultatie hematologie: 6 jaar geleden Hodgkin’s lymfoom vastgesteld waar zij met chemotherapie met succes voor behandeld is Sindsdien geen tekens van recidief Hodgkin Momenteel geen klachten behalve kortademigheid bij grote inspanningen Bij lichamelijk onderzoek valt bleekheid op verder goed Bloedbeeld Hb 8,5 g/dL MCV 107 fL: lichte macrocytose WBC 2,5 x 109/L 4% blasten (meer dan normaal) 34% neutrofiele granulocyten 10% monocyten 52% lymfocyten Trombocyten 85 x 109/L Illustratie dat voor myeldysplastisch syndroom toch oorzaak gevonden kan w: link is echter niet altijd duidelijk o 72-jarige vrouw w door huisarts gezien: volgens dochter is patiente laatste maanden sneller vermoeid Zou bleek zien (door HA bevestigd) Blanco voorgeschiedenis Bloedbeeld Hb 7,5 g/dL MCV 118 fL WBC 5,2 x 109/L 23 % neutrofiele granulocyten 46 % monocyten 31% lymfocyten Trombocyten 175 x 109/L Inleiding: myelodysplastisch syndroom (MDS) Heterogene groep clonale falende beenmergsyndromen o Ontkoppeling van proliferatieve- en differentiatieresponsen o Leiden tot Progressieve cytopenie Kwalitatieve abnormaliteiten: abnormale vorm, … Verhoogde transformatie naar acute leukemie (33% kans op ontwikkeling) 71 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Pathogenese: multi-stap hypothese Proces dat uit meerdere stappen/insulten/hits bestaat voordat ziektebeeld zich compleet uit: door 1 hit krijgt men ziekte niet o Schade kan plaatsvinden totdat cel niet meer kan herstellen of afgebroken w o Hierna vindt ongecontroleerde proliferatie en differentiatie van cellen plaats → ziektebeeld Oncogene “events” volgen elkaar (al dan niet snel) op → uiteindelijk totale overwoekering vh normale beenmerg door kwaadaardige celpopulatie (kloon) Genomische schade: beroeps- en omgevingsblootstelling o Associatie tss MDS en Organische solventen Pesticiden Roken Anorganisch stof, semi-metalen Ioniserende stralen Cytostatica: alkylerende agentia, topo II inhibitoren o Hoger risico voor MDS Landbouwers Machine- en textieel werkers Gezondheidszorgmedewerkers o Voor meerderheid: nog niet goed gekend! Klinische kenmerken 70% patiënten > 50 jaar o Indien toch jonge leeftijd: goede anamnese uitvoeren → woonst, hobby, toxicologisch, … o Herkenning en leeftijd bij diagnose Vroeger was op jonge leeftijd diagnose niet te stellen Nu is er betere herkenning vh ziektebeeld Symptomen beenmergfalen o Leukopenie o Trombopenie o … Zeldzame associaties o Urticaria pigmentosa o Pyoderma gangrenosum o Relapsing polychondritis o Immune cytopenie o Andere maligniteiten o Koorts 72 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Too much APOPTOSI S in M DS o … “the paradox Organomegalie (20%)between blood and marrow” Paradox tss perifere cytopenie en hypercellulair beenmerg peripheral blood bone marrow o Wss omdat cellen in beenmerg zo slecht gemaakt w dat ze in apoptose gaan Diagnose Pertinente klinische gegevens o Dysplasie kan bij 101 afwijkingen plaats vinden: koppeling met kliniek maken! Diagnose o Cytopenie (vaak met lichte macrocytose) o Dysplasie in één of meerdere cellijnen Perifeer bloeduitstrijkje Dysplastische RBC Afwijkende megakaryocyten Beenmerg cytologie/histologie o Met of zonder clonale abnormaliteiten o Subsequente evolutie tot geavanceerde MDS/leukemie Morfologie beenmergcellen o Morfologische classificatie is vaak nog de basis voor MDS diagnose: er zijn talrijke subtypes die labo opspoort → subtypes van MDS kunnen degelijke prognose-inschatting geven o FAB classificatie (illustratief) Type Perifeer bloed Beenmerg Overleving Leukemische (mediaan) evolutie (%) RA Blasten < 1% Blasten < 5% 18 – 64 (50) 12 RARS Blasten < 1% Blasten < 5% met > 14 – 76+ (51) 8 15% ringsideroblasten RAEB Blasten < 5% Blasten 5 – 19% 7 – 16 (11) 44 Blasten ≥ 5% RAEBt Blasten 20 – 29 of Auer 2 – 11 (5) 60 rods CMML - > 109L monocyt Blasten < 20% 9 – 60+ (11) 14 - Blasten < 5% Duidelijk verschil in overleving en evolutie als men naar subtypes kijkt Morfologie van cellen zegt dus iets over prognose en kans op leukemische evolutie! Cytogenetisch en/of interfase analyse o Normaal karyogram sluit MDS niet uit! 73 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Prognostische waarve van cytogenetica Slechte cytogenetische afwijkingen geven minder gunstige overleving en meer kans op ontwikkeling van leukemie DD: exclusie andere ziekten o Deficiënties (foliumzuur, vitamine B12) o Systemische en auto-immune ziektes o Chronische lever- of nierziekten o Infectieus (TBC, viraal) o Virologie (HIV) o Medicamenteus (cytostatica, tuberculostatica) o Blootstelling aan vss zware metalen o Andere hematologische ziektes: lichte macrocytaire anemie, bloedceldysplasie, … o Secundaire MDS o … Functionele abnormaliteiten MDS Erytropoëse o Enzyme defecten PNH-achtige lesies Hb F o Gereduceerde overleving Myelopoëse: gereduceerde ‘killing’, chemotaxis en fagocytose Trombopoëse o Abnormale adhesie o Aggregatie o Verlengde bloeding Ziekte-evolutie Bij diagnose van MDS: 3 eindpunten/doodsoorzaken o 1/3 overlijdt door ineffectieve hematopoëse (infecties, bloedingen, transfusies, …) o 1/3 overlijdt door evolutie naar acute leukemie die men niet kan behandelen o 1/3 overlijdt door ziekte gekoppeld aan leeftijd: CVA, infarct, … Evolutiepatronen o Essentieel dat goede diagnose w gemaakt om overleving in te schatten: onderscheid tss infecties en MDS of leukemie is essentieel punt! 74 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Patronen van evolutie van MDS The I nternational Prognostic scoring system for M A: reeds van begin slechte prognose door snelle ontaarding van cellen met snelle Prognostic 0 0.5 1 1.5 ontwikkeling leukemie variable B en C: langzame verslechting met evt toename jonge leukoblasten M arrow <5 5-10 11-20 Plotse ontaarding (C) blasts (% ) D: stabiele en zeer trage evolutie 1 Karyotype Internationale prognostisch score systeem voor MDS (tergood illustratie enintermediate zeker niet tepoor kennen): ahv 2 21-30 The I nternational Prognostic scoring system for M DS morfologische gegevens en pecentages cellen zegt men iets over overleving en leukemische ontwikkeling Prognostic variable 0 0.5 M arrow blasts (% ) <5 5-10 Karyotype1 good intermediate poor cytopenias 1 0/1 1 cytopenias 1.5 2 0/1 2/3 1 Good risk: -Y, del (5q), del(20q); Poor: complex, -7; intermediate: other 11-20 21-30 2/3 Good risk: -Y, del (5q), del(20q); Poor: complex, -7; intermediate: other low 0 I nter-1 0.5-1 I nter-2 1.5-2 High >2 Greenberg et al., Blood, Behandeling low 0 Afhankelijk van leeftijd I nter-1 0.5-1 1.5-2 o Bij jonge mensen:I nter-2 ‘kruisvaarder-approach’ High MDS is hierbij uitzonderlijk: >2 er zijn er, maar geen meerderheid Meest aggresieve behandeling: beenmergvernietiging en2079, -vervanging Greenberg et al., Blood, 89: 1997 o Bij ouderen: ‘missionaris-approach’ Overwegen of chemo wel nuttig gaat zijn Vaak kiest men liesver voor supportieve behandeling zonder dat ziekte echt getemd w Doelstellingen o Supportieve zorg: blijft belangrijkste eerste stap Verminderen transfusienood: ijzerstapeling in bloed hierdoor vermijden Verminderen infecties en hospitalisatie Bij presentatie infectie zal AB belangrijke rol spelen Optimaliseren levenskwaliteit o Verbetering beenmerg cellulariteit en functionaliteit Leukemische transformatie vertragen: chemo kan hier bij helpen Verbeteren perifere bloedtelling o Genezing trachten te bekomen (jonge ptn!) Therapie van MDS is nog altijd teleurstellend: genezing mogelijk maar komt niet vanzelf Evolutie naar andere maligniteiten is nog niet goed gekend → blijft algemeen moeilijke ziekte Opties o Lage risico MDS Supportieve zorg Differentiatie-inducers Voor RBC rijping: erytropoëtine Voor bloedplaatjesrijping: trombopoëtine agonisten 75 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Voor WBC-rijping: G-CSF Cytokines Anti-cytokines Immuunsuppressie Immunomedulatoren Chemotherapie (lage dosis) o Hoge risico MDS Ook supportieve zorg Chemotherapie: hoge dosis Zonder stamcelondersteuning Met autologe stamcelondersteuning Allogene stamcel transplantatie Gerelateerd Ongerelateerd Monoclonale antilichamen Nieuwe perspectieven o Allografting met gereduceerde intensiteit conditionering o Anti-CD33 monoclonale antilichamen o Farnesyltransferase inhibitoren o Nieuwe ijzerchelatoren o Thalidomide-analogen o TNF-modulators o 5’azacytidine (vidaza) o … Algemene behandeling o Tot 55 – 60 jaar: kandidaten voor allogene transplantatie Informatie over risico Noodzaak van (soms lange tijd) profylaxe tegen grafs-versus-host disease (GvHD) Informatie over alternatieve behandelingsopties o Patiënten met lage of intermediair risico en geen donor of > 60 jaar, goede klinische performantie → liever supportieve zorg en cytoreductieve therapie op individueel niveau: jonge blastaire cellen aanpakken in beenmerg (opruiming) Supportieve zorg of test met EPO (±G-CSF) Immunosuppressieve therapie Antiangiogenetische agentia Differentiatie-inducerende agentia Myeloproliferatieve neoplasieën Algemene inleiding Myeloproliferatieve neoplasieën w veroorzaakt door beschadiging vd multipotente hematopoëtische stamcellen → leiden tot afwijkingen in 3 mergreeksen o Acute myeloproliferatieve aandoeningen (bv. acute myeloïde leukemie) = apart (dus hier niet ter sprake) want Beschadiging in rijpere stamcel Meestal slechts één cellijn aangetast Tss vss myeloproliferatieve syndromen bestaat zekere overlap resulterend in klinische mengvormen o Elk syndroom kan ook overgaan in andere en alle kunnen ze eindigen in acute leukemie o Syndromen die hier w besproken 76 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Polycythemia rubra vera (PV) Essentiële trombocytose (ET) Primaire Myelofibrose (agnogene myeloïde metaplasie-MF: myelosclerose!) Chronische myeloide leukemie (CML) Kenmerken myeloide stoornissen bij diagnose o Als men kijkt naar eindproduct: goed gedifferentieerde en uitgroeiende cellen die goed functioneel zijn (uitrijping op de voorgrond: effectieve hematopoeise!) o Vaak vergroting lever en milt omdat ze geheugen hebben om bloedcellen aan te maken naast beenmerg Frequentie JAK2V617F mutatie bij pt met myeloproliferatieve stoornissen o JAK2V617F mutatie = recent ontdekte merker bij myeloproliferatieve aandoeningen Nu opgenomen in vss criteria om diagnose te vergemakkelijken tov oude criteria Voorkomen 90% PV patiënten: mutatie zet stamcel aan om rode bloedcellen aan te maken 50% ET patiënen 50% MF patiënten o Recent ook nieuwe mutatie vastgesteld bij patiënten waarbij geen mutatie werd gevonden in JAK-2 gen: CALR-mutatie 77 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Polycythemia rubra vera (PV) ‘Ziektetoestand waarbij absolute stijging vd totale hoeveelheid RBC w vastgesteld’ Primaire (clonale) myeloproliferatieve vorm = ziekte van Vacquez = Polycythemia rubra vera Secundaire vorm: polycytemie = symptoom onderliggende aandoening (longen, nieren, tumoren) Relatieve polycytemie: gevolg van daling plasmavolume (hemoconcentratie) Epidemiologie Gemiddelde diagnose leeftijd: 60 jaar Incidentie: 2/100.000 (prevalentie 250 – 300/106) Man > vrouw (1,2:1) Teveel aan RBC heeft redelijk uitgebreide differentieel diagnose (niet zo belangrijk!) Congenitaal o Hoge-zuurstof-affiniteit hemoglobinopathie (autosomaal dominant) o 2,3 BPG deficiëntie (autosomaal recessief) o VHL mutatie (toegenomen EPO) o EPO-R mutatie (EPO laag of normaal) Verworven o Gedreven door hypoxie Chronische longziekte R → L cardio-pulmonale shunts Grote hoogte Roken / carbonmonoxide vergiftiging Slaapapneu / hypoventilatie Stenose vd a. renalis o Zuurstofonafhankelijk EPO injectie Gebruik androgene preparaties RCC / renale cysten / postrenale Tx Meningioma / cerebellair hemangioblastoom Feochromocytoom Uterien leiomyoom Hyperparathyroidie / parathyroid adenoom HCC Other tumors Kliniek en diagnostiek WHO criteria Polycythemia Vera 2008 o Nodig voor diagnose A1 + A2 + 1 B-criterium Of A1 + 2 B-criteria 78 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Recente vaststelling JAK2V617F mutatie: aanwezig in > 95% van PV, 50% ET en 50% PMF Symptomen: van subtiel tot sterk uitgesproken o Plethora: rood gelaat, doorlopen ogen, … (valt klinisch meest op) o Splenomegalie o Hyperviscositeit Wazig zicht, diplopie Hoofdpijn Cave verhoogde tromboseneiging met perifere of centrale (CVA) lokalisatie Orgaanfalen: decompensatie, dyspnee, nierblokkage, cerebraal, … Epistaxis o Trombotische fenomenen (extreem: hemorragische diathese) o o o o Jeuk, urticaria (vooral na warm bad): basofielen en mastcellen Polyneuropathie Jicht Bloedbeeld 79 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Rode bloedbeeld moet op voorgrond zijn!!: verhoogd hemoglobine, hematocriet en RBC Verwarrend: vaak ook bloedplaatjes en WBC verhoogd Illustratie dat het stamcelaandoening is! Typisch ook gestegen Urinezuur LDH Vitamine B12 Complicaties Trombose o Soms levensbedreigend! o Risicofactoren Verhoogde leeftijd (> 60 – 70 jaar) Geschiedenis van tromboses Roken en andere cardiovasculaire risicofactoren Leukocytose Geassocieerde trombocytose? (nog niet duidelijk) JAK2V617F mutatie: prospectieve validatie nog nodig! Andere levensbedreigende complicaties o Bloedingen: < tromboses Gelinkt met verworven von Willebrand deficiëntie in aanwezigheid van trombocytose o Leukemische transformatie: incidentie 5 – 10% in eerste 10 jaar o Ontwikkeling post-PV myelofibrose: fibrosering bindweefsel zodat hemopoëse naar lever en milt gaat (inefficiënte vorming) Risico stratificatie Laag risico o < 60 jaar o Geen geschiedenis van trombose o Afwezigheid cardiovasculaire risicofactoren: DM, roken, cholesterol, AHT, … Hoog risico o > 60 jaar o Geschiedenis van trombose o Aanwezigheid cardiovasculaire risicofactoren: DM, roken, cholesterol, AHT, … Behandeling PV Laag risico o Flebotomie o Lage dosis ASA (75 – 100 mg/d indien geen contra-indicatie) o Cardiovasculaire risicofactoren krachtig behandelen Hoog risico o Flebotomie o Lage dosis ASA (75 – 100 mg/d indien geen contra-indicatie) o Cytoreductieve theapie: hydroxyurea of IFN-α o Cardiovasculaire risicofactoren krachtig behandelen Algemeen: target Hct < 0,45 o Bij laag risico: veel beter behoud omdat hematocriet beter is afgesteld o Er is geen curatieve therapie voorhanden!! Essentiële trombocytose (ET) ‘Te veel bloedplaatjes (BP)’ Epidemiologie o Gemiddelde diagnose leeftijd: 50 – 60 jaar o Incidentie: 1,5 – 2,5/100.000 80 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Geschatte prevalentie: 400/106 (4/10.000) o Vrouwen > mannen Piek bij vrouwen van 30 jaar Oorzaken trombocytose o Primair (essentiëel) o Teken van andere myeloproliferatieve aandoening (PRV, CML, myelofibrose) o Secundair Posthemorragisch Posttraumatisch, postoperatief Chronische inflammatie Postsplenectomie Ijzerdeficiëntie Paraneoplastisch WHO criteria Essentiële Trombocytemie 2008 Systeemziekte WHO criteria Essentiële Trombocytemie 2008 Proposed criteria 1. Trombocyten ≥450 x 109/L 2. Beenmergbiopt met voornamelijk megakaryocytaire toename met atypische grote megakaryocyten. Geen belangrijke afwijkingen aan rood en wit 3. Voldoet niet aan WHO criteria PV, IMF, CML, MDS of andere entiteit 4. Aanwezigheid van JAK2V167F of andere clonale merker, of, in afwezigheid van clonale merker geen aanwijzingen voor secundaire trombocytose o Voor diagnose van ET zijn alle vier criteria noodzakelijk! o Er is 2e mutatie vorm ontdekt naast JAK2 mutatie die diagnose nog vergemakkelijkt: CAL reticuline mutatie Voor diagnose ET zijn alle vier criteria noodzakelijk Symptomen o Meestal asymptomatisch (50%): vaak toevalsbevinding bij bloedonderzoek o 10 – 15%: trombose (arterieel > veneus) o Microcirculatoire stoornissen Hoofdpijn Duizeligheid Distale paresthesieën Acrocyanose Erythromelalgie = aanvalsgewijze hevige brandende pijn, roodheid, warmte, en (soms) oedeem vd huid geluxeerd door warmte 81 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Raynaud fenomeen Livedo reticularis: secundaire dilatatie vd kleine bloedvaten vd huid o Bloedingen Cave BP > 1.500.000/µL: lijkt paradoxaal maar bij te hoge waardes is er defect in plaatjesfunctie o Jeuk: bij 15 – 40% o Bloedbeeld Per definitie normale RBC WBC kunnen licht verhoogd zijn maar niet essentieel Bloedplaatjes duidelijk verhoogd Histologie o Beenmergbiopt met vnl megakaryocytaire toename met atypische grote megakaryocyten o Geen belangrijke afwijkingen aan rood en wit 82 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Risico stratificatie o Laag risico < 60 jaar Geen geschiedenis van trombose BP < 1.500.000/µL o Tussenliggend risico Geen éénduidige definitie: niet laag, niet hoog Operationele definitie: laag risico pt met ≥ 1 vd volgende risico factoren CV ziekte Diabetes Roken Hypertensie Familiale trombofilie … o Hoog risico: sowieso behandeling starten > 60 jaar Geschiedenis van trombo-embolische event(s) BP > 1.500.000/µL Behandeling ET o Laag risico Lage dosis ASA voldoende igv geen contra-indicaties Goede prognose o Tussenliggend risico: individueel bepalen welke behandeling nodig is Lage dosis ASA Behandel CV risicofactoren agressief Bij sommige pt: BP reductie o Hoog risico Lage dosis ASA Reductie BP < 400.000/µL Behandel cardiovasculaire risicofactoren o Beoordeling behandeling kan gedaan w obv trombosevrij interval: significant beter bij behandeling Primaire Myelofibrose (myelosclerose) = verbindweefseling van beenmerg o Dankzij nieuwe testen kan men gemakkelijker diagnose stellen Oorzaken mergfibrose o Primair = ervoor geen PV of ET plaatsgevonden (veronderstelling dat dit zo is) o Secundair Paraneoplastisch Chronische infecties (TBC, osteomyelitis) Paget Botmetastasen (oa prostaat) Bestraling Benzeen, fluorvergiftiging Andere myeloproliferatieve ziekten Osteopetrose o PV en ET vallen binnenin zelfde familie van aandoeningen en kunnen naar fibrotische fase ontwikkelen Epidemiologie o Zeldzame aandoening = 1/100.000 o Mannen = vrouwen o Gemiddelde leeftijd: 61 – 62 jaar Symptomen/kenmerken van primaire myelofibrose o Kliniek is afhankelijk van ernst pancytopenie: igv ernstig zijn er gerelateerde symptomen 83 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Vergevorderd: anemie ontwikkeling Plaatjes kunnen in begin toenemen en later dalen: trombopenie WBC kunnen verhoogd of verlaagd zijn (oa granulocytopenie) o Vermagering, zweten, vermoeidheid o Massieve hepatosplenomegalie Opgeblazen gevoel linker bovenbuik, pijn o Hyperuricemie (jicht) o Sterk verhoogd LDH o Hoog risico op leukemische transformatie (1/3!) Onderzoeken o PMF bloed Teardrop cells, erytroblast Leuko-erythroblastische formule!! Prominente RBC poikilocytose met dacrocyten Bloedcelaantallen Anemie Trombocyten: toegenomen of gedaald WBC: verhoogd of verlaagd o RX: zeer wite botten door fibrosering en sclerosering beenmergholtes o CT Pt met massieve miltvergroting die tot in klein bekken reikt o Beenmerg: verbindweefseling! Verdikking trabekels: nieuwe botvorming Reticuline (en collageen) draden in beenmerg: typerend voor PMF 84 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Verminderde cellulariteit Gedilateerde mergsinussen met intraluminele hematopoiese Prominente megakaryocytaire proliferatie en atypie Criteria chronische idiopathische myelofibrose: fibrotisch stadium WHO 2001 o Niet te veel aantrekken van classificatie: vooral inzien dat het vroeger lastige diagnose was gezien men eerst rest moest uitsluiten o Diagnose ook vergemakkelijkt door identificatie van JAK2 en CALR mutaties JAK2 mutatie: 50% vd idiopatische myelofibrotische (IMF/PMF) gevallen CALR mutatie: bij ong 35% vd idiopatische myelofibrotische (IMF/PMF) gevallen Criteria primaire myelofibrose WHO 2008 o Voor de diagnose moet aan alle 3 majeure criteria en 2 mineure criteria voldaan zijn o Niet de bedoeling dat we ze allemaal uit ons hoofd leren, maar toch idee erover hebben 85 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Voorbeeld bloedbeeld Meerderheid heeft anemie: lichte uiting in begin en progressie met ziekte WBC verhoogd: leukoblasten (voorlopers WBC die versneld uit beenmerg zijn vrijgezet) Normoblasten: voorlopers RBC met kernen Hoe maakt men onderscheid met kanker? Kankers hebben ook leuko-erythroblastose bloedbeeld Formule + klinisch beeld + fibrose beenmerg = PMF Behandeling o Symptomatisch en supportief Transfusies PC en bloedplaatjes Antibiotica Fungistatica o Lage dosis chemotherapie in proliferatieve fase (Hydrea, Lanvis) o Splenectomie Indicaties Hinderlijke splenomegalie Miltinfarcten Refractaire hemolyse Pooling Portale hypertensie Peroperatieve mortaliteit ongeveer 20%! o Stamceltransplantatie Myelo-ablatieve stamceltransplantatie Niet-myeloablatieve stamceltransplantatie o Thalidomide (al dan niet in combinatie met dexamethasone) – Zolendronaat (?) o Ruxolitinib!! JAK 2 remmer: min of meer gericht tegen specifieke mutatie Zeer nuttig bij symptomatische presentatie zoals met vergrote milt Geen genezing maar toch betere overleving ivm andere behandelingen van ervoor o o o o Chronische myeloide leukemie (CML) Aandoening waaraan zo goed als iedereen stierf voor 2000: maar nu goed middel op markt waarmee 85 – 90% vd pt goed leven kan leiden met deze chronische ziekte o Gemiddelde overleving was 5 – 6 jaar voor imatinib bestond Ongetwijfeld stamcelziekte die vnl in WBC en klein beetje in bloedplaatjes presenteert 86 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Proliferatie en differentiatie op voorgrond: cellen kunnen hun functie nog wel doen! Voorkomen o Incidentie: 1 – 1,5/100.000 inwoners o Prevalenie ah toenemen ieder jaar door betere behandeling Kliniek o Vaak toevallige bevinding Vermoeidheid Buikbezwaren Leukostase: teveel WBC die bloedvaten verstoppen met hyperviscositeit → slecht zicht, hoofdpijn, CVA, coma,… Vaak splenomegalie: opgeblazen gevoel, infarctklachten, … Presentatievormen symptomen zijn tegenwoordig minder duidelijk → bloedbeeld voor diagnose o Perifeer bloed o Perifeer bloed geeft alarmteken: verhoging WBC op voorgrond met vooral voorlopers Veel meer uitgesproken dan bij PMF o Voorbeeld labo Soms lichte bloedarmoede Leukocytose duidelijk op voorgrond Vooral voorlopers meer tot expressie Soms eosinofielen en basofielen maar is niet abnormaal Trombocytose soms sterk uitgesproken: onderscheid essentiele trombocytose en CML maken!! 87 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 3 fasen in ziekte (was in tijd voor imatinib) o Eerste presentatie bij arts: meestal in chronische fase o Alle ptn gingen geleidelijk over in ongunstige versnelde fase met aggresief bloedbeeld en ontwikkeling acute leukemie Minderheid kon beenmergtransplantatie krijgen om dit te behandelen o Imatinib heeft therapeutisch landschap voor CML patiënten veranderd Tov behandelingen van vroeger: nu in vroeg stadium duidelijke plateauvorming: meerderheid kan lang kwalitatief leven lijden zonder veel complicaties Eerste kanker waarbij karakteristieke afwijking in chromosoom werd gezien: altijd stukje van chr 9 met chr 22 gewisseld = Philadelphia chromosoom o Translocatie (9;22) = diagnostisch criterium o Producten van translocatie BCR-ABL oncogen Reciproke ABL-BCR op afgeleide 9q+ chromosoom 88 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o BCR-ABL w geactiveerd door ATP: substraat activatie leidt tot CML beeld Toename proliferatie cellen Verminderde aanhechting Verminderde apoptose o Imatinib blokeert werking van BCR-ABL (door te binden thv ATP-bindingsplaats) → CML niet tot uiting 89 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Acute leukemie (AL) Leukemogenese = ongecontroleerde proliferatie van hemopoïetische voorlopercellen (hele jonge hemopoëtische cellen) Verdringing normale hemopoiese: normale aanmaak bloedcellen valt weg o Bloedarmoede o Infectiekans stijgt o Meer kans op bloeding o (combinatie of in één cellijn) Eventueel orgaaninfiltratie: extranodale lokaties o Huid o Slijmvliezen o Milt o CZS o Testis Leidt zonder behandeling tot dood (enkele weken, soms paar maanden) Bij AL is er onderverdeling in o Acute myeloïde leukemie (AML): vnl op oudere leeftijd o Acute lymfatische leukemie (ALL) Algemeen Indeling leukemie (chronische leukemie: zie eerder) Presentatie Acute leukemie Begin Sterftekans (zonder R/) Leeftijd Witte bloedcellen Celkenmerken Neutropenie Anemie Trombopenie Abrupt Weken tot maanden Jong/oud Verhoogd/normaal/verlaagd Blastair (onrijp) Meestal Meestal Vaak Chronische leukemie Jaren Jaren Volwassen/oud Verhoogd Rijp Zelden Soms Nee/soms Acute leukemie = als men in bloed of beenmerg > 20% blastaire cellen vindt o Maar ook op voorgrond: ineffectieve hematopoiese! Etiologie? o Ongekend o Wat we wel weten is dat acute leukemie niet door 1 iets ontstaat: er zijn hits op meerdere momenten die tot groeivoordeel leiden → agressieve ziekte kan ontstaan o Wsl combinatie van gastheer- en milieufactoren die leiden tot ontstaan hematologische kankers Gastheer 90 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 “Goede” Erfelijke genen?: “The good, bad and ugly” Carcinogeenmetabolizerende genen Chemotherapiemetabolizerende genen DNA-herstelmechanismen Milieu Diversiteit van factoren: fysisch, chemisch, iatrogeen, infectieus, voeding, socioeconomisch Intracellulaire effectieve dosis van blootstelling o Hematologische kankers Vroege (sub-klinische) biologische effecten Moleculair-gedefinieerde subsets Somatische mutaties tijdens ziekteverloop Epidemiologie o AML Incidentie: 2 – 3/100.000 inwoners/jaar Op totale bevolking: 1,2% (US) Lineaire toename met leeftijd < 35 jaar: < 1/100.000 inwoners/jaar > 65 jaar: > 10/100.000 inwoners/jaar Mediane leeftijd: 60 – 70 jaar Laatste jaren is incidentie redelijk stabiel gebleven maar wel toename in gebieden met kernrampen o ALL Incidentie: 2/100.000 inwoners/jaar 75% kinderen B-ALL 80 – 85% Predominantie bij kinderen 10% presenteert zonder beenmergaantasting (B-cel lymfoblastisch lymfoom) T-ALL Aandeel tov totale ALL 15% van kinder ALL 25% van volwassen ALL Predominatie bij adolescenten/jong volwassenen Frequente presentatie met uitsluitend extramedullaire betrekking (T-cel lymfoblastisch lymfoom) Kliniek Algemeen (ALL en AML) o Falen beenmerg met verdringing hematopoëse: combinatie uittingen vaak Anemie Neutropenie: verhoogde infectiekans trombocytopenie o Extramedulaire betrekking: vnl bij kinderen Huid Tandvles CZS Testis … o Proliferatieve symptomen: enorme vermenigvuldiging met afbraak en urinezuurproductie waardoor jicht kan ontstaan o Stollingsstoornissen: bloedingsneiging nog eens vergroten o Leukostase: leukocyten die in bloed komen door te grote productie plakken nog aan elkaar door hun jonge vorm → mogelijk gevolg: hyperviscositeit! Orgaanfalen 91 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Nabloeding Hoofdpijn Slecht zicht o Metabole stoornissen Lysis tumor syndroom: zeer gemengd beeld dat vss organen kan aantasten Klinisch beeld o Huid infiltratie (granulocytair sarcoom): te zien bij AML o Gingivale infiltratie: te zien bij AML o Onderhuidse infectie door verhoogde infectieneiging o Necrotische huidletsels o Schimmelinfectie in mond o Metastatische infecties: occlusie vaten distaal o Necrotische infectie hand o Hyperviscositeit met bloedingen in fundus 92 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o T-ALL: mediastinale betrekking met grote kliervergroting Labobevindingen o Anemie, granulopenie, trombocytopenie o WBC: kan 2 kanten op Hyperleukocytose (70%) Hoge WBC Vooral blastaire cellen: myeloblasten, lymfoblasten, monoblasten, … Maar blastaire cellen vindt men niet altijd terug in bloed: vaak beenmerg nodig! Abnormale formule: vaak 20 – 99% blastaire cellen Leukopenie (30%): “aleukemische leukemie” o Sterk gestegen LDH o Sterk gestegen urinezuur o Wisselend CRP o Specifiek: intravasale stolling, nier- en leverfunctiestoornissen, hypercalcemie, hypoK+ Diagnose (weten hoe men te werk gaat, niet verder detailistisch kennen) Microscopie o Controleer of er blastaire cellen zijn of niet o Evt met kleuringen voor myeloide of leukemische basis diagnose Immunofenotypering voor prognose en therapie Meer en meer chromosomaal onderzoek: cytogenetisch o Er zijn bepaalde soorten cytogenetische afwijkingen die goede prognose vertonen → behandeling op aanpassen zodat men niet zwaarste therapie bij goede overleving geeft Bv. 15;17 translocatie al van begin aanpassing want gevoelig aan hoge dosis vitamine A o Meer en meer moleculair onderzoek Vroeger gebruikte men morfologie voor indeling acute leukemie maar maakte geen onderscheid in prognose → verlaten techniek Flow cytometrie o Belangrijk voor verschil lymfatisch en myeloïde vorm o Belangrijker ah worden omdat het toelaat tijdens behandeling te controleren of er nog leukemische blastaire cellen aanwezig zijn zodat men behandeling kan aanpassen Niet in detail kennen o Cytology o o o o PB BM (BM aspirate ± BM biopsy) Cytochemistry MPO (myeloperoxidase) & Sudan Black B (SBB) – Myeloid origin Non-specific esterase (NSE): -naphthyl acetate (ANA), -naphthyl butyrate (ANB) – Monocytic origin Inmunophenotype Hematopoietic precursors: CD34, HLA-DR, CD45 My Ag: CD13, CD33, CD15, MPO, CD117 Megakaryoblastic Ag: CD41, CD61 Cytogenetics Molecular biology Fusion transcripts (RT-PCR): PML/RAR-, AML1/ETO, CBF-/MYH11, MLL/..., BCR/ABL, DEK/CAN) New mutations with prognostic impact: flt-3-ITD, CEBPalfa, NPM, … 93 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Behandeling: niet in detail Schematische voorstelling vd chemotherapeutische behandeling van acute leukemie: achtereenvolgens remissie-inductie, consolidatie en (evt) onderhoudstherapie Behandeling van acute leukemie Tumor massa 1012 chemo refractair Remissie inductie relaps chemo Consolidatie CR 104-106 chemo MRD genezing tijd CR: complete remissie M RD: minimale residuele ziekte Onderhoudstherapie o Resistentie tegen initiële chemo leidt tot refractaire toestand en fatale afloop als niet snel tot transplantatie kan w overgegaan o MRD (minimale residuele ziekte) kan leiden tot laattijdig herval! Hoe ziet behandeling eruit? o Als diagnose goed gesteld is (myeloid of lymfatisch, prognostische factoren): chemo samenstellen en starten → inductiechemotherapie Men wilt tumorload zo laag mogelijk brengen Maand in ZH opgenomen want zijn zware chemobehandelingen Supportieve therapie is enorm belangrijk omdat men lange tijd veel kapot maakt Verhoogde infectiekans (bacterieel, viraal, schimmels) Uitputtend braken en nausea Hemorragische verwikkelingen Op gegeven moment moet normaal weefsel herstellen van schade chemo: slijmvliezen, aanmaak bloedcellen, hart- en leverherstel → altijd periode tss 2 kuren met hoop dat veel maligne cellen al kapot zijn o Met volgende kuur: verder verdieping/destructie van cellen = consolidatiefase Er zijn technieken die moleculaire afwijkingen kunnen opsporen om specifiek op te behandelen en te controleren of ze vernietigd w Hoop dat na 3 – 4 kuren genezing is bekomen Er kan echter ook relaps plaats vinden voor tweede kuur = problematisch!! Na de consolidatiefase vindt stamceltransplantatie (allogeen of autogeen) plaats o Onderhoudstherapie: afronding inductie- en consolidatie fases → nog aantal jaar met lichtere chemo verdergaan voor betere overleving Vooral bij jongeren want werkt niet zo goed bij volwassenen 94 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Supportieve zorgen Prognose o AML AML: prognosis in younger population AML: outcome according to cytogenetics (MRC) 1,0 ,8 Probability Hematologie | 2015 - 2016 ,6 38 + 4% ,4 ,2 n= 292 0,0 0 10 20 30 40 50 60 Months Jonge populatie: < 60 jaar Grimwade et al, 1998 Behandeling tot 40% overleving op lange termijn 60% heeft nog geen goede oplossing Op oudere leeftijd (> 60 jaar) is overleving uitermate somber Genezing is uitzonderlijk Beperkte controle is mogelijk maar verlies van 90 – 95% op lange termijn o Wat verandert bij jongeren prognose? Heel veel studies < Amerika: aangetoond dat curves naar boven gaan → zeggen dat ALL op kinderleeftijd tot 18 jaar overleving van 85 – 90% geeft Ivm volwassen leukemie Bij kinderen zeer strak met juiste dosis op juiste periode zonder dat interval overtroffen w (week vakantie mag bv. niet: strikt in toepassing) Dit is wsl 1 vd geheimen zijn waardor overleving beter is maar niet enige 18 – 30 jaar (“jongeren/jong volwassenen”): als men ook consequent zoals bij kinderen werkt ziet men dat de overleving ook beter is Bij volwassenen andere moleculaire en cytogenetische afwijkingen (ander ontstaan): overleving slechter is o Hoop dat er meer en meer gerichte behandeling komt om prognose op oudere leeftijd te verbeteren 95 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Lymfadenopathie en lymfomen Inleiding Lymfeklieren Behoren tot immuunstelsel: lymfatisch systeem o Vormen afweersysteem tegen vss ziektes, lichaamsvreemde stoffen, transplantatie afstoting, … om lichaam vrij te houden van gevaren Connectie klieren via banen waarlangs lymfocyten lopen Als klieren actief zijn: kunnen groter w → lymfadenopathie: rond 1,5 cm Lymfadenopathie Differentieel diagnose Immunologisch of inflammatoir/infectieus o Eerst aan denken want veruit meerderheid vd vergrotingen is infectieus o Infectie: bacterieel, viraal, schimmel, protozoa Voorafgaand viraal syndroom (myalgieën, koorts, bovenste luchtweginfectie) = suggestief voor infectieuze etiologie Procentueel: virale infecties belangrijkste oorzaak van lymfadenopathieën o Systeemziekten Reumatoïde artritis SLE Dermatomyositis Sarcoidosis o Diversen Atypische lymfoproliferatieve ziekten (AILD, “prelymfoma’s?”) Medicamenteus geïnduceerd Niet frequent Er is een lijst (anti-epileptica, AB, …) maar vnl aan denken als men geen andere oorzaak vindt Reactief (bv. bij huidafwijkingen) Maligniteit o Maligniteiten vormt ook belangrijke groep door consequenties maar veruit minder frequent Snel en invasief exploreren kan noodzakelijk zijn! o Hematologisch Lymfoom Acute / chronische leukemie Myeloproliferatieve aandoeningen o Niet-hematologisch Hoofd / hals / nek Long Borst Maag / nier Endocrinologisch Stapelingsziekten Anamnese Leeftijd, geslacht Verblijf elders Begeleidende verschijnselen die bv. op systeemaandoening wijzen Infectie, constitutionele klachten o B-symptomatologie: kan wijzen op maligne lymfoma, systeemziekten, systeeminfecties of (epitheliale) tumoren 96 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Gewichtsverlies > 10% over laatste zes maanden Nachtzweten Koorts > 38°C > 48 uur o Constitutionele klachten: igv al aantal weken aanwezig kan er iets maligne achter schuilen Duur vd klachten Traumatische letsels in afferente gebieden (bv. handwonden bij okselklieren en teeninfecties bij liesklieren) leiden tot soms indrukwekkende en langdurige lymfeklierzwellingen Medicatie o Kunnen via hypersensitiviteitsmechanisme aanleiding geven tot lymfadenopathieën en systeemsymptomen Contact met dieren o Bv. toxoplasmose o Opletten voor krabletsels en bepaalde voedingsgewoonten ‘Risico’ groep o Bv. HIV,… Cave: lokale pijn is niet steeds stigma van reactiviteit en/of goedaardigheid!! Lichamelijk onderzoek Cave! o Niet alle pijnlijke, rode en/of fluctuerende klieren zijn infectieus en/of benigne o Niet alle pijnloze, vastliggende, harde klieren zijn maligne o Voorzichtig met maligne aandoeningen vd lymfeklieren: vaak verhoogde infectievatbaarheid → infectieuze “benigne” klieren bij maligne aandoening Onderzoek vd vergrote klier o Grootte, symmetrie Grotere klieren = hoger risico op maligniteiten Bv. EBV geeft nooit klieren van 3 – 5 cm Igv symmetrie aan beide kanten en klein: kans groot op virale of bacteriële basis Igv unilateraal en vrij groot: kans op maligniteit groter o Consistentie (elastisch of hard) Igv hard en vastzitten: kan maligne zijn, maar kan ook bij TBC voorkomen Igv elastisch en goed bewegend: kan goedaardig zijn o “Rubor, calor, dolor, tumor” in nabijheid locoregionale infectie: dan kan je vergroting wsl toeschrijven aan die infectie o Losliggend of vergroeid, onregelmatig aanvoelend o Huid geinfiltreerd o Begeleidende rash: vnl bij kinderen indicatief voor virale etiologie Enkelvoudig of gegeneraliseerd Localisatie vd lymfeklier (groep) = mss belangrijkste om aard in te schatten o Aantal plekken die maligne zijn tot tegendeel bewezen Supraclaviculair: niet slordig palperen waarbij men gezwel zou wegdrukken! Epitrochleair o Retro-auriculair / occipitaal Meestal viraal bv. toxoplasmose o Submandibulair (dentaal/speekselklier) o Bilateraal cervicaal: “meestal banaal” Gegeneraliseerde infecties Oropharyngeale infecties o Unilaterale massa cervicaal: ‘maligne’ o Supraclaviculair: nooit banaal!!! → steeds biopsie nodig Rechts (intra-thoracaal): longkanker, … Links (intra-abdominaal) o Axillair: vaak infectieus (drainagestation ook indien trauma) o Inguinaal: aan geslachtsziektes denken! o Mediastinaal en hilair 97 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Dikwijls asymptomatisch Symptomatisch Tracheobronchiale compressie Laryngeale zenuwcompressie (CBH) Compressie vd oesophagus Vena cava superior syndroom Asymmetrisch/symmetrisch vergroot o Abdominale lymfekliervergoting Meestal asymptomatisch Compressie-fenomenen (Hepato)- splenomegalie Tekens van infectie/inflammatie Crohn/colitis/coeliakie Meten van koorts: koortspatronen zeggen aandoeningen Hematologie | 2015 - 2016 WEINIG over aanwezigheid specifieke Bijkomende onderzoeken Aanvullend echografisch/radiologisch onderzoek (CT, MRI, PET…) Bloedbeeld, (beenmerg in 2e tijd) Afnemen van culturen (lokaal-systemisch) Serologisch onderzoek (viraal-toxo-bact) Igv geen zekere diagnose bij klinisch verdachte presentatie: lymfeklierbiopsie o Wanneer? Maximale wachttijd 2 – 4 weken Eventueel direct! o “alles erop en eraan!”: morfo-immuno-genetica-moleculair-cultuur Lymfoom Inleiding Lymfoom = kanker of kwaadaardige ziekte vd lymfeklier Uitzaaiing van ander gezwel (bv. borst) naar lymfeklier is GEEN lymfoom: dit is metastatisch Lymfoom is eigenlijk niet zo zeldzaam: nationaal op 4 e plek bij mannen en op 6e plek bij vrouwen van alle kankers Lymfoom = verzamelnaam van vss lymfeklierkankers → bemoeilijkt benaming o Hodgkin lymfoom o Non-Hodgkin lymfoom Voornaamste Folliculaire lymfomen: 30 – 35% Diffuse grootcellige B-cel lymfomen: 30 – 40% Volledig overzicht B-cellymfomen indolent Folliculair lymfoom 98 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Marginalezonelymfoom (MALT, mucoa associated lymphoid tissue) Lymfocytaire lymfomen (in leukemische vorm = CLL) B-cellymfomen aggressief Diffuus grootcellig B-cel lymfoom Mantelcellymfoom B-lymfoblastisch lymfoom Burkittlymfoom T-cellymfomen Perifeer T-cellymfoom Grootcellig anaplastisch T-cellymfoom T-lymfoblastair lymfoom Cutane T-cellymfomen (Mycosis fungoides, sezarysyndroom) Belang van goede patholoog: illustratie! o Burkitt lymfoom (Li boven): uitermate aggresief met 10% herstel bij lage dosis therapie, maar hoge dosis geeft 80% genezing o Hodgkin lymfoom (Re boven): tot 95% genezing! Nadelen op lange termijn zijn vnl behandeling: aandacht vnl voor veiligheid behandeling en afbouwen er van! o Folliculair lymfoom (Li onder) Als pt geen last heeft (50% heeft bij presentatie geen last buiten klier die blijft): geen behandeling eerste jaren Toch is dit juist behandeling voor deze vorm in het begin! o Re onder: kan in maag en relatie hebben met H. pylori → erradicatie van Helicobacter nodig mbv AB dus zonder bestraling of heelkunde (Zollinger Ellison syndroom) Klachten van lymfoom Geen: soms toevallige bevinding Pt merkt kliervergroting op (klier gaat niet weg) ‘B-symptomen’ o Koorts (zonder andere verklaring) o Nachtzweten (patiënt “drijft” zijn/haar bed uit) o Gewichtsverlies (zonder dieet) o Geen eetlust o Klachten die samenhangen met plaats van kliervergroting Als lymfoom vermoed wordt Klierbiopsie Stagering: onderzoek uitgebreidheid vd ziekte Waarom? 99 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Keuze van behandeling Samenstelling vd chemotherapeutica Duur vd chemotherapeutische behandeling Evt bestraling o Voor later Is alles weg? (complete remissie) Blijft alles weg? (latere controles) Diagnose en stagering Statistisch is kans klein dat lymfoom uit grote klier komt Palpeer elk klierstation dat men kan palperen Beeldvorming o Standaard: thoraxfoto aangevraagd o Abdominaal onderzoek is moeilijk voor klieren → met CT lever, milt, nieren, … rest vd abdominale ruimte onderzoeken o PET scan: voor agressieve tumoren zeker aangeraden onderzoek Mogelijke metastasen lokaliseren Opvolging tijdens therapie Klierbiopsie: volledige chirurgische verwijdering van klier (niet puur staal)! o Bij verdachte locatie o Bij duidelijke klachten o Bij lang bestaande symptomen Beenmergonderzoek: controle op invasie van lymfocyten o Vaak is PET genoeg voor controleren invasie van Hodgkin waardoor beenmergonderzoek niet meer nodig is o Maar voor NHL: wel nog steeds standaardonderzoek Stagering: onderzoek uitgebreidheid vd ziekte o Diagnose NHL w best gesteld via chirurgische biopsie o Indeling: Ann Arbor classificatie met Cotswolds-modificatie Stadium I: 1 station aantasting aan 1 kant vh diafragma Ofwel aantasting 1 enkele lymfeklierregio Ofwel aantasting 1 enkel extralymfatisch orgaan of lokalisatie Stadium II: aan 1 kant diafragma 2 stations aangetast Hetzij ≥ 2 lymfeklierregio’s Hetzij gelokaliseerde aantasting 1 extralymfatisch orgaan en ≥ 1 lymfeklierregio’s (aan 1 kant vh diafragma) Stadium III: aantasting aan beide kanten vh diafragma Lymfeklierregio’s aan beide zijden vh diafragma waarbij gelokaliseerde aantasting van extralymfatisch orgaan of milt kan behoren (dus oa milt w tot klieren geteld) Stadium IV: orgaanaantasting Diffuse of gedissemineerde aantasting ≥ 1 extralymfatische organen of weefsels met of zonder geassocieerde lymfeklieraantasting Lever- of beenmergaantasting wijzen steeds op stadium IV!! 100 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Non Hodgkin lymfoom Epidemiologie van Non-Hodgkin Lymfomen Meeste lymfomen: rond 60 – 70 jarige leeftijd o Op kinderleeftijd: lymfomen uitermate zeldzaam o Voor alle leeftijdsgroepen neemt incidentie toe na kinderleeftijd Duidelijk meer mannen dan vrouwen Incidentie o Mannen: 9 – 13/100.000/jaar o Vrouwen: 8 – 10/100.000/jaar o Totaal in België: 10 – 12/100.000/jaar o Aantal nieuwe gevallen 1000 – 1200/jaarr in België 20.000 – 30.000/jaar in Europa Incidentie stijgt! (50 – 75% over laatste tien jaar) o Niet goed geweten waarom → hypothesen Oncogene blootstelling (‘pesticiden’) Multistep hypothese (p53-BCL2-MYC) Betere registratie (vooral in Engeland en Scandinavische landen) o Regionale distributie verschilt in Europa, maar wereldwijd ook duidelijk verschil Italie > US > Duitsland/Benelux Ook in Australië duidelijke stijging vd incidentie o Bij jongeren zie je stijging niet zo fel, bij andere leeftijdgroepen wel Oorzaken van Non-Hodgkin lymfomen Bij meeste patiënten geen oorzaak aan te wijzen Verminderde afweer geeft duidelijk verhoogd risico o Congenitaal o Orgaantransplantatie o Immunosuppresiva o Bepaalde medicatie o … Infecties 101 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o EBV (bij Hodgkin lymfomen ook rol maar voornamelijk jonge groep) o HIV (100 – 300-voudig risico toen er nog geen medicatie was) o Hepatitis C o Human herpes virus 8 (HHV-8) o Helicobacter pylori bij maaglymfoom Bij bepaalde ziekten? o Lymphomatoid papulosis o Diabetes mellitus o Voorgeschiedenis van bloedtransfusie o Autoimmune disorders (Sjögren, SLE) Bestraling?? Bepaalde omgevingsfactoren ?? o Pesticiden, insectides, chlorofenolen o Houtbewerkers (Hodgkin), dry cleaners, benzeen Genetisch, familie?? Bepaalde levensstijl?? o Roken o Haarlak o Overdreven zon Dieet o Vleesconsumptie o Alcoholconsumptie: beschermende functie bij gebruik met mate Genetisch: immunologische en cytogenetische klassering o Non-hodgkinlymfomen w ingedeeld volgens immunofenotype: B-cel, T-cel, non-B-non-Tcel of NK-cel Typische B-celmerkers: CD10, CD19, CD20, cyto-IgM Typische T-celmerkers: CD3, CD4, CD5, CD6, CD7, CD8, CD57 o Cytogenetisch kan men translocaties vinden: translocaties leiden tot overexpressie van bcl-2, cycline D1 en myc die zorgen voor celproliferatie en celdoodinhibitie 85% folliculaire lymfomen vertonen t(14;18) 95% vd mantelcellymfomen vertonen t(11;14) 80% burkittlymfomen vertonen t(8;14) o Meer en meer wil men individuele genen op chromosomen controleren → detectie aanwezige of afwezige activiteit: hoop om duidelijkheid over ontstaansmechanisme te krijgen Symptomen en tekens Non-hodgkinlymfomen (NHL) = erg heterogene groep: moeilijk karakteristieke klinische presentatie te beschrijven, vaak toevallige bevinding Patiënt merkt dikwijls pijnloze kliervergroting op 102 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Klier gaat niet weg o Evt tekens van orgaaninvasie Nierfalen Leverfunctiestoornissen … Evt druksymptomen door grote klierpaketten (VCS of VCI syndroom) “B-symptomen”: klachten over chronisch verloop (maar niet specifiek voor lymfoom) o Koorts (zonder andere verklaring) o Nachtzweten (patiënt “drijft” zijn/haar bed uit) o Gewichtsverlies (zonder dieet) o Geen eetlust In vergelijking met ziekte van Hodgkin: bij NHL frequenter o Diffuse klieraantasting (stadium III of IV) o Extranodale aantasting (beenmerg, lever, centraal zenuwstelsel, GI-stelsel, huid en bot) Bloedbeeld o Aspecifieke afwijkingen Stijging sedimentatie, CRP en acutefasereagentia Normochrome normocytaire anemie o Snelgroeidende lymfome: soms hyperuricemie, acidose, LDH stijging o Lever- en nierfunctie kunnen gestoord zijn tgv orgaaninvasie Behandeling Niet voor iedereen telt zelfde behandeling: lymfomen zijn enorm heterogeen → vss houdingen mogelijk (van minst naar meest intense behandeling gerangschikt) o Voorlopig nog geen behandeling o Chemotherapietabletten o Chemokuur langs bloedvaten Enkele kuren 6 – 8 kuren o Chemotherapie en bestraling o Hoge dosis van chemotherapie Met transplantatie eigen stamcellen Met transplantatie niet-eigen stamcellen Waar hangt keuze behandeling van af? o Type van lymfoom = belangrijkste Folliculair/indolent lymfoom: “watch and wait” → als pt geen klachten heeft (geen Bsymptomen of beenmergverdringing met anemie of trombopenie): niet behandelen Want behandeling geeft géén extra winst > 50% vd indolente NHL zijn > 65 jaar bij diagnose Agressieve therapieën w slecht verdragen Duur tot therapie noodzakelijk (systemische symptomen, bulky massa, infiltratie, compressie) Mediane tijd: 3 – 5 jaar Bijna 20%: geen therapie nodig gedurende 10 jaar Prognose “Overall median survival”: > 11 jaar Bijna 15% tonen spontane ziekte regressie /schommeling Noli me tangere! Maag (marginale zone) lymfoom 103 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Vroeger Verwijdering vd maag Bestraling Chemotherapie Behandeling anno 2006: antibiotica!! o Uitgebreidheid (stadium) en risicofactoren Diffuus large B-cel lymfoom (prototype aggressief lymfoom): behandeling afhankelijk vd uitgebreidheid Weinig uitgebreid (stage 1): weinig chemo (3 kuren chemo) met al dan niet bestraling Sterk uitgebreid (stage 4): uitgebreidere behandeling → 6 – 8 kuren chemo/immuno (R-CHOP: rituximab + vincrisitine + adriamycine + cyclofosfamide + prednisone) Risicofactoren o Leeftijd van patiënt = niet te onderschatten factor Op jonge leeftijd komt aandoening niet zozeer voor ivm oudere populatie Leeftijd zegt niet alles: ook toestand (conditie) vd persoon is belangrijk! Kunnen ze standaardbehandeling aan of hebben ze sterke comorbiditeiten waardoor ze zouden overlijden onder behandeling? o Toekomst: behandeling die volledig op “individuele” patiënt is afgestemd en met grote voorspellende waarde op succes Keuze is gemaakt, behandeling gaat van start o Vaak plaatsen van porta-catheter o Starten van chemotherapie (vaak R-CHOP) o Op tijd nieuwe kuur en juiste hoeveelheid (Standaard was chemokuur per 3 – 4 weken) Reden: enorm van belang om juiste dosissen op juiste momenten te nemen: prognose veel beter als men minstens 80% vd geplande chemo neemt!! o Complicaties en opvang ervan Misselijkheid en braken Opvang: anti-emetica = noodzakelijk vanaf begin zodat er geen conditionering is tss chemo en braken! Koorts en ontstekingen Oorzaak: lage witte bloedcellen (granulocyten) Opvang Groeifactoren Vroeger dagelijkse toediening onderhuids Nu eenmalige toediening Antibiotica Bloedingen Oorzaak: lage bloedplaatjes Opvang: indien nodig transfusies uitvoeren Vermoeidheid Oorzaken Lage rode bloedcellen (bloedarmoede) Andere factoren (lymfoom, behandeling) Opvang: evt transfusies en/of EPO Is dit belangrijk probleem? Vermoeidheid gaat vaak samen met anemie die we dan weer vaak zien bij kankers en lymfomen Vroeger dachten pt en dokter verschillend over specifieke kankerproblemen Voor pt was meest invaliderend vermoeidheid en niet pijn! Oncoloog dacht dat pt vooral te lijden had onder pijn (dus miscommunicatie) o Steriliteit Niet echt van belang bij oudere populatie 104 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Wel bij jongeren!! → evt maatregelen zoals invriezen van sperma- en eicellen Resultaten behandeling bv. grootcellig B-cel lymfoom o Mediane overleving 11 – 12 jaar Met nieuwe geneesmiddelen is duur ah toenemen Maar uiteindelijke genezing is nog niet mogelijk (nog veel recidieven en overlijdens) o Héél veel vss behandelingsschema’s in loop vd jaren getest (vss codes op figuur): duidelijk dat chemo op zich reeds geoptimaliseerd is en schema verandering niet zoveel uitmaakt Beperkingen van chemotherapie bij de behandeling van het lymfoom Overall survival (%) 100 CHOP MACOP-B ProMACE-CytaBOM m-BACOD ABCDEFGHIJKLMNOPQRS 80 60 40 20 0 0 5 Years 10 15 Fisher. N Engl J Med 1993;328:1002–6 Bij overige 50%: lymfoom recidiveert vroeg of laat toch Waarom kan men met standaard chemotherapie lymfoomcellen niet op tijd vernietigen? o Chemo is niet selectief → behandelt lichaam en lymfoom: enkel kans om te genezen als lichaamscellen sneller herstellen dan lymfomen Kankercel moet gevoelig zijn voor chemo Gezonde cel moet ivm kankercel zich beter kunnen herstellen na chemotherapie: igv trager herstel zal behandeling nooit helpen o Chemotherapiedosissen en tussenpozen: bepaald ifv herstel vd gezonde weefsels Vnl vh beenmerg waar bloedcellen worden aangemaakt Herhaalde chemotherapiekuren w gegeven om maximaal effect te bekomen op kankercellen Tss behandelingskuren zit best 3 weken zodat gezonde cellen voldoende kunnen herstellen tov kankercellen Is ideale scenario, maar niet iedereen geneest helaas via dit principe Voor volledig herstel: ALLE kwaadaardige lymfoomcellen moeten verwijderd w 105 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Als 1 cel overblijft of resistent is zal ziekte toch terug komen (refractaire ziekte met laat herval) Nieuwe ontwikkelingen die resultaten verder zullen verbeteren? o Onderzoek in grote samenwerkingsverbanden o Meer vss soorten van chemotherapie?? o In sommige situaties: direct hoge dosis van chemotherapie met “rescue” van eigen stamcellen? o Chemotherapie sneller op elkaar in juiste dosis o Toevoeging van “immuuntherapie”? o “Target” therapie: pak alleen lymfoomcel aan en laat gezonde cellen met rust? Kunnen we immuniteit versterken en laten meevechten om lymfoomcellen beter te vernietigen? o Lichaam kan gemuteerde lichaamscellen afvoeren zodat ze niet al te hoge kans hebben om tot uiting te komen o Maar lichaam kan niet inwerken op kankercellen door grote variatie die er heerst o Maar nu: immuunrespons proberen uitlokken dmv antistoffen bij behandeling van kanker Bv. rituximab = chimerisch monoclonaal antilichaam tegen CD20 op B-lymfocyten 50% vd ptn: waardevolle aanvulling in behandeling met duidelijke goede respons Ivm vroegere behandeling Vroeger: CHOP (combinatie 4 chemotherapeutica): 50% overleving op 3 jaar bij agressieve tumoren 106 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Nu: R-CHOP (CHOP + rituximab): 60% overleving op 3 jaar bij agressieve lymfomen Veel onderzoek naar nieuwe therapieën zoals antilichamen Hodgkin lymfoom Etiologie en pathogenese “Normale” incidentie: 2 – 3/100.000/jaar Incidentie o 2 pieken Hoogste incidentie rond 20 – 30 jaar (in ‘ontwikkelingslanden’ rond 7 – 10 jaar) Tweede piek situeert: 55 – 60 jaar o Verschil in pieken suggereert verschil in etiologie Jongere groep infectieus (EBV?) Oudere groep eerder maligne degeneratie Virale pathogenese? o Sporadisch clusters van Hodgkin o Vroeger doorgemaakte ‘mononucleosis infectiosa’: 2 – 4x verhoogde kans op Hodgkin o Ptn met Hodgkin lymfoom hebben hogere spiegels van antilichamen tegen EBV Histopathologie Bij onderverdeling: rekening gehouden met o Verhouding tss aantal Reed-Sternbergcellen en graad van lymfocytaire infiltratie o Graad van fibrose Tumorcellen zijn vh B-celtype met karakteristiek fenotype met CD15- en CD30-positiviteit WHO classificatie: histologische subtypes o Nodulaire lymfocyten predominante HL (<5%) o Klassiek HL (95%) Nodulaire sclerose: 70% Gemengde cellulariteit: 20% Lymfocyten rijk: <5% Lymfocyten gedepleteerd: <2% Symptomen 70% vd gevallen: pijnloze, vaste en beweeglijke adenopathieën boven diafragma Frequente presentatievorm: massieve mediastinale lokalisatie (vooral bij nodulaire sclerose) o VCS-syndroom o Dysfagie door druk op slokdarm o Heesheid door druk op n. recurrens o Pleura uitstorting door pleura invasie o Druk op mediastinale lymfevaten o Pericarduitstorting door pericardinvasie o Claude-bernard-hornersyndroom door druk op ganglia stellata Constitutionele symptomen kunnen vanaf begin aanwezig zijn en ongunstige prognostische betekenis hebben o Koorts (zonder infectie) o Nachtzweten o Gewichtsverlies 10% alcoholintolerantie = pijnlijk aanvoelen geïnfiltreerde weiknopen na alcoholconsumptie o Niet pathogmonisch maar wel suggestief Jeuk is ook typisch symptoom maar (geen prognostische waarde) Stageringsonderzoek (staging ook volgens Ann Arbor classificatie) Anamnese en lichamelijk onderzoek Laboratorium onderzoek o Hb 107 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Leuko, trombo o CRP/sedimentatie o Leverfunctie, nierfunctie o Albumine, calcium o LDH, urinezuur o 𝛃-2-microglobuline Radiologisch onderzoek o Thoraxfoto o CT thorax/abdomen, hals, bekken o MRI Biopsies o Lymfeklier o Beenmergbiopsie o Orgaan-biopt PET scan of PET-CT scan Speciaal op indicatie o Laparotomie o Trepanatie o LP o Botscan o … Behandeling: is noodzakelijk! Meeste ptn met ziekte van Hodgkin kunnen w genezen met combinatie van chemotherapie en radiotherapie: 80 – 90% genezing! Klassieke chemotherapie-schema’s (ABVD): typisch toegediend om 4 weken o Voor periode van 3 – 4 maanden bij stadium I/II 6 – 8 maanden bij stadium III/IV o ABVD= tweewekelijks adriamycine + bleomycine + vinblastine + decarbazine Bij jongere ptn soms gekozen voor intensievere schema’s: méér producten op kortere termijn o Bv. BEACOPP of Stanford schema o Cave toxiciteit Transplantatie o Autologe transplantatie is enkel geindiceerd bij recidief o Allotransplant: enkel geïndiceerd in refractaire ziekte of multipel recidief Als je met “rug tegen muur” staat 20 – 30% TRM Immunotherapie: nivolumab (studies) Monoclonale antistoffen (anti-CD30) gekoppeld aan cytostaticum (brentuximab vedotin) Cave! o Orgaantoxiciteit van intensievere schema’s Cardiomyopathie door anthracyclines Longfibrose door bleomycine Schildklier-lever-nierschade 108 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Gevolgen op lange termijn: fertiliteit (cfr. MOPP vs ABVD) Heel duidelijk verhoogd cardiovasculair risico voor bepaalde vormen van bestraling Behandeling is nu in sterkte ah verminderen tov vroeger Stadium 2 kreeg vroeger 8 chemocycli met bestraling → nu slechts 2 chemocycli met beperkte bestraling Hierdoor: minder laattijdige nevenwerkingen Fertiliteitsstoornissen: meer uitgesproken bij mannen dan vrouwen Sperma of partiële ovaria invriezen voor therapie Alternatief voor vrouwen: ovariële cyclus hormonaal stilleggen o Inductie secundaire maligniteiten: tot 5-10% in periode van 10 – 15 jaar Bv. secundaire myelodysplasie / leukemie, secundaire carcinomen Jonge vrouwen onder combinatie chemo-radiotherapie voor mediastinale lokalisatie: moeten strikt opgevolgd w voor secundaire borstcarcinomen Chronische lymfatische leukemie (CLL) Origine vd CLL cel Drie-stappen model in natuurlijk beloop van CLL o Stap 1: transformerende events Oncogenese Immortalisatie o Stap 2: micromilieu interacties Accumulatie Anti-apoptose o Stap 3: sequentiele genetische letsels Autonome proliferatie Transformatie Multi-hit proces: eenmalige hit (bestraling, chemo, …) zal ziekte niet induceren: meerdere hits liggen aan basis voor verdere mutaties zodat cellen onafhankelijk verder gaan groeien Incidentie en pathogenese CLL = maligne aandoening gekarakteriseerd door accumulatie mature maar immunologisch incompetente B lymfocyten Meest frequente adulte leukemie in Westerse landen: ong 25% van alle leukemieën 109 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o 500 – 700 nieuwe gevallen per jaar in België o Incidentie 20 – 21/100.000/jaar o Mediane leeftijd = 70 jaar Ong 15% < 50 jaar 70% > 65 jaar o Man > vrouw (2:1) Gekarakteriseerd door o Lymfocytose o Toegenomen kliervolumes o Splenomegalie Soms auto-immuun hemolyse/trombopenie Soms hypogammaglobulinemie met infecties Diagnose Morfologie bloeduitstrijkje o Is makkelijk, snel en goedkoop o CLL celkenmerken Klein Matuur Nauwe grens cytoplasma Dense nucleus met gedeeltelijk geaggregeerd chromatine Geen herkenbare nucleoli ‘Gumprecht nuclear shadows’ of ‘smudge cells’ In microscopisch beeld vak kapotte cellen maar kan ook bij virale infecties → kan je niet diagnose op stellen Immunofenotype o Ahv aantal merkers op lymfocyt: zien of patroon past bij CLL o Aantonen of het clonaal is: normaal typisch B-clonaal Beenmergonderzoek (beenmerg aspiraat/biopsie) o NIET nodig voor diagnose: perifeer bloed kan diagnose perfect geven o Beeld > 30% vd nucleaire cellen in aspiraat zijn lymfoid Diffuse of niet diffuse infiltratie o Geen prognostische waarde meer o Aspiraat/biopsie kan wel cytopenie differentiëren Ziekte gerelateerd Auto-immuun Medicatiegerelateerd Bij monoclonale B-cel lymphocytosis: onderscheid maken tss verschillende oorzaken CLL SLL MBL Clonale CLL B-cellen + + + B-cellen < 5000/mL + + Lymfadenopathie - /+ + Splenomegalie - /+ - /+ Cytopenie tgv merginfiltratie - /+ Constitutionele symptomen - /+ -/+ o CLL 110 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Véél clonale B-cellen Lymfekliervergroting Vnl in bloed en beenmerg te detecteren o Zus van CLL is small lymphocytic lymphoma (SLL) Ook clonale B-cellen Maar ziekte alleen in klier → heel heel weinig in bloed o Monoclonale B-cel lymfocytose (MBL): bij veel gezonde mensen kan men gezonde B-cel lymfocytose vinden (maar niet zo enorm hoog) Prognostische factoren Vss manieren van klinische staging o ‘Rai and Rai modified system’: complete bloedtelling + lichamelijk onderzoek Bv. 130 maanden overleving igv enkel lymfocytosis aanwezig is Bv. 88 maanden overleving igv ook splenomegalie o Klinische staging volgens Binet systeem (Europese classificatie) Kinetica van CLL cellen o Igv lymfocytaire verdubbelingstijd < 12 maanden Kortere progression free survival (PFS) Lagere overall survival (OS) o Behandeling nodig igv Toename cellen met 50% in 2 maanden Lymfocytaire verdubbelingstijd < 6 maanden o Lymfocytaire verdubbelingstijd is waardevol als lymfocytenaantal > 30.000 is 111 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Simpele en goedkope techniek om kinetica op te volgen Betrouwbaar meetinstrument voor beoordeling CLL in vroege stadia Leeftijd, fitheid en comorbididteit (zie bij therapiekeuze) Cytogenetica o Bij hematologische ziektes: chromosomale en moleculaire afwijkingen belangrijker ah worden voor inzichten en prognose Mutatie in chr 17: ongelooflijk slechte prognose welke behandeling men ook geeft Gebrek aan stukje chr 13: betere overleving o Standaardbehandeling w niet altijd overwogen als prognose op voorhand reeds slecht is Behandeling Indicaties o Ziekte progressie Lymfocytaire verdubbelingstijd < 6 maanden Massieve (> 6 cm onder costale rand) of progressieve of symptomatische splenomegalie Massieve (> 10 cm) of progressieve of symptomatische lymfadenopathie Progressief beenmergfalen leidend tot cytopenie: diepe trombopenie mogelijk + dan normale hematopoiese in gevaar!! o Hoge tumorload Stadium Rai 3 – 4 Of Binet C o Autoimmune hemolytische anemie (AIHA), autoimmune trombocytopenie (AITP), pure red cell aplasia (PRCA) met slechte respons op corticosteroïden o Ziektegerelateerde symptomen 10% gewichtsverlies in 6 maanden tijd Vermoeidheid Koorts > 38°C voor > 2 w zonder infectie Nachtzweten > 1 maand Welke behandeling moet men opstarten? → veel keuze (chemotherapie, immunotherapie, transplantatie) maar wat is beste keuze voor elk individu? o 70% vd ptn hebben nood aan behandeling ongeacht ziektestadium bij presentatie o Keuze van behandeling hangt dus af van aantal factoren: rekening mee houden dat zware behandelingen zijn die niet altijd mogelijk zijn (eerder controle dan eradicatie in dat geval) Tumorload, progressie en symptomen Doel van behandeling → 2 opties Controle lymfocytose en ziektegerelateerde symptomen 112 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Overleving: beter als op einde behandeling nog maar weinig cellen aanwezig zijn Eradicatie van mininale residuele ziekte (MRD) = predictor voor PFS en OS onafhankelijk van type en lijn van behandeling MRD- na eerstelijn: 5-jaars PFS 89%, OS 95% MRD+ na eerstelijn: 5-jaars PFS 0%, OS 53% Gezondheid en comoribiditeit Epidemiologisch blijkt meerderheid vd patiënten in oudere populatie te zitten Maar bij studies: meerderheid zijn jongere ptn → ouderen komen weinig in studies terecht Meerderheid vd ouderen heeft sterke co-morbiditeiten waardoor ze behandeling niet goed aan kunnen dus w niet opgenomen in studie Prognostische factoren (zie boven) Algemene benadering o Behandeling jonge en gezonde symtomatische CLL: lange termijn remissie = zo lang mogelijk behandelen met effectieve middelen om load zo laag mogelijk te houden! Combinatie chemotherapie en immunotherapie: type FCR (fludarabine, cyclofosfamide en rituximab (anti-CD20)) Grotere kans op diepere en langere remisies bij combinatietherapie CLL is eigenlijk vorm van indolent lymfoom waarbij genezing onmogelijk is voorlopig: rekening mee houden bij iedereen dat recidief mogelijk is ondanks langere overleving Stamceltransplantatie = meest agressieve behandeling die je in bepaalde situatie kan overwegen Autologe SCT: Rise and Fall! Continu herval 113 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Kan slechte prgonose van vss slechte prognostische factoren niet overwinnen Remissieduur 5 – 6 jaar: ook bereikbaar met CIT Bezorgdheid over late toxiciteit en secundaire tumoren (MDS, AML) Myeloablatieve allogene SCT Geen tumorcontaminatie vd ontvanger (exclusie subklinische CLL in donor!!) Beste resultaten igv chemosensitief en lage ziektelast Mogelijke graft vs leukemia: zou adverse prognostische factoren kunnen overwinnen Resultaten 1/3 genezen 2/3 dood Hoge TRM (transplant related mortality): 38 – 50% Hoog percentage graft vs host disease Recurrente ziekte Non-myelo-ablatieve SCT Minder toxisch: gaat voor oudere en minder fitte patiënt Resultaten Lagere TRM Maar hoger risico op ziekteprogressie Optimale transplantstrategieën moeten nog gedefinieerd w in prospectieve studies! o Behandeling oudere en ongezonde symptomatische CLL: controle lymfocytose en ziektegerelateerde symptomen Populatie heeft hogere comorbiditeit Dan gaat men niet tot uiterste itt bij jongere populatie o Wat met tussengroep: mensen die niet meer heel jong zijn maar wel nog goede conditie? Ahv vragenlijsten proberen ordenen wie men intensievere behandeling gaat voorschrijven en aan wie men het niet kan voorschrijven CLL: nieuwe paradigma Type-voorbeeld van chronische indolente maligniteit (lymfoom) met “goede” overleving Typisch optredend op latere leeftijd met meestal significante comorbiditeit Patienten sterven vaak mèt hun maligniteit, niet áán hun maligniteit Bewaren van kwaliteit van leven dikwijls belangrijker dan kwantiteit CLL kan van ene op andere moment zeer agressief w met grootcellige vormen die algemeen slechtere prognose hebben 114 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Monoclonale gammopathieën Algemene inleiding Vss ziektetoestanden w gekenmerkt door ongeremde monoclonale proliferatie van plasmacellen of lymfoplasmocyten die immunoglobulinen aanmaken o Plasmacellen zijn meest uitgerijpte vorm van B-lymfocyten en produceren specifieke Ig’s die gericht zijn tegen bepaalde prikelingen zoals infecties Aandoeningen zijn ‘monoclonale gammopathieën’ of ‘plasmaceldyscrasieën’: monoclonaal Ig w gesecreteerd dat meestal in serum of urine kan worden teruggevonden o Eiwit elektroforese Hierbij w totale hoeveelheid eiwit over elektrische gradiënt af gelopen → afhankelijk vd hoeveelheid lading zal er representatief beeld zijn vd hoeveelheid specifieke eiwitten die er zijn Eiwitelektroforese = eerste stap om plasmacelafwijkingen te detecteren Als er teveel van één eiwit zichtbaar is (door bv. plasmacelkanker die één Ig heel fel vormt; clonale Ig’s): piek zien in 1 vd fracties Bv. typisch beeld eiwit elektroforese Paraprotein detection and identification Eerste piek is door albumine en andere pieken zijn van andere eiwitten immunofixation (IF) Normaal is gammapiek veel lager o Paraproteïne detectie en identificatie: immuunfixatie which type of paraprotein ? is there a paraprotein ? Immuunfixatie: geïntereseerd welk Ig wordt aangemaakt Antistoffen tegen IgG, IgM Controle korte ketens: gamma of lambda antistoffen Als piek niet te hoog is kan er toch probleem zijn: als bv. alleen korte ketens gemaakt w ziet men geen piek in eiwitelektroforese omdat ze uitgewaterd w tijdens proef Immuunfixatie = gevoeliger → dan kan men kappa’s en lambda’s wel detecteren! o Urine elektroforese en immuunfixatie Bij opsporen plasmacelpathologie is urineonderzoek belangrijk: groot deel van lichte ketens vindt men niet in elektroforese terug maar kappa en lambda vindt men zeker terug in urine 115 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Serum vrij lichte-keten assay = nieuwe technologie voor opsporen lichte ketens in serum die moeilijk te visualiseren zijn op elektroforese Ziektebeelden 3% 6% 1% 6% 4% 11% 51% MGUS MM AL LPD SMM Plasmacytoma WM Other 18% o Belangrijkste ziektebeelden zijn Multipel myeloom (ziekte van Kahler) Lymfoplasmocytair lymfoom (immunocytoom of ziekte van Waldenström) Monoclonale gammopathie van onbekende betekenis (MGUS) Lichte keten (AL-) amyloïdose o Daarnaast zijn er aantal zeer zeldzame ziektebeelden Solitair plasmocytoom Plasmacelleukemie Monoclonale immunoglobuline depositieziekte (MIDD) Zware keten depositieziekte POEMS (polyneuropathie, Organomegalie, Endocrinopathie, Monoclonale piek)-syndroom Verdeling type paraproteïne 7% 1% 4% IgG IgM 12% IgA 56% Light chain only biclonal 20% IgD DD frequente monoclonale gammopathieën o * > 10% lymphoplasmocytoid cells o 1. increased serum calcium, renal failure, anemia, skeletal involvement (lytic lesions or osteoporosis with compression fractures), recurrent bacterial infections(>2/year), extramedullary plasmacytomas (ROTI and CRAB) o 2. anemia, mucocutaneous bleeding, hepatosplenomegaly o 3. fatigue, weight loss, nephrotic syndrome, congestive heart failure, peripheral neuropathy, autonomic neuropathy, hepatomegaly, bleeding o SMM=smuldering multiple myeloom: moet men nog niet behandelen o Als myeloom toeneemt met potentiele orgaanschade: actief myeloom → dit moet men behandelen 116 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Multipel myeloom – Ziekte van Kahler Algemeen Monoclonale maligne B-cel ziekte: gedissemineerde, kwaadaardige aandoening waarbij mono-clonale populatie van plasmocyten beenmerg overwoekert en abnormaal immuunglobuline (paraproteïne) produceert met heel vaak osteolytische veranderingen o Paraproteïne Merker voor ziekteactiviteit Verzorgt deel van ziekteverschijnselen Voorkomen o 1% van alle maligniteiten, 10% vd hematologische maligniteiten o Incidentie: 4 – 5/100.000/jaar o Mediane leeftijd bij diagnose: 66 jaar o 3% < 40 jaar bij diagnose Progressief, uiteindelijk fataal verloop maar veel beter te controleren Diagnostische criteria Onderzoeken o Volledig labo (complet, nierfunctie, calcium) o Eiwitelektroforese o Kwantificatie immunoglobulines o Dosering lichte ketens in 24 uur urinestaal o Beenmergpunctie o Beeldvorming skelet (RX Kahler skelet, aangevuld met CT of MR op indicatie) Myeloom gerelateerde orgaan- of weefselbeperking: CRABO criteria o Calcium waardes Serum calcium > 0,25 mmol/L boven bovenste limiet vh normale Of > 2,75 mmol/L (of 11 mg/dL) o Renale insufficiëntie: creatinine > 170 mmol/L (of 2 mg/dL) o Anemie Hemoglobine 2 g/dL onder onderste limiet vh normale Of < 10 g/dL o Botlesies: lytische lesies of osteoporose met compressiefracturen (MRI of CT kan verduidelijking geven) o Andere Symptomatische hyperviscositeit Visusstoornissen Bloedingsneiging Hoofdpijn Duizeligheid Stupor, coma, perifere neuropathie, CVA Doofheid Raynaud-fenomeen Nierinsufficientie Amyloïdose Recurrente infecties (> 2 episodes in 12 maanden) o CRABO criteria = zaken die men vreest! Allemaal uittingen van actief myeloom Als je deze symptomen vindt bij paraproteïne: behandeling moet sowieso gestart w om verdere orgaanaantasting te beperken! Klinische presentatie Kliniek hangt samen met o Grootte vd tumormassa o Groeikinetiek plasmacellen 117 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Fysiochemische, rheologische eigenschappen gesecreteerd paraproteïne ‘Smouldering’ of asymptomatisch myeloom = zolang ziekte geen symptomen veroorzaakt Klassiek multipel myeloom o Secretie paraproteïne Meestal van IgG- of IgA-type Zelden IgD of IgE-type o Als enkel lichte keten w geproduceerd = light chain disease (kappa of lambda) Veel ptn zijn asymptomatisch wanneer gammopathie toevallig vastgesteld Igv symptomen: ptn klagen van o Skeletpijn: presenterende symptoom Veelal gelokaliseerd over axiale skelet o Vermoeidheid en adynamie Gerelateerd met Anemie (beenmergoverwoekering) Nierinsufficiëntie o Verhoogde infectievatbaarheid Neutropenie (beenmergoverwoekering) Eigen fysiopathologie van myeloma (hypogammaglobulinemie met onderdrukking normale gammaglobulines) o Hemorragische diathese Trombocytopenie (beenmergoverwoekering) Complexering van stollingsfactoren door paraproteïne o Hyperviscositeitsymptomen (zie hierboven) Bot: zwak door onevenwicht tss osteoblasten en osteoclasten door cytokineproductie (bv. IL6 en RANK-ligand): verzorgd door maligne plasmacellen met lokale botresorptie inductie leidend tot osteolyse en diffuse osteoporose o Botpijnen o Pathologische (spontane) breuken o Hypercalcemie 118 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen o Wervelinzakkingen (30% vd ptn): belangrijk door ruggenmergcompressie met uitval en incontinentie Hematologie | 2015 - 2016 mogelijke verwikkelingen van Renale ziektes bij myeloma o Nierinsufficiëntie w vaak veroorzaakt door neerslag paraproteïnes (of stukken daarvan) in glomeruli en tubuli o Risicofactoren Hypercalciemie Dehydratatie Infectie Nefrotische medicatie NSAID’s Aminoglycosiden Contraststoffen Meer zware immunodeficiënties en infecties o Door overproductie van specifieke Ig’s: lichaam maakt minder normale immunoglobulines → verhoogde vatbaarheid o Enorm belangrijk dat pt goed gevaccineerd wordt! Complicaties door bijzondere fysische eigenschappen van paraproteïne IgA dat als dimeer voorkomt of IgM dat als pentameer voorkomt: knn bij hoge concentraties aanleiding geven tot ernstige hyperviscociteit Complexvorming met stollingsfactoren (bv. factor X) → kan leiden tot bloedingsneigingen Neerslaag paraproteïne bij lagere temperatuur: kan leiden tot cryoglobulinemie Lichte ketens knn neerslaan in vss weefsels en organen → leiden tot amyloïdose of gerelateerde syndromen o Oa gekenmerkt door nierinsufficiëntie en polyneuropathie Sommige paraproteïnemieën w gekenmerkt door verhoogde fibrinolytische activiteit Ruggenmergcompressie kan tgv o Lokale plasmocytomen o Losgekomen botfragmenten Risicofactoren Blootstelling aan bestraling (sterkste associatie) o Overlevers van Atoombommen o Bestralinggereleerde beroepen (radiologen, radium fabrieken) Beroeps- en environmentele blootstelling o Landbouw en pesticiden contacten o Zware metalen (arsenicum, cadmium, lood, nikkel) o Rubber o Benzeen? o Permanente haarkleuren (vooral zwart) Bij grootste deel (95%): exacte oorzaak niet gekend Wss heeft leeftijd er iets mee te maken: hoe ouder, hoe hoger risico op kanker 119 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Ziekteverloop Verloop: hoeveelheid myeloproteïne ifv tijd o Plasmacellen w geleidelijk aan refractair aan therapie: op einde geen behandeling meer mogelijk met extreme ziekteprogressie en overlijden o Myeloma blijft ondanks huidige therapieën niet-curabele aandoening (uitgezonderd allogene stamceltransplantatie) o Vroeger was gemiddelde overleving 2,5 jaar maar nu 8 jaar bij autologe stamceltransplantatie Ongeveer 5 jaar voor oudere patiënten Prognostische factoren (vnl eerste is belangrijk) o Chromosoomafijkingen = belangrijkste factor Bepaalde afwijkingen geven enorm slechte prognose → medicatie w meer en meer hiertegen gericht o β2-microglobuline waardes (> 4 mg/L) o CRP waardes (> 6 mg/L) o Plasma cell labeling index (PCLI) > 3% o Albumine waardes (> 35 g/L) o Verhoogd LDH o Lage bloedplaatjes (< 130.000/µL) Staging multipel myeloma (niet te kennen ) Behandeling multipel myeloom Bij smouldering myeloom kan behandeling uitgesteld w tot symptomatisch stadium Supportieve therapie o Mobilisatie!: motiveren ondanks botpijnen of breuken o Hoge vochttoevoer (minsten 3 L/dag) o Pijnstilling Paracetamol ± codeïne Morfine (contramal, tradonal, depronal, MS-contin, fentanyl-pleisters, …): verslaving is nihil ikv pijnbehandeling bij deze patiënten o Orthopedische maatregelen (corset, kyfoplastie) o Anti-infectieus want maken verkeerde Ig’s aan AB Evt IV immunoglobulines 120 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 o Plasmaferese (hyperviscositeit door hoge waardes Ig) o Hypercalcemie moet (owv risico op nierinsufficiëntie) lege artis behandeld worden Hoge vochttoevoer Diuretica Corticoïden Bisfosfonaten Eventueel calcitonine o Indien acute nierinsufficiëntie: klassieke maatregelen + hemodialyse Bisfosfonaten o W ingebouwd in behandeling om botten te versterken: significante daling aantal breuken en verbetering kwaliteit leven Olpadronaat Alendronaat Risedronaat Ibandronaat Zoledronaat: krachtigste middel!! o Nevenwerking krachtige botversterkers: osteonecrose (kaak)! Stamceltransplantatie o Autologe stamceltransplantatie (zie ook laatste les) Standaardbehandeling bij < 65-jarige pt Inductiebehandeling: maximale chemo proberen geven bij jonge groep omdat men overleving kan verdubbelen als men erna stamcellen geeft Indien indicatie (anemie, hypocalciëmie, andere schade, …) brengt men pt in remissie maar men neemt eerst staal van pt-eigen stamcellen Daarna maximale chemotherapie waardoor beenmerg blijvend kapot w gemaakt Na destructie vh beenmerg kan staal stamcellen terug w gegeven (nadat het gereinigd is van slechte cellen) → herstel Behandeling kan evt herhaald w via zogehete tandemtransplantatie Natuurlijk zeer toxische behandeling DUS boven bepaalde leeftijd niet doen o Allogene stamceltherapie? Enkel voor jonge ptn met hoog risico op snel recidief en goed compatibele donor Kans op genezing is reëel maar moet afgewogen w tegen risico’s op transplantgerelateerde mortaliteit en verlies levenskwaliteit door omgekeerde afstoting (GvHD) Target therapie? o Myelomacellen hebben vss locaties in micro-omgeving waar ze op inwerken Nefast voor botten Zetten angiogenese op gang Negatieve communicatie met immuniteitscellen … o Obv inwerkingsplaatsen probeert men nu meer target therapie te ontwikkelen Gekend voorbeeld is Thalidomide 121 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Vroeger voor zwangerschapsmisselijkheid gegeven maar gaf misvormde kinderen door afwijking in bloedvatontwikkeling Nu terug op markt om tumorontwikkeling te onderdrukken door rem angiogenese Er zijn nu 2e en 3e generaties op markt gebracht (Lenalidomide en Pomalidomide) die betere resultaten vertonen en ook effectief zijn bij oudere populatie waarbij chemo geen optie is Samenvattend o Tot voor kort konden aan ptn met multipel myeloom slechts weinig perspectieven op genezing w geboden en beperkte therapie zich dikwijls tot louter supportieve zorg (Care) o Opkomst nieuwe immunomodulatoren, angiogeneseremmers, monoclonale antilichamen en moleculaire interventies Nieuwe realistische perspectieven op genezing (Cure) Zelfs als geen genezing kan w geboden: knn met relatief beperkte nevenwerkingen toch leiden tot sterk verbeterde overlevingskansen met behoud goede QoL Primaire Amyloidose (Immunoglobuline gereleerd amyloid) Deposities amyoidfibrillen obv lichteketen-M-component o Geproduceerd door monoclonale plasmacellen 30% in kader van myeloom Soms in kader van MGUS of lymfoom (Waldenström) Voorkomen o Zeldzaam o Mediane leeftijd: 67 jaar Diagnose: weefselbiopt (congorood) Complicaties o Cardiale amyloïdose 38%: hartfalen! o Renale amyloïdose 30% o Polyneuropathie 15% o Gastro-intestinaal 13% o Soft tissue 7% “Moeilijke, laattijdige diagnose”!: meestal 1 – 1,5 jaar rondlopen met vage klachten Behandeling: zie myeloom Ziekte van Waldenström IgM paraproteine Lymfoompresentatie: vooral kleincellig indolent lymfoom Behandeling: “wait and see” Cave hyperviscositeit 122 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Monoclonale gammopathie van onbekende betekenis (MGUS) MGUS = aanwezigheid kleine, monoclonale proteïnefractie bij ptn bij wie er geen bewijs kan w gevonden voor multiple myeloma, Waldenström of andere lymfoproliferatieve aandoeningen Voorkomen o Aanwezig bij 3% vd personen > 70 jaar, bij 1% vd personen > 25 jaar o 70% vd gammopathieën in algemene praktijk Slechts 15% geassocieerd met mutipel myeloma Slechts 15% geassocieerd met primaire amyloïdose, lymfoom of macroglobulinemie “Criteria”: o < 2 g/dL paraproteine o < 5 – 10% plasmocyten in beenmerg o Normaal hemoglobine en albumine o Geen botletsels o Geen evolutiviteit o Geen Bence-Jones (±) = geen paraproteïne in urine o Lage β-2-microglobuline o Onderdrukking andere Ig’s mogelijk (40% gevallen) Men vindt paraproteïne maar kan belang niet echt vinden: er is lage productie → mensen ondervinden eigenlijk geen/weinig last hiervan o Waarom opsporen?: vaak nog eiwitelektroforese aangevraagd bij routine eiwitonderzoek o Richtlijnen ah komen op vlak van eiwitelektroforese: doen igv echt vermoeden voor myeloom en niet routine onderzoek want geen voordeel om dit vroeger te weten! Ouderen die vaker vermoeid zijn en infecties vertonen Gewichtsverlies … Verloop bij 20 jaar follow up o 37% vertoont geen verandering o 19% vertoont progressie naar myeloma of gerelateerde ziekte o 5% vertoont stijging van 50% in paraproteïne: maar vaak geen klachten hiervan! o 39% overlijdt door andere omstandigheden Behandeling van MGUS met ender welke cystostatische therapie = beroepsfout!!! 123 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Transplantatie en transfusie Algemene inleiding Essentie van dit hoofdstuk: inzicht krijgen op impact van transplantaties en transfusies → vnl algemene inzichten ontwikkelen en niet te veel in detail treden Transplantatie Inleiding Hematopoëtische stamcellen w gebruikt om beenmerg dat door ziekte en/of chemotherapie is vernietigd of beschadigd te repopuleren Hematopoëtische stamcellen kunnen van vss origine zijn o Beenmergstamcellen/beenmergprelevatie Geoogst onder algemene anesthesie uit cristae iliacae en sternum Postprocedure: pijn Meestal niet meer toegepast ikv allogene transplantatie Wel nog bij kinderen omdat wet het niet toelaat via perifere stamcelcollectie o Perifere bloedstamcellen/stamcelcollectie Mobilisatie stamcellen Chemotherapie + G-CSF (auto) G-CSF alleen (auto, allo) Toevoeging plerixafor (auto) Door mobilisatie verschijnen hematopoëtische stamcellen in perifere bloed (overloop) Collectie via aferesetechnieken (specifieke graviteit) Plasma: laagste specifieke graviditeit WBC en bloedplaatjes: van lage naar hoge speifieke graviditeit Bloedplaatjes Lymfocyten Monocyten Granulocyten Erythrocyten: hoogste specifieke graviditeit Techniek die nu meer en meer w toegepast o Navelstrengbloedstamcellen: bloed dat in afgeklemde navelstreng en placenta overblijft kan w gecollecteerd en ingevroeren o Embryonale stamcellen: afkomstig van overtollige embyro’s of embryonale stamcellijnen Kunnen differentiëren tot hematopoëtische stamcellen (niet klinisch beschikbaar) o iPS (geïnduceerde progenitor stem cells): stamcellen afkomstig uit bv. huid → zodanig gentisch gemanipuleerd dat ze zich gedragen als embryonale stamcellen (niet klinisch beschikbaar) HLA systeem o HLA-identieke sibling: ideale donor 1 kans op 4 op volledige HLA-match/broer of zus o Igv geen familiale donor: zoeken naar onverwante donor Steeds meer nood aan vrijwillige donoren (matched unrelated donor) Kans op compatibiliteit tss twee individuen is veel minder Gemiddeld 1/50.000 Variërend van 1/10.000 – 1/meerdere miljoenen o HLA: 2 klassen HLA klasse 1: HLA-A, -B en -C HLA klasse 2: HLA-DP, -DQ en -DR Doel: 10/10 moleculair match (HLA-A, -B, -C, -DR, -DQ) Igv mismatch: groter risico op GVHD en rejectie Dus in UZ Leuven: stamtransplantatie enkel igv 9/10 of 10/10 124 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Soorten stamceltransplantatie Autologe transplantatie = gebruik vd eigen stamcellen vd patiënt → stappenplan Beenmerg met chemo/bestraling behandelen → zo proper mogelijk hebben: zo laag mogelijke tumorcontaminatie Stamcelcollectie van patiënt uit beenmerg of bloed o Verwerking van bloed of beenmerg: purging/zuivering in vitro Opties Positieve purging: selectief goede stamcellen eruit halen Negatieve purging: selectief kwaadaardige cellen eruit halen Overtollige vetpartikels uit beenmergpreparaat of overtollige RBC en/of lymfocyten uit perifere bloedstamcelpreparaat halen Bepaalde indicaties: T-celdepletie om levensbedreigende afstotingsreacties te vermijden o Cryporeservatie: kan lang bewaard w Chemotherapie o Al dan niet aangevuld met totale lichaamsbestraling of TBI o Zoveel mogelijk tumorrestjes doden o Spontaan herstel duurt heel lang: infecties en pancytopenie! Reïnfusie stamcellen: nestelen zich in beenmerg o Beginnen te delen en nieuwe hematopoiese komt op gang o Na ong 10 – 14 dagen: begin herstel van perifeer bloedbeeld Allogene transplantatie = gebruik stamcellen van ander individu dan patiënt Rekening gehouden met weefselcompatibiliteit (HLA) o Meestal gebuik van sibling donor (broer of zus) o Steeds meer nood aan vrijwillige donoren (matched unrelated donor) Stappenplan 125 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Met donor goed afspreken op welk moment chemotherapie bij pt zal gestart w zodat stamcelcollectie tijdig kan gebeuren Donor krijgt dosis groeifactoren → dag later w stamcellen afgenomen Verwerking van bloed of beenmerg: purging/zuivering in vitro Positieve purging: selectief goede stamcellen eruit halen Negatieve purging: selectief kwaadaardige cellen eruit halen Overtollige vetpartikels uit beenmergpreparaat of overtollige RBC en/of lymfocyten uit perifere bloedstamcelpreparaat halen Bepaalde indicaties: T-celdepletie om levensbedreigende afstotingsreacties te vermijden Cryopreservatie stamcellen Chemotherapie en/of lichaamsbestraling ’10 – 12 dagen op voorhand w pt hiervoor opgenomen Zorgt dat beenmerg volledig wordt gereinigd van tumorcellen bij patiënt Voldoende ruimte maken in beenmerg voor nieuwe stamcellen Eigen immuniteit voldoende onderdrukken om stamcellen donor te accepteren Infusie stamcellen HLA-compatibele donor stamcellen w geaccepteerd door pt als “rescue” voor conditioneringsgeïnduceerde beenmergaplasie Bij conditionering voor allogene stamceltransplantatie: aantal factoren duidelijk geworden o Initiële gedachte: curatieve kracht van allogene transplantatie was afhankelijk van toedienen sterk toxisch conditieregime o Maar nu sterk vermoeden van anti-tumoreffect gemedieerd door getransplanteerde immuuncellen naast conditionerings-gerelateerd effect Allogene transplantatie bij identieke tweeling: hoger relapsrisico want eigenlijk soort autonome transplantatie Ontwikkelelen graft-versus-hostziekte (GVHD): minder relapse maar immuuncompetente cellen donor vallen organen pt aan Igv geen T-cellen in graft: hoger relaps risico omdat T-cellen gezonde donor wss achtergebleven lymfoomcellen of leukemie herkent en aanvalt Mini-allogene stamceltransplantatie = niet-myeloablatieve allogene stamceltransplantatie Als de T-cellen vd donor zo belangrijk blijken: moet men dan wel chemo/radiotherapie geven? En heeft dit effect op de leeftijdslimiet? o Berust vooral op immunologisch effect: GVL effect Mini- of gereduceerde transplantatie: minder zware voorbereiding aan pt geven toxische o Chemo vóór transplantatie: vooral immuunsuppressief effect In deze transplantatievorm gaat men niet volledig beenmerg uitschakelen! WBC van pt: dalen veel geleidelijker en niet zo diret als bij volledige conditionering Minder diepe en lange periode van pancytopenie Hierdoor w leeftijd opgetrokken dat transplantatie mogelijk is o Er w donorstamcellen gegeven maar ook nog eigen stamcellen aanwezig → er is overflow 126 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Eigen beenmerg overleeft en accepteert ook nieuwe stamcellen van donor: pt wordt “chimeer” Donorstamcellen gaan veel sneller groeien en overhand krijgen tov originele Afweercellen van donor gaan nog aanwezige maligne cellen kapot maken Doel: stamcellen donor overhand laten krijgen en uiteindelijk alle stamcellen van pt vernietigen (door afbouwen immuunsuppressie) = “volledig donorchimerisme” Toedienen DLI (donor-lymfocyten-infusie) Keuze stamceltransplantatie Auto- vs allogene stamceltransplantatie o Voordelen auto- tov allogene stamceltransplantatie Minder zwaar → minder complicaties en infecties Minder hoge Treatment Related Mortality (TRM < 5% vs 25 – 40%) Geen problemen qua afstoting (in 2 richtingen) o Nadelen auto- tov allogene stamceltransplantatie Mogelijk nog maligne cellen bij transplantaat Geen GVL (greffe vs leukemia) effect Meer recidieven Voorwaarden voor stamcelcollectie: verschillen ook tss beiden! o Autoloog Stamcellen beschikbaar Afhankelijk van ziekte (lymfoom en myeloom vooral onthouden!) Chemotherapie “gevoelige” ziekte Mindere mate: leeftijd Co-morbiditeit o Allogeen Donor beschikbaar Goede indicatie: vooral acute leukemie als indicatie! Geschikte patiënt: deze vorm is iets toxischer dan autologe dus pt moet ideaal zijn Soorten Syngeneïsch: eeneiige tweelingdonor Matched related donor Matched unrelated donor Haplo-identische donor Navelstrengbloed Factoren die stamceltransplantatie beïnvloeden o Onderliggende ziekte Ziekte Rol van stamceltransplantatie Acute leukemie Chronische myeloide leukemie Lymfomen (HL en NHL) Chronische lymfatische leukemie Myeloproliferatieve neoplasieën Myelodysplastisch syndroom Multiple myeloma Ernstige aplastische anemie Niet in laag risico, wel in hoog risico, intermediair risico? (allo) Altijd eerst proeftherapie met imatinib, en na 2e lijns TKI, dan allo Bij relapse (auto) Bij hoog risico patiënten (allo) Enkel bij hoog risicopatiënten – PMF (allo) Enkel bij hoog risicopatiënten (allo) Eerste lijn (auto) Bij jonge patiënten (allo) Autoimmune aandoeningen In studieverband, bij zeer refractaire patiënten Dus bij lymfomen (DLCBL en Hodgkin): pas als ziekte is teruggekeerd Bij multipele myeloom: als optie in begin vh behandelingsplan o Patiëntkarakteristieken (belangrijk want zware behandeling → weten of pt het aankan!) Leeftijd Biologische leeftijd is belangrijker dan chronologische leeftijd 127 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Leeftijdsgrens Autologe stamceltransplantatie: 65 – 70 jaar Myeloablatieve allogene stamceltransplantatie: 55 jaar Niet-myeloablatieve allogene stamceltransplantatie: ?? Performantiestatus: significante associatie tussen PS en overleving Comorbiditeit Comorbidity index: hogere overleving met minder comorbiditeiten Vnl nierinsufficiëntie Vroegere chemotherapie o Beschikbaarheid stamcellen Autologe stamceltransplantatie = transplantatie van eigen stamcellen Moeten vooraf gecollecteerd worden Soms geen collectie mogelijk Allogene stamceltransplantatie = transplantatie vreemde stamcellen ongerelateerd, navelstrengbloed) Belang van HLA-typering (sibling, Transfusie Kernpunten bloedtransfusies Restrictieve indicaties! Selectiviteit van producten! o Vroeger transfusies van vol bloed o Vandaag noodzakelijker elementen geven: packed cells, bloedplaatjes, stollingsfactoren, … Veiligheid en opspoorbaarheid = hemovigilantie! o Ieder ZH heeft ‘hemovigilantie-raad’ die nevenwerkingen van bloedtransfusies bundelen → melden aan FAG om veiligheid verder te controleren Indicaties Indicaties Onderproductie Productie functioneel defectieve component Excessief verlies Verhoogde afbraak Sequestratie Plasmaproteinen Cellulaire componenten Laag serum albumine tgv leverfalen Dysfibrinogenemie Aplastische anemie Beenmergfalen Bloeding tgv dysfunctionele plaatjes (bv. thrombasthenie) Anemie tgv GI bloeding Laag serum albumine tgv renaal verlies (nefrotisch syndroom) Sommige stollingsfactoren bij DIC Capillaire leak Auto-immune hemolytische anemie Anemie tgv hypersplenisme Rode bloedcel transfusies = packet cells o Acuut of subacuut bloedverlies/tekort: snelle behandeling nodig o Chronische anemie: behandeling niet altijd nodig o Leukocyten-arme Packed Cells (standaard behandeling): WBC eruit gehaald omdat deze verantwoordelijk zijn voor hinderlijke NW en transfusiereacties Bloedplaatjestransfusies o Curatief (bloeding op trombopenie) o Preventief: grens is < 10 – 15 x 109/L o (Aspirine) o ‘Pool’ vs ‘single donor’ Plaatjes van 6 donors geven voorkomt uitgesproken afstoting door 1 donor Maar opbrengst? o ‘Single donor’ vs ‘HLA-matched donor’: uitzonderlijk doet men aan HLA-matching 128 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Compatibiliteit Rode bloedceltransfusies o Klassieke compatibilteitsdiagram Pt met bloedgroep O Universele donor van erytrocyten concentraat leukocytenarm (ECL) Heeft antistoffen tegen A en B → kan dus alleen maar O krijgen Pt met bloedgroep A heeft antistoffen tegen B (en pt met bloedgroep B tegen A) → onmiddellijke afbraak en massieve transfusiereactie Pt met AB = universele ontvanger van ECL o Geschat risico op ABO-incompatibele transfusies Near Miss (meestal administratief): 1/1.000 Verkeerd bloed aan verkeerde pt: 1/15.000 ABO-incompatibele transfusie: 1/40.000 Evidentie voor majeure hemolyse (labo/kliniek): 1/80.000 Fatale ABO–mismatch-transfusie: 1/1.000.000 o Sterke controle tegenwoordig om mismatch tss donor en acceptor te voorkomen Igv majeure bloedgroepincompatibiliteit: hele fysiopathologie op gang o Via intravasculaire hemolyse, anafylatoxine-generatie en intravasculaire hemolyse (DIC): ontstaan van Onomkeerbare hypotensieve shock Acute nierblokkage 129 | P a g i n a Ine, Jolien, Filip en Kathleen Hematologie | 2015 - 2016 Compatibiliteit voor plasma o Toedienen van plasma is eigenlijk omgekeerde van RBC toediening o O = universele ontvanger van plasma: heeft antistoffen tegen A en B → kan niet aan andere bloedgroepen w gegeven o AB = universele gever van plasma: geen antistoffen tegen A en B 130 | P a g i n a