1 - Radboud Repository
Download
Report
Transcript 1 - Radboud Repository
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University
Nijmegen
The following full text is a publisher's version.
For additional information about this publication click this link.
http://hdl.handle.net/2066/107510
Please be advised that this information was generated on 2015-01-31 and may be subject to
change.
ATTENTIVITEIT ALS
PSYCHODIAGNOSTICUM
Klinisch-cxpcrinicntclc modificatie van de Grünbaum
J. W.H.M. RUTTEN
A T T E N T I V I T E I T ALS PSYCHODIAGNOSTICUM
Klinisch-experimentele modificatie van de Grünbaum
PROMOTOR : PROFESSOR DR J. J. G. PRICK
ATTENTIVITEIT ALS
PSYGHODIAGNOSTICUM
Klinisch-experimentele modificatie van de Grünbaum
PROEFSCHRIFT
TER VERKRIJGING VAN DE GRAAD VAN DOCTOR IN
DE LETTEREN AAN DE KATHOLIEKE UNIVERSITEIT TE
NIJMEGEN, OP GEZAG VAN DE RECTOR MAGNIFICUS
T. A. BIRRELL, HOOGLERAAR IN DE FACULTEIT DER
LETTEREN, VOLGENS BESLUIT VAN DE SENAAT DER
UNIVERSITEIT IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN OP
DONDERDAG 2 JULI 1964 DES NAMIDDAGS TE TWEE UUR
DOOR
JOSEPHUS WILHELMUS HENRICUS MARIA RUTTEN
GEBOREN TE MAASTRICHT
N.V. DRUKKERIJ EN UITGEVERIJ LEITER-NYPELS — MAASTRICHT
Aan het Burgerlijk Armbestuur te Maastricht, de Psychiatrische Klinieken te
Maastricht en Venray, Huize Mariënwaard te Meerssen, de neurologische afdeling van het Ziekenhuis te Maastricht, de Psychologische Dienst van de
Staatsmijnen te Heerlen, abmede het Instituut voor Wiskundige Dienstverlening
van de R.K. Universiteit te Nijmegen betuig ik mijn oprechte dank voor de verleende medewerking.
INHOUD
Inleiding
7
HOOFDSTUK i.
PARTICIPERENDE WAARNEMING ALS FUNDAMENTELE
METHODE VAN ONDERZOEK
10
1. Klacht en symptoom
2. Probleem- en doelstelling
10
15
HOOFDSTUK II.
DE OORSPRONKELIJKE ONDERZOEKMETHODE VAN
GRÜNBAUM NADER UITGEWERKT
21
1. Beknopte levensschets van Grünbaum
2. Methodisch ontwerp van Grünbaum
3. Enkele beschrijvingen van toepassing en resultaten door
van der Horst, Waterink en van Eekelen
4. Epicritische beschouwingen over de bruikbaarheid van het
destijds voorgestelde onderzoek
21
27
29
34
HOOFDSTUK III.
AANVULLENDE WIJZIGINGEN MET BETREKKING TOT
HET ONDERZOEK VAN GRÜNBAUM
40
1. Aanpassing van de onderzoek-omstandigheden aan de
gegeven doelstelling
a. wijzigingen in presentatie
b. wijzigingen in registratie
2. Differentiëring van tijdscurven en mogelijkheden van falen.
40
43
46
49
HOOFDSTUK
rv.
ASPECTEN VAN HET GEMODIFICEERDE ONDERZOEK.
.
57
1. Het beleven van lichtgevende kleuren in relatieve duisternis als nieuwe experimentele situatie
2. De eenvoudige en gecompliceerde methodische uitvoering.
3. Falen als attentici verschijnsel
.
57
61
68
5
4. Enkele opmerkingen met betrekking tot testologische
benaderingswijzen in het algemeen
5. Detailbeeld en panorama
HOOFDSTUK
78
79
v.
BESCHRIJVING VAN TOEPASSING EN RESULTATEN VAN DE
GEMODIFICEERDE METHODE VAN ONDERZOEK.
. . .
1. Verzameling en klassif icering van gegevens
2. Statistische analyse van onderzoekresultaten
a. correlatie tussen tijdprestatie en leeftijd
b. verband tussen tijdprestatie en geslacht
с samenhang tussen tijdprestatie en schoolmilieu. . . .
d. correlatie tussen tijdprestatie en intelligentie. . . .
e. correlatie tussen tijdprestatie in de eenvoudige en gecom
pliceerde Grünbaum-modificatie
f. verband tussen tijdprestatie en klinische diagnose. .
.
3. Psychodiagnostische casuïstiek
4. Toepassing van gemodificeerd Grünbaum-onderzoek in combinatie met electroencephalografisch onderzoek. .
. .
5. Epicrise en perspectief
81
82
93
96
100
102
103
105
106
111
169
172
HOOFDSTUK VI.
MODALITEITEN VAN ATTENTIVITEIT
181
1. Bemerken, opmerkzaamheid, oplettendheid en aandacht. . 182
2. Attentiviteit als een der verbijzonderde manifestaties van
menselijk bewustzijn
186
a. ontwikkelingspsychologische beschouwingswijze. .
.
.187
b. existentieel-anthropologische benaderingswijze. . .
.189
Samenvatting
Résumé
Summary
Zusammenfassung
Tabellen van numerieke gegevens betreffende het onderzoekmateriaal
Wetenschappelijke publikaties van Grünbaum
Literatuur
6
193
197
201
205
209
262
264
INLEIDING
De onderzoekmodificatie, waarvan in de navolgende pagina's sprake
is, dateert van 1955. De zenuwarts P. Mesker, toenmalig geneesheerdirecteur van onze Psychiatrische Kliniek Calvariênberg te Maastricht, verzocht om een bijdrage van de klinische psychologie tot de
diagnostiek van epilepsie-patiënten. *) De resultaten van de hiervoor
destijds gebruikelijke onderzoekmethodiek verplichtten tot research.
Uit tal van proefnemingen resulteerde uiteindelijk de hierna te beschrijven modificatie van onderzoek als meest acceptabele voor diagnostiek en kliniek.
Enkele jaren later werd op een klinische avond in het ziekenhuis
St. Annadal te Maastricht een neuro-psychiatrische uiteenzetting
gegeven van de indeling der epilepsieën. Aan dit exposé werd een
bespreking verbonden van enkele ziektegevallen. De historia morbi
en de merkwaardige discrepantie in onderzoekresultaten van een
dezer, vormden de aanleiding tot deze dissertatie.
Het betrof een vrouw van middelbare leeftijd. Zij zou op consult
bij de zenuwarts toenemende klachten van hoofdpijn en duizeligheid te kennen hebben gegeven. Lichamelijk en neurologisch
onderzoek leverden nauwelijks diagnostische aanknopingspunten op.
Een in aansluiting hierop aangevraagd psychologisch onderzoek,
waarbij de hierna te beschrijven methodiek als pièce de résistance
fungeerde, resulteerde in een „suspectie op attentiviteitsstoomissen
van lichte graad, mogelijk van progressieve aard, doch in elk geval
van organisch-cerebrale oorsprong". Naar aanleiding van onze bij
psychologisch onderzoek aan het licht gekomen bevindingen werd
een electroencephalografisch onderzoek door de neuroloog wenselijk
geacht, hetzij ter completering, hetzij ter zekerstelling. Dit verslag
vermeldde echter geen noemenswaardige bijzonderheden.
Ongeveer driekwart jaar later kwam dezelfde patiënte voor consult
1
) De term „clinical psychology" werd oorspronkelijk geconcipieerd door Lightner
Witmer ter aanduiding van methoden tot onderzoek van het individuele geval
(„cliënt centered"), in alle onderdelen van de psychologie toepasbaar.
Hier wordt de term „klinisch" gebezigd in beperkt, (meer Europees) gebruik,
ab een specifiek psychologische benaderingswijze van een patiënt, waarbij
men vooral denkt aan een ziekenhuis-patiënt (verblijvende binnen het beddenhuis, de kliniek).
7
terug. Haar echtgenoot gaf een gedetailleerde anamnese van een
klassiek epileptisch insult.
Dezelfde onderzoekprocedure volgde. Somatisch en neurologisch:
geen evidente aanknopingspunten. Onze bevindingen van psychologisch onderzoek: thans in beduidend ernstiger mate gestoorde attentiviteit met volkomen abnormaal verloop, op grond
waarvan het bestaan van min of meer latente epilepsie aannemelijk moest worden geacht. Het electroencephalografisch onderzoek resulteerde in: epileptische activteit van focale oorsprong.
Op grond van deze aanvankelijke discrepantie in onderzoek-resultaten zijn twee feiten vermelding hunner relevantie waard: vooreerst
onze evident vroegtijdige en achteraf juist gebleken klinisch-psychologische „suspectie", nagenoeg uitsluitend gebaseerd op bevindingen
van de hierna beschreven onderzoekmethode, welke een modificatie
inhield van fundamentele onderzoekingen door GRÜNBAUM en VAN
DER HORST in de jaren 1923-1925; daarnaast de ook reeds elders gevonden affirmatie, dat organische c.q. cerebrale symptomen een
methodisch te benaderen en te taxeren expressie vinden in een of
meer facetten van de individuele belevingsmodaliteit.
Voorlopig zijn de contouren van de schaduw, welke door psychische
begeleidverschijnselen van organische symptomen worden vooruitgeworpen, nog vaag. De verwachting lijkt gerechtvaardigd, dat deze
zich pregnanter zullen aftekenen, naarmate de klinische psycholoog
er in slaagt de selectieve en indicatieve gevoeligheid van zijn onderzoekmethodiek ten aanzien van deze somatopsychische verschijnselen
op te voeren tot een bijna microscopische sondering van individuele
belevingsmodaliteiten. Elk streven bij te dragen tot het experimenteel bewijs van deze veronderstelling, lijkt in het licht van de hedendaagse progressieve neuro-psychofysiologische bevindingen, opportuun en gemotiveerd. Dit onderzoekgebied lijkt zelfs eer aan belangrijkheid te winnen, nu deze in demonstratione psychische verschijnselen steeds meer in zo nauw verband worden gebracht met exacte
gegevens van biofysiologische aard.
Meer dan het gunstig onderzoekresultaat van boven aangehaalde casuïstische mededeling voor de psychologie in de kliniek, interesseerden ons de perspectieven van de gebruikte onderzoekmethode. Deze
leken een aanwinst te kunnen zijn voor experimentele research betreffende met het cerebrum correlerende psychische uitings- en be8
levingsverschijnselen, zowel in hun normale als pathologische manifestatie.
De hier volgende verhandeling beoogt een bijdrage te leveren voor
het onderzoek van attentiviteit als voorbewuste intentionaliteit en
bewuste belevingsmodaliteit. Uiteraard kan het hier slechts een
aspect-behandeling van de veelomvattende bewustzijnsproblematiek
gelden. In concreto wil het onderhavige geschrift mededeling zijn
van onze resultaten, verkregen met behulp van modificatie van een
bestaand onderzoekprincipe, uitgaande van field-attention.
Zonder aan de waarde van de fenomenologische denkwijze in de
empirische psychologie enige afbreuk te willen doen, blijft toch de
toegepaste psychologie in belangrijke mate steunen op het experiment. In de wetenschapshistorie gingen vaker experimentele onderzoekingen vooraf aan verdere uitbouw van theoretische inzichten.
HOOFDSTUK I
P A R T I C I P E R E N D E W A A R N E M I N G ALS
F U N D A M E N T E L E M E T H O D E VAN O N D E R Z O E K
Zowel psycholoog als medicus treden in hun beroep in eerste instantie op als prakticus. Dit vereist, dat ze zich in de alledaagse praktijk, zonder gebruik te maken van superspecialistische hulpmiddelen, snel moeten kunnen oriënteren in diagnostisch opzicht. Deze
sneldiagnostiek, welke het fundament ал ieder onderzoek moet zijn,
kan worden uitgebreid met een meer specialistische diagnose en dit
alles kan voorts uitlopen in een specieel research-onderzoek.
De sneldiagnostiek van de ervaren psycholoog of medicus berust in
eerste instantie op zijn participerende waarneming. Hij moet leren
zien en luisteren, deelnemen aan het gehoorde en geziene, deelnemen
aan het beluisterde en bekekene; uit het nadenken over deze ge
gevens resulteert de sneldiagnostiek.
Nadenken over datgene, wat via participerend waarnemen is ver
kregen, is een wetenschappelijke methode van onderzoek. In wezen
is ze niet minder dan andere vormen van wetenschappelijk onder
zoek, ook al is de statistische verifiëring van de uitkomsten moeilijker
dan bij het exact empirisch onderzoek, waar alles precies in maat en
getal wordt vastgelegd. Tegenover dit laatste stellen wij de participerende waarneming, waarvan onder meer symptoom èn klacht
object zijn.
1. KLACHT EN SYMPTOOM
Het klagen als menselijk fenomeen vormt onder meer het object van
psychologische beschouwing. Inzicht in de psychologische aspecten
van klacht en ziek-zijn constitueert ons begrip van de gemetamorfoseerde menselijke bestaanswijze, welke wij aanduiden als die van
de zieke mens.
Als de patiënt zijn klachten aan een medicus kenbaar maakt, vindt
ontmoeting plaats tussen twee op verschillende wijze vooringenomen
mensen. Aanleiding tot zulke ontmoeting vormt de klacht, welke
voortspruit uit de beleving van een gewijzigde existentie door de
patiënt. De klacht is te beschouwen als expressieve modaliteit van
een in het psychosomatisch bestaan beleefde stoornis. De betrekkingen, welke deze individuele beleving van gestoorde psychosomatische
10
existentie bepalen, zijn veelzijdig. Zo kan de klacht expressief worden
genoemd, ook al onttrekt zich haar rijk geschakeerde betekenis
voorlopig nog aan onze empirische visie. Gelijk ieder ander expressief
indicium kan de klacht aanwijzingen verschaffen omtrent de persoon
lijkheid van de zieke, die zich in de ziekte manifesteert. De klacht is
immers een uitspraak ал het Ik omtrent bewuste beleving van een
reëel of vermeend veranderde zijnswijze in de wereld, van een gestoorde of storende wijze van mens-zijn.
De patiënt confromteert zijn subjectieve belevingsinstelling door middel van de klacht met de objectiverende van de medicus. De patiënt
wil zijn gewaarwordingsbeleving met onbekendheidskarakter door
de arts geïnterpreteerd zien in geobjectiveerde waarnemingsvorm
van symptomen. Waar de klagende mens mededelingen doet vanuit
de achtergrond, van zijn individueel ziek-zijn, streeft de helpende
naar diagnostische benadering van een ziektebeeld. Enerzijds resoneert de existentiële situatie-beleving in al zijn historische, emotionele en sociale gevarieerdheid. Anderzijds wordt gepoogd een beeld
te ontwerpen van de biologische status in heel zijn fysiochemische,
morfologische en fysiologische geconditioneerdheid. Het klagen
immers dient te worden beschouwd als resultante van de dialectische
verhouding van de bezielde lichamelijkheid in interactie met de
traditionele historiciteit van het individu.
Welzijn en gezondheid, ziek-zijn en ziekte, klacht en symptoom,
zieke en patiënt blijven moeilijk te omlijnen begripsinhouden, die
elkander nauwelijks dekken. Daardoor worden gegevens, die primair
uit de menselijke belevingswereld stammen, dikwijls als vanzelfsprekend tot ziekteverschijnselen getransformeerd. Tegenover de mentaliteit van overgave, respect en vertrouwen bij de patiënt wordt die
van interesse, aggressie en exploratie gesteld door de medicus. Waar
de een overwegend gevoelsmatig reageert, redeneert de ander causaal.
De deductief ingestelde fantasie-wereld van de patiënt wordt oppositioneel gesteld aan de inductieve denksystematiek van de medicus.
Neiging tot desintegratie wordt beantwoord door pogingen tot reïntegratie. Vage angst- of schuldgevoelens van de patiënt worden getemperd door het vooronderstelde verantwoordelijkheidsbesef bij
de arts.
De al of niet vermeende patiënt zal onbewust er naar tenderen te
blijven functioneren als psychosomatische eenheid en organisatie,
11
of nog ruimer als representant van geestelijke existentie, waarvan
het Ik de drager is, terwijl de medicus als regel er toe neigt soma en
psyche zo niet gescheiden, dan toch onderscheiden, als totaliteit van
wederzijdse beïnvloeding te beschouwen. De continue gewaarwordingsbeleving door de patiënt van processen in de bezielde lichamelijkheid wordt onderbroken door de discontinue ontdekking van
objectieve symptomen door de medicus. De patiënt kan zich meestal
slechts uiten als drager van de verschijningsvorm van het psychosoma, niet in staat aan bewustwording van storende prikkels te
ontkomen, en evenmin in staat deze anders te beleven dan als iets,
dat deel van hem uitmaakt. De medicus zoekt naar de expressie van
het ziektebeeld. Hij beleeft de symptomen als iets buiten hem zelf
en kan zich uiteraard aan dit bewustzijn onttrekken krachtens het
feit, dat al deze acten kunnen worden gediscontinueerd. Hij handhaaft in zijn uitspraken een excentrische positiename ten aanzien
van de klachten van zijn patiënt. Hij richt zich in reflexief en representatief bewustzijn op diens overwegend pathisch-sensitieve belevingsinhouden. Voor het Ik van de patiënt is het bijzonder moeilijk hiertoe te kunnen geraken: hij blijft gevangen binnen zijn lust-,
onlustvolle stemmingsgewaarwordingen en de reacties daarop. In
het ervaren van gewijzigde stemmingen, c.q. onlustbeleving, is hem
zijn vigerende lijfstoestand slechts gegeven op het niveau van sensitief
bewustzijn. Verstandelijk reflecterend op de bij zijn patiënt vigerende klachten en verschijnselen, zal bij de arts een besef ontstaan
omtrent het al dan niet geobjectiveerd-zijn van diens sensitieve bewustzijnsinhouden.
Waar het derhalve in de hier aan de orde zijnde situatie op neer
komt is de differentiatie van twee verschillende menselijke belevings-, c.q. bewustzijnsniveau's, zich concentrerende enerzijds op gewaarwording, de klacht, anderzijds op waarneming, het symptoom.
In deze relatie arts-patiënt is het de medicus, die zich verstandelijk
bewust richt op de subjectieve belevingen van de patiënt. Met andere
woorden, de sensitieve belevingsinhouden van de patiënt („conscience
engagée") worden bij de arts tot object gemaakt van verstandelijk
kennen, waarvan het verstandelijk bewustzijn een geïntegreerd aspect uitmaakt („consience réfléchie"). De door de patiënt ervaren
stemmingsveranderingen, die correlaat kunnen zijn aan veranderingen van zijn lijfelijke toestand, vormen de psychische aspecten of
12
aequivalenten van zijn somatische wijze-van-zijn binnen de psychosomatische totaliteit. 1 )
Waar de patiënt niet in direct zintuiglijk contact kan worden gebracht met het object, waarover hij zich uitspreekt, strandt hij gemakkelijk in belevingskwaliteiten van een deelgestalte, welke die
van een totaalgestalte bedoelen te symboliseren, ofschoon daarmede
de realiteit, de essentie of de identiteit in het teken van het object
nog geenszins wordt geraakt.
In meer dan één opzicht vertoont dit psychologisch proces van de
klacht bij de volwassene overeenkomst met een bepaald ontwikkelingsstadium van het kind, dat zich uit wil spreken over dingen,
die hier en nu niet gegeven zijn. Beiden rest slechts benoeming van
belevingskwaliteiten, zich louter in de gewaarwordingssfeer afspelend en nog geen begripsweergave mogelijk makend. De beschrijvende waarde van woorden — gelegen in de associatieve betekenis er
van, gebruikmakend van voorstellingen en gestalten — heeft in elk
subject een meerzinnigheid van tekens tot gevolg. Alhoewel spreker
en toehoorder beiden zonder de minste twijfel duiden, is dit duiden
zeer verschillend. De spreker zoekt eenzinnigheid van teken, de toehoorder is bedacht op meerzinnigheid er van. De beschrijver hecht
aan zijn belevingskwaliteiten het daarbij passende teken, terwijl de
luisteraar aan dat teken zijn belevingsmogelijkheden hecht. Juist dit
duidingsproces door de patiënt, zijn verbale vormgeving binnen het
kader van louter gewaarwordingsprikkels uit het psychosoma, kan de
luisterende medicus onopzettelijk foutief interpreteren, waardoor bij
de patiënt de mening kan postvatten verkeerd of totaal niet begrepen
te zijn in de bedoeling van zijn duiding.
Alle gewaarwordingen hebben een bepaald aspect van belevingskwaliteit gemeen, namelijk het affect. Waar nu het Ik ín de gewaarwording zich van niets anders bewust kan worden dan van het
psychosoma en zijn reacties, betreffen eigen uitspraken als het ware
een identificatie van het Ik met de uit zijn gewaarwording resulterende psychische toestand. Het aan de gewaarwording eigen aspect
van affectieve belevingskwaliteit kan aanleiding geven tot allerlei
illusionaire en pseudo-hallucinatoire vervalsingen in de perceptieve
1
) Cfr.: P. J. A. Galon; J. J. G. Prick: Psychologische Grondbegrippen Amhem 1962. (blz. 113-123).
13
gepreoccupeerdheid van de patient met betrekking tot zijn psychosoma en de reacties daarvan, en wel op basis van het affect bij uitnemendheid, de angst. Sterker dan te vermoeden beïnvloedt zulke
vegetatief-biologisch gewortelde preoccupatie van de patiënt zijn
ziek-zijn: passagère waanstemmingen, subjectieve aequivalenten — als
dreiging, schaamte, schuld, twijfel, zorg — doen zijn interesse omtrent
aard en verloop van de ziekte zelf verbleken. In deze benauwende
onzekerheidssituatie hunkert hij naar de objectivering van zijn
klacht door een meegedeeld symptoom. Vanuit deze psychologische
achtergrond wordt de uitspraak van de amerikaanse medicus PINNER
begrijpelijk: „de arts, die zelf nooit uit eigen ervaring kennis heeft
gemaakt met een ziekte, onderschat de overweldigende belangstelling van de patiënt in zijn symptomen, omdat hij van de valse
veronderstelling uitgaat, dat de patiënt in gelijke mate deelneemt
aan de hemzelf beheersende interesse met betrekking tot de diagnose". In de realiteit van subjectieve beleving — niet zelden omvangrijker en belangrijker realiteit dan de objectiveerbare feitelijkheid
van symptomen — maakt het geen verschil of symptomen volledig
door een lichamelijke ziekte kunnen worden verklaard of dat zij
van totaal of overwegend psychische oorsprong zijn. De tendens is
merkbaar, dat eigen belevingsinhouden, die de zieke kan meedelen,
op de achtergrond geraken, naarmate de onderzoekmethode zich
technisch verfijnt om voorwaarden, waaronder de ziekte zich voordoet, objectief te beoordelen. Inzicht in de persoonlijke ziektebeleving van de patiënt dient exacte kennis van symptomen aan te
vullen, (PINNER)
Weinig is nog bekend met betrekking tot de genese van de klacht,
waaromtrent tijdstip, aanleiding, oorzaak, situatie, milieu en omstandigheden belangrijke aanduidingen kunnen verschaffen. Omtrent de modaliteit van de klacht, waarin constitutie, leeftijdsfase,
professionele status, psychische en sociale resistentie, reactie van
maatschappij en milieu verdisconteerd liggen, zijn we evenmin voldoende georiënteerd. Hetzelfde geldt met betrekking tot de functie
van de klacht, welke tendeert naar hulp, steun, leiding of voldoening
en ten aanzien van de zin van de klacht, welke regressie, defensie,
aggressie, alsook waarschuwing, vlucht of verandering kan impliceren. Wat BUYTENDijK zegt van de pijn geldt in nog sterker mate voor
de klacht: zij is een onmiskenbare getuigenis van het persoonlijk
14
zijn. Als alarmerend gebaar heeft de klacht een veelzijdige valentie,
die nimmer eenduidig mag worden geïnterpreteerd en beantwoord.
Eventuele mogelijkheid deze schijnbaar oneindige gevarieerdheid
van klachten te omvatten en te systematiseren zou belangrijke aanwijzingen kunnen verschaffen ten behoeve van existentiële diagnostiek en therapie.
De ontmoeting tussen patiënt en arts is als een confrontatie van een
lichamelijk en van een geestelijk Ik: de een onlustvol storende veranderingen van het organisme coenaesthetisch-sensitief ondergaand,
waarop de ander zich uiteindelijk in geobjectiveerd, gedistancieerd
reflexief bewustzijn richt. 2 ) In het raakvlak van deze twee werelden
kan het vraagstuk van interpretatie en verificatie, van transponering
der klachten tot symptomen worden gecompliceerd. Dit geldt met
name die klachten, welke vanwege hun oorsprong, genese, verschijningsvorm of localisatie moeilijk objectiveerbaar zijn.
Een poging tot helpende penetratie in een dergelijk exploratiegebied stond ons bij deze uiteenzetting voor ogen. Juist dan stimuleert de ongeschreven wet van wetenschappelijke loyaliteit tot katalyserend samengaan van psychodiagnostiek en geneeskunst.
2. PROBLEEM- EN DOELSTELLING
De klaarblijkelijk psychologische pregnantie van klachten over
verstrooidheid, afleidbaarheid, onoplettendheid, afwezigheid fascineerde aanvankelijk als probleem, later ook als bevinding. De differentiaal-diagnostiek betreffende deze verschijnselen wordt namelijk problematisch door het feit, dat zij evenzeer kunnen verwijzen
naar een organisch-cerebrale stoornis als naar een gestoorde relatie
van het subject tot zijn wereld. Zij representeren neurofysiologische
expressie en psychosomatische valentie.
Patiënten in de kliniek klagen over concentratie-moeilijkheden, hun
oplettendheid raakt snel vermoeid, vergeetachtigheid en desoriëntatie nemen toe, de permanente aandacht voor hun werkzaamheden
slinkt. Daarmee heeft de alledaagse problematiek van een niet meer
') Hierop stoelt voor een belangrijk deel de overtuiging van Gottlieb, dat, wat
betreft eigen ziekte-beleving, de arts beslist in het nadeel is tegenover de leek.
(M. Рішіег; В. F. Miller: When doctors are patients. New York - 1953.
15
normaal gewaande functionering van aandacht en opmerkzaamheid
zijn intrede gedaan, hetgeen vaak subjectief wordt toegeschreven
aan mogelijke regressie of deterioratie van het cerebrum. De als
normaal aanvaarde en vervulde dagtaak doet steeds meer beroep
op maximale inspanning. Daling en waardevermindering van eigen
prestatie verlopen synchroon. „Mangelhafte Konzentration, Vergeszlichtkeit sind regelmäszige Klagen des frühesten Stadiums. Häufig
läszt sich zu diesem Zeitpunkt die erlebte Störung noch nicht objektivieren, ein Beweis, wie grob die psycho-experimentellen Untersuchungsmethoden sind" (ZEH).
De moeilijkheden, welke hier voor de psychodiagnostiek opdagen,
zijn van tweeërlei aard: opvallende subjectiviteit der klachten met
als gevolg individuele variabiliteit en periodiciteit; daarnaast het
ontbreken van empirische maatstaven voor constatering.
In de periode, welke voorafging aan invoering van het electroencephalografisch onderzoek, werd ten behoeve van deze differentiaaldiagnostiek vaak beroep gedaan op psychologische onderzoekmethoden. De verwachting, dat langs deze weg voldoende aanknopingspunten voor vaststelling van symptomen te vinden zouden zijn, is
slechts gedeeltelijk bewaarheid. Als zodanig vigerende psychologische
onderzoekmethodieken zijn, wat betreft hun selectieve en indicatieve
waarde in de praktijk, voor verbetering en completering vatbaar. De
overtuiging is groeiende, dat de vaak ondernomen benaderingswijze
der zogenaamde specifici tei ten steeds opnieuw schijnt vast te lopen
in polymorfe problematiek. Pogingen de hier bedoelde stoornissen
te psychodiagnostiseren aan de hand van hiaten, defecten of degeneratie-verschijnselen in karakter- en persoonlijkheidsstructuur of situatieve constellatie lijken secundaire verschijnselen te raken, welker
benadering, vastlegging en omlijning onvoldoende houvast bieden
voor differentiaal-diagnostische doeleinden. Verwerving van inzicht
in de symptomen zelf door minutieus functioneel onderzoek staat
eveneens in het middelpunt van belangstelling en research.
Sedert invoering van electroencephalografie is het vroeger gedane
beroep op de psychologie binnen de kliniek — ter verschaffing van
meer inzicht en zekerheid in bedoeld symptomencomplex — geluwd,
waarschijnlijk ten onrechte. Dit behoeft ons niet te weerhouden van
verdere exploratiepogingen in dit door tal van psychologische factoren en uitingsverschijnselen sterk meebepaalde klachtengebied.
16
Objectieve constatering, vroegtijdige onderkenning, alsook nosologische rubricering en verifiëring blijven belangstelling vragen voor
onvolkomenheid in deze. Bovendien behoeft onze kennis omtrent
het aloude en nog steeds moderne probleem van de indicatieve relatie tussen organische en daarmee correlerende psychische uitingssymptomen verdere completering, vooral van experimenteel-psychologische zijde.
Ook bij kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden komen soortgelijke klachten en symptomen frequent voor. De anamnestische
mededelingen imponeren als machteloosheid, vermoeibaarheid, onzekerheid, ongerichtheid en onstandvastigheid van kinderlijke aandacht. 1 ) De schijnbare hardnekkigheid en oncorrigeerbaarheid van
deze handicap doet menige ouder of leerkracht in vermeende uitzichtloosheid uiteindelijk overhellen naar vereenzelviging met verstandelijke insufficiëntie. Als gevolg hiervan is differentiatie tussen
'attente domheid' en 'inattente begaafdheid' een frequent gesteld
probleem in de psychologische praktijk. Afbreuk aan peil en kwaliteit der leerprestaties staaft de misvatting van een niet normaal gewaande functionering van het kinderlijk intellect.
De geschiktheid van het kind voor het leerproces is multiconditioneel en -dimensioneel van aard. Historisch moest in de ontwikkelings- en schoolpsychologie 'ontdekking' van leerefficiëntie, van partiële talenten en defecten, van karakterologische geschiktheid met
betrekking tot het leerproces voorafgaan aan erkenning en taxatie
van attentieve modaliteiten, welke ten aanzien van ontvankelijkheid
voor opname van leerstof bepalend zijn.*) Van hoe groot belang
eerstgenoemde componenten ook zijn, de uiteindelijke greep op de
prognostiek bleef daardoor onvolledig en onzeker. Aan zulk verzuim
van onderzoek, naast functionele, dispositionele en structurele facetten betreffende het schoolkind, moest dikwijls onbevredigend advies in de psychologische praktijk worden toegeschreven.
De gereleveerde problematiek vertoont in beide gebieden sterke
*) Gilbert Robin somt op en differentieert onder meer: Γ obnubilation, la rêverie,
l'inattention, la distraction, l'étourderie, la dissipation, l'absence. . . naast
epileptoïde, glischroïdie, visceuse, glandulaire en andere typen.
*) Op de dag van vandaag zijn nog didactische lacunes in de specifieke onder
wijsmethodiek aanwijsbaar, welke van deze veronachtzaming getuigen.
17
overeenkomst. Als methoden van onderzoek zijn juist die relatief
het meest vruchtbaar gebleken, waarmee werd gepoogd rechtstreeks
het zogenaamd „functie-complex" (bewustzijnsgraad, opmerkzaamheid, concentratie, aandacht) te benaderen of af te tasten, zoals de
Bourdon-Wiersma-proef,
het
onderzoek
volgens
TOULOUSE-PIÉRON,
WHIPPLE, ZAZzo, MEiLLi; KRAEPELiN en PAULI. Praktijkervaring met
deze specifieke concentratie-proeven heeft diagnostisch enkele insufficiënties aan het licht gebracht. Deze lijken voor een belangrijk
deel toe te schrijven aan daarbij ontbrekend appèl o p de dynamische
structuur van het attentief proces. D e vereiste selectieve instelling
beperkt zich tot controlerende e n corrigerende activiteit (Eng.: to
cancel; Fr.: barrer) van monotoon-iteratieve aard en daarmee tevens
tot uitsluitend focaliserende, statische vorm van aandacht. 3 ) Voor
het hier bedoelde gebied van onderzoek is eigenlijk geen methode
aanwijsbaar, die dit specifieke, eenzijdige stramien doorbreekt. Zij
vertonen allen (PAULI, ABELS, KIRSCH, HORN, DÜKER) sterke gelijkenis
met de reeds genoemde of doen onvermijdelijk beroep op bijkomende factoren, die minder de essentie raken van het te onderzoeken
proces.
De psycholoog, aan wie in zijn hoedanigheid van clinicus-practicus
het 'eenvoudige' verzoek wordt gericht bewustzijnsdalingen, opmerkzaamheidsschommelingen of aandachtsstoornissen te constateren of
te verifiëren, ziet zich zodoende geplaatst voor experimentele beperktheid, eenzijdigheid en aanvechtbare betrouwbaarheid van de
thans o p dit terrein ter beschikking staande onderzoekprocedures.
D e fundamentele onderzoekingen van GRÜNBAUM kwamen ons bruikbaar en waardevol voor in zoverre deze juist er o p gericht zijn de
polair-dynamische structuur van het attentief proces in de met elkander duellerende facetten van aandachtsbundeling èn -spreiding
te toetsen. Over toepassingsmogelijkheden en -resultaten hieromtrent
zijn weinig publikaties verschenen.
Onzerzijds werd gepoogd een modificatie van de oorspronkelijke
onderzoekmethode te bewerkstelligen, waarbij het streven de selectieve en indicatieve mogelijkheden te aggraveren vooropstond. Als
s
) Dat bovendien deze aandachtshouding aan een „direct niet interessante,
percepto-motorische arbeid" (vaji de Loo) wordt getoetst, maakt niet zelden
onuitgesproken aversie v a n d e kant v a n onderzochte ten aanzien v a n deze
„beproeving" begrijpelijk.
18
zodanig is hier sprake van een oriënterend experiment. De research
moest uiteraard beperkt blijven tot voorlopige opstelling van formeel-methodische Symptomatologie en daaruit af te leiden psychodiagnostische indicaties. In het kader van deze terreinverkenning
gold als eerste doelstelling: bepaling van een onderste leeftijdsgrens
voor betrouwbare toepassing van de onderzoekmethodiek en o p
sporing van een eventuele ontwikkelingsfactor. Naast de leeftijdsvariabele werd bovendien samenhang met invloeden van milieu,
geslacht en intelligentie nagegaan. Ten slotte werd gepoogd de
diagnostische bruikbaarheid voor psychopathologie te toetsen, waarbij het differentiatie-probleem van het organisch syndroom (epilepsie, dementie, deterioratie) prevaleerde.
Waar voor een empirisch-experimenteel onderzoek als het onderhavige de verzameling van materiaal een eerste vereiste vormt, zijn de
ingewonnen resultaten in numerieke weergave aan deze verhandeling
toegevoegd. Uiteraard konden niet alle daarin verdisconteerde informaties binnen de beperkte opzet van het hier bedoelde oriënterend experiment worden uitgewerkt of toegelicht. Aan de hand van
deze data het nut en de bruikbaarheid aan te tonen van een bestaand
onderzoekprincipe, dat in gemodificeerde vorm gedifferentieerd perspectief biedt voor de testologische benadering van het attentief proces, is het voornaamste doel van deze verhandeling.
Ten aanzien van de eerder genoemde verschijnselen vermeldt de
literatuur verschillende benamingen. Zodoende ontstaat een onoverzichtelijke hoeveelheid terminologie, waaraan nadelige gevolgen
kleven. Herhaaldelijk is te constateren, dat allerlei termen op dit
terrein aanleiding geven tot onduidelijkheid of verwarring. Van differentiëring is nauwelijks sprake. Men kan zich niet aan de indruk
onttrekken, dat zodoende met verschillende benamingen (aandacht,
opmerkzaamheid, concentratie e.d.) dikwijls identieke modaliteiten
worden aangeduid, en omgekeerd.
Het komt ons voor, dat differentiatie in psychologische terminologie
hier uitermate belangrijk èn moeilijk blijft. Toch worden vaste
onderscheidingen niet bereikt door gedifferentieerd woordgebruik
zonder gedifferentieerde betekenis. Ongetwijfeld beduiden opmerkzaamheid, oplettendheid en aandacht psychologisch onderscheid in
eenheid. Om deze eenheid te accentueren alsmede uit pragmatische
19
overwegingen wordt de term „attentiviteit" ingevoerd, waarmee preliminair een overkoepelende verzamelterm is bedoeld voor gedifferentieerde modaliteiten van ojMnerkzaam, oplettend en aandachtig
zijn. Als evenzovele specifieke aspecten van menselijk bewustzijn kunnen deze modaliteiten, ter beklemtoning van eenheid in onderscheid,
worden samengevoegd onder de gemeenschappelijke noemer attentiviteit, bij gelijktijdig behoud van binnen deze term gegeven modale
differentiëring.
Met het creëren van dit nieuwe begrip wil naast eenheid in woordgebruik en aansluiting bij reeds bestaande analoge terminologie op
psychologisch gebied tot uitdrukking worden gebracht, dat de hier
aan de orde gestelde levensfenomenen een intentioneel-dynamisch
karakter dragen en als dynamische levensuitingen te beschouwen zijn.
Inpassing der attentiviteit in het kader van theoretische opvattingen
wordt aan het einde van deze verhandeling nader toegelicht.
20
HOOFDSTUK II
DE OORSPRONKELIJKE ONDERZOEKMETHODE
VAN GRÜNBAUM NADER U I T G E W E R K T
1 . BEKNOPTE LEVENSSCHETS VAN GRÜNBAUM
Alvorens een nadere uiteenzetting te geven van de oorspronkelijke
onderzoekmethode lijkt een curriculum vitae memoriale, gewijd
aan de de persoon van A. A. Grünbaum, wenselijk ter juiste en·
cadrering. 1 )
Abraham, Anton Grünbaum werd op 23 mei 1885 te Odessa
uit Russiche ouders geboren. Zijn jeugd stond onder het gunstig gesternte van materiële welstand en familiaal aanzien, niet in het minst
dank zij de vooraanstaande positie van zijn vader, een welvarend
koopman, en de grote bekendheid, welke het geslacht van moederszijde — Slonimski genaamd — had verworven op sociaal-pedagogisch
gebied. Odessa was destijds een der tien grootste steden van het Keizerrijk Rusland. Het Joodse bevolkingsdeel, dat bijna vier miljoen
zielen telde, een percentagegewijs relatief groot aandeel in de bevolking, moest zich talrijke beperkingen in zijn burgerrechten laten welgevallen, met name voor wat betreft zijn vrije keuze in de plaats аЛ
vestiging. Onder deze omstandigheden koesterde menigeen onder het
Joodse bevolkingsdeel emigratie-plannen. Ook Abracha Grünbaum
vertrok — na uitstekende leerprestaties op middelbaar onderwijs (in
1902 met lof en onderscheiding eindexamen aan het Feig-gymnasium)
en een kortstondige studie-periode aan de Universiteit van Odessa —
naar het buitenland om zijn wetenschappelijke ambities te realiseren.
Aanvankelijk ging zijn interesse uit naar de Technische Hochschule
te Karlsruhe, waar hij in 1903 werd ingeschreven als student in de
electrotechniek. Reeds na één semester werd hij zich de totaal andersgeaardheid van zijn wezenlijke belangstellingssfeer bewust. Grünbaum bezocht de faculteit voor filosofie en psychologie telkens gedurende twee semesters achtereenvolgens aan de Universiteit te
Heidelberg (1904) en te Leipzig (1905).
*) Informatieve gegevens mede verstrekt door Prof. Dr. F. J. J. Buytendijk,
Prof. Dr. L. van der Hont, Prof. Dr. F. J. M. A. Roek, Prof. Dr. W. SillevisSmitt.
21
In het zomer-semester van 1906 verwisselde hij het laboratorium van
Wundt voor dat te Würzburg van Külpe, die als zijn referent en
leermeester optrad. Op 19 december 1907 doorstond Grünbaum
succesvol zijn Rigorosum, waarna reeds op 25 mei 1908 zijn dissertatie volgde „Über die Auffassung der Gleichheit; ein Beitrag zur
Psychologie der Abstraktion". 2 ) In deze verhandeling neemt hij kritisch stelling tegen bepaalde opvattingen van de associatie-psychologie, in het kader van een gedetailleerd onderzoek betreffende inhoud en vorm van abstractie.
Met Külpe's veelbelovende volgelingen Bühler, Selz, Katz, Segal,
Ohmann en vele anderen bleef Grünbaum enige tijd samenwerken
in de Würzburger School. „He was able to profit from association
with an unusual group of men and women devoted to the working
out of their directors ideas" erkent Pratt van de Harvard University
in een gedenkartikel later. 3 )
In het najaar van 1911 belandde Grünbaum op verzoek van Störring
in diens Psychologisch Laboratorium te Bonn. Door zijn bolrond
hoofd, zijn kort gedrongen postuur, zijn nog sporadisch gedragen
lange kaftan en omrande stramel — markante kledingsattributen van
de Oost-Europese Joden — was Grünbaum een pittoresk-onheilspellende verschijning, zoals zijn latere vriend en medewerker Roels hem
voor het eerst in 1911 te Bonn ontmoette.
Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog week Grünbaum —
als ongewenste vreemdeling van een vijandige natie uit Duitsland
uitgewezen en om aan gedwongen dienstneming bij het Russische
leger te ontkomen — uit naar Nederland. Hij vestigde zich te Amsterdam, waar hij aanvankelijk zonder broodwinning, slechts met de
grootste moeite in eigen levensonderhoud kon voorzien.
Grünbaum's leven en werken in Nederland worden door twee perioden gemarkeerd, zo te zeggen de Amsterdamse (1914-1925) en de
Utrechtse (1925-1932).
In de moeilijke beginperiode van zijn immigratie lukt het Grünbaum te mogen assisteren bij de oogheelkundige Straub, die uiterma-
') Külpe refereerde Grünbaum's dissertatie onder de enigszins gewijzigde titel:
Über die Abstraktion der Gleichheit; ein Beitrag zur Psychologie der Relation in het Archiv für die gesamte Psychologie — Jrg. 1908, Band 12,
Heft 1-3.
· ) American Journal of Psychology. Jrg. 1932.
22
te geïnteresseerd was in het aandeel van de psychische factoren bij
het normale en pathologische zien.
In de jaren 1914-1916 verrichtte hij in het Fysiologisch Laboratorium van de Universiteit te Amsterdam een reeks onderzoekingen
„dienende tot verkrijging van de venia legendi in de experimentele
psychologie aan de Medische Faculteit aldaar". Op 2 oktober 1916
wordt Grünbaum door van Rijnberk in staat gesteld als privaatdocent een aanvang te maken met zijn colleges in de experimentele
psychologie aan de medische faculteit van de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, bij welke gelegenheid „Het probleem der
meting in de ontwikkeling van de moderne psychologie" als
openbare rede in het Fysiologisch Laboratorium werd uitgesproken.
„In de donkere catacomben van Uw Laboratorium heb ik vele gelukkige jaren als onderzoeker van de lichtgewaarwordingen doorgebracht", getuigde Grünbaum later.
In 1917 huwde hij een fabrikantendochter, Poolse van geboorte en
woonachtig te Amsterdam. Uit dit huwelijk werden twee dochters
geboren.*)
Korte tijd later werd Grünbaum uitgenodigd de leiding op zich te
nemen van het Psychopathologisch Laboratorium aan de psychiatrisch-neurologische kliniek van Bouman, alwaar hij met name de
aphasie- en apraxieverschijnselen bestudeerde. Als psychologisch medewerker aan deze kliniek kwam hij in contact met van der Horst,
de hedendaagse nestor van de nederlandse psychiaters. Uit deze ontmoeting tussen een leerling van Külpe en een leerling van Heijmans
groeide een vruchtbare samenwerking, waarvan o.a. het oorspronkelijk concept van de hierna te bespreken onderzoekmethode getuigt.
Vooral het tussengebied van psychiatrie en neurologie, alsook verschijningsvormen en structuur van het bewustzijn en van de aphasie,
oefenden een grote aantrekkingskracht uit op Grünbaum's studiezin.
Als zodanig intrigeerde hem pathopsychologisch vooral de Korsakowpsychose binnen het kader van een organologische theorie over bewustzijn.
Uit deze tijd dateren Grünbaum's publikaties in het „Archiv für die
gesamte Psychologie" betreffende functies van het denken en van het
) Beiden emigreerden later, respectievelijk naar de Verenigde Staten en naai
Israël. De enige broer, Alfred Grünbaum, chemicus van beroep, kwam om in
de tweede wereldoorlog.
23
geheugen, welke onderzoekingen hem reeds op jeugdige leeftijd een
belangrijke plaats op het gebied der denkpsychologie doen innemen.
Zijn belangrijkste werk „Herrschen und Lieben, als Grundmotive
der philosophischen Weltanschauungen", waarvoor Max Scheler het
woord ten geleide schreef5) en waarin door toepassing van de methode der begrijpende psychologie op filosofische systemen, kritische
positie-name ten aanzien van de opvattingen der Heijmanse School
zijn psychologische denkinstelling met geobjectiveerde rijpheid vertolkt, onthult in Grünbaum de verpersoonlijkte synthese van een
gevoelig mens en een man van wetenschap.
Hij verdedigt openheid en ongebondenheid van psychologische
denktrant. Hij kan geen monomaan of aanhanger zijn van één psychologische school of richting. Hij blijft om zo te zeggen psycholoog
van vrije, onvooringenomen studie- en denkrichting: „Verfasser
wertvoller experimentellen Einzeluntersuchungen." ")
Het einde van de Amsterdamse periode nadert wanneer Bouman in
1925 naar Utrecht vertrekt om Winkler op te volgen en Grünbaum
aanstelt tot conservator van zijn kliniek aldaar.
In de Utrechtse contactkring is aanvankelijk Roels de belangrijkste stimulator en promotor van Grünbaum geweest. Op zijn initiatief werd een „Vereniging voor vergelijkende psychologie" opgericht, met als voornaamste doel de machtiging voor een bijzondere
leerstoel te realiseren ten behoeve van Grünbaum 7 ). In het Utrechtse
groeien meerdere genuanceerde discussie-contacten in amicale omlijsting, waarvan de relatie met de psychologisch sterk geïnteresseerde Sillevis-Smitt en met Buytendijk — de genius in Nederland
van fenomenologisch-subtiel geobserveerde en beschreven psychologie — de belangrijkste waren.
Op 13 februari 1928 aanvaardt Grünbaum het ambt van hoogleraar
in de ontwikkelingspsychologie aan de Rijks-Universiteit te Utrecht,
met als inaugurale rede: „Het Ik-bewustzijn en de psychische ontwikkeling". Het was de eerste leerstoel in Europa voor deze jonge
tak van wetenschap.
5
) „Ich nenne diese Art der Behandlung der Philosophie... die Psychognostik".
· ) Cfr. Juden im Deutschen Kulturbereich (Sigmund Kaznebon. Jüdischer Verlag — Berlin 1959).
T
) Uitgaande van de Vereniging tot instandhouding van het Utrechtsch Oudstudientenfonde.
24
Het aan Grünbaum toegemeten tijdsbestek om op deze post de wetenschap en het hoger onderwijs te dienen, bleek van korte duur.
De slepende aandoening van diabetes vermocht aan de hier bereikte
niveau's van vriend- en wetenschappelijke relaties nauwelijks afbreuk
te doen. Het voor ingewijden overbekende beeld van Grünbaum met
het diabeticibrood onder de arm, begon allengs te vervagen.
Op 10 januari 1932 stierf Grünbaum aan deze aandoening en werd
twee dagen later begraven op de Joodse begraafplaats Muiderberg
bij Amsterdam.
Grünbaum stond om zo te zeggen in een overgangsfase. Opgeleid
en gevormd in de wijsgerige en experimentele, wordt zijn visie steeds
meer fenomenologisch doordrenkt.
Zijn psychologische instelling representeert een streven naar empirische synthese van neurofysiologisch experiment en fenomenologische observatie, met name op het gebied van de psychopathologie.
Typerend hiervoor zijn citaten, ontleend aan de openbare reden,
respectievelijk te Amsterdam en te Utrecht.
„Ik vind, dat wij juist door de nauwkeurige kennis van de bouw van de hersenen en hun fysiologische functies een diepergaande belangstelling te verwachten
hebben in de nauwkeurige onbevoordeelde analyse van de psychische feiten.
Want hoe dieper het onderzoek naar de structuur van de hersenen en hun
fysiologische betekenis gaat, hoe meer wij de fijne morfologische elementen en die
daarmee verbonden afzonderlijke fysiologische processen leren kennen, des te
meer wordt de behoefte gewekt om de rol van deze differentiëring te begrijpen.
Van dit gedifferentieerde anatomisch-fysiologisoh beeld zullen wij de psychologische tegenhanger moeten zoeken. Wij zullen ons niet meer tevreden stellen
met een algemene constructie van het psychische leven uit een enkel aprioristisch
principe. Wij zullen in analogie met het hersenonderzoek tot in bijzonderheden
willen afdalen en ons afvragen, welke gedifferentieerde afzondierlijke psychische
processen empirisch kunnen worden vastgesteld.
Deze empirisch psychologische vaststelling heeft echter ook voor de hersenfysiologie bijzondere betekenis. Want slechts na de vaststelling van de feitelijke
psychische verscheidenheid kan men aan de hoogste eisen van de localisatietheorie voldoen. Welke vorm de anatomisch-fysiologische leer van de localisaties
ook mocht aannemen, — of zij regionaire, structurele of gemengde rangschikking
van fysiologische en psychologische functies mocht aannemen — dat doet er niet
toe. Om te localiseren moet men buiten de kennis van de kwaliteiten en plaatselijke verscheidenheid! van substraten vóór alles weten, wát gelocaliseerd moet
worden. Evenals de psychologische theorie wetenschappelijk veroordeeld is, wanneer zij in blijkbare tegenspraak is met de vaststaande feiten van de hersenanatomie en fysiologie, evenzo is het duidelijk, dat localisatie-theorie geen
wetenschappelijke waarde heeft, wanneer zij psychische processen of structuren
localiseert, welke door het psychologisch onderzoek als een blote constructie of
verdraaiing van de psychische werkelijkheid veroordeeld wordt".
25
„De opvatting, dat de psychische levens oorspronJcelijk van elkaar gescheiden
zijn, daar ook de lichamen, waaraan zij gebonden zijn ten opzichte van elkaar
zijn afgegrensd, heeft haar laatste grond m de materialistisohe tendens, het
psychische te zien in de categorieën, waarin de materiële dingen gegeven zijn.
Nu is er zeker iets waars in de bewering, dat het psychische individuele leven,
in de een of andere zin, eerder dáár gelocaliseerd is, waar het betreffende
lichaam zich bevindt, dan ergens anden. Doch deze hoogst vage bepaling
betekent nog niet, dat mijn psyche als geheel bij de grenzen van het lichaam
ophoudt en in het algemeen, evenals mijn lichaam op een of andere wijze geïsoleerd is. Zo heeft het, in het algemeen, geen zin in normale gevallen van
localisatie, b.v. van de gedachten te spreken. Wel spreekt men van localisatie
van de psychische processen op bepaalde plaatsen van het centrale zenuwstelsel.
Maar met deze localisatie kan slechts bedoeld zijn, dat op deze afzonderlijke
plaatsen van het centrale zenuwstelsel zich gewoonlijk enige fysische processen
afspelen, wier wegvallen ten gevolge heeft, dat een bepaald, individueel psychisch
gebeuren zich niet meer openbaart.
Lichamelijk gelocaliseerd en ten opzichte van de ruimte begrensd kunnen dan
ook alleen fysische voorwaarden voor de uiting van het psychisch leven zijn.
Het psychische proces zelf, dat naar zijn wezen geen ruimte inneemt, kan dus
nóch in het lichaam, nóch ergens buiten het lichaam gelocaliseerd zijn. Wil men
toch enige betekenis aan de vage bewering hechten, dat b.v. de optische waarnemingen ergens gelocaliseerd zijn, dan is het deze, dat de waarneming niet
plaats heeft in de door het lichaam ingenomen ruimte, maar veeleer in de
interindividuele fenomenale ruimte. De waarnemingen, die betrekking hebben op
de zintuiglijk waarneembare buitenwereld, hebben voor de meeste individuen
een gemeenschappelijk verschijningsveld, waarin het waargenomen fenomeen
zich afspeelt. De fysische ruimte scheidt het ene lichaam van het andere, de.
fenomenale echter verbindt de psychische individuen, doordat zij het medevoltrekken der waamemingsakten mogelijk maakt. Dit feit der medevoltrekking
vindt men op ieder gebied van het psychische leven".
Grünbaum was een op en top pycnicus, wiens uiterlijk en innerlijk
op klassieke wijze de door KRETSCHMER geschetste kenmerken droegen.
Een kleine, stoere gestalte, met dikwijls „de levenstragiek van zijn
persoon en zijn ras in de uitdrukking van zijn ogen".8)
Hij was geestig èn geestrijk. Een spiritueel, sneldenkend mens, wiens
flitsende en onstuimige gedachten zich herhaaldelijk aan de teugel
van het woord onttrokken.
Bij al zijn voortreffelijke kwaliteiten ontbeerde Grünbaum tijdens
colleges de gave van voordracht, hetgeen nog werd geprononceerd,
doordat de verbalisering van zijn ideeën telkens verminkt werd als
gevolg van de gebroken russisch-duits-nederlandse uitspraak en zinsbouw.
Zijn spontaan rechtvaardigheidsgevoel en felle waarheidszin vermochten desnoods de normen van bescheidenheid en ethiek te door8
) L. Bouman: In memoriam Prof. Dr. A. A. Grünbaum. (Utrechtsche Studenten-Almamak voor 1933. 111e Jrg.)
26
breken. Hij had een orgaan voor wat echt en onecht was, daarom
kon zijn oordeel hard uitvallen. Door zijn rake antwoorden bedierf
hij soms onopzettelijk een eenmaal gelegd contact of maakte een
bijna drieste indruk, waardoor een moeizaam, vaak door anderen
voor hem, opgebouwde relatie verzandde. Zelfs wanneer plannen tot
aan de drempel van verwezenlijking waren gerijpt, gooide hij gemakkelijk en totaal onverwacht roet in het eten door ronduit zijn
mening kenbaar te maken, ook al werd hij daar zelf de dupe van.
Deze van elk opportunisme gespeende en vaak bruusk rondborstige
houding ontmoette geen onverdeelde erkenning. Zodoende groeiden
rond zijn persoon uitgesproken sym- en antipathieën, hetgeen de aan
zijn uitmuntende aanleg inhaerente gelegenheid tot een snel opwaartse carrière en appreciatie ernstig schade berokkend heeft.
Grünbaum was een persoonlijkheid, een eminent veelzijdig geleerde,
snel denkend, enorm belezen, wiens integere en authentieke levensstijl geen onverdeelde waardering genoot, wiens belangstelling en
studie een geniaal psychologisch besef en accent verrieden, wiens
ideeën en werken een pionier onthullen van de experimentele psychologie in het algemeen en van de klinische in het bijzonder. „Een
sieraad voor de wetenschap en van de Universiteit, waaraan hij verbonden was".")
2 . METHODISCH ONTWERP VAN GRÜNBAUM
Uit deze summiere biografie — consummatus in brevi, implevit
tempora multa — blijkt, dat het onderwerp van de onderhavige verhandeling slechts een enkele aspect onthult van GRÜNBAUM'S wijd
reikende studie-zin en wetenschappelijke interesse. Het was vooral
de dynamiek van het bewustzijn, welke GRÜNBAUM fascineerde, getuige zijn levendige deelname aan discussies omtrent de in zijn tijd
vigerende opvattingen.
Door het ontwerpen van een methodiek van onderzoek zocht hij
naar alle waarschijnlijkheid confrontatie met de pulserende variabiliteit van de elkander permanent completerende vormen van aandachtsbundeling en -spreiding. Zijn concept kreeg concrete gestalte
in het zogenaamde „cijferbord" (om de betiteling van zijn destijdse
·) L. Bouman: In memoriam Prof. Dr. A. A. Grünbaum. (Psychiatrische en
Neurologische Bladen. Jrg. 1932, no 35.)
27
medewerker VAN DER HORST te gebruiken). Mede omdat CRÜNBAUM
steun wilde verlenen aan de opkomende toepassing van differentiële
psychologie in de kliniek, mag zijn oorspronkelijk ontwerp bedoeld
heten als een objectief vergelijkbare methode van onderzoek, welke
als middel kon dienen ter exploratie en taxatie van de polair-dynamische structuur der beide voornoemde bewustzijnsaspecten. GRÜNBAUM heeft ons zijn principe e n methode van onderzoek nagelaten,
geen eigen scripta daaromtrent. W e l staat vast, dat hij met deze
methode onderzoeken heeft verricht o.a. bij collegae professoren van
de Amsterdamse Universiteit.
Voorzover na te gaan maakte GRÜNBAUM bij zijn proefopstelling gebruik van een kunstmatig geconstrueerd opmerkzaamheidsveld: een
rechthoekig paneel ter grootte van 60 X 90 cm. 10 ) O p deze witte
achtergrond staan de getallen 11 tot en met 64 in willekeurige spreiding: negen onder elkaar staande horizontale rijen van elk zes getallen. D e opdracht luidde: in arithmetische volgorde de getallen
opsporen, aanwijzen en benoemen. Door invoering van een constante
tijdsfactor (notering van het aantal gevonden cijfers per kwart minuut) wordt inzicht verkregen in de individuele tempovariaties van
visueel geprovoceerde opmerkzaamheid. (De cijfers van 11 tot en met
14 dienden stilzwijgend als oefenmateriaal en bleven bij de uiteindelijke verwerking buiten beschouwing).
Daarnaast ontwierp Grünbaum een zelfde, doch anders gestructureerd zoekveld: o p het cijferpaneel stonden de getallen van 1 tot en
met 54, n u echter in arithmetische volgorde, wederom in negen onder elkaar staande horizontale rijen. Boven elk van deze klein aangegeven getallen stonden grotere (van 11 tot en met 64) in volkomen
willekeurige
spreiding.
Opdracht:
de
grote,
onregelmatig
op
het bord voorkomende getallen in arithmetische volgorde opspo-
10
) Grünbaum's ontwerp vertoont sterke overeenkomst met een in 1912 door
Münsteiberg gelanceerd principe ter toetsing van distributieve opmerkzaamheid: een gekwadreerd situatie-veld (9 X 26 cm.), waarop getallen en letters
onderscheiden categorieën van verkeersdleelnemers symboliseerden. De proef
van Münsterberg was de eerste methode van onderzoek, die schematisch een
professionele situatie in miniatuur weergaf. Hij beoogde daarmee een bijzondere aard en graad van opmerkzaamheid' te toetsen, specifiek voor verkeerssituaties en -deelnemers. Aan deze proef ontleende selectie-resultaten
voor al of niet professionele geschiktheid waren verbluffend. Zijn onderzoekmethode, hoe eenvoudig ook, had epochale betekenis voor de experimentele
en praktische psychologie. (E. Stem.)
28
ren, maar uitsluitend de er onder staande kleine benoemen.
Deze laatste methode van onderzoek benadert in concreto GRÜNBAUM'S vermoedelijke doelstelling: het dynamisch samenspel van
focus- en field-attention. De in volgorde op te sporen getallenreeks
moet immers gehandhaafd worden ondanks intermitterende benoeming van het er onder aangegeven kleine getal. Het enig nadeel aan
de gecompliceerde methode verbonden, is een onvermijdelijk beroep
— zij het in zeer geringe mate — op primitieve intelligentiefactoren,
nodig voor begrip en realisering van de opdracht.
De verdienste van GRÜNBAUM'S experimentele idee ligt in de eenvoud
van provocatie der distribuerende èn focaliserende aandacht.
3 . E N K E L E B E S C H R I J V I N G E N VAN T O E P A S S I N G EN
DOOR VAN D E R H O R S T , W A T E R I N K
EN VAN
RESULTATEN
EEKELEN
heeft — naar ons weten als eerste — in 1937 op de
onderzoekmethode van GRÜNBAUM geattendeerd.11) Als een van de
methoden voor het experimenteel bepalen van de opmerkzaamheid
alsook in een uiteenzetting over samenhang tussen opmerkzaamheid
en intelleigentie wordt GRÜNBAUM'S onderzoek gememoreerd. Zijn
kwalificatie daarvan luidt: „Een proefopstelling, welke er op gericht is, het mogelijke reliëf in de totale bewustzijnsinhoud na te
gaan".
Van de vele onderzoekingenen tests, die reeds in de literatuur zijn
verschenen zegt VAN DER HORST geen enkele te kennen „die zo eenvoudig is ab het djferbord, dat ik indertijd met GRÜNBAUM heb
opgesteld".") In zijn beschrijving van de methodische uitvoering,
welke overigens identiek is aan de voorgaand vermelde, wordt aanvankelijk gesproken over een in vierkante vakken opgedeeld veld,
waarin telkens een groot en klein getal zijn aangebracht.
In het successievelijk opsporen van de grote cijfers en het benoemen
van de corresponderende kleine acht VAN DER HORST twee opdrachten
gegeven, die voortdurend uit elkaar moeten worden gehouden:
„Steeds moet op één van de verrichtingen de geconcentreerde opmerkzaamheid vallen, terwijl de nevenverrichting minder geconcenVAN DER HORST
") L. van der Horst: Over opmerkzaamheid. (Ned. Tijdschrift voor Psychologie.
V — 1938, blz. 421-433.)
**) L. van der Horst: Opmerkzaamheidi en intelligentie. (Ned. Tijdschrift voor
Psychologie. VI — 1939, blz. 207-215.)
29
treerde, meer distributieve opmerkzaamheid krijgt". Als zodanig
„houdt deze proefstelling zich bezig met de mogelijke verdeling tussen geconcentreerde en distributieve opmerkzaamheid". Hij is van
mening, dat het principe van de onderzoekmethodiek ten nauwste
samenhangt met een onderzoek naar de bewustzijnsgraad. Verhoging
van de bewustzijnsgraad bevordert structurering van het gegevene,
daling van de opmerkzaamheid doet afbreuk aan de kwalitatieve
prestaties, de duurzaamheid en de ordening in hoofd- en bijzaken.
Waar het in de instructie op neer komt wordt duidelijk toegelicht:
„In deze proefopdracht zien we dus steeds verwisselen van de distributieve en geconcentreerde opmerkzaamheid. Wat zoeven in de peripheric lag, de distributieve opmerkzaamheid, is thans in het centrum
getrokken; dat wat zoeven centrale opdracht was, moet tijdelijk onder de distributieve opmerkzaamheid worden vastgehouden".
De tijdsnotering geschiedt per halve minuut: deze uitkomsten worden verwerkt in een dispersiecurve, waaruit dan het verloop van de
opmerkzaamheidsspanning resulteert. VAN DER HORST onderkent „catastrophale reacties" of „Todstell-reflexen" (paralyseeringsphaenomenen), welke kunnen optreden na enkele vergissingen door onderzochte, of gedurende inzinkingen groter dan 45 seconden. Als gemiddelde tijdsduur van de onderzoekprocedure wordt 41^ minuut
aangegeven.
Dat er een sterke correlatie zou bestaan van het Grünbaumresultaat
met de intelligentiefactor wordt slechts vaag gemotiveerd: „Maar wel
staat vast, dat een proefopstelling, wanneer we willen nagaan, of
iemand in het leven de meeste situaties zal kunnen beheersen, d.w.z.
of iemand een behoorlijke intelligentie heeft, zich zal moeten richten
op het onderzoek naar de verdeling tussen deze twee soorten van
opmerkzaamheid" en elders: „De ervaring heeft geleerd, dat bij een
juiste praestatie in de gestelde tijd we te doen hebben met een voldoende intelligentie. Het omgekeerde is niet altijd het geval".
Uiteindelijk is VAN DER HORST de mening toegedaan, dat voor verlengde tijdsduur bij normaal bevonden intelligentie spanningen of
complexen verantwoordelijk te stellen zijn. Uit vele toepassingen van
deze Grünbaumtest is hem gebleken „dat in velerlei opzicht dit onderzoek een blik geeft in den psychische toestand van den persoon".
30
WATERiNK13) beschrijft toepassing van de Grünbaum-methode in het
kader van een nogal groots opgezet, meer algemeen onderzoek met
betrekking tot opmerkzaamheidsconcentratie. De Grünbaumtest
wordt door hem omschreven als een middel om „het vermogen de
opmerkzaamheid te concentreren" te meten. WATERINK gebruikt en
verduidelijkt uitsluitend de gecompliceerde methodische uitvoering.
Hij stelt als evident, dat bij deze proef de opmerkzaamheid sterk
moet worden geconcentreerd. „Immers de tijd, waarin de proef gedaan wordt, wordt gemeten". Het „snel zoeken" en „de aandacht
niet kunnen laten wegglijden", alsook het onthouden van vooreerst
het gevonden, dan het te benoemen en vervolgens het te zoeken
getal — telkens verschillend — acht WATERINK blijkbaar doorslaggevende motieven om de opmerkzaamheidseisen, welke GRÜNBAUM'S
onderzoekmethode stelt, als zuiver „concentratief" te betitelen.
Na enkele voorbeelden van „niet geringe moeilijkheden", verbonden
aan bepaalde getal-combinaties op het paneel, wordt de tijdsnotering
aangegeven. Door de totale tijd, waarin de proef wordt afgelegd en
het aantal per kwart minuut benoemde getallen te noteren „zijn wij
in staat, ook de regelmaat, waarmede de concentratie van de opmerkzaamheid functioneert, na te gaan".
paste de Grünbaum-methode toe tesamen met een reeks
anderen, waarmee hij poogde te onderzoeken hoe „innerlijke factoren den aard, met name ook de qualiteit der opmerkzaamheid beïnvloeden". Hij wilde het verband opsporen „dat tussen den aard
van iemands opmerkzaamheid en zijn innerlijk zóó-gestructureerdzijn kan worden gelegd". De concrete doelstelling gold het opstellen
van een opmerkzaamheidstypologie, het achterhalen van verklaringsgronden voor afwijkende opmerkzaamheidsconcentratie en benadering van het wezen van de opmerkzaamheidsconcentratie. In dit veelomvattend onderzoek moest om zo te zeggen de Grünbaumtest de
spits afbijten.
De uitwerking van de resultaten van het Grünbaum-onderzoek is
karig en weinig gedifferentieerd.
WATERINK onderscheidt zogenaamde „breuken" (indien duidelijke
storing in het opmerkzaamheidsproces optreedt) en „fouten" (welke,
dat weet men soms wel, soms niet).
WATERINK
*·) J. Waterink: Over opmerkzaamheid en opmerkzaamheidsconcentratie. (Ned.
Tijdschrift voor Psychologie. NA. I — 1946, blz. 97-126.)
31
„Storingen" worden vaag omschreven als „plotseling afbreken van
aandacht", „alsof het object, de opgave, wegglijdt uit het bewustzijn", of „(half bewuste) desoriëntatie". Opvallend groot is volgens
WATERiNK het aantal personen, dat verklaart gestoord te worden
door associaties, die ze „krijgen" of „maken" bij bepaalde getallen:
meestal met betrekking tot leeftijd van onderzochten zelf of van hen
bekenden. Hetgeen bij en tijdens de „breuk" geschiedt, lijkt belangrijk. Bij de spontane „breuk" kan plotseling de aandacht worden
gericht op een volkomen stilstaand, reeds eerder aanwezig object.
Van „fouten" is sprake bij „foutief verder gaan", „vragen of correctie
mogelijk is", opmerkingen als „er is geloof ik iets niet in orde". Deze
descriptieve trant heeft ongetwijfeld observationele waarde, maar
biedt weinig houvast voor accurate interpretatie van de onderzoekmethode.
Meer dan specifieke symptomen heeft WATERINK typologische verschillen in de opmerkzaamheidsconcentratie uit het onderzoekresulstaat willen destilleren.
T e oordelen naar plaatsruimte van bespreking, door Waterink aan
het Grünbaum-onderzoek gewijd, binnen het raam van het totaal
der mede in zijn doelstelling betrokken methodieken, mag diens
praedicaat „waardevol" er aan toegekend heten.
VAN EEKELEN1*)
stelt in zijn bespreking van ervaringen met de Grünbaumtest de buitengewone methodische voordelen van deze onderzoekprocedure voorop: blijkt zeer acceptabel; wordt als niet te moeilijk, maar ook niet te gemakkelijk opgevat; is vrijwel universeel
bruikbaar 18 ); biedt kwantitatieve uitdrukbaarheid en vergelijkbaarheid van resultaten; vertoont gunstige verhouding van tijdsduur en
efficiëntie; er bestaat slechts geringe mededeelbaarheid aan anderen,
waardoor betrouwbaarheid intact blijft. Er zijn relatief weinig psychologische onderzoekmethoden, die zoveel positieve kriteria in zich
verenigen.
VAN EEKELEN vermeldt ervaringen door toepassing van de Grünbaum14
) W. F. van Eekelen: Iets over de toepassing van de Grünbaumtest bij het
psychodiagnostisch onderzoek van arbeiden (Ned. Tijdschrift voor Psychologie. N.R. I — 1953, bk. 49-69.)
»e) „Zowel de geschoolde als de ongeschoolde, de intelligente als de niet intelligente, de gestoorde als de evenwichtige kunnen de instructie begrijpen en
de opdracht uitvoeren".
32
test op mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten in de bedrijfsituatie verkregen. Zijn instructie en uitwerking waren identiek met
de door VAN DER HORST en WATERINK geadviseerde. Als meest opval
lende uitkomsten van het onderzoek bleken arbeiders aanmerkelijk
langere tijd voor realisering nodig te hebben dan andere bevolkings
groepen: bij VAN DER HORST СП WATERINK ІСГ tot Vijf, bij VAN EEKELEN
gemiddeld acht minuten. Een omschreven oorzaak hiervoor wordt
niet gevonden. Invloeden van scholing of geslachtsverschil blijken
ten aanzien van de tijdsduur niet significant (kritische ratio respec
tievelijk: 1,4 en 0,7).
Als storingsfactoren onderscheidt VAN EEKELEN inzinkingen (z.g. paralysen: tijden groter dan 45 seconden) en „fouten", welke merkwaar
digerwijze in de uitwerking niet nader worden gedifferentieerd. In
het eindresultaat demonstreerde 3 1 % van de onderzochten een vol
komen intact, 59% een foutloos en 5 1 % een inzinkingvrij onderzoek
proces. Op demonstratieve 1 ·) wijze erkent VAN EEKELEN de belangrijke
indicatieve waarde van gemaakte „fouten". 1 7 ) Zo bleek het maken
van meer dan één fout door ongeschoolde arbeiders een reden om
te twijfelen aan hun bedrijfsgeschiktheid en een nader psychologisch
onderzoek te indiceren.
Aan paralysen kent VAN EEKELEN terecht verschillende betekenis toe
al naar gelang hun voorkomen in korte dan wel langdurige totaaltijd. In het eerste geval vermoedt hij bepaalde „defecten" in de persoonsstructuur — meestal ook tot uiting komend in het werkgedrag
in het bedrijf — zonder nadere aanduiding.
Voor wat betreft de relatie tussen tijdsduur van onderzoek en leeftijd
constateert hij ten aanzien van direct op elkaar volgende leeftijdsgroepen geen, met betrekking tot verder uit elkaar gelegen leeftijdsklassen wel significant verschil. De beste resultaten vielen in de leeftijdsgroep tussen 21 en 24 jaar.
Vanwege de weliswaar niet bijzonder hoge, maar toch duidelijk aanwezige significante positieve correlatie tussen tijdsduur en (testologisch) verkregen intelligentienorm, acht hij de invloed van deze
»«) De proefpersoon, die de meeste „fouten" had gemaakt, vertoonde in het
Rorsohachprotocol een epileptiforme grondstructuur en bleek bij informatie
in het bedrijf reeds eenmaal door een insult getroffen!
17
) In onze experimentele ondlerzoekingen is juist differentiëring daarvan uitermate waardevol gebleken voor de psychodiagnostiek.
33
laatste niet overwegend, hoogstens medebepalend. In zijn validiteitsonderzoek kwam de moeilijkheid van bepaling van een hanteerbaar
bedrijfsoordeel-kriterium betreffende de intelligentie naar voren:
significantie kon niet worden aangetoond. Het Grünbaum-resultaat
kan derhalve volgens VAN EEKELEN niet als maatstaf gelden voor de
in het bedrijf vereiste intelligentie. Veeleer acht hij de gemaakte
„fouten" indicatief voor intelligentie in het algemeen. Bijzonder
lange totaaltijden (groter dan 10 minuten) of een groot aantal „fouten" zou verwijzen naar een laag intelligentie-niveau ofwel naar
minder gunstige momenten in de karakterstructuur.
Nogal begrijpelijk, is van duidelijke samenhang tussen Grünbaumresultaat en werkgedrag nauwelijks sprake. Wel blijken in het algemeen de mensen, die fouten maken „niet de meest accurate en sociaal het best aangepaste werkers" te zijn.
De betekenis van deze onderzoekmethode ziet hij voornamelijk als
indicatief (verwant aan de Z-test van ZULLIGER) : „Een niet opvallend
resultaat zegt weinig, een afwijkende prestatie werkt alarmerend".
VAN EEKELEN concludeert, dat bij selectie van ongeschoolde arbeiders
aan de Grünbaumtest op zich geen doorslaggevende betekenis mag
worden gehecht; voor zulk toepassingsgebied dient het resultaat
steeds gezien te worden tegen de achtergrond van de gehele persoonlijkheid. Aldus werd een eindconclusie verkregen, „waarvan de
slotconclusie van het bedrijfsoordeel slechts in 4% der gevallen
afweek".
Alhoewel tussen de uitkomsten in de Grünbaumtest en het intelligentie-niveau, de karakterstructuur of de slotconclusie van het onderzoek geen enkelvoudig verband bestond, acht van Eekelen de methode van GRÜNBAUM zeer geschikt om aan het begin van een psychologisch onderzoek te worden afgenomen.
4 . EPICRITISCHE BESCHOUWINGEN OVER DE BRUIKBAARHEID VAN
HET DESTIJDS VOORGESTELDE ONDERZOEK
Voor zover door ons kon worden nagegaan hebben VAN DER HORST,
WATERINK en VAN EEKELEN als eersten en enigen in gepubliceerde
vorm mededeling gedaan omtrent toepassing en bruikbaarheid van
GRÜNBAUM'S onderzoekprincipe.
Ten aanzien van hun beschrijvingen van toepassing en resultaten
34
betreffende het destijds door GRUNBAUM voorgestelde onderzoek k a n
het navolgende worden opgemerkt.
1. Bij d e
onderzoekingen
door
VAN DER HORST, WATERINK
en VAN
EEKELEN werd uitsluitend gebruik gemaakt van de gecompliceerde
methodische uitvoering. V a n d e zogenaamde eenvoudige Grünbaum-methode ontbreekt derhalve elk experimenteel, statistisch
en psychodiagnostisch gegeven.
2. VAN DER HORST treft n a a r alle waarschijnlijkheid de kern van het
G r ü n b a u m - p r i n c i p e , wanneer hij de d a a r a a n eigen methodische
provocatie v a n h e t dynamisch samenspel van opmerkzaamheidsb u n d e l i n g e n -spreiding beklemtoont, in tegenstelling tot WATERINK, wiens betiteling v a n opmerkzaamheidsconcentratie-test eenzijdig voorkomt. E e n van de belangrijkste verdiensten van dit
onderzoek ligt ons inziens juist in h e t specifiek methodisch appèl
o p een samengaan van focus- en field-attention, waarmee een
wezenskenmerk van h e t attentief proces, namelijk een facet van
het polair-dynamisch karakter wordt benaderd.
3. De h a n t e r i n g van d e totaaltijd, benodigd voor verrichting van h e t
Grünbaum-onderzoek, als enig kriterium voor opsporing van correlatie m e t d e intelligentiefactor doet n o g al grof aan. I n dit opzicht toont zich VAN EEKELEN, d i e van de door h e m gevonden
statistische grootheden mededeling doet, opvallend gereserveerder
in zijn uitspraken d a n VAN DER HORST, die a a n zijn ervaring, d a t
juiste prestatie b i n n e n d e gestelde tijd voldoende intelligentie indiceert, elk feitenmateriaal o n t h o u d t .
4. Alle drie de onderzoekers concluderen tot vermoedelijke samenh a n g tussen enerzijds opmerkzaamheidsstoornissen (tot u i t i n g kom e n d in h e t Grünbaum-resultaat) en anderzijds m i n d e r gunstige
of complexmatige m o m e n t e n in de karakter- of persoonlijkheidsstructuur. Ze achten juist hierin d e indicatieve waarde van het
Grünbaum-onderzoek gelegen.
5. Enigszins onbevredigend is, dat WATERINK — ofschoon
merkbaar
geïnteresseerd in de opmerkzaamheidsproblematiek — van zijn
groots opgezet onderzoek 1 8 ) e n het rijke materiaal, waaruit hij k o n
p u t t e n , o p zo beperkte en weinig gedifferentieerde wijze melding
) Hiertoe behoorden: Kraepelm-test. Bourdon-Wiersma-proef, Rorschach-test,
grafologisch onderzoek, intelligentie-test, uitvoerige anamnese, beroepskeuzelijst en andere!
35
heeft gemaakt, ook wat betreft de gevonden Grünbaumresultaten.
Van des te meer belang is evenwel zijn overzicht van de typische
defecten in de opmerkzaamheidsconcentratie, dat — opgesteld aan
de hand van de verkregen algehele bevindingen — zeer bruikbaar
is te achten voor differentiatie van storingsverschijnselen in het
Grünbaum-onderzoek:
A. Ondiepe concentratie:
a. geleidelijk dieper wordend;
b. afnemend in diepte;
с „golvend" (telkens nieuwe impuls);
d. egaal ondiep.
B. Gestoorde concentratie:
a. vaag besef van desoriëntatie (bij storing);
b. duidelijk besef van gemaakte fout: naar aard bekend ofwel
naar aard onbekend;
с volkomen ontbrekend besef van storing.
6. Waar genoemde onderzoekers de Grünbaum-methode unaniem
als een specifiek opmerkzaamheidsonderzoek beschouwen en
WATERiNK terecht constateert, dat wel de zwaar pathologische
vormen van opmerkzaamheidsstoornissen zijn onderzocht (JANET,
KRAEPELIN, VAN MONAKOW) maar de lichtere storingsverschijnselen
— die juist tot het probleemgebied van de toegepaste psychologie
behoren — relatief weinig, verdient het Grünbaum-onderzoek
ongetwijfeld meer belangstelling van de kant der experimentele
research.
Van de nog steeds vigerende geldingskracht van LINDWORSKY'S kritiek, dat het vraagstuk van de opmerkzaamheid ondanks talrijke
onderzoekingen als een der minst bevredigende hoofdstukken van
de (experimentele) psychologie te beschouwen is, getuigt tot op
de dag van vandaag de nog uitermate beperkte methodische
keuze van onderzoekmiddelen op dit terrein.
Aangezien het Grünbaum-onderzoek door VAN DER HORST ter bepaling
van samenhang tussen bewustzijnsgraad en intelligentie, door WATERINK ter opstelling van een opmerkzaamheidstypologie, door VAN
EEKELEN ten behoeve van personeelsselectie in het bedrijf werd toegepast, mag worden vastgesteld, dat hiermee het terrein van de toegepaste psychologie gedeeltelijk is verkend.
36
Onze eigen ervaringen
met d e onderzoekmethode
van
GRÜNBAUM
speelden zich grotendeels af in de psychiatrisch-neurologische sfeer.
Mede o m d a t GRÜNBAUM zelf steeds geïnteresseerd en werkzaam
geweest o p h e t gebied van de in zijn tijd o p k o m e n d e
is
differentiële
psychologie in de kliniek, kwam ons d i t terrein van onderzoek als
bij uitstek geschikt voor ter g e b r u i k m a k i n g
van zijn
onderzoek-
m e t h o d e . N o g nergens was tot 1955 n a a r ons weten m e l d i n g gem a a k t van toepassing of resultaten der G r ü n b a u m - m e t h o d e in de
klinische sector. Deze omstandigheid noopte tot eigen research. Daartoe werd het aloude en nog steeds vigerende probleem van organischcerebrale storingsverschijnselen, meestal in v e r b a n d gebracht
met
meer of m i n d e r p r e g n a n t e vormen of g r a d e n van bewustzijnsstoornis, als experimenteel indicatie-gebied gekozen.
W a a r VAN DER HORST19) reeds had gesteld: „Is d e opmerkzaamheid
sterk gestoord, zodat a n d e r e altijd waargenomen prikkels onopgem e r k t blijven, d a n is er iets in de n o r m a l e bewustzijnstoestand niet
in orde" 2 0 ), kwam d e G r ü n b a u m - m e t h o d e — sinds VAN DER HORST en
WATERiNK bekend als een opmerkzaamheids- en concentratie-test — in
a a n m e r k i n g voor research o p genoemd gebied. O m d a t ook n a a r onze
m e n i n g het onderzoekconcept
van GRÜNBAUM bedoeld was ter ex-
ploratie van de aandachtsmodus, gingen de eerste proefnemingen uit
n a a r epileptische en epileptiforme stoornissen daarvan.
Bij tal van patiënten k o n d e n voor de als zodanig in de kliniek gestelde neurologisch-psychiatrische
diagnose meer of m i n d e r
preg-
n a n t e a a n k n o p i n g s p u n t e n worden gevonden. Vooral in combinatie
met
de
tot
dan
toe
gebruikelijke onderzoekmethodiek
(BOURDON-
WIERSMA, RORSCHACH) ten аалгіеп van zulke klinische suspecties, be
tekende het Grünbaum-onderzoek een reële aanwinst. T o c h bleven
de bevindingen over het algemeen m i n d e r m a r k a n t d a n aanvankelijk
verwacht.
I n de overtuiging, dat aanvullende wijzigingen m e t betrekking tot
de presentatie v a n GRÜNBAUM'S onderzoek, vooral ten aanzien van
de registratie van uitkomsten, in verdergaande research
19
ï0
bruikbare
) Zie voetnoot no. 11.
) Overeenkomstige uitspraken zijn, in tal van varianten met dezelfde strekking
te beluisteren zowel van neurofysiologische en electroencephalografische als
van psychopathologische en psychiatrische zijde (Penfield, Jung, Kubie,
Lashley, Bleuler, Piéron, e.a.).
37
perspectieven zouden kunnen onthullen voor psychodiagnostisch gebruik, werd modificatie van de oorspronkelijke methode wenselijk
geacht.
Deze behoefte is niet nieuw. Er zijn meer pogingen tot herziening ondernomen,
getuige nog bestaande of reedis in. vergetelheid geraakte methodische varianten
op het oorspronkelijk ontwerp van Grünbaum. De veranderingen bestonden
voornamelijk in eliminering van Gestaltpsychologische figuratie, welke door partieel gebruik van ééncijferige items werd bewerkstelligd 21 ) ; systematisch gewijzigde opstelling van de items; met opzet bemoeilijkte getal-combinaties; aanmerkelijke verkleining van het kunstmatig opmerkzaamheidsveld; inachtneming
van renditmopstelling, en dlergelijke.
Al deze modificatie-pogingen betreffen uitsluitend de gecompliceerde methodische
uitvoering en handhaven zwarte getallen op witte paneel-achtergrond.
Voor zover bekend zijn nimmer resultaten van desbetreffende toepassing in serieonderzoekingen openbaar gemaakt.
Enkele frappante feiten — waard vermeld te worden — waren mede
aanleiding tot modificering. Zij zijn om zo te zeggen van historische
en methodische aard.
Wanneer men moet vaststellen, dat GRÜNBAUM'S concept van onderzoek al ruim drie decennia bestaat, terwijl sindsdien naar ons bekend geen andere scripta aan dit onderwerp gewijd zijn dan de zojuist gereleveerde, dan pleit dit ogenschijnlijk niet voor het psychodiagnostisch belang van GRÜNBAUM'S onderzoekprincipe.
De werkelijkheid getuigt evenwel tegen deze veronderstelling.
Allereerst hebben wij in de beschrijvingen van toepassing en resultaten van het destijds door GRÜNBAUM voorgestelde onderzoek bij
VAN DER HORST, noch bij WATERINK, noch bij VAN EEKELEN iets ЗП
een wanklank kunnen beluisteren. Zij kennen zelfs unaniem psychodiagnostische waarde toe — zij het een indicatieve — aan dit experi
menteel concept.
Het feit bovendien, dat deze onderzoekers resultaten van toepassing
vermelden, ieder op volkomen verschillend terrein en met totaal
andersgeaarde indicatie-stelling, verleent aan hun eenstemmigheid
in waarde-oordeel de betekenis van een experimenteel pleidooi.
Ook het, niettegenstaande deze zeldzaamheid van publicatie, met na
genoeg universele bekendheid in de psychologen-wereld, nog steeds
voortleven — zij het in stilte — van GRÜNBAUM'S ontwerp, is te beschouwen als een blijk van latente waardering.
21
) Deze kritiek geldt ook het oorspronkelijk ontwerp van Grünbaum.
38
Ten slotte valt niet te ontkennen, dat de methodische opzet van
GRÜNBAUM zich tot op de dag van vandaag heeft gehandhaafd, ondanks nog steeds ontbrekende gesystematiseerde en gedifferentieerde
uitwerking van door toepassing verkrijgbare resultaten.
Als positieve aspecten in het destijds door GRÜNBAUM voorgestelde
onderzoek zijn met nadruk te noemen:
1. de terecht door VAN EEKELEN gememoreerde pragmatische kwaliteiten van de onderzoekprocedure, met name de bijna universele
toepasbaarheid, omdat geen specifieke of bijkomende capaciteiten
(buiten beheersing van de telfunctie) worden voorondersteld;
2. de methodische toetsing van het polair-dynamisch karakter (conèn divergerende aspecten) van aandacht in tegenstelling tot de
nog steels gebruikelijke onderzoekmethoden (BOURDON-WIERSMA,
TOULOUSE-PIÉRON, KRAEPELiN, e.a.), die louter het statische, fixerende, concentratieve facet van de opmerkzaamheid exploreren;
3. de eenvoud van het onderzoekprincipe (c.q. de numeratieve volgorde), dat een visueel-mentaal proces van aandachtig-zijn provoceert op basis van impliciet gegeven logisch-progressief verloop
(met als gevolg, dat het vorderen van de prestatie uitsluitend mentaal gegeven, niet visueel — zoals bij de gebruikelijke methodieken
— constateerbaar is).
Met deze laatste constatering raken wij een wezenlijk onderscheid tussen Grünbaum's onderzoekmethodiek en de overige reeds vermelde opmerkzaamheidsproeven. In deze ziet onderzochte, dat hij vordert; in de Griinbaum-procedure
weet hij, dat hij vordert. Dit laatste veronderstelt weet-hebben, weet-besef, en
vereist verstandelijk, reflexief bewustzijn, c.q. aandacht. Dit onderscheid heeft
ook specifieke cojisequenties voor afleidbaarheidsmomenten of aandachtsinzinkingen: in eerstgenoemde methodieken kan de plaats, waar het 'handelingsproces'
werd onderbroken, achteraf door onderzochte visueel worden geconstateerd; in
het laatste geval echter wordt zulk een reconstructie of taakhervatting bemoeilijkt
op grond van de mentaal-mnestische activiteit, waarbij de onderbreking of fout
visueel spoorloos blijft.
Het idee van GRÜNBAUM om de logische volgorde van de getallenreeks tot fundament te maken van een methode ter exploratie van
het attentief proces bij uitnemendheid, de aandacht, is te beschouwen als een waardevolle toetssteen, waarop de experimentele psychologie nog weinig heeft gebouwd.
39
HOOFDSTUK I I I
AANVULLENDE WIJZIGINGEN MET BETREKKING
T O T H E T ONDERZOEK VAN GRÜNBAUM
1. AANPASSING V A N O N D E R Z O E K - O M S T A N D I G H E D E N
A A N DE G E G E V E N DOELSTELLING
Zoals in het voorgaande uiteengezet zijn de door ons met behulp van
de oorspronkelijke onderzoekmethode van GRÜNBAUM opgedane resultaten voor een deel efficiënt, voor een ander deel insufficiënt gebleken. Bedoeld psychologisch onderzoek, aanvankelijk gericht op het ontmaskeren van attentieve stoornissen bij in de kliniek als epileptisch
geklassificeerde patiënten toonde aan, dat ontdekking van deze
stoornissen met behulp van de oude experimentele situatie niet
altijd mogelijk bleek. Een aantal klinisch gediagnostiseerde epileptici ontsnapte aan deze methode van opsporing. Bepaalde tekortkomingen in de originaire opstelling en uitvoering van de methodiek
leken hieraan debet. Deze constatering en veronderstelling hebben
er toe geleid de oorspronkelijke experimentele situatie te wijzigen.
Bij kritische analyse kwamen situatieve en methodische tekorten aan
het licht, die aan de uitkomsten van het onderzoek afbreuk deden.
Niet het onderzoekprincipe, veeleer de onderzoekomstandigheden
bleken deficiënt.
Zintuigelijke afleidbaarheidsprikkels buiten het artificieel opmerkzaamheidsveld (voorwerpen, wandversiering, schaduwinval) waren,
evenals de wisselende intensiteit van het in de onderzoekruimte
binnenvallend daglicht, van niet-specifiek storende invloed op de
onderzoekprestaties. Deze variabele omstandigheden wreekten zich
in de bevindingen van onderzoek als imponderabele factoren, die
het Griinbaum-resultaat herhaaldelijk op onnaspeurlijke wijze vertekenden. In het belang van doeltreffendheid en betrouwbaarheid
der methodiek dienden zij zoveel mogelijk te worden geëlimineerd.
Ook van de attentieve provocatie, inhaerent aan doelstelling en
methodiek van het onderzoek, leek meer profijt te trekken. De bijna
vierkante vorm van het getallenpaneel bracht, door te gering contrast
met de horizontale oogstand, onvoldoende zijn functie van „zoek"40
veld tot uiting. 1 ) Het bij de eenvoudige methodische uitvoering gebruikelijke aanwijsmiddel — bedoeld als controle op al of niet
juiste benoeming van door onderzochte opgespoorde items — bleek
vaak tot hulpmiddel te worden (c.q. fixeringsmogelijkheid) bij kortstondige aandachtsverslapping of absence. De verwachting bestond,
dat door het aanbrengen van modificaties in bovenbedoelde zin de
door GRÜNBAUM geëntameerde methode van onderzoek aan indicatieve en selectieve waarde in diagnostisch opzicht zou winnen.
Veelvuldig en langdurig experimenteren was er op gericht om —
in WATERINK'S terminologie — het „uiterlijk arrangement" 2 ) van het
vereiste opmerkzaamheidsproces te verzachten, het „innerlijke" te
versterken. In werkelijkheid betekende dit: stabilisering van de onderzoeksituatie en accentuering van het provocatief appèl.
Een der belangrijkste experimentele overwegingen gold invoering
van het kleurelement. Dit zou in tweeërlei opzicht aan de gestelde
eisen tegemoet komen: kleurgeving van de getallen betekende introductie van een (emotioneel, stemmingsmatig aangrijpende) afleidbaarheidsfactor binnen het opmerkzaamheidsveld, terwijl kleurbenoeming elk aanwijs-of controle-middel in de eenvoudige methodische uitvoering overbodig maakte. Om de ongewenste invloed van
variabele daglicht-intensiteit te weren werd verduistering van de
onderzoekruimte ingevoerd. Op de psychologische consequenties en
perspectieven, welke aan deze invoering van het kleurelement en
van relatieve duisternis als nieuwe experimentele situatie zijn verbond, wordt nader teruggekomen.
Uit tal van proefnemingen resulteerde uiteindelijk een zwarte paneel-achtergrond met in fluorescerende kleuren") uitgevoerd cijfermateriaal, op speciale wijze belicht 4 ), als de meest doelmatige opstelling. Het lichtgevend kleurkarakter van dit chromatogeen Grünbaumpaneel doet in zijn verhoogde helderheid en verzadigdheid attractief aan en suggereert dieptewerking.
l
) Een op het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit te Nijmegen bestaajide variant op de Grünbaum, met rendumopstelling der items, werd als
model voor de Grünbaum-modificatie adaequaat en efficiënt bevonden.
*) J. Watermk: Opmerkzaamheid en opmerkzaamheidsconcentratie. (Ned. Tijdschrift voor Psychologie. N.R. — I. 1946, blz. 122.)
s
) Fluorescerent delight paint (Philips, Tagefa, e.a.)
*) TL 40 W/8 lampen.
41
EXPERIMENTELE MODIFICATIE
VAN G R Ü N B A U M ' S O N D E R Z O E K M E T H O D E
GRM I
34 19 42 54 45
26 16 39 28 Б7
GRM II
39
15 28 45 18
24
33 46 51 40
10
20
12 29 44 51 23
11
21
12
22
13
23
H
24
13 25 48 37 21
30
31
32
33
34
37 20 55 32 47
31 11 26 23 34
25 41 17 53 38
38 20 56 49 44
35
45
52 18 21 31 46
36
46
37
47
38
48
39
49
47 58 16 32 22
Eenvoudige methodische uitvoering.
Gecompliceerde methodische uitvoering.
Opdracht:
Opsporing en benoeming in arithmetische
volgorde van de willekeurig verspreid staan
de getallen van 10 tot 60, onder gelijk
tijdige vermelding van bijbehorende kleur.
Opdracht:
Opsporing in arithmetische volgorde van
de willekeurig verspreid staande grote ge
tallen van 10 tot 60, onder gelijktijdige
benoeming van het telkens er onder staande
kleine getal, met bijvoeging van de kleur
van het grote.
42
α. Wijzigingen in presentatie.
Deze wijzigingen in presentatie golden beide methodische uitvoe
ringen, zowel de eenvoudige als de gecompliceerde.
Op een rechthoekig vertikaal bord (ter grootte van 100 X 50 cm.)
zijn tegen zwarte achtergrond de getallen van 10 tot en met 59 in
willekeurige spreiding geplaatst, zodat tien onder elkaar staande
horizontale rijen van elk vijf getallen worden gevormd. Het cijfer
materiaal is fluorescerend-chromatogeen uitgevoerd, waardoor onder
invloed van ultraviolette belichting in een verduisterde ruimte de
horizontale getallenrijen respectievelijk een rode, gele, groene, witte
en blauwe kleur uitstralen; deze zelfde opeenvolging van kleuren
herhaalt zich met betrekking tot de resterende vijf rijen. Op deze
wijze ontstaat een in verschillende kleuren lichtgevend getallenpaneel, welks zwarte achtergrond in de verduisterde onderzoekruimte
niet of nauwelijks contrasteert. Aan deze proefopstelling werd de
opdracht verbonden: alle willekeurig op het paneel verspreid staan
de getallen in (arithmetische) volgorde op te sporen onder gelijk
tijdige vermelding van hun respectievelijke kleur.
De modificatie van de gecompliceerde Grünbaum-methode werd op
analoge wijze uitgevoerd. Dit betekent, dat de dubbele horizontale
getallenrijen (te weten: de grote in willekeurige, daaronder de kleine
in arithmetische volgorde geplaatst) in onderling verschillende kleuren zijn aangegeven, met dien verstande, dat de kleine items — ter
contrastering met de grote — achtereenvolgens per horizontale getallenrij in de kleuren wit, blauw, rood, groen en geel werden uitgebeeld.
Aan deze vorm van presentatie werd de instructie toegevoegd: de willekeurig verspreid staande grote getallen in gebruikelijke volgorde op
te sporen, doch slechts het er onder staande kleine getal te benoemen, onder gelijktijdige vermelding van de kleur van het grote 6 ).
Een juiste visie op de modificatie-details, welke werden aangebracht
in de oorspronkelijke Grünbaum-methodiek verschaft navolgende
vergelijking.
0
) Ondanks deze lichte complicatie blijkt de instructie een reeds door kinderen
van 8 à 9-jarige leeftijd te volvoeren opdracht.
Kleuraanduiding: R = rood; Y = geel; G = groen; W = wit; В = blauw.
43
Originele vorm:
Gemodificeerde vorm:
1. presentatie bij daglicht;
1. presentatie bij ultraviolet
licht in verduisterd vertrek;
2. constante lichtintensiteit van
fluorescerend cijfermateriaal;
3. eliminering van buiten het
opmerkzaamheidsveld gegeven afleidbaarheidsprikkels;
4. gekleurde items tegen zwarte
achtergrond; ")
5. plaatsing van items in tien
horizontale rijen van vijf getallen ieder;
6. vervanging van het aanwijsmiddel door kleurbenoeming;
7. gecompliceerde instructie.
2. niet te vermijden variabele
lichtintensiteit;
3. handhaving van afleidbaarheidsprikkels buiten het opmerkzaamheidsveld;
4. zwarte items tegen witte achtergrond;
5. plaatsing van items in negen
horizontale rijen van zes getallen ieder;
6. gebruik van aanwijsmiddel,
ter controle;
7. eenvoudige instructie.
De wijziging, welke de instructie in de gemodificeerde methode van
onderzoek heeft ondergaan, is niet van zo ingrijpende aard als op het
eerste gezicht lijkt. Bij de oorspronkelijke methode van GRÜNBAUM
volstond benoeming (en eventueel aanwijzen) door onderzochte van
een item, respectievelijk het grote (in de eenvoudige) of het hiermee
corresponderende kleine getal (in de gecompliceerde uitvoering).
In de gemodificeerde versie wordt hieraan telkens benoeming van
de kleur van het grote getal toegevoegd.
Steeds dient controle van juiste herkenning en benoeming van getallen en kleuren (door enkele willekeurig aangewezen items als
zodanig te laten benoemen) aan de instructie vooraf te gaan. Hierbij
kunnen namelijk enkele moeilijkheden van de kant van onderzochte
aan het licht komen.
Foutieve getalbenoeming zal zich nagenoeg uitsluitend demonstreren
in de vorm van cijfer-omkering, als gevolg van latente sinistriefactoren. Uiteraard is van de te constateren graad van deze stoornis
e
) Bij daglicht zijn de items wit.
44
al clan niet uitvoerbaarheid van het onderzoek afhankelijk te stellen.
Foutieve kleurbenoeming blijkt voornamelijk terug te voeren op
partiële of totale gestoordheid met betrekking tot het kleurenzien.
Gedeeltelijke kleurenblindheid behoeft de onderzoekprocedure niet
altijd te belemmeren. Een door onderzochte aangegeven nuanceverschil in kleurbenoeming (b.v. paars i.p.v. blauw, rose i.p.v. rood)
blijkt steeds toegankelijk voor correctie. Bij ernstige of totale kleurenblindheid kan op de oorspronkelijke methodiek worden teruggegrepen, aangezien het chromatogene getallenpaneel bij normaal
kunst- of daglicht witte items op zwarte achtergrond vertoont. Sporadisch tijdens de onderzoekprocedure voorkomende onjuistheden in
getal- of kleurbenoeming zijn diagnostisch te interpreteren. Deze
verschijnselen worden elders besproken.
In elk geval is duidelijk, dat pas na intact bevonden getal- en kleurherkenning de instructie kan worden meegedeeld. Deze biedt in de
eenvoudige methode uiteraard geen probleem. Moeilijkheden kunnen wel rijzen ten aanzien van de instructie bij de gecompliceerde
methodische uitvoering. Herhaling van uitleg is dikwijls wenselijk
of nodig, in elk geval toegestaan. Blijkt onderzochte totaal niet
vatbaar voor de instructie van de gecompliceerde methode dan is
dit indicatief te achten voor ernstige vorm van olygophrenie of
dementie.
Praktijkervaring heeft geleerd, dat successieve toepassing van beide
methoden, zowel instructief als diagnostisch, het meest efficiënt is.
De gebruikelijke proefopstelling bij het afnemen van de Griinbaum-modificatie
was als volgt. In een stoel op ongeveer 114 à 2 meter voor het gemodificeerde
Griinbaum-bord neemt onderzochte plaats in een rustige, zo mogelijk ontspannen
houding. Het getallenpaneel (dat bij normaal daglicht witte cijfers op zwarte
achtergrond te zien geeft) wordt aan weerskanten verlicht door een afgeschermde
ultraviolette staaflamp (type TL 40 W/S; lengte 1.20 m.), zodat de lichtval uitsluitend langs de voorkant van het paneel strijkt. Na (relatieve) verduistering
van de onderzoekruimte licht het chromatogeen cijfermateriaal in voornoemde
kleuren op zonder dat de lichtbronnen voor onderzochte zichtbaar zijn. De onderzoeker neemt nimmer plaats ter zijde of in het gezichtsveld van onderzochte,
doch steeds op ruime afstand achter deze.
Op grond van het in de praktijk mogelijk gebleken complexe karakter van
door onderzochte eventueel gemaakte fouten is onder het getallenpaneel een
microfoon ingebouwd, zodat getal- en kleurbenoemingen in tape-recording kunnen worden vastgelegd. Ter zekerstelling van uniformiteit betreffende instructieve
mededelingen werd zoveel mogelijk navolgende toelichting gehandhaafd.
Instructie eenvoudige methodiek: Op dit bord staan tien rijen van getallen
onder elkaar, elke rij in een andere kleur. Noem achtereenvolgens de kleur per
regel van boven naar beneden.
45
De getallen van 10 tot 60 staan hier volkomen ongeordend, door elkaar. Het is
de bedoeling deze getallen van 10 tot 60 in juiste volgorde op te sporen en
telkens het gevonden getal te benoemen met de er bij behorende kleur.
Instructie gecompliceerde methodiek: Dit is ongeveer eenzelfde cijferbord als
het vorige met eveneens de getallen van 10 tot 60. Onder deze door elkaar geplaatste grote getallen staan kleine aangegeven. Nu is het de bedoeling wederom
de grote getallen in juiste volgorde op te sporen, doch ze mogen niet meer worden uitgesproken. In plaats daarvan moet nu telkens alleen het er onder
staande kleine getal worden gezegd tesamen met de kleur van het grote.
b. Wijzigingen in registratie.
Om inzichtelijke en diagnostisch bruikbare vastlegging van onderzoekgegevens te bewerkstelligen, bleken eveneens wijzigingen ten
aanzien van de gebruikelijke vorm van registratie wenselijk. Blijkens
de publikaties betreffende uitwerking van het Grünbaum-resultaat
bestaat geen uniformiteit in notering van resultaten. Eerder is gesteld, dat vermeende ontoereikendheid van de oorspronkelijke Grünbaum-mehode voor een belangrijk deel lijkt te moeten worden toegeschreven aan te weinig gedifferentieerde registratie van uitkomsten.
Hierbij zijn drie mogelijkheden te onderscheiden:
1. notering van het aantal per tijdseenheid — halve of kwart minuut
— gevonden getallen (VAN DER HORST en WATERINK) ;
2. notering van totaal- en gemiddelde tijden (VAN EEKELEN) ;
3. notering van het aantal fouten en inzinkingen (VAN DER HORST, WATERINK en VAN EEKELEN) .
Ons is gebleken, dat deze vormen van notering onvoldoende inzicht
verschaffen in het karakteristiek verloop van de prestatie. Het principe de tijd als constante factor aan te nemen en het aantal als variabele index, of omgekeerd, is op zich genomen ondoelmatig; slechts
combinatie van beiden tendeert naar volledigheid. Deze kan uitsluitend worden gerealiseerd door vastlegging van de tijd per gevonden
item, welke methode van registratie bovendien in staat stelt tot gespecificeerde verwerking van uitkomsten in rekenkundige èn grafische vorm. De gevolgde wijze van registratie is in sterke mate medebepalend gebleken voor achteraf uit deze data te destilleren psychodiagnostische indicaties.
Voor accurate en efficiënte tijdsnotering werd een formulier ontworpen, waarop
de per item benodigde zoektijd wordt ingevuld.
46
De afzonderlijke reactietijden worden door middel van een curve grafisch weergegeven. Uit praktische overwegingen moest op het formulier de grafische uitdrukking van tijden groter dan 30 seconden worden gereduceerd tot een verhoudingsgewijs vijfmaal kleinere weergave dan die beneden deze tijdslimiet.
Tijdsnotering met behulp van de traditionele chronometer bleek in een vrij intensief verduisterde onderzoekruimte vaker op moeilijkheden te stuiten. Om deze
te ondervangen werd een zeliregistrerende tijdsapparatuur ontworpen, bestaande
uit chronoteller en chronograaf. Hierdoor werd het mogelijk de afzonderlijke tijden per item vast te leggen in gelijktijdig numerieke en grafische vorm.
De chronoteller registreert naast rangnummercodering de successieve tijdsintervallen in grootheden van seconden. De chronograaf geeft laatstgenoemde numerieke data grafisch weer in vertikaal-lineaire piekvorm vanaf een nullijn. De
afleesbaarheid van dieze resultaten op een registratie-rol verschaft, reeds tijdens
de voltrekking vam de onderzoekprocedure, een voorlopige indruk omtrent symptomatologische en indicatieve gegevens.
In de praktijk wordt door deze synchrone tijdsregistratie niet alleen aan exactheid, overzichtelijkheid en snelheid van tijdsnotering gewonnen, maar krijgt
tevens de permanente observatie van onderzochte door onderzoeker reële kansen.
Ook voor andere psychologische proefnemingen is deze zeliregistrerende tijdsapparatuur waardevol gebleken voor wat betreft accuratesse in tijdsmeting, controle
van opklimmende moeilijkheidsgraad en verwerking van tijdsresultaten.
In deze vorm opgedane ervaringen bevestigen het vermoeden, dat in menige
psychologische onderzoekprocedure aan de tijdsfactor meer indicatieve waarde
is te verlenen dan tot nu toe mogelijk en gebruikelijk.
Bepaling van totaal- en gemiddelde tijden werd voorlopig buiten
beschouwing gelaten, omdat deze kwantitatieve gegevens de juist
zo belangrijke individuele karakteristiek aan de tijdsschommelingscurve grotendeels ontnemen. Bovendien doet zich de moeilijkheid
voor op welke wijze ernstige vormen van falen in deze tijdsgegevens
47
te verdisconteren zijn. Ofschoon voornoemde onderzoekers ten aanzien van dit probleem geen enkele melding hebben gemaakt, verbonden zij juist aan de door hen gevonden totaaltijden vérstrekkende conclusies!
Om ook de aantalberekening voldoende tot haar recht te laten komen en een indruk te krijgen met betrekking tot periodiciteit en
duurzaamheid van het prestatie-verloop, wordt het aantal items
bepaald (gevonden tussen respectievelijk 1 t / m 10, 11 t / m 20, 21
t / m 30 en boven 30 seconden: in het vervolg te betitelen als primaire, secundaire, tertiaire en ultimaire zoektijden), zowel in totaal
als per (arithmetisch) tiental.
Ogenschijnlijk maakt deze bewerking van data een eer omslachtige
dan overzichtelijke indruk. Door deze differentiatie van tijds- en
aantalgegevens worden evenwel de mogelijkheden tot statistische
vergelijking en diagnostische interpretatie van de onderzoekresultaten verruimd én gespecificeerd.
Recapitulerend kan de procedure voor registratie van uitkomsten
als volgt worden weergegeven:
1. notering van per item benodigde zoektijd;
2. aan de hand van deze gegevens wordt een tijdsschommelingscurve
samengesteld (waarin tijden groter dan 30 seconden een verhoudingsgewijs vijfmaal kleinere grafische uitslag vertonen dan die
beneden deze tijdslimiet);
3. vastlegging van het aantal primaire, secundaire, tertiaire en ultimaire zoektijden, zowel in totaal als per (arithmetisch) tiental;
4. notering van per tiental items benodigde zoektijd.
Deze wijze van registratie geldt gelijkelijk voor de eenvoudige en
gecompliceerde methodische uitvoering. Aan de hand van genoemde
tijds- en aantalgegevens zijn verschillende typen van tijdsschommelingscurven te onderscheiden.
Minstens even belangrijk zijn de storingsmomenten, die tijdens de
onderzoekprocedure kunnen optreden: extreem lange zoektijden en
varianten van falen (door VAN DER HORST en VAN EEKELEN respectievelijk „paroxysmen" en „fouten" genoemd).
48
2. DIFFERENTIËRING VAN TIJDSCURVEN EN MOGELIJKHEDEN
VAN FALEN
Elke poging een klinisch experiment tot diagnostisch instrument te
maken vooronderstelt systematische en nauwkeurige onderscheiding
van gegevens en verschijnselen, waartoe het resultaat van onderzoek
aanleiding geeft. Reeds werd een andere dan de gebruikelijke methode voor overzichtelijke en accurate registratie van bevindingen in
het gemodificeerde Grünbaum-onderzoek aangeduid. Onderscheid
werd gemaakt in drieërlei opzicht: uitdrukbaarheid van data met
betrekking tot tijd, aantal en falen.
Ofschoon de tijdsschommelingen sterk kunnen variëren, is het merendeel van de tijdscurven herleidbaar tot enkele grondvormen. Deze
geven slechts bij benadering een specifiek verloop aan en zijn bedoeld ter onderlinge vergelijking en differentiatie. Meestal worden
combinaties van deze grondvormen in eenzelfde tijdscurve aangetroffen.
Waar op het resultaten-formulier telkens de zoektijd per item
vanaf een nullijn kwantitatief van boven naar beneden wordt weergegeven, komt een snel tempo in een hoog, een traag tempo in een
laag verloop van de tijdslijn tot uitdrukking. Dienovereenkomstig
is sprake van een tachyphrene of van een bradyphrene curve.
Al naar gelang relatief geringe of grove wisselingen in reactietijden
voorkomen wordt de curve regelmatig of onregelmatig. Een plotseling
optredende extreme verlenging van de zoektijd is te betitelen als
paroxysmale inzinking. Vodgen meerdere uitzonderlijk lange reactietijden elkander op, dan ontstaat een zogenaamd syncopaal curveverloop. Het verschil van beiden komt grafisch tot uiting in een
soort guirlande-vorm van de syncopale en een arcade-inslag van de
paroxysmale tijdslijn. Een absolute grenswaarde van een opvallende
verlenging der zoektijd is moeilijk aan te geven. Op grond van
ervaringsgegevens beschouwen wij als zodanig alle tijden, welke de
limiet van 30 seconden overschrijden (in tegenstelling tot VAN DER
HORST, die zulks voorstelt ten aanzien van reactietijden langer dan
45 seconden, hetgeen door hem als zogenaamde „paralyse" wordt
aangeduid).
Een ander facet, van meer temporele aard, heeft betrekking op de
totale tijdsschommelingscurve: naarmate de reactietijden per item
49
gedurende het onderzoek toe- of afnemen, ontstaat een regressief of
progressief curvebeeld. Gaat een aanvankelijk progressief verloop na
enige tijd over in een regressief, dan ontstaat een concave, in het omgekeerde geval een convexe registratie-lijn.
Waar het Grünbaum-onderzoek zich uiteraard leent voor indeling in
tijdsperioden — subtotaal per arithmetisch tiental — zijn ook ten
aanzien van deze periodiciteit bepaalde onderscheidingen mogelijk.
Omvatten deze subtotalen telkens een nagenoeg gelijkblijvende tijdseenheid, dan is sprake van constante periodiciteit; lopen de tijdseenheden per subtotaal sterk uiteen, dan heeft men te doen met
variabele periodiciteit.
Naast de tot nu toe besproken overwegend kwantitatieve en temporele kenmerken van de tijdscurve is een meer kwalitatief aspect in
de grafische weergave te onderscheiden: de continuïteit van de registratie-lijn. De tijdscurve kan aaneengesloten of onderbroken zijn,
respectievelijk te betitelen als intact of intermitterend. De onderbreking kan van lacunaire of iteratieve aard zijn.
Tot dit kwalitatief aspect van de grafische uitbeelding zijn ook te
rekenen al die storingsmomenten, welke — niet in de tijdslijn tot uitdrukking komend — zich voordoen, doordat onderzochte faalt in zijn
attentieve selectiviteit ten aanzien van de volgorde (successief), het
getalsymbool (figuratief) of de opdracht (instructief). De aan deze
accurate of vicieuze selectiviteit te verbinden symptomatologische
consequenties en psychodiagnostische perspectieven komen als attentieve varianten van falen nog ter sprake.
De grafische weergave van verkregen uitkomsten in een tijdscurve
is een efficiënt hulpmiddel gebleken in de klinisch-experimentele
beoordeling en vergelijking van onderzoekresultaten. Bijgaand schema (blz. 51) geeft een overzicht van de beschreven tijdscurven, ingedeeld naar attentieve aspecten.
Menselijk falen kent variabiliteit naar oorzaak en vorm. Attentief
falen impliceert kortstondig in gebreke blijven als gevolg van storingsmomenten in het attentief proces. Waar de Grünbaum-modificatie te beschouwen is als een methode tot experimentele toetsing
hiervan, mag worden verwacht, dat in het resultaat van dit onderzoek varianten van bedoeld falen op een of andere wijze gestalte
verkrijgen.
Vergelijken wij als zodanig beide gemodificeerde Grünbaum-metho50
tachyphreen
vitaliteit
bradyphreen
intensiteit
regelmatig
. stabiliteit
onregelmatig
paroxysmaal
syncopaal
intact
alertheid
intermitterend
vigiliteit
accuraat
selectiviteit
vicieus
lacunair
iteratief
successief
figuratief
instructief
constant
periodiciteit
tenaciteit
variabel
progressief
regressief
persistentie
concaaf
dieken, dan zullen varianten van attentief falen frequenter en pregnanter kunnen optreden in de gecompliceerde uitvoering, waarin
het instructieve aspect overheersend is, in tegenstelling tot de eenvoudige uitvoering, waarin het executieve domineert. De eenvoudige
methode appelleert op een rudimentair proces van spreidende attentieve modaliteit. Het complexe zoekveld provoceert attentieve dynamiek, waarin concentratieve èn distributieve tendenzen als het ware
in permanent duel vicariërend met elkander wedijveren.
Tijdens de onderzoekprocedure tot uiting komende varianten van
falen kunnen zowel door innerlijke (in het subject zelf geïncorporeerde) als door uiterlijke factoren (eigen aan methode en situatie
van onderzoek) worden bewerkstelligd.
Het subjectief falen kan zich manifesteren in drieërlei vorm, te weten als attentief verzuim, abuis of dwaling: 7 )
a. omissief falen, als hiaat of lacune in het belevings- of gedragsproces op grond van verzuim;
7
) Cfr. Eng.: failure — mistake — error.
Fr.: manque — méprise — erreur.
51
b. abusief falen, als fout of onjuistheid in het duidings- of hande
lingsproces door abuis of vergissing;
с erratief falen, als vervaging of onzekerheid ten aanzien van het
taakbesef op grond van dwaling.
In tegenstelling tot de omissie zijn beide laatstgenoemden als com
missie te betitelen. 8 ) Zowel omissieve als commissieve fouten kunnen
door onderzochtte spontaan worden hersteld: correctie.
De uitvoering van de opdracht, welke de onderzoekprocedure stelt,
doet bij het subject beroep op:
1. besef van volgorde en kennis van de getallenreeks (successief
besef);
2. herkenning en benoeming van kleuren en cijfergestalten (nomi
natief besef);
3. onthouden en weergeven van de opgedragen taak (reproductief
besef).
Hieruit resulteren als specifieke varianten van falen in de methode
van onderzoek strijdigheden ten aanzien van respectievelijk de nume
rieke successie (omissie, repetitie, turbatie), de figuratieve symbo
liek (negatie, deformatie, deviatie) en de instructieve procedure (de
ficiëntie, substitutie, destructie).
Combinatie van bovengenoemde subjectieve en objectieve factoren
releveert negen onderscheiden vormen van falen.
METHODISCH FALEN
SUBJECTIEF FALEN
Omissief
lacune.
hiaat.
^
Commissief
misgreep,
misstap.
Correctief
<Г
^
^
4
"^
Volgorde
(successief)
Gfstalte
(figuratief)
Opdracht
(instructief)
verzuim
Omissie
weglating
Negatie
ontkenning
Deficiëntie
tekortkoming
Abusief
abuis
Repetitie
herhaling
Deformatie
verspreking
Substitutie
vervanging
Erratief
dwaling
Turbatie
verwarring
Deviatie
verwisseling
Destructie
verbreking
Herstel
verbetering
Numeratief
Nominatief
Reproductief
o) Afgeleid van Lat. „com-mittere": (iets ongeoorloofds) begaan, zich schuldig
maken aan, misdoen.
52
Praktijkervaring heeft uitgewezen, dat deze gedifferentieerde varianten van falen één- of meermalig in het resultaat van gemodificeerd
onderzoek kunnen voorkomen, gedeeltelijk in de eenvoudige, allen
in de gecompliceerde. Genoemde attentieve storingsvarianten worden onderstaand nader omschreven en toegelicht.
Omissie.
Hiermee wordt aangeduid, dat een item in de gebruikelijke reeks
onopgemerkt door onderzochte wordt overgeslagen. Dit achteloos
voorbijgaan kan zowel het getal en bijbehorende kleur als enkel het
getal (getalomissie) of alleen de kleur (kleuromissie) betreffen. De
omissie, als hiaat of lacune in de getallenreeks of in de tijdscurve,
kan een enkel of meerdere items in successie alsook een tiental omvatten (respectievelijk enkelvoudige, meervoudige of decimale omissie). Laatstgenoemde impliceert niet noodzakelijkerwijs de numerieke begrenzing van een tiental.
Repetitie.
Hiermee wordt elke herhaling van een item bedoeld. Getal of kleur,
dan wel beiden worden herbenoemd. Evenals bij de omissie zijn te
onderscheiden: getal- of kleurherhaling, alsmede enkel-, meervoudige
en decimale repetitie.
Turbatie.
Het kan gebeuren, dat onderzochte plotseling geen weet meer heeft
van het eerstvolgend te benoemen getal. Wij noemen dit verschijnsel
turbatie, omdat onderzochte blijkbaar in een peracute onzekerheidsof verwardheidstoestand geraakt: hij is onzeker ten aanzien van het
in de getallenreeks bereikte item.
Meestal wordt in zulk geval beroep gedaan op hulp van de kant van onderzoeker
door informatie naar het laatstbenoemde of het eerstvolgend op te sporen getal.
Negatie.
Hiervan is sprake, wanneer onderzochte hardnekkig de veronderstelling uit, dat het in de numerieke volgorde op te sporen getal niet
53
Staat aangegeven op het kunstmatig zoekveld, omdat het tijdelijk
„onvindbaar" is.
Mededeling, dat alle items op het paneel voorkomen blijkt meestal voldoende
aansporing om het ogenschijnlijk onvindbare getal alsnog te ontdekken.
Deformatie.
Hiermee wordt elke misnoeming van getal- of kleursymbool aange
duid. Klaarblijkelijk behoeft dit verschijnsel nauwelijks toelichting.
Toch kan deze vorm van falen zich in de meest vreemdsoortige ver
sprekingen voordoen.
D e foutieve benoeming kan alleen het cijfer (b.v. 15 В = 25 В) of enkel
de bijbehorende kleur (b.v. 25 В = 25 G) betreffen.
Daarnaast is ook mogelijk, dat de nominatieve vergissing totale of gedeeltelijke
verwisseling van twee op elkaar gelijkende items (b.v. 15 В en 51 W) impli
ceert. Hierdoor kunnen dan ofwel alleen het cijfer (15 В = 51 В), ofwel alleen
de kleur (15 В = 15 W), alsook beiden in de plaats treden van het oorspronke
lijk te benoemen item (15 В = 51 W).
Navolgende varianten van falen kunnen alleen in de gecompliceerde
methodische uitvoering voorkomen.
Deviatie.
Dit verschijnsel doet zich voor wanneer van de aan te houden arith
metische volgorde der grote getallen wordt afgeweken door over te
gaan op de volgorde van de kleine, of omgekeerd. Eigenlijk vindt
hier dus verwisseling plaats van noem- en zoekgetallen. Al naar ge
lang de plaats in de getallenreeks en de wijze (antero- of retrograad), waarop dit geschiedt, kan de indruk worden gewekt van een
pseudo-omissie of -repetitie.
Deficiëntie.
Deficiëntie doet zich voor, wanneer een deel van de opdrachtsinhoud
wordt weggelaten of miskend. Dit gedeeltelijk wegvallen van de instructie kan ofwel het kleurelement (kleurdeficiëntie), ofwel het
numerieke deel van het item (getaldeficiëntie) betreffen. In
het eerste geval wordt de volgorde van de grote getallen opgespoord en kenbaar gemaakt door gelijktijdige benoeming van de er
onder staande kleine. In het laatstgenoemde geval worden alleen de
54
kleuren van het grote en van het kleine item benoemd overeenkomstig de arithmetische volgorde der zoekgetallen.
Substitutie.
Wordt in het verloop van het onderzoek aan de opdracht een andere
inhoud gegeven dan aanvankelijk meegedeeld en door onderzochte
opgevolgd, dan is sprake van vervanging.
Bij getal-substitutie fungeert het zoekgetal tevens als noemgetal: benoeming van de kleine items blijft totaal achterwege. Zodoende wordt
de opdracht gereduceerd tot die van de eenvoudige methode: enkel
aanduiding van het grote getal en zijn kleur.
De kleur-substitutie behelst, naast vervanging van het te benoemen
kleine getal door het grote, benoeming van de kleur van het kleine
item in plaats van die van het grote. Aldus vindt volkomen omkering
van de opdracht plaats: in tegenstelling tot de eigenlijke instructie
worden immers juist het grote getal en de kleur van het er onder
staande kleine benoemd.
Opgemerkt zij evenwel, dat ook bij deze variaties het instructief stramien van
de volgorde der zoekgetallen gehandhaafd blijft.
Destructie.
Deze term werd gekozen ter aanduiding van die vorm van falen,
welke blijk geeft van totale miskenning of vervaging van de opdrachtsinhoud. Hierbij wordt namelijk van de instructief aan te houden volgorde van de grote getallen volkomen afgeweken: uitsluitend
de kleine en hun bijbehorende kleur worden nog benoemd. Op deze
wijze gaat het instructief aspect volkomen teloor, doordat de (kleine)
noemgetallen tevens als zoekgetallen worden gebezigd, welke als zodanig in numerieke volgorde staan aangegeven.
Eliminering van de opdracht, waarbij het noemgetal tot zoekgetal wordt, maakt
de procedure moeite- en waardeloos. Deze verwarring is des te ernstiger, wanneer
onderzochte niet spontaan tot het besef komt, dat op deze wijze elk instructief
aspect geëlimineerd is.
Correctie.
Herstel of verbetering van falen kan zich op verschillende wijzen
55
voordoen: partieel of totaal, ogenblikkelijk of retrograad, spontaan
of reactief, met onzekerheid of met overtuiging. De idee van eigen
falen kan bovendien terecht of ten onrechte bij onderzochte opkomen, zo ook de daarop aansluitende correctie.
De verschillende vormen en graden, welke bovengenoemde attentieve storingsvarianten kunnen aannemen, stellen de onderzoeker
voor tal van onverwachte moeilijkheden bij de praktische toepassing
en uitwerking, niet enkel ten aanzien van notering, evenzeer wat
betreft herkenning en differentiatie.
Zelfs al valt voorlopig met onvoldoende zekerheid te achterhalen,
welke psychologische processen of neurofysiologische stoornissen
aan deze verschijnselen ten grondslag liggen, aan hun evident en gedifferentieerd voorkomen kan niet achteloos worden voorbijgegaan.
Zij zijn naar alle waarschijnlijkheid te beschouwen als evenzovele
symptomen, die een diepere achtergrond of oorzakelijkheid doen
vermoeden, zoals reeds gedeeltelijk op verifieerbare wijze is gebleken.
Na afloop van het onderzoek wordt — al dan niet naar aanleiding
van desbetreffende informatie door onderzoeker — soms corrigerende
zelfkritiek geuit, omdat onderzochte hetzij enig weet heeft, hetzij
twijfel koestert omtrent eigen falen op grond van extreem korte of
verlengde tijdsduur.
Bij confrontatie achteraf van onderzochten met de door hen gemaakte fout blijken niet alle personen, die eenzelfde soort fout hebben gemaakt tot dezelfde categorie te behoren. Een deel van hen
wordt zich er van bewust, dat zij het geweten hadden kunnen hebben (neurotici); de organicus mist dit besef ten enenmale. Hierin
openbaart zich een differentieel diagnosticum tussen enerzijds attentiviteitsstoornissen, welke berusten op neurotische bewustzijnsverandering en anderzijds attentiviteitssoornissen, die op organischsructurele afwijkingen terugvoeren. Bij psychogeen gestoorde attentiviteit bestaat nog 'weet' hebben op organisch niveau van gemaakte
fouten; de organisch gestoorde kan hiervan geen enkel 'weet' hebben.
Met deze laatste constatering raken wij eigenlijk reeds het gebied
van de klinisch-psychologische ervaring.
56
HOOFDSTUK IV
A S P E C T E N VAN H E T G E M O D I F I C E E R D E
ONDERZOEK
1 . HET BELEVEN VAN LICHTGEVENDE KLEUREN IN RELATIEVE
DUISTERNIS ALS NIEUWE EXPERIMENTELE SITUATIE
Het empirisch vastgestelde feit, dat met behulp van het gemodificeerde onderzoek attentiviteitsstoornissen, met name epileptische,
beter herkenbaar zijn gebleken dan met behulp van de oorspronkelijke methode het geval was, vereist nadere toelichting.
Wanneer men het gemodificeerde Grünbaum-paneel en de daarin
vervat liggende psychologische consequenties met hedendaagse opvattingen over bewustzijn confronteert, dan kan de belangrijkste
motivering, die aan deze modificatie ten grondslag ligt, als volgt worden aangeduid.
Waar als fundamentele prefiguratie van het specifiek menselijk bewustzijn het 'bemerken' fungeert en dit laatste een gevoelsmatige
gewaarwording is, volgt hieruit, dat in iedere modus van bewustzijn
een emotionele zijnswijze of een bepaalde wijze van gestemd-zijn, c.q.
een bepaalde wijze van geëmotioneerd-zijn, vervat ligt. Waar
op het gemodificeerde Grünbaum-paneel de symbolen per regel
in verschillende kleuren zijn uitgevoerd en deze onnadenkend
appelleren op een bepaalde wijze van gestemd-zijn, drukt dit ongetwijfeld — en de ervaring bevestigt dit — zijn stempel op het gedragspatroon van de onderzochte ten aanzien van deze regels. Sommige
helderheden van kleuren impliceren bepaalde helderheden van bewustzijn, terwijl andere (cfr. zwart en duisternis) appelleren op bewustzijnsverenging. ledere regel van het gemodificeerde Grünbaumbord doet derhalve beroep op een omschreven wijze van attentiefzijn. Wanneer het te onderzoeken subject nu al van huis uit weinig
attentici is, zal dit op een andere kleurregel, als specifiek appèl op
gevoelsmatige gewaarwording, tot uiting komen dan bij iemand, die
van aard wel attentief is.
Door opzettelijk gekleurde symbolen en regels te presenteren appelleert men bewust op de emotioneel-affectieve structuur van de regel
als situatie, die in het oorspronkelijk concept van CRÜNBAUM als in
eerste instantie rationele structuur op het individu inwerkte.
57
Vormwaameming representeert een primair verstandelijke, kleurgewaarwording een primair emotionele bepaaldheid van het belevingsproces. Vormwaameming provoceert een nuchter-zakelijke,
kleurgewaarwording een affectief-thymische belevingsmodaliteit. Het
ene appelleert op verstand, het andere op gemoed en stemming.
Het waarnemen van symbolen (c.q. getallen) is overwegend gebonden aan vorm en impliceert als zodanig meer cognitieve gerichtheid.
De gnostische intentionaliteit is een nagenoeg exclusieve verstandelijke manifestatie van de persoonlijkheid. Bij het gewaarworden van
kleuren (i.e. van bepaalde nuances in helderheid, verzadiging en
tint), prevaleert de conatieve gerichtheid: de emotionele, stemmingsmatige beleving op het lust-onlust-stramien. Zo is zwart symbool van
duisternis, maar ook emotioneel van somberheid, droefheid, doodsheid, terwijl wit, als symbool van grootste helderheid, uiting van
vreugde, feestelijkheid, openheid demonstreert. Zwart en duisternis
— als wegvallen van elk helderheidsaspect — appelleren eigenlijk op
angst- en onlustvolle stemming (cfr. manisch-depressieve patiënten).
In de experimentele situatie als hier bedoeld heeft de relatieve duisternis een andere psychologische valentie. Zij representeert, evenals
de kleuren, uitsluitend gewaarwordingskwaliteiten en isolerende, eliminerende werking ten aanzien van uiterlijke afleidbaarheidsprikkels. Als zodanig maakt zij rustig en kalmeert. Zij verinnerlijkt het
aandachtsproces. Zij verbreekt het contact met de Umwelt, die zwart
en kleurloos wordt. Tegelijkertijd wordt echter de ontvankelijkheid
voor de gevoelsvalentie van de lichtgevende kleuren door de relatieve duisternis, als experimentele situatie, geaccentueerd. Dit pregnante kleurkarakter, gepresenteerd in relatieve duisternis, grijpt sensitief-emotioneel en affectief-thymisch aan.
Met deze enkele gegevens willen slechts summiere grondslagen worden gereleveerd, waarop ervaringen van de mens ten opzichte van
een dergelijke experimentele situatie kunnen berusten.
Waar in menige psychologie, met name de oude theorieën, bewustzijn een vorm van louter gnostisch intentioneel-zijn impliceert —
waarbij het stemmingsmatige aspect in bewustzijn werd miskend —
en in het (conatief) intentioneel-zijn ook een stemmingsaspect schuilgaat, kwam dit laatste in het oorspronkelijk concept van GRÜNBAUM
niet of onvoldoende tot zijn recht.
Nu is uit de praktijk van de klinische psychiatrie genoegzaam be58
kend, dat de psychologisch fundamentele stoornissen bij epileptici
voornamelijk te zoeken zijn in stemmingsveranderingen. Zij lijken
niet in eerste instantie intellectief, maar emotioneel dementerend.
Dit proces wordt gecompenseerd met ietwat krampachtig hyperrationeel ingesteld raken ten opzichte van de wereld. Op grond van deze
overwegingen is te stellen, dat men bij de epilepticus, die met de
getransformeerde experimentele situatie wordt geconfronteerd, eigenlijk appelleert op vormkennis, die nu echter in een specifiek gekleurd
kleed is gestoken. Het oorspronkelijk gnostisch aspect vloeit over in
een emotioneel. Juist ten aanzien van dit laatste is zijn epileptische
bestaanswijze niet optimaal toegerust. Als zodanig concretiseert de
gemodificeerde onderzoeksituatie een extra-bemoeilijking voor de
epileptische patiënt, in zoverre hij doelbewust met uitgesproken gnostische en tegelijkertijd emotionele aspecten van waarneming wordt
geconfronteerd. Juist dit uitgesproken gelijktijdig gnostisch en emotioneel element in de waarneming zijn in het kader van de epileptische geaardheid totaal niet met elkaar in harmonie en daarom
moeilijk te integreren. Aan deze omstandigheid lijkt het frequenter
en evidenter falen in de chromatogeen dan in de zwart-wit uitgevoerde onderzoekmethode voornamelijk te mogen worden toegeschreven.
Wanneer deze hypothetische verklaring juist is, zou de epileptische
stoornis in eerste instantie als een sensitieve modaliteit van attentiviteit, dus niet als „echt", maar als prefiguratie van bewustzijn en
niet als intellectief-cognitieve, maar als sensitief-emotionele gestoordheid te bestempelen zijn.
Buiten deze psychologische consequenties en perspectieven, welke de
chromatogene transformering van de experimentele situatie met
zich medebrengt, zijn vanzelfsprekend nog tal van andere factoren
betrokken bij het zien en beleven van lichtgevende kleuren in relatieve duisternis. De totaliteit van de kleurfactor in de onderzoekmodificatie heeft, naast de gedeeltelijk reeds genoemde psychologische, ook vèrsrekkende fysische en fysiologische repercussies. Op al
deze aspecten van kleuraandoening, kleurverschijnsel en het organisch proces van kleurenzien doet de nieuwe experimentele situatFe
een geheel andersgeaard en anderswaardig appèl dan de oorspronkelijke.
59
Nauwkeurige en diepgaande analysering van deze aspecten omvat evenwel een
opgave, die ver uitreikt boven het kader van deze verhandeling en zou onvermijdelijk vastlopen in lacunes van het huidig weten en kennen daaromtrent.
Slechts enkele facetten van dit veelzijdig kleurprobleem kunnen summier worden
aangeraakt als elementaire bijdrage tot verheldering van de chromatogene onderzoekmodificatie.
Fysisch beschouwd wordt het proces van kleurenzien bepaald door drie factoren,
te weten: helderheid, verzadiging en tint. Ab zodanig is reeds de kleur-aanbieding
in de onderaoekmodificatie een bijzondere. Toepassing van fluorescerende belichting accentueert verzadigingsgraad èn helderheid van de kleuren, terwijl het
gebruik van uitsluitend elementaire hoofd- en primaire grondkleuren (c.q. rood,
geel, groen, wit en blauw) de grootste optische pregnantie garandeert.
In de gegeven omstandigheden is de verzadiging van de fluorescerende kleuren
zelfs groter dan ooit het geval kan zijn bij oppervlakte-, vlakte- of reflectie- en
ruimtekleuren, ten opzichte waarvan het lichtgevend kleurkarakter bovendien
een geheel eigen plaats inneemt. 1 )
De aard van de kleurgeving in de gewijzigde experimentele situatie heeft zodoende optimale begunstiging van de fysiche verschijningswijze der kleuren tot
gevolg.
Fysiologisch bezien is met kleurwaarneming een complex organisch proces gemoeid, dat neurofysiologische integratie vereist van perifere en centrale factoren,
culminerend in door accomodatie, innervatie en transmissie bepaalde geleidingsen projectie-systemen in cerebro. Zoals bekend zijn het scherp-zien en kleurenzien gebonden aan kegelvormige retinacellen, wier maximale frequentie en intensiteit in en nabij de macula lutea gelegen zijn. De voor kleur ongevoelige
staafvormige retinacellen, dienende voor het zien in schemering of relatieve
duisternis, gaan daarentegen naar de periferie van het netvlies overheersen. Min
of meer analoog aan deze concentrische licht- en kleurgevoeligheid naast excentrische duistemis-gevoeligheid van de retina, tekenen zich bovendien afzonderlijke kleurgevoeligheidsgebieden (respectievelijk voor rood en groen, blauw
en geel, wit en grijs) af, zodat ten aanzien van het kleurenzien in de gewijzigde
onderzoeksituatie de activiteit van de fovea centralis in elk opzicht merkbaar
prevaleert boven die van de aequator bulbi.
Uit deze overwegingen blijkt, dat reeds het louter perifere aandeel van het
visuele apparaat sterk verschilt van het voorheen in de zwart-wit uitvoering
gebruikelijke. Allereerst is de gezichtsveldbegrenzing voor het tot stand komen van
kleurgewaarwordingen veel enger dan die voor het wit-zien; bovendien functioneren de kleurgevoelige substanties in de kegelvormige retina-cellen als medebepalende elementen met alle daaraan verbonden specifieke consequenties voor
de centrale doorgeleiding. Omtrent de bij dit kleurenzien betrokken centrale processen is relatief weinig met zekerheid bekend. Talrijke bi- en multipolaire gangliencellen, biochemische processen en producten, energetische substanties en metabolismen, bioelectrische impulsen en synergieën bewerkstelligen onder invloed van
het autonome zenuwstelsel de slechts ten dele bekende communicatie, transformatie en interpretatie van perifere prikkeling in sensu tot centrale beleving in
cerebro. Het zijn met name de temporale, occipitale en parietale sohorsvelden,
die uiteindelijk bij de perceptie van kleuren betrokken zijn.
Twee verrassende bevindingen, opgedaan bij toepassing van de gemodificeerde
onderzoekmethodiek zijn vermelding hunner relevantie waard.
Vooreerst het feit, dat bij de hier bedoelde reeks van onderzoekingen slechts zeer
*) Dit komt fenomenologische onderscheiding van „Leuchten" en „Glühen"
(door D. Katz in zijn „Die Erscheinungsweise der Farben") nabij.
60
sporadisch onoverkomelijke invloed van kleurenblindheid werd ondervonden. Tot
op de dag van vandaag is het aangetroffen percentage van deze handicap in de
gewijzigde experimentele situatie opvallend gering gebleken (minder dan een
half procent). Als partieel kleurenblind geklassificeerde mensen vermeldden soms
spontaan de indruk, dat zij volkomen tegen hun verwachting in, de lichtgevende
kleuren, gebonden aan de cijfersymbolen, duidelijk konden ervaren. Hoe dit
empirisch vastgestelde feit te verklaren laat zich nauwelijks vermoeden. Misschien
zijn fluoreacerend-chromatogeen materiaal, lichtgevend kleurkarakter, verhoogde
verzadigingsgaad of contrastwerking hier medebepalend. Ook de vormgebonden
kleurpresentatde of het feit, dat louter verschil in helderheidsbeleving intellectief
of op grond van praktijk-ervaring door sommige kleurenblinden wordt gecorrespondeerd met kleuronderscheiding zou voor dit fenomeen aansprakelijk kunnen
worden gesteld. Evenmin klinkt onwaarschijnlijk, dat kleurwaarneming of subjectieve ervaring en herkenning dienaangaande bij als kleurenblind geklassificeerde mensen gekoppeld zou zijn aan vormwaameming. Bij eventueel juist bevinden van deze laatste veronderstelling rijst de vraag of kleurenblindheid gedeeltelijk te corrigeren valt door vormgeving, c.q. symbolisering, van het kleuraanbiedingsproces. Juiste samenhang of interpretatie van deze ervaring reikt
buiten de competentie van onze beoordeling. Het praktisch belang van dit geconstateerd verschijnsel lijkt nader onderzoek te wettigen.
Nog een andere merkwaardige bevinding betreffende het waarnemingsproces in de
getransformeerde experimentele situatie mag niet onvermeld blijven, namelijk
het diepte-zien. Door gebruik te maken van chromatogeen-uitstralende lichtwerking lijken de getalsymbolen niet meer in één vlak, maar in diepteverhoudingen gerealiseerd. De naar tint, helderheid en verzadiging onderscheiden kleurgevinif van de getallenreeks per regel heeft de uitwerking van een stereoskopisch
effect: de indruk van onderscheiden dieptewerking der verschillende kleuren is
onontkoombaar. Dit verschijnsel vertoont individuele dbcrepantie. Hierdoor lijkt
een derde dimensie toegevoegd aan het kunstmatig opmerkzaamheidsveld.
Resumerend mag worden gesteld, dat op het in de Grünbaummodificatie vereiste attentief proces — door invoering van het kleurelement en van relatieve duisternis als experimentele situatie — fysisch, fysiologisch en psychologisch een veelzijdig specifiek gestructureerd appèl wordt gedaan. De hieraan verbonden consequenties manifesteren zich dienovereenkomstig in de mogelijkheden van falen,
waaraan als storingsmomenten van het visueel geprovoceerd attentief proces onderscheiden indicatieve betekenis toekomt.
2.
DE E E N V O U D I G E EN
METHODISCHE
CECOMLICEERDE
UITVOERING
Zoals vermeld kent de Grünbaum twee methodische uitvoeringen,
de eenvoudige en de gecompliceerde. Van de eenvoudige methodische
uitvoering is door voornoemde auteurs geen melding gemaakt.
Toch pleiten theoretische en praktische motieven voor gecombineerd
61
gebruik. Het pregnant psychologisch verschil tussen beide methoden
laat zich door observationele en introspectieve informaties bevestigen.
De eenvoudige vereist een overwegend spreidende, aftastende, dynamisch zoekende aandachtsvorm, in de zin van field-attention. Als
zodanig is deze methode te beschouwen als tegenhanger en aanvulling van de bundelende, fixerende, bijna statische opmerkzaamheid vereisende cancellationtests, Durchstreichversuche, tests de barrage, aanstreeptests in allerlei versies. Het hierdoor uitgelokt attentief proces betreft voornamelijk oplettendheid ten aanzien van een
zich bijna minutieus, monotoon voltrekkende handeling. Er is sprake
van fixerende visuele opmerkzaamheid, welke door de gelijktijdige
motorische activiteit als het ware in cadans wordt gehouden. Deze
„bijzonderde aandachtsmodus" wordt door VAN DE LOO juist omschreven als „continue handhaving van een actieve, concentratieve, verwachtend zoekende aandachtshouding ten aanzien van een direct
niet-interessante percepto-motorische arbeid".
Focus-attention is overwegend statisch, fixerend, convergerend, constrictief, field-attention is meer dynamisch, versatici, dilaterend, expansief. Van eerstgenoemd attentief stramien vormen nagenoeg alle
op dit terrein bestaande onderzoekmethoden een adaequaat provocatievoorbeeld, terwijl de eenvoudige Grünbaum-methode overwegend op laatstgenoemd facet appelleert. Toch zijn deze testologische
benaderingswijzen als eenzijdige en dienovereenkomstig onvolledige
toetsingen van attentiviteit aan te merken, omdat aan het attentief
proces beide aspecten in wezen eigen zijn.
Als verbijzonderde manifestatie van bewustzijn kan attentiviteit zowel bundelend, focaliserend, concentratici alsook spreidend, divergerend, distributief accent verlenen aan de gedifferentieerde modaliteiten van opmerkzaam, oplettend of aandachtig zijn van het subject.
In de gecompliceerde methode van GRÜNBAUM presenteert zich het dynamisch samenspel van deze antagonistische tendenzen, waarbij het
duel tussen treffende, klevende focus-attention en omvattende, bewegende fieldattention resulteert in vicariërende dominantie.
Evenzo komen in de gecompliceerde methode van onderzoek de
antagonistische tendensen van attent- en absent-mindedness tot
uiting. Attente betrokkenheid van het subject op zijn wereld staat
tegenover absente, inattente Ik-wereld-verhouding. In tegenstelling
tot absent-mindedness, inattentief of afwezig-zijn, representeert at62
tent-mindedness aanwezigheid, er bij zijn. Beide aspecten betreffen
de bewustzijnsmodaliteit in normale waaktoestand. Evenmin als attent-mindedness de hoogste vorm van attentief-zijn beduidt, geeft
absent-mindedness het diepste stadium van bewusteloosheid aan.
Aanwijzingen voor deze zijnsmodaliteiten van het subject, in de zin
van meer of minder geprononceerde aan- of afwezigheidsmomenten
of -perioden, komen in het resultaat van de gecompliceerde Grünbaum-methode op zeer gevarieerde wijze tot uiting. Nu eens getuigen daarvan omissieve en commissieve varianten, dan weer periodiciteitskarakter of onregelmatig curve-verloop.
Nog een andere redprociteit is te noemen, namelijk die van atteritief adres, als spontane toewending-tot en interesse-voor, naast attentief appèl als reactieve toekering-naar en geinteresseerdheid-in. Spontaan opkomende, opwellende, willekeurige attentiviteit contrasteert
met aangetrokken, afgedwongen, onwillekeurige attentiviteit. Laatstgenoemde is meer onopzettelijk, pathisch (LERSCH), vitaal (BUYTENDIJK), aangrijpend van buiten af, in tegenstelling tot de bewustopzettelijke van binnen uit het subject zelf. In de modificatie van
de Grünbaum wordt in belangrijke mate op deze continu vicariërende vormen van aandacht gespeculeerd door invoering van het lichtgevend kleurkarakter ter beklemtoning van het attentief appèl.
Waar in de oude experimentele situatie slechts sprake was van bewust adresserende aandachtshouding, is nu het complementaire aspect, c.q. attentief appèl, door de kleurwerking, mede in de onderzoekprocedure verdisconteerd. In deze reciprociteit van willekeurige
èn onwillekeurige modaliteiten van opmerkzame, oplettende en aandachtige allianties realiseert zich eveneens een polair-dynamisch aspect van attentiviteit.
Niet in elk der genoemde antagonistische tendenzen afzonderlijk,
maar juist in hun geïntegreerd variabel samenspel met permanent
vicariërend en duellerend karakter, is de grondslag voor veelzijdige
dynamische structurering van attentiviteit gegeven. Het tussengebied,
de interesse, is in de dialectische verhouding van het Ik tot zijn wereld bepalend voor het equilibrium van attente en absente, van
focale en diversieve, van adresserende en appellerende tendenzen,
welke zich als „relations modifiantes" van het subject manifesteren
in het attentief proces.
63
Aan deze opvatting is als overweging de samenhang tussen dynamische structurering van attentiviteit en „Gestaltung" of profilering van het belevingsveld te
verbinden.1) Aan voornoemde antagonistische tendenzen van focus- en fieldattention, attent- en absent-mindedness, attentief adres en appèl lijkt medebepalende invloed te mogen worden toegekend bij totstandkoming van figuur-achtergrondrelaties. „Faire attention ce n'est pas seulement éclairer davantage des
données préexistantes, c'est réaliser en elles une articulation nouvelle en les
prenant pour figures".*)
Focus-attention vermag manifest of pregnant te maken wat bij field-attention
latent of vaag kan blijven; opklimmende stadia van attent-miiuledness stellen in
toenemende mate in staat tot verscherping en prononcering van hetgeen in toestanden van absent-mindedness op vage of diffuse wijze gegeven is; onder invloed
van attentief adres en appèl kunnen door wisselende gerichtheid opvallende
contouren zich wijzigen in wegvallende entourage, en omgekeerd.
Successievelijk lijken deze attentieve componenten te resoneren in de woorden
van Wewetzer: „Die Gestaltbildung geschieht immer im der Dimension der FigurGrund-Relation; Gestalten heben sich von einem (Hinter-)Grund ab, differenzieren und integrieren sich aus ihm; Änderungen der Richtungsfaktoren führen zu
Umstrukturierungen des Figur-Grundverhiltnisses".*)
Binnen dit referentie-kader van gelijktijdig op elkander inspelende focus-fieldattention, attent-absent-mindedness, attentief adres en appèl ligt de mogelijkheid
tot nagenoeg onuitputtelijke structuur-wijziging van het hier aan de orde gestelde
attentieve intentioneel-zijn besloten. Dit onophoudelijk en onafhankelijk naar
aard, omvang en graad variërend aandeel van antagonistische tendenzen, zowel
afzonderlijk als gezamelijk, bewerkstelligt een soort multidimensioneel èn multiconditioneel spanningsveld, ab grondstramien van attentieve dynamiek.
In het kader van de hier geschetste opvatting verkrijgen genoemde attentieve
componenten inzichtelijke betekenis voor de beschouwingswijze van bewustzijnsstoomissen, in zoverre hieraan te ontlenen valt, dat — pathopsyohologisch gezien
— het subject verliest aan mogelijkheid tot Gestaltung van figuur-achtergrondrelatie, naarmate attentieve dynamiek meer recessief wordt, en omgekeerd.
Aanknopingspunten voor deze zienswijze worden tot uitdrukking gebracht door
Bleuler in zijn citaat van „wichtigste und schönste Formulierungen" betreffende
Conrad's Gesta!tanalytik : „Conrad sieht (mit vielen anderen) dass psychische
Leben bildlich auf ein 'Erlebnisfeld' projiziert. Die Struktur in diesem Erlebnisfeld ist scharf und klar, solange das Bewusztsein wach ist. Im Zustand der
Bewusztlosigkeit hat das Erlebnisfeld 'die letzte Primitivgliederung verloren'.
Bei Bewusztseinsgestörten ist ein 'Gestaltwandel' des Erlebnisfeldes vor sich gegangen: seine volle, wache, klare Durchgliederung hat gelitten; die Freiheit jeden
beliebigen Teil des Erlebnisfeldes zum aktuellen Thema zu machen, ist beschränkt.
Die Bewusztseinstrübung entspricht dieser Darstellung nach einer 'Abnahme der
Profilierung des Figuren-Grund-verhältnisses', einer 'Einbusze von Freiheitsgraden'. Die 'aktive Gestaltungsmöglichkeit' geht verloren, 'das Erlebnisfeld' hat an
Struktur eingebuszt".8)
Bevestiging lijkt eveneens aan te treffen in de overwegend Gestaltpsychologisch
*) Cfr. К. J. M. van de Loo: „De aandachtige mens is gericht op iets met uit
sluiting van het andere. Dit betekent een bepaalde structurering (organisatie,
arrangement) van bet belevingsveld. Iets bepaalds wordt „figuur", het andere
wordt „achtergrond".
· ) Cfr:. M. Merleau-Ponty: Phénoménologie de la perception. Paris 1945
(blz. 38).
*) Cfr.: K. H. Wewetzer: Das himgeschädigte Kind. Stuttgart 1959 (blz. 5 ) .
<>) Cfr.: H. Staub; H. Thölen: Bewusztseinsstörungen. Stuttgart 1961 (blz. 205).
64
georiënteerde onderzoekmethoden, welke op velerlei wijzen specifieke toetsing van
figuur-achtergrond-relaties beogen bij patiënten, die suspect geacht worden voor
gestoorde organisch-cerebrale functionering. Dat juist dit stramien van psychodiagnostische exploratie bij zulke stoornissen geïndiceerd is, verkrijgt in het licht
vao de eerder gestelde samenhang tussen attentieve dynamiek en figuratieve
projectie zekere inzichtelijkheid.
Voorheen is als verdienste van GRÜNBAUM gereleveerd de aan het attentief proces inhaerente dynamische structurering op basis van antagonistische tendenzen met vicariërend karakter te hebben geïntegreerd in een experimentele methode van onderzoek. Juist daardoor
is een wezenlijk aspect van het polair-dynamisch karakter van attentiviteit getroffen.
Deze erkenning schept verplichting: naast de formeel uiteengezette
met betrekking tot presentatie en registratie, moet als laatste aanvullende wijziging, beperking van indicatie-gebied worden beklemtoond. Het adaequaat toepassingsgebied is uitsluitend te ontlenen
aan de aard van het destijds door GRÜNBAUM zelf gegeven concept.
Methodische doeltreffendheid blijft op de eerste plaats afhankelijk
van juiste indicatie-stelling. In de erkenning van zulke beperktheid
zou wel eens de belangrijkste modificatie en selectief-diagnostische
waarde van GRÜNBAUM'S onderzoekmethode kunnen schuilen. Zulke
erkenning geldt trouwens in geëigende zin voor elke testologische
benaderingswijze.
In het voorgaande werd als belangrijk verschil tussen BourdonWiersma-onderzoek en gemodificeerd Grünbaum-onderzoek respectievelijk de aandachtsbundelende en -spreidende provocatie gereleveerd, waarbij tevens het dynamisch reciprociteitskarakter
in de gecompliceerde Grünbaum-modificatie aanwezig werd gesteld.
Waar de Bourdon-Wiersma een van de bekendste en sinds WIERSMA
(1911) vooral in de nederlandse psychologenwereld in zwang
zijnde methode van onderzoek (naar het idee van BOURDON) representeert, die zelfs een zekere vermaardheid geniet met betrekking tot de diagnostiek van de epilepsie (BOERE) , komt ons een summiere vergelijkende beschouwing van beide methodieken gewenst
voor.
Bezien we de methodische aspecten van het Bourdon-Wiersmaonderzoek en de Grünbaum-modificatie nader, dan kunnen grosso
65
modo navolgende punten van overeenkomst en verschil worden ontdekt.·)
1. Het Bourdon-Wiersma-onderzoek is zonder twijfel meer ontwikkelingsindifferent en eenvoudiger van aard te noemen dan de
Grünbaum-modificatie, alhoewel dit verschil zeker voor de eenvoudige Grünbaum minimaal is.
2. Het resultaat van beiden is op gelijkelijk efficiënte wijze uitdrukbaar in overeenkomstige termen van snelheid, nauwkeurigheid en
verloop.
3. Beide opdrachten, c.q. van de Bourdon-Wiersma en de eenvoudige Grünbaum-modificatie, kenmerken zich door eenzinnigheid.
De verzwaarde instructie in de gecompliceerde Grünbaum doet
ongetwijfeld beroep op meer psychische faculteiten en maakt als
zodanig psychodiagnostische beoordeling gecompliceerder, maar is
juist bedoeld ter provocatie van het vicariërend en duellerend
samenspel tussen aandachtsbundeling en -spreiding, hetgeen meer
essentie-onthullend is ten aanzien van attentiviteit.
4. Beide methodieken vergen van onderzochte continue inspanning
naar tempo en naar nauwkeurigheid.
5. De Bourdon-Wiersma lokt krachtens haar aard een vluchtige,
nonchalante werkwijze uit, waar juist in de Grünbaum een
mentaal vast- en onthouden van het telkens bereikte punt in de
progressieve getallenreeks permanente taakspanning gaande
houdt.
6. Waar de Bourdon-Wiersma het taakaspect van innerlijke voltooiing vreemd is en de verrichte arbeid plotseling afbreekt in
uiterlijke beëindiging, is de Grünbaum-procedure dit element
van innerlijke gerichtheid op voltooiing evenals dat van logische
voortschrijding in sterke mate eigen.
7. De monotone, oninteressante, vervelende aard van de verrichting
in het Bourdon-Wiersma-onderzoek staat in scherp contrast met
beleving van de groeiende numeratieve reeks en het verlevendigend appèl door de kleurgeving in de Grünbaum-modificatie.
8. De zwijgzame, iteratieve houding enerzijds en de successief-
«) Tot leidraad voor deze beschouwing nemen wij de „fraaie fenomenologische
analyse" (Boeke), zoals deze door van de Loo wordt gegeven in: Enkele
beschouwingen over de Bouidon-Wiersma-test. (Gawein V — 1. 1956.)
66
benoemende anderzijds heeft ook zijn repercussies op de relatie
tussen onderzochte en onderzoeker, in zoverre in de Grünbaum
het mededeelbaarheidskarakter de persoonlijke prestatie en het
sociaal contact tussen beiden accentueert.
9. Tegenover het kijkend en strepend zoeken als perceptomotorische
verrichting in de Bourdon-Wiersma staat het louter kennend, wetend zoeken als percepto-mentaal proces in de Grünbaum-modificatie. Hiermee is wel het meest essentiële onderscheid tussen beide
methoden van onderzoek aan de orde gesteld: tegenover het visueel-gnostisch-motorisch karakter van de Bourdon-Wiersma staat
het logisch-mentaal-mnestische in de Grünbaum.
Summier samenvattend kan worden gesteld, dat zowel de BourdonWiersma als de eenvoudige Grünbaum-modificatie zich kenmerken
door provocatie van een continue inspanning vereisende, eenvoudig
te verrichten en gedifferentieerd te taxeren proces. In de ene methodiek (Bourdon-Wiersma) worden overwegend statisch-fixerende,
focaliserende, monotoon-iteratieve, figuratief-markerende, oninteressante, visueel-gnostische, attentief-motorische werkzaamheid en houding van onderzochte gevraagd. In de andere (Grünbaum-modificatie) is sprake van een dynamisch-versatiele, dilaterende, logisch-progressieve, mentaal-mnestische, successief-numeratieve, attentief-verbale procedure.
Het wezenlijk kenmerk van de Grünbaum-methodiek in tegenstelling
tot het Bourdon-Wiersma-onderzoek is reeds beklemtoond: het uitsluitend op weet-besef gebaseerde taakbesef, waaraan logische progressiviteit intrinsiek eigen is, hetgeen authentiek
aandachtig-zijn
uitlokt.
Terecht is VAN DE LOO van mening, dat de Bourdon-Wiersma-test
slechts een zeer bepaalde aandachtsmodus aan de hand van een zeer
bepaald gedrag toetst. Evenzeer zijn wij de mening toegedaan, dat
de Grünbaum-modificatie een echter en zuiverder aandachtsniveau
toetst in meer dynamische vorm. Geenszins mag daaruit de conclusie
worden getrokken, dat hiermee de algehele aandachtshabitus van onderzochte geëxploreerd wordt. Wel willen wij hier preliminair beklemtonen, dat in een samengaan van beide onderzoekmethodieken
vollediger toetsing van het attentief proces gegeven is dan in uitsluitende toepassing van ieder afzonderlijk. VAN DE LOO signaleert, dat
met een deficiënte Bourdon-Wiersma-prestatie in een andere onder67
zoekmethode van de aandacht een veel beter resultaat mogelijk blijft.
Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de Bourdon-Wiersmatest en de eenvoudige Grünbaum-modificatie, op zich genomen,
onvolledige onderzoekmethodieken representeren, elk op eigen wijze
een verschillend aspect benaderend van eenzelfde intentionele zijnsmodaliteit, de attentieve. Van de gecompliceerde Grünbaum-modificatie mag in dit opzicht een naar verhouding meer gedifferentieerde weergave worden verwacht.
Dat voor een juiste interpretatie van Bourdon-Wiersma-test èn Grünbaum-resultaten de onderzoekbevindingen louter op zich genomen
ten enenmale ontoereikend zijn, is een niet genoeg te beklemtonen
overtuiging, waartoe klinische ervaring dwingt.
3 . FALEN ALS ATTENTIEF VERSCHIJNSEL
De varianten van falen zijn in de Grünbaum-modificatie menigvuldig en complex gebleken. Deze omstandigheid spruit voort uit de
complexiteit niet zo zeer van de arbeidsprestatie, maar veeleer van
het psychisch-mentale proces, dat er bij betrokken is.
Dit komt tot uiting in een vergelijking van de foutenbronnen in
respectievelijk Bourdon-Wiersma-onderzoek en Grünbaum-modificatie. Waar eerstgenoemde onderzoekmethode een lineair-figuratieve
controle, een zichtbaar signalerend markeren, een concrete gerichtheid op topografische successie impliceert, is bij laatstgenoemde
sprake van arithmetische ordening, verbale symbool-indicering,
abstracte gerichtheid op logisch-numerieke successie. In beide onderzoekmethoden is een gepreformeerde ordening gegeven van
louter plaatselijke aard: de rijenstructuur. In de Bourdon-Wiersma fungeert deze figuratieve ordening als werkstramien, waardoor van onderzochte zelf geen specifieke structurering wordt gevraagd: het blijft een uitsluitend controlerende werkinstelling. In de
Grünbaum-modificatie daarentegen wordt — met behoud van de
gepreformeerde structuur van het kunstmatig opmerkzaamheidsveld
— van onderzochte andersgeaarde, eigen logisch-abstracte ordening
van symbolen gevraagd. Deze procedure lokt een geïntegreerd waarnemings- en denkproces uit: een permanente aan- en inspanning tot
denkend-verwijlen-bij (de numerieke symbolen).
68
Waar in de Bourdon-Wiersma onderzochte zijn markerende arbeidsprestatie op elk moment concreet kan vaststellen, is de mogelijkheid
van ordenende structurering in de Grünbaum-modificatie slechts in
reflexief, representatief bewustzijn gegeven. Dit verschil in kenbare
confrontatie met de prestatie-vordering — enerzijds concreet en
zichtbaar, anderzijds uitsluitend abstract en weetbaar — verheft het
attentief proces, dat in de Grünbaum-modificatie getoetst wordt, tot
het niveau van pure aandacht. Juist in deze omstandigheid is mede
het verschil in complexiteit van falen tussen beide methodieken gelegen.
Waar elke weglating in de Bourdon-Wiersma een zintuiglijk constateerbare aangelegenheid blijft en iteratieve markering op zich een
nimmer voorkomende absurditeit betekent, zijn zowel de omissie- als
repetitie-verschijnselen in de Grünbaum-modificatie psychologisch
reële, subjectief moeilijk te ervaren symptomen bij onderzochte gebleken. Hier manifesteert zich eerst recht het subtiele, complexe en
delicate karakter van de aandacht als door tal van persoonlijkheidsfacetten neuropsychologisch bepaald fenomeen.
In deze omstandigheid schuilt de bemoeilijkte interpretatie der varianten van falen in de Grünbaum-modificatie, waaromtrent als zodanig voorlopig slechts tastenderwijs bepaalde vermoedens kunnen
worden uitgesproken. Zij zijn specifiek en gecompliceerd gebleken
naar aard en duiding in omissieve, abusieve en erratieve zin, respectievelijk met betrekking tot het numeratieve, nominatieve en instructieve aspect van de Grünbaum-modificatie.
Ten aanzien van de (psychologische) betekenis van de omissie in de
gemodificeerde Grünbaum dringen zich verschillende hypothesen op.
Allereerst kan onkunde ten aanzien van de telfunctie worden aangevoerd. Deze verklaringsgrond is gevoeglijk uit te sluiten, behalve
bij ernstige olygofrenen of dementen, bij wie de onderzoekprocedure
onuitvoerbaar of waardeloos is op grond van ontoereikend telbesef
of gedeterioreerde telfunctie. Het is bovendien de vraag of zwaar
olygofrenen en dementen in staat zijn te achten tot aandachtsprocessen op het niveau van echt, reflexief bewustzijn. Naar alle waarschijnlijkheid is dit laatste voor deze categorieën van personen nauwelijks
of totaal niet (meer) bereikbaar. Experimentele ervaring heeft uitgewezen, dat in ons cultuurpatroon vanaf de 9-jarige ontwikkelings69
norm de telfunctie voldoende is gevormd om betrouwbaar Grünbaum-resultaat op te leveren.
Een andere explicatie voor het omissief verschijnsel kan in opzettelijk verzuim of nalatigheid worden gezocht. Ervaring leert, dat dit
uitermate sporadisch voorkomt. Gebleken is, dat voor deze vorm
van omissie karakterologische momenten bij onderzochte aanwijsbaar zijn: de moedwillige omissie valt uit de context van spreek- en
gedragswijze van onderzochte af te leiden.
Meestal is dan eerder dringend beroep gedaan op de hulp van de kant van onderzoeker of wordt op niet mis te verstane wijze de ondervonden moeilijkheid
van de onderzoekprocedure kenbaar gemaakt, eventueel met gelijktijdige uiting
van ongeduld, onwil, ergernis, gemakzucht of nonchalance.
Waar dit voorval hoge uitzondering is gebleken, mag worden gesteld, dat opzettelijke demonstratie van zelfinsufficiëntie in het vlak van de persoonlijke prestatie
— met name een eenvoudige als de hier gevraagde opsporing van oveAekende
en tot automatisme geworden arithmetische volgorde der getallenreeks — blijkbaar geenszins gemakkelijk door het subject wordt geaccepteerd.
Als verklaring voor het omissie-verschijnsel lijkt eveneens een stoornis
in het optisch apparaat in aanmerking te komen. In beïnvloeding
door een perifere of centraal-visuele stoornis kan echter moeilijk de
exclusief oorzakelijke factor voor het verschijnsel van de omissie in
de Grünbaum-modificatie worden gezocht, in tegenstelling tot een
als zodanig reëel gegeven mogelijkheid met betrekking tot de weglating in de Bourdon-Wiersma, waarbij immers sprake is van een
primair visueel-gnostisch proces. De vraag in de Grünbaum-modificatie is niet hoe zulk een hiaat in het visueel-gnostische, maar in het
mentaal-logische proces van de numerieke volgorde kan worden verklaard door passagère storingsmomenten (scotomen, enz.) van zintuiglijk-neurofysiologische aard. De continuïteit van attentief bewustzijn is hier getroffen, zich manifesterend in de vorm van een
hiaat, letterlijk: een attentieve 'missing link'. Er is geen sprake van
problematisch (objectief) niet-zien, maar (subjectief) niet-weten,
welk verschijnsel als mentale stoornis vanuit de structuur van het
passagère gestoorde optisch apparaat onverklaarbaar is.
Hoe belangrijk intacte functionering van al de bij het gemodificeerd
onderzoek betrokken visuele processen (in sensu et in cerebro) in
conditionerende zin hier ook is, „but indeed what right have we to
conjoin mental experience with fysiological?" (FESSARD).7) Geenszins
7
) A. E. Fessard: Nervous integration and conscious experience. (Bram mechanism and consciousness. Oxford — 1954.)
70
wil hiermee beweerd zijn, dat er geen enkele relatie zou kunnen bestaan tussen het verschijnsel van de omissie en storingsmomenten in
bepaalde schorsvelden of centra in cerebro. Objectie wordt gemaakt
tegen de veronderstelling, dat de omissie uitsluitend als een zintuigfysiologische aangelegenheid is op te vatten. Wel kunnen neurofysiologische stoornissen, het optisch systeem betreffend, incidenteel opmerkelijke verlenging van zoektijden tot gevolg hebben, welke zich
als paroxysmale of syncopale vormen in de tijdscurve aftekenen,
maar visueel-gnostische relatie met defecten of hiaten in de telfunctie
of getallenreeks is irrelevant. De ervaring, dat meestal retrograde
amnesie bij onderzochte bestaat voor sporadische gemaakte omissies,
steunt voornoemde zienswijze.
Ofschoon de opeenvolging der stippenconfiguraties in de BourdonWiersma op een visueel-gnostisch proces berust en dienovereenkomstig de omissie aldaar op louter zintuiglijk-fysiologische grondslag
gegeven kan zijn, spreekt GODEFROY zich ten aanzien van dit verschijnsel in de Bourdon-Wiersma uit voor afdwaling van de aandacht, waardoor uitvalsverschijnselen ontstaan in de verrichte arbeid.
Op zulke momenten zou verminderde aandachtsconcentratie gegeven zijn (VAN STECEREN). Niettegenstaande de aanvechtbaarheid van
deze interpretatie met betrekking tot het Bourdon-Wiersma-onderzoek, mag ten aanzien van het omissie-verschijnsel in de Grünbaummodificatie worden gevoncludeerd, dat elke onderbreking van de getallenreeks psychodiagnostisch een verandering, een verschuiving, een
onderbreking in storende zin van de aandacht, een attentieve lacune
representeert, verwijzend naar verbroken bewustzijnscontinuiteit.
Wanneer wij analysering van onze gegevens confronteren met onderzoeken, die uit de neuropsychiatrische kliniek stammen, dan refereren wij uit een van de hier bedoelde studies, met name van
8
CALÓN en PRICK, het volgende. )
„Door middel van de psychische functies staan wij in contact met de
realiteit. In iedere functie verschijnt deze realiteit op een zeer bepaalde, eigen wijze. Zo staan we bij het waarnemen in een continu
contact met de ons omgevende wereld, waarbij echter door de in de
waarneming werkende mnemische functies de band met het verleden
·) Cfr. P. J. A. Galon en J. J. G. Prick: Afbraak der persoonlijkheid bij multiple sclerose. (Ned. Tijdschr. v. Psych. IV. Afl. 6, 1949.)
71
gesauveerd is. Bij het inprenten leggen wij de opgedane indrukken
vast, ze gaan een deel vormen van onze persoonlijkheid. Door ons
geheugen, met name de reminescentie, beschikken wij op min of
meer souvereine wijze over de ervaringen van het verleden en wordt
de clironologische continuïteit van ons wereldbeeld gewaarborgd. Het
abstraheren stelt ons in staat het algemene te zien in het bijzondere,
het blijvende in het veranderlijke, het ene in het verscheidene".
In hun toelichting op de afbraak van de persoonlijkheid bij multiple
sclerose, stellen beide auteurs verder, dat in deze pathologische toestand in de verscheidenheid van de wereld der zinnen het ene niet
meer wordt gezien, het bijzondere niet meer tot het algemene voert,
het successieve niet meer tot het blijvende. Het wereldbeeld raakt
verbrokkeld en bepaalt zich tot momentopnamen zonder bindend
verhaal, zonder verleden en toekomst.
Het grondproces van alle kennen, dat door de Gestaltpsychologen
als figuur-achtergrond-vorming beschreven is, werkt steeds minder,
zodat de wereld voor het subject steeds gestaltlozer, monotoner
wordt. Door de vertraagde bewustwording is het subject niet meer
aangepast aan zijn wereld. Men leeft al onmiddellijk in het verleden.
De nieuwe indrukken beklijven niet meer, men leeft meer in het
verleden, dat niet als zodanig meer gekend wordt en dat niet meer
naar believen op te roepen is, waar geen heerschappij meer over
gevoerd wordt. Het oproepen wordt steeds meer afhankelijk van de
prikkels, die van buitenaf inwerken. De persoonlijkheid, gekenmerkt
door eenheid en zelfbepaling, is gedoofd. De eenheid geraakt in
verval op alle gebieden: verval der de zintuiglijke verscheidenheid
transcenderende eenheid, verval van de georganiseerde eenheid in
waarnemen en bewegen, verval van eenheid door de ontbinding van
het geheugen, terwijl er slechts een amorfe duur overblijft, waarop
men echter zelfs niet meer reflecteert. Ook de zelfbepaling ontschiet
in toenemende mate, zowel ten aanzien van heden, verleden als
toekomst.
Zoals in dit artikel wordt aangegeven zijn de door beide schrijvers
geanalyseerde stoornissen min of meer kenmerkend voor alle bestaanswijzen, waarbij het bewustzijn gestoord is. Genoemde auteurs
wijzen dan ook in het slot van hun artikel er op, dat de door hen
geanalyseerde verschijnselen typerend zijn voor de „bewusteloze"
natuur van de mens, waarbij zij onder bewusteloos niet verstaan een
72
coma, maar mensen, die geen verstandelijk bewustzijn meer hebben,
enkel nog prefiguratie van het echte bewustzijn.
Wanneer wij ons bezinnen op de mogelijke betekenis van het
omissie-verschijnsel, dan is allereerst vast te stellen, dat dergelijke
verschijnselen regelmatig worden gezien bij alle toestanden, waarbij
reflexief bewustzijn wordt aangetast.
De afwijkingen, waarbij dit het geval is, kan men systematisch in
twee categorieën onderverdelen:
1. die, waarbij min of meer permanent het verstandelijk bewustzijn
in gelijkblijvende mate gestoord is, tot welke categorie ernstige
vormen van olygofrenie en dementie behoren, alsmede aanverwante psychische aberraties;
2. al die ziekten, die tot pathologische wisselingen van het verstandelijk bewustzijn aanleiding geven of als zodanig imponeren, met
name epilepsie, hystero-epilepsie, hysterie, verschillende vormen
van symptomatische psychosen, waartoe acute, subacute en chronische delieren, met inbegrip van Korsakow-psychotische beelden
te rekenen zijn.
Legt men zich de vraag voor, wat fenomenologisch een omissie kan
zijn, dan blijkt uit alledaagse ervaring, dat iedere gezonde mens tot
omissie neigt tijdens toestanden van vermoeienis. Nu is het essentiële
van vermoeienis, dat er een verzwakking optreedt van de tension
psychique, in de zin van JANET. Zoals bekend heeft JANET de zwakte
van de tension psychique als een van de fundamentele stoornissen
van de psychasthenic aangenomen, waarbij juist de stoornis van de
werkelijkheidszin (derealisatie) zo klassiek is.
Gebrek aan werkelijkheidszin is derhalve typerend voor al die toestanden, waarbij de eenheid binnen de persoonlijkheid tijdelijk of
blijvend ontbreekt. Dit is het geval bij alle psychosen, zoals psychasthenie, dwangneurose, endogeen manisch-depressieve psychose (waarbij een psychasthene grondstoornis de basis van de persoonlijkheid
vormt), de symptomatische psychose en schizofrenie. Ofschoon de
epilepsieën niet tot de schizosen worden gerekend in de klinische
psychiatrie kan men deze onder bedoelde categorie plaatsen, omdat
er bij buien bij de epilepticus eveneens min of meer permanent een
splijting, een verlies van eenheid der persoonlijkheid optreedt. (Hier73
bij denke men aan epileptische schemertoestanden, epileptische delieren, verdubbelingstoestanden der persoonlijkheid. Hetzelfde geldt
voor hysterie, enerzijds overlopend in epilepsie, anderzijds in psychasthenic, te onderscheiden als hystero-epilepsie en psychasthene
epilepsie.)
Wanneer nu, zoals eerder aangeduid, de tension psychique, de vitale
spanning, die de eenheid binnen de persoonlijkheid en de zelfbepaling van persoonlijkheidsbewustzijn in stand houdt, afzwakt of verslapt is, kan men omissieve verschijnselen verwachten. Waar deze tension psychique een fundamentele en vitale functie is, blijft deze
uiteraard in hoge mate afhankelijk van de geaardheid van het georganiseerd gebeuren binnen de persoonlijkheid. Vandaar, dat bij
vermoeienis en uitputting (gedesorganiseerd verloop) omissie optreedt, evenals bij symptomatische psychosen en bij epilepsie, die
immers in hoge mate bepaald zijn door afwijkende fundamentele
fysicochemische reacties.
Overwegen wij thans naast deze meer biologische grondslag van de
omissie in het kort de psychologische implicaten, welke aan de omissie voorliggen, dan kan in het algemeen worden gesteld, dat de
omissie een uiting is van verlies aan eenheid binnen het bestaan van
de mens. Ieder actueel bestaan is historisch bepaald en het actuele
gedrag is niet los te maken tussen verleden en toekomst. Indien tussen huidig bestaan en voorbijgegaan bestaan een breuk is, zal omissie
gemakkelijk kunnen voorkomen. De omissie draagt dan als betekenis,
dat de figuur los staat van de achtergrond (het verleden) of dat de
actuele figuur te weinig in de context van het verleden wordt gehanteerd.
Bij een poging verschijnselen van commissief falen te duiden, komt
allereerst de repetitie in aanmerking, in zoverre deze analogie vertoont met de tevoren gegeven interpretatie van de omissieve variant.
Het lijkt een wijziging van voorteken, verandering van richting: men
zou kunnen spreken van een retrograde, regressieve 'black-out'. Dit
spontaan, zonder enige aanleiding teruggrijpen, herhalen van een
reeds verricht deel van de opgedragen taak, is te beschouwen als een
tegenbeweging waar de omissie een medebeweging ten aanzien van
de volgorde der getallenreeks representeert. Beiden hebben gemeen:
inbreuk op de continue numeratieve successie.
Zodoende geldt mutatis mutandis analoge interpretatie voor het
74
repetitieverschijnsel. Ook de repetitie is op te vatten als een teken
van vermoeienis. Elke iteratie, die in hetzelfde kader wordt waargenomen, verwijst naar een kleven, een „Haften", een niet voldoende
dynamisch zijn, het missen van continuiteitsbeleving, een verstard
blijven. Het is een uiting van te sterk naar voren treden van het
statische (rigiditeit). De klinisch-psychiatrische kleverigheid van de
epilepticus vertoont hiermee overeenkomst.
Omissie en repetitie differentiëren zich in de Grünbaum-modificatie
voornamelijk wat betreft de specifieke gevolgverschijnselen van
laatstgenoemde. De getalherhaling kan — reeds tijdens ofwel na
afloop van het onderzoek — worden gevolgd door meer of minder
vaag besef van de herbenoemde items. Al naar gelang optreden en
aard van het bekendheidskarakter is verschillende interpretatie mogelijk, in abusieve (c.q. vergissing als gevolg van attentieve verslapping) of in erratieve zin (als gedesoriënteerdheid, herinneringloosheid
of amnestisch epifenomeen). Attentief en mnestisch proces grijpen
dusdanig in elkaar, dat nauwkeurige differentiatie hier moeilijk
blijft. Het totaal niet weet-hebben van in successie gerepeteerde getallen lijkt als ernstige vorm van attenief falen in de Grünbaummodificatie te moeten worden aangemerkt, verwijzend naar gestoorde organiciteit als causale grondslag.
Naast deze specifiek op de numeratieve successie betrekking hebbende mogelijkheden van falen bestaan nog twee andere varianten, betiteld als deformatie en deviatie, welke beiden het figuratief en
nominatief aspect van kleuren en getalsymbolen in de Grünbaummodificatie betreffen.
Bij eerstgenoemde vorm van falen is sprake van foutieve herkenning
of benoeming van een item, hetgeen gedeeltelijk lijkt toe te schrijven aan dysgnostische of dysphatische momenten, als mogelijk gevolg van kortstondige attentiviteitsverslapping. Het is daarom misschien juister te spreken van pseudo-dysgnostische of -dysphatische
verschijnselen. Met name voor de kleurmisnoeming lijkt, gezien de
voorlopige ervaring, samenhang met neurofysiologische storingsfactoren plausibel te achten. (Merkwaardigerwijs bleek eenmaal tijdens
gecombineerd onderzoek van Grünbaum-modificatie en electroencephalografie een kleurcommissie samen te vallen met een minutieus storingsmoment in het occipito-temporale registratie-gebied.)
75
Zonder het normaal-menselijk abuis ten aanzien van het deformatieverschijnsel uit te sluiten, lijkt frequent niet-systematisch voorkomen
er van specifieke oorzaken te hebben, die om nadere opheldering
vragen. Dat dysgnostische of dysphatische invloeden aan de foutieve
getal- of kleurherkenning en -benoeming ten grondslag kunnen liggen, is vaker in de praktijk gebleken. Op medebepaling door latente
sinistrie-factoren of gestoord lichaamsschema werd reeds gewezen.
Ongetwijfeld hebben wij hier te doen met een complex verschijnsel
van psychologische en/of neurofysiologische aard.
Het komt ons voor, dat de deviatie in verband mag worden gebracht
met de opvatting van VON UEXKÜLL over Merk- en Suchbild.")
Van deviatie is immers sprake, wanneer in de gecompliceerde Grünbaum-modificatie plotseling benoeming van de kleine getallen (ter
verificatie van de aan te houden volgorde der grote) wordt voortgezet met benoeming van het numeriek daarop volgend grote getal.
In zekere zin is het zoekgetal te beschouwen als Suchbild en het
kleine noemgetal als Merkbild. Ogenblikkelijk na benoeming wordt
het in de getallenreeks volgende item weer tot Suchbild. In dit permanent afwisselend proces, kan uiteraard gemakkelijk verwisseling
plaats vinden van Siich- en Merkbild, waarmee het deviatie-verschijnsel een feit wordt. Dit overspringen van de volgorde der noemgetallen op die der zoekgetallen wordt meestal door onderzochte zelf niet
opgemerkt, omdat in diens beleving de numerieke successie intact
blijft, ook al heeft dit objectief beschouwd een of meer pseudo-omissies of -repetities tot gevolg.
geeft omschreven voorbeelden aan betreffende te niet
doen van het Merkbild door het Suchbild. In de Grünbaum-modificatie dient dit overwicht van het Suchbild bij onderzochte gehandhaafd te blijven. Hypothetisch lijkt te mogen worden gesteld,
dat het telkens in enigszins gewijzigde vorm optredend zoekbeeld
(c.q. opvolgend getal), zijn dominantie dankt aan de vigerende attentieve modaliteit. Allereerst moet namelijk het zoekbeeld de mnestische nawerking van het Merkbild overwinnen om vervolgens zijn
exclusiviteit te behouden, niettegenstaande inwerkende merkbeelden, die met het zoekgetal op een of andere wijze gelijkvormig zijn.
VON UEXKÜLL
») Cfr.: J. von Uexküll; G. Kriszat: Streifzüge durch die Umwelt von Menschen und Tiere. Hamburg 1958 (blz. 83 e.v.)
76
Overeenkomstig deze opvatting is plausibel te achten, dat het Suchbild aan importantie verliest, naarmate attentiviteit meer recessief
wordt.
Ten slotte dienen nog de instructieve varianten van falen (deficiëntie, substitutie en destructie) in het kort te worden toegelicht.
Het behoeft geen betoog, dat juist op dit gebied het mnestisch continuum in al of niet intacte vorm op de voorgrond treedt. Deze
omstandigheid wordt duidelijk gedemonstreerd door het destructieverschijnsel, waarbij elk instructief besef van de kant van onderzochte teloor gaat. „Von akute Amnesien zu sprechen stoszt auf Bedenken, weil sich bei ihnen nicht selten gleichzeitige Veränderungen
des Bewusztseins finden. Betrachtet man solche Zustandsbilder unter
dem Leistungsaspekt, so kann an der Störung der Mneme kein
Zweifel sein. Es ist darauf hinzuweisen, dasz Begriffe wie Bewusztseinsstörung und Amnesie sich nicht gegenseitig ausschlieszen müssen" (ZEH). Beide eerstgenoemde varianten van falen met betrekking
tot het instructief aspect van de Grünbaum-modificatie zijn uiteraard
als lichtere vormen van attentieve stoornis te duiden. Ook lijkt de
substitutie niet identiek te mogen worden gesteld met confabulatorische invloed. Veeleer zijn deze eigenaardige, deels attentieve,
deels mnestische storingsverschijnselen, waarbij nog sprake is van
relatieve vigilantie, te karakteriseren met de treffende betiteling van
AjuRiAGUERRA als „stupeur lucide".10)
Bovenvermelde beschouwingen aangaande de in het gemodificeerde
Grünbaum-onderzoek voorkomende mogelijkheden van falen met
betrekking tot getal- en kleurbenoeming dragen uiteraard een voorlopig en summier karakter. Het lag uitsluitend in de bedoeling een
indruk te geven van de complexe, subtiele en delicate geaardheid van
de aandachtsmodus, welke in veelzijdig gevarieerde en geconditioneerde zin representatief te stellen is voor het toestandsbeeld van
de integrale persoonlijkheidsstructuur. Als zodanig impliceert attentiviteit modale psychodiagnostiek van overwegend indicatieve aard.
Ter verkrijging van een enigermate juist beeld betreffende deze
10
) Geciteerd volgens E. Niedermeyer: Probleme der Physiologie und Pathophysiologie des Bewusztseins (Wiss. Zsch. Univ. Halle. VII, 219 — 1958.)
77
integrale modaliteit, zich manifesterend in de attentieve zijnswijze
van het subject, zijn de bevindingen van bedoeld onderzoek op zich
genomen vanzelfsprekend ontoereikend. Confrontatie met biografische achtergronden en andere door testologische benadering ingewonnen informaties blijft ook hier, evenals voor interpretatie van
(psychologische) onderzoekdata in het algemeen, geldende èn gebiedende eis.
4. ENKELE OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT TESTOLOGISCHE
BENADERINGSWIJZEN IN HET ALGEMEEN
De toenemende ontwikkeling van superspecialistische onderzoekingsmethoden, zowel in de psychologie en in het bijzonder in de geneeskunde, confronteert ons telkens met gevaren, die voortspruiten
uit het te eenzijdig gebruiken van een met bedoelde methoden vastgestelde Symptomatologie voor de uiteindelijke diagnostiek. Een typisch voorbeeld toont ons de intelligentietest van TERMAN en MERRILL.
Gebruikt men alleen de kwantitatieve uitkomst, dan was men vroeger geneigd om op een te laag I.Q. te besluiten tot de psychologische diagnose olygophrenie. Deze misvatting in de diagnostiek is
in deze sector achterhaald, doordat men naast de kwantitatieve analyse hieraan een kwalitatieve analyse toevoegt. Herhaaldelijk blijkt
dan, dat een kwantitatief te laag I. Q., wanneer men het plaatst in de
context van de uitkomsten der kwalitatieve analyse, veelal geheel
anders geduid moet worden en bijvoorbeeld kan wijzen op een stoornis van de emotionele ontwikkeling der persoonlijkheid. Dit bewijst
de relatieve waarde van uiteraard eenzijdige testologische benaderingswijzen van levensfenomenen.
Met analoge voorbeelden wordt men in de geneeskundige praktijk
geconfronteerd. Eenzijdige duiding van uitkomsten van electroencephalografisch onderzoek kunnen tot grove misvorming van de klinische diagnose aanleiding geven. Wanneer men bijvoorbeeld in een
electroencephalogram een curve aantreft van bio-electrische activiteiten, die overeenkomst vertoont met die, zoals men bij echte epileptici aantreft, dan is men allerminst gerechtigd op grond van het
eenzijdige electroencephalografisch gegeven te mogen besluiten tot
de diagnose epilepsie.
Samengevat kan men zeggen, dat alleen een detailsymptoom pleit
78
voor een omschreven diagnose, indien het binnen de totaliteit van
alle andere verkregen symptomen bij de overwogen diagnose past.
De existentieel-anthropologische psychologie heeft ons geleerd, dat
in feite ieder detailfenomeen van de mens op enigerlei wijze indicatief-representatief is voor de geaardheid van het vigerende bestaan.
Wanneer men deze stelling niet strikt doorvoert in zijn diagnostiek
bestaat de kans op het maken van grove diagnostische fouten. Een
enkel voorbeeld moge dit toelichten.
Het autistisch gedrag als detailbeeld is destijds door Bleuler ab een pathognomonisch symptoom voor schizofrenie gesteld. In het licht van zijn tijd is dat geheel
en al begrijpelijk, maar door de latere ontwikkeling is deze opvatting achterhaald.
Het is immers thans duidelijk geworden, dat bepaalde categorieën van kinderen
een autistisch gedrag vertonen. Wanneer men dit detailsymptoom als kenmerk
voor schizofrenie beschouwt, dan begaat men de fout om het early infantile
autism als kindeischizofrenie te diagnostiseren.
In de moderne psychiatrie weet iedereen, dat zulks onaanvaardbaar is en dat
het vroegkinderlijk autistisch gedrag als detailbeeld verwijst naar een kinderlijk
bestaan, dat essentieel verschilt van het echte schizofrene bestaan. Autistisch
gedrag betekent een detailbeeld, indicerend, dat het bestaan vaa het autistisch
individu gekenmerkt is door eenzaamheid, verlatenheid, los staan van het milieu.
5. DETAILBEELD EN PANORAMA
Indien, zoals men tegenwoordig aanneemt, het symptoom als detailbeeld indicatief-representatief is voor het vigerend bestaan van het
subject, dan lijkt het gerechtvaardigd het bestaan als een panorama
te omschrijven en het symptoom als detailbeeld. Alleen de fijne analyse van het bestaan als panorama geeft zin en betekenis aan het
symptoom als detailbeeld. Wanneer inderdaad blijkt uit een anamnese, die betrekking heeft op verschillende levenstijdperken van het
individu, dat het betreffende subject door zijn ouders te weinig pathisch spontaan, te gerationaliseerd is opgevoed en daardoor onvoldoende bevredigd is in zijn fundamentele oerbehoeften, dan wordt
slechts in het licht van deze anamnestische gegevens het symptoom
als detailbeeld verstaanbaar vanuit het panorama der existentie.
Hieruit volgt de noodzakelijkheid van de biografische anamnese
voor ieder testpsychologisch onderzoek. De detailgegevens van de test
zijn immers, zoals gezegd, representatief voor het bestaan. Men kan
alleen een verantwoord inzicht krijgen in de geaardheid van het
bestaan, wanneer men zeer nauwgezet een anamnese afneemt, die
betrekking heeft op alle ontwikkelingsfasen, die het individu door79
maakte, benevens van de diverse gebeurtenissen uit de verschillende
levenstijdperken. De mens representeert immers een continuïteit:
zijn heden is zijn verleden en in zijn heden ligt de prefiguratie van
zijn toekomst.
Waar deze laatste uitspraak aan geen twijfels onderhevig is, volgt
hieruit, dat ieder testologisch onderzoek door biografisch onderzoek
moet worden aangevuld.
HOOFDSTUK V
B E S C H R I J V I N G VAN T O E P A S S I N G EN
R E S U L T A T E N VAN DE
G E M O D I F I C E E R D E M E T H O D E VAN O N D E R Z O E K
Experimentele observatie, descriptie of interpretatie van menselijke
levensfenomenen, die als dynamische levensuitingen te beschouwen
zijn, wordt bemoeilijkt door het feit, dat elke opdracht (c.q. in de
testologische benaderingswijze) een stabilisering, een stolling van
gedrag impliceert. Dit geldt met name voor het attentieve, zoals het
tot uiting komt in opmerkzaam, oplettend of aandachtig zijn. Waar
we hier te doen hebben met een zich in eerste instantie als aandachtsproef presenterende methode van onderzoek, zal het uitermate moeilijk blijven de resterende sporen van eenmalige toetsing van het
aandachtig-zijn van onderzochte in het resultaat van onderzoek indicatief te stellen voor bepaalde vormen van attentiviteit, zowel in
hun normale als pathologische manifestatie. Tot het aantonen hiervan staan verschillende wegen open, allen met eigen gevaren en
beperktheden. Zo zijn aan de hand van verzameld en gegroepeerd
materiaal bepaalde hypothesen op te stellen om vervolgens daaruit
speciale consequenties te deduceren. Ook kunnen formele uitkomsten bij verschillende groepen van personen, c.q. patiënten, worden
vergeleken om op grond daarvan tot psychodiagnostische indicaties
te geraken.
Nu is opstelling van een experimentele modificatie van een bestaande onderzoekprocedure een eerste fase, verzameling van door
toepassing verkregen resultaten een tweede. De slotfase, misschien
wel de belangrijkste, maar ook meest tijdrovende, wordt gerepresenteerd door taxatie van de psychodiagnostische perspectieven, waartoe
uitkomsten van preliminaire serie-onderzoekingen aanleiding kunnen geven.
Op grond van deze overwegingen was het aanvankelijk voor ogen
gestelde doel drieërlei:
1. door systematische toepassing van de gemodificeerde methodiek
efficiënte hanteerbaarheid te bewerkstelligen en aan de praktijk
te toetsen;
81
2. aanknopingspunten voor een eventuele ontwikkelings- en degeneratie-tendens van attentiviteitsaspecten op het spoor te komen;
3. diagnostische selectiviteit na te gaan van de gewijzigde methode
en situatie van onderzoek met betrekking tot bepaalde modi van
attentief gestoord-zijn.
Het in punt 1 gestelde is in de uiteenzettingen over formele methodologie reeds gedeeltelijk behandeld en zal aan de hand van casuïstische toelichting van curve-beelden nader worden gepreciseerd. Uit
punt 2 lichten wij de hypothese, dat het attentief proces een evoluerend verschijnsel is, dat op jeugdige leeftijd nog weinig uitgebalanceerdheid demonstreert. Het gestelde in punt 3 zal worden getoetst
aan de groepsgewijze vergelijking van patiënten, bij wie attentieve
gestoordheid algemeen aanvaard en erkend mag worden geacht,
met name epileptische en depressieve zieken.
Deze doeleinden kwamen niet allen naar evenredigheid van hun
importantie tot hun recht. Bedoeld is slechts het eventueel diagnostisch perspectief van de Grünbaum-modificatie voorlopig af te tasten.
I . VERZAMELING
EN K L A S S I F I C E R I N G VAN
GEGEVENS
De eerste proefnemingen met de Grünbaum-modificatie kwamen
tot stand in onze psychiatrische kliniek Calvariënberg te Maastricht.
Daar ontstond ook de wijze van verwerking en registratie van resultaten, zoveel mogelijk afgestemd op efficiënt en effectief gebruik voor
de kliniek. De hieruit resulterende codering van primaire, secundaire, tertiaire en ultimaire subtotalen en totalen is als verwerkingsmethode gehandhaafd.
Waar onze eerste bevindingen van de onderzoekmodificatie uitsluitend het klinisch patiëntenmilieu betroffen, groeide de behoefte het
attentief proces van niet-patiënten met deze gegevens te vergelijken.
Opzettelijk spreken wij hier van niet-patiënten, omdat het een open vraag blijft
of buiten de kliniek te zoeken proefpersonen (vooral waar het kinderen betreft)
zo ongestoord in hun attentiviteit zijn als de benaming „normalen" of „gezonden"
suggereert. Individuele storingsmomenten van het attentief proces zijn moeilijk
van buitenaf constateerbaar en worden slechts in „opzichtige" gevallen ab notoire
deficiënties door de omgeving aangemerkt.
Attentieve defectuositeit blijft een vrij latente gedragsmodaliteit, die
nog vaak in meer of mindere mate als algemeen voorkomend wordt
82
beschouwd.1) Waar deze dissimulerende opvattingen met name het
domein van de kinder- en schoolleeftijd gelden — ofschoon in het
psychologisch onderzoek dikwijls tot uiting komt hoe frequent attentieve stoornissen bij kinderen voorkomen — werd juist dit terrein
voor confrontatie gekozen. Hierbij zat de bedoeling voor, vergelijkend
inzicht te verkrijgen met betrekking tot de attentieve onto- en Pathogenese.
De eerste steekproef-gedachten gingen uit naar toetsing van jeugdige
leeftijdsfasen: de 9- tot 11- en de 15- tot 16-jarige leeftijdsnorm. Deze
opzet werd als volgt gerealiseerd. Allereerst kwamen van vier lagere
(twee stads- en twee dorps-) scholen 3e en 4e klas-leerlingen in aanmerking. Hieruit resulteerden vier groepen: ± 65 jongens (Algroep) en evenveel meisjes (U-groep) uit stadsschool, ± 30 jongens
(F-groep) en een gelijk aantal meisjes (J-groep) op dorpsschool.
Moeilijker was het een vrij homogene, goed bereikbare doorsneegroep van 15- tot 16-jarigen te vinden, die als representatief kon
gelden voor de attentieve middelmaat. MULO- of M.O.-groepen
werden niet geschikt geacht, evenmin de jeugdige arbeidersklasse,
die onderling te sterk kan differentiëren. Daarom prezen we ons
gelukkig met ondergrondse vakscholieren, die in het vóórstadium
van vakscholing op de drempel van het industrieel arbeidsproces
staan en uit intellectief zwakke doorsnee-begaafden gerecruteerd worden. Dit leverde de O-groep op, samengesteld uit 13 O.V.S.-jongens
van 15;9 tot 16;0 en 51 O.V.S.-leerlingen van 16;0 tot 16;9 jaar.
Omdat na realisering van deze onderzoeken tussen de G.L.O.-leerlingen en de O.V.S.-groep duidelijke verschillen in de bevindingen
van beide gemodificeerde Grünbaum-methodieken aan het licht traden, rees de vraag naar gegevens van tussenliggende leeftijden.2) ОТ
en in hoeverre zou zich een ontwikkelingstendens aftekenen? Hoe is
het verloop hiervan, schoksgewijs of glijdend, duidelijk of diffuus?
!) Reeds Wiersma (1909) merkte op, dat aandachtsspanning en opmerkzaamheid
ook bij „gezonde" onderzochten aan periodieke schommelingen onderhevig
bleken. Bij epileptici zouden de sohommelingen slechts door langduriger en
onregelmatiger voorkomen van eerstgenoemden verschillen.
*) Opdat eventuele imvloedi van het schoolmilieu kon worden nagegaan, werden
de stadsleerlingen uit het centrum en de dorpsleerlingen uit een reeds eniger
mate verstedelijkte dorpskern gekozen. Laatstgenoemden verbleven zelfs op
een z.g. „opleidingsschool", aangezien ter plaatse sinds kort een HBS en
MMS bestonden. Ondergrondse Vakscholieren afkomstig van de Staatsmijnen
in Limburg.
83
Op grond van deze overwegingen werden de uitslagen van een aantal
jongens en meisjes in de leeftijd van 9 tot 15 jaar uit een gemengd
internaat voor Kinderbescherming verzameld: de M-groep, bestaande
uit 88 jongens en 22 meisjes. Deze groep is in negatieve zin homogeen te achten, in zoverre deze jeugdigen op grond van sociale minusfactoren in het huiselijk milieu door middel van een maatregel van Kinderbescherming tijdelijk buitenshuis zijn geplaatst.
Doordat van beide laatstgenoemde groepen (O en M) tevens testologische intelligentie-resultaten bekend waren, konden deze met die
van het Grünbaum-modificatie-resultaat worden vergeleken. Van de
M-groep waren bovendien allerlei data bekend, met betrekking tot
anamnese, observatie, Bourdon-Wiersma, Raven-Matrices, projectieonderzoeken, maar deze werden slechts voor een klein deel in dit
onderzoek-resultaat betrokken.
Ten slotte werd een vrij willekeurige groep normaal te achten proefpersonen aan het gemodificeerd Grünbaum-onderzoek onderworpen,
in leeftijd variërend van ± 16 tot 26 jaar (N-groep), wederom bedoeld om een attentieve progressiviteitstendens, parallel aan de leeftijdstoename, op het spoor te komen.
Deze op het attentief ontwikkelingsproces gerichte verzameling van
onderzoekresultaten werden de patiënten uit drie psychiatrische klinieken tegenovergesteld, respectievelijk de S-groep (72 mannen vanaf
16 jaar en ouder), de A-groep (33 vrouwen vanaf 24 t / m 73 jaar)
en de P-groep (77 vrouwen en 50 mannen van 12 t / m 77 jaar).
Uiteraard verschaffen klinisch-psychiatrische patiënten moeilijk objectief te beoordelen of te vergelijken onderzoekresultaten op grond
van niet te elimineren hospitalisatie-artefakten, progressief-mentale
deterioratie, medicamenteuze beïnvloeding, behandelingsdiagnostiek
en andere variabele factoren, die zoals BOEKE terecht opmerkt, welhaast onoverkomelijke problemen voor de research stellen.')
Omdat het onderzoek in deze verhandeling louter oriënterend-exploratief karakter draagt werd een minder door deze negatieve factoren
getroffen te achten groep, namelijk ambulante ziekenhuispatiënten
van een neurologische afdeling, in het totale onderzoekresultaat betrokken: de Z-groep, bestaande uit 55 vrouwelijke en 80 mannelijke
patiënten in de leeftijd van 8 t / m 80 jaar. Deze laatste groep is min
') Cfr.: P. E. Boeke: Psychodiagnostische problemen van de epilepsie. Assen
1963.
84
of meer te beschouwen als licht-neurologische weerspiegeling van de
ernstiger psychiatrische verschijnselen.
De samenstelling van het verzameld onderzoekmateriaal is in bijgaand overzicht weergegeven (zie blz. 86).
Alle onderzoeken werden afgenomen in de voormiddag om variabele
invloeden van dagschommelingen en vermoeibaarheid zoveel mogelijk uit te sluiten. In de Z- en M-groep kon dikwijls alleen de eenvoudige Grünbaum-modificatie worden gerealiseerd, omdat allerlei redenen van situatieve inopportuniteit en inadaequaatheid afname van
de gecompliceerde methode contraïndiceerden.
Om een eerste grove indruk van de onderzoekbevindingen te verkrijgen werden op een gegeven tijdstip de rekenkundige gemiddelden van primaire, secundaire, tertiaire en ultimaire subtotalen bepaald en grafisch weergegeven (zie blz. 88 en 89).
Summiere opmerkingen mogen bij dit overzicht volstaan.
Aanknopingspunten voor een attentief ontwikkelingsproces lijken
gegeven in de gemiddelde resultaten van zoektijdfrequenties in zowel
de eenvoudige als de gecompliceerde Grünbaum-modificatie vanaf
de 9-jarige tot de volwassen leeftijd. Deze tendens geldt zowel het
intensiteitsaspect (voor een deel af te leiden uit het aandachtstempo,
ook wel „aandachtsspanning" genaamd) als het vigiliteitsaspect (partieel gerepresenteerd door omissieve verschijnselen).*) Constateerbaar
zijn afname van primaire en toename van secundaire, tertiaire en
met name ultimaire (sub)totaalgemiddelden alsook krimping van
het aantal gevonden en benoemde items, naarmate de leeftijd daalt.
Van deze tendentie geeft het overzicht (blz. 87) van rekenkundige
gemiddelden der zoektijdfrequenties in de eenvoudige methode van
de Grünbaum-modificatie een nog vollediger beeld.5).
Het verschil tussen de resultaten in de eenvoudige en in de gecompliceerde methodiek van de Grünbaum-modificatie is voornamelijk
gelegen in aggravatie van eerst- door laatstgenoemden.
Geheel andere samenstelling vertonen bedoelde rekenkundige gemiddelen op psychopathologisch gebied (zie blz. 90 en 91).
*) Volgen« Godefroy in de BourdoivWiersma als „uitvalsversohijnselen" toe te
schrijven aan „afdwalen van de aandacht".
») Voor dit overzicht is gebruik gemaakt van de Al-, U-, F-, J-, M-, O-, N- en
Z-groep.
85
OVERZICHT VAN HET TOTAAL AANTAL VERRICHTE GRÜNBAUM I- EN GRÜNBAUM IIONDERZOEKEN GESPECIFICEERD NAAR GROEP, LEEFTIJD EN GESLACHT
и
Al
Groep
Ift. gsl.
«-»"
9.10™
F
J
M
O
II I II I II I II I II I II
N
Ζ
I II
1 1
I II I II I II
8 7
38 38
5 5
10
2
2 1
2
1
1
15
4
8
3
4
12-13 ™
13 10
6 4
3
1
1
1
13-14 »
17 11
8 2
1
2
2
14-15^
10 5
1 1
m
24 24
27 27
24 23
1 1
1 1
1
11-12 v
1 1
51 51
16-17 ™
1 1
24 17
29 17
13
1
1
2 1
2
1
4
1
3
1
1
2
1
2
6 6
1
1
1
1
3 3
1 1
1 1
18-19 »
1
2
1
2
1
2
1
2
2
2
1
19-20 ™
1 1
2 2
2
1
1
1
1
2
1
1
1 1 11 8 11 8 17 14
30-40 »
50-60 ™
1 1
»?
31 31
67 67
Tot- ?
67 67
68 67
7
7
10
7
1 1
10
8
4 4
ПО
92
6 4
85 63
16 10 9 5 13 10
9 4 10 7
5 5
62 41
8
4
6 13 10 11 10
2 10 6
9 5
56 40
2
1
1
8 3
16
13
40-50 »
8 26 20
2
1
1
2 1
77 40 64 64 21 21 79 47 50 37 72 61
13 13 55 34 80 58
33 22
33 31 22 10
Totaal
86
8
20 18
16 16 15 11 7 6 22 19
5 5 17 11 24 20
20-30 ™
8
26 14
1
2
17-18 »
II
93 81
1 1
2
1
I
121 109
2 2
1 1 13 13
15-16 »
Totaal
14
11 2
10-11 ™
I II
1
24 24
37 37
A
S
5
2 2
5
Ρ
6
461 368
303 235
764 603
OVERZICHT VAN REKENKUNDIGE GEMIDDELDEN DER
ZOEKTIJD-FREQUENTIES
Leeftijd
8- 9
9-10
10-11
11-12
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-20
20-30
30-40
40-50
50-60
η
15
123
92
23
18
23
14
18
68
14
53
25
25
13
prim.
sec.
tert.
uit.
26,3
29,2
31,5
31,6
32,9
36,6
36,6
38,1
37,3
39,3
40,0
36,3
33,9
34,4
10,0
10,9
10,6
10,7
10,0
8,6
9,6
8,0
9,1
7,3
7,0
9,1
11,2
11,7
5,6
4,3
3,6
3,7
3,7
3,0
2,3
2,3
2,3
1,9
1,6
2,0
2,7
2,3
7,3
4,4
3,5
3,4
2,6
1,7
1,0
1,0
1,1
1,1
1.1
1,7
1,9
1,4
In de eenvoudige methodische uitvoering bestaat duidelijke overheer
sing in tempo bij de psychopathische in vergelijking tot respectieve
lijk depressieve, epileptische en dementerende onderzochten. Dat
laatstgenoemde categorie ernstig verstek zou laten gaan viel te ver
wachten. Ook de frequent gebleken onmogelijkheid de gecompliceer
de methodiek bij dementerenden te realiseren, is niet verbazingwek
kend. Opmerkelijk is, dat epileptici over het algemeen beneden de
prestaties blijven van 9- tot 10-jarigen, in elk geval als gemiddelde
groepswaarde niet daarboven uitreiken. Deze tendens betreft voor
namelijk het aandachtstempo (cfr. primaire aantalgemiddelden), ter
wijl eveneens het vigiliteitsaspect nauwelijks gunstiger afsteekt.
De depressieven blijken evident constanter en betrouwbaarder in
hun attentief proces dan de psychopathen, zoals uit het verschil in
primaire en secundaire aantalgemiddelden van de gecompliceerde
Grünbaum-modificatie op markante wijze is af te lezen. Ogenschijnlijk tekent zich een specifiek bradyphreen attentiviteitsproces af bij
depressieve zieken: hun secundaire aantalgemiddelden blijven aan
de hoge kant.
Een indruk te geven van de mogelijkheden van falen is, evenals interpretatie er van, op dit moment nog prematuur te achten. Nog te
weinig is bekend omtrent vorm en omvang van het attentief gestoord
zijn bij jeugdigen en volwassenen, terwijl bovendien aard en betekenis der varianten van falen in de Grünbaum-modificatie nog in het
87
2
^ «0
3
Я
S ci
to
vi
а
1Л
rj
о
5 53
lililí
nul
JJILU LLLjJ U J
Hill
nn
I* »
' i I I LiXL
-г-
S
LLlJ " '•
LLJJu •• • •• "
" • •" I I II
5
3
лил
з? 4
о
я
•Г
•О
г«
CD
«О
чО
1
í"
lini
• • • '»• "
l l l l l
LLLL J-l_
Iff
lllll
88
3
'" • '
lllll " " i
г*
S 3
Ö
s
3 3
•τ
о
P7
α
q
I
τ
о
3 5
s•4 3
о> î
о 3
2 rjо I
S •od 3 I
-r
r"о»
•О г*
ri
cd q
•Г •6
q
X-ч
LUJ
Sr
1J_LÜ
Ρs
9¡
ί
ο
3 3
? 3о
5
IO —
5
M
ІП
h!
LLLLL
4>
1*1
ó
«ι
JJJJ
s s
d
г-
у
í
Ч-!^
ίο
•M
"
""
»• ' " '
' J-UJL
• ' • '
J-LLL
'•'
"
^8
3
ui
es'
'" • ' I I I I
fe
LU.
f"
s
»г
^
¿i
ö
л-
ί?
LLU
IXJ
ill I I I
" "
U-LL
LUL
*
•'
1 ·
•·
..^
ii
'v,
4
/
J
r
r
X\ I I
/
4,
Й
m
«о
• • ·•
III 1
• 1 f1
III!.
IO
Ci
i-
i
I.J
•j;
S
О
S
Of
q
J
—.
-τ
К)
«y
О
>0
tí
S
5
о
s
s
δ 3 §
5 S &
g
τ
^ ->:
43
ο;
ι-;
Ν
4
I I I 1 11 i.i
О
•О
^£0
IO
T.
S§ 5
' ' • •
I
lO
ΙΟ
г;
0!
I I I I
ц
J
I? 5
5** 3 S5
m
2
υ.
s
$£?
я
*τ
Of
о
-AHÍ:
» »' " ' '
S
iJLU.illt ι ι il 1 ·
¿.
' ' • ' u n
IO
Φ,
ï*
Ir
яs
if»
5
e
'•"
«η
J·"
о
1
л
iS
«β
Ί
h:
(Ο
Г
IO
•О
IO
о
Ö
3
х-
d
$ 5
á2
2 5
89
i»
^
с* -о1
J
ч>
^
?г* I^
^і
?
τ
•Ч
г;
"S
s s
Oí
1 л:
CS
ri
lili
.
—i—
ζ
Η τ
'l,
ЁЗ
\
"а
1
t
//
-
. -- · ,* · """
«s
l i l i
.1 . ¡
l i l i
"",
l i l i
l i l i
I I I I
!
/
:
1
III
3
tu
V
\
1
f
1
i
S
И« 'á
//
^
h
ι ι ι ι ... .1 1
1 1 1
.· · 1
• I 1 I
làll
l i l i
ρ
•Л
i«
Иг
г
«о
»г
5
т?
S
ц
f:
Ο
5
90
Ό
IO
τ-
О
^
о
s
S
t
5 s 3
ι
i
I
ΓΙ
ч»
г
о
ri
«ι
ci
к' ™
о
5 5
ri
чО
5
Ψ*
|П
Ι
о«
2
И
3 5S
о ~е
5
•Ч.
i
I I I il l i l i
•τ
ч^
M
Л
^ч.
г-
3
.л,
τ
Iч
η
i
-ЛК
/
UI
f*
r
•
>Ν
1
i
i
эй
1
,1
9
Ui
•:
vi
i-LLX
им
ψ*
О"
5
-о
9
<o
η
о
о
I
I
—
>β
ζ
£ r<
Η+
Ui
HS
ld
о
ІГ-
-I
δ
i-i
T¿*
E α
4
111
' • ' •
α
' • "
I II I
Φ
^
a
•г
-0
• • • JJ.
'
*? Ό
4
л:
s
ц
«
J
л:
о» τ
XL
η
г
e
:э л
UI
*s
i; \ƒ i^ 5
I
I
ой
,/
ш
0
г·
и
¿
'•v..
1 1 1 1
• 1 . .
ni J
/
Ρ
....
1
1 . 1 1
l i l i
jli-LL
5
%
-ο О ю
ίο
0
α
Τ
..CL
?
о
•J-
χ
τ
?
ν»
«i
5
«5
0-.
β»
и
m ι ι
Τ
Ο
IO
i* 5 5 93 56
о
о
S
7±
-О
о
«0
Ρ
•0
СО
§
5
91
5
ll>
о
9
(D
<1
•o
Stadium van research verkeren. Grosso modo is een totaalbeeld op
te stellen, van de percentagegewijze frequenties, zoals in onderstaand
overzicht van omissief en iteratief falen tot uitdrukking is gebracht.
Opmerkelijk is, dat het hoogste rekenkundig gemiddelde van omisPERCENTAGEGEWIJS WEERGEGEVEN
FREQUENTIE-VERDELING VAN OMISSIEF FALEN
Groepen
GRM η
Aantal omissies
2
3
4 ^ 5
1
^ 10
Totaal
Jongens 9-11 jr.
(Al- en F-groep)
I
II
90
90
18^8
14,4
2,2
10,0
2,2
6,7
2Д
5,5
~1
2,2
~l
17,8
27^6
Meisjes 9-11 jr.
( U - e n J-groep)
I
II
97
95
17,5
24,2
8,3
8,4
—
4,2
1,0
2,1
1,0
7,4
1,0
8,4
28,8
Jongens 15-17 jr.
(O-groep)
I
II
64
64
20,3
28,1
—
14,1
3,1
6,2
—
3,1
1,5
1,5
—
4,7
24,9
Normalen
(N-groep)
I
II
34
34
5,9
17,7
—
—
—
—
—
—
—
—
—
2,9
5,9
Psychopaten
(P-,S-,A-,Z-gr.)
I
II
16
16
12,5
18,7
—
—
—
_
—
—
—
6,3
—
12,5
12,5
Depressieven
(P-, S-,A-,Z-gr.)
I
II
33
19
9,1
5,3
3,0
10,5
3,0
—
—
—
—
10,5
—
15,8
15,1
Epileptici
(P-, S-, A-, Z-gr.)
I
II
63
49
22,2
12,2
3,2
8,3
3,2
6,1
—
8,3
3,2
12,2
1,5
18,3
33,3
56,6
54,7
57,7
20,6
37,5
42,1
65,4
PERC ENTAGEGEWIJS W E E R G E G E V E N
F R E Q U E N T I E - V E R D E L I N G VAN I T E R A T I E F FALEN
Groepen
GRM η
1
2
Aantal repetities
3
4 ^ 5 ^ 1 0
Totaal
Jongens 9-11 jr.
( A l - e n F-groep)
I
II
90
90
17,8
8,9
2,2
1,1
1,1
—
—
4,4
1,1
5,6
1,1
—
23,3
Meisjes 9-11 jr.
( U - e n J-groep)
I
II
97
95
9,3
5,3
4,1
3,2
—
—
—
1,0
1,0
4,2
—
—
14,4
Jongens 15-17 jr.
(O-groep)
I
II
64
64
3,1
12,5
—
—
1,6
1,6
—
1,6
—
3,1
1,6
3,1
6,3
Normalen
(N-groep)
I
II
34
34
5,9
—
—
—
—
—
—
2,9
—
2,9
—
2,9
5,9
Psychopathen
(P-, S-, A-, Z-gr.)
116
I I 16
—
—
—
—
—
—
—
—
_
—
—
Depressieven
(P-, S-, A-, Z-gr.)
I
II
33
19
3,0
5,3
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
Epileptici
(P-,S-,A-,Z-gr.)
I
II
63
49
6,3
6,1
1,6
—
—
—
—
—
—
2,1
3,2
—
92
—
20,0
13,7
21,9
8,8
_
_^
3,0
5^3
11,1
8,2
sief falen bij epileptici gevonden wordt, zowel in de eenvoudige als
in de gecompliceerde Grünbaum-modificatie. Van de vergeleken patiënten-groepen komen de epileptici ook het meest in aanmerking
voor iteratief falen, alhoewel dit verschil niet groot is.
Met opzet zijn de demente patiënten in dit overzicht buiten beschouwing gelaten, omdat hun aantal met name in de gecompliceerde
Grünbaum-modificatie-resultaten te gering was. In elk geval bleek
van de als zodanig onderzochte dementen meer dan 80% in omissieve
zin te falen in de gecompliceerde methodische uitvoering.
Deze overzichten van rekenkundige gemiddelden geven grove tendenties weer op nogal duidelijke wijze. De klinisch-intuïtieve ervaring is met de hier tot uiting komende tendens-verschillen in overeenstemming. Vooralsnog moeten wij het juist bij nieuw ontworpen
onderzoekmethodiek van deze oriënterende ervaring hebben om tot
bepaalde hypothesen te kunnen komen, ook al is zij als ijking van
een onderzoekmethode, waaruit de mate van betrouwbaarheid en
geldigheid der resultaten moet blijken, onvoldoende.
2.
STATISTISCHE
ANALYSE
VAN ONDERZOERRESULTATEN
Het aantal gegevens, dat voor statistische analyse in aanmerking
kwam, was dermate groot, dat deze analyse tot enkele belangrijke
aspecten van de Grünbaum-modificatie moest worden beperkt.·) Bij
het statistisch onderzoek is getracht elk individueel resultaat te karakteriseren door één getal. Daarbij zijn de in de tabellen vermelde
B-tellinggegevens, hier verder aan te duiden als „tijdscores", tot
uitgangspunt genomen.7) De tijdscore wordt als volgt berekend uit
de frequentieverdeling van de zoektijden per item:
van 1 t/m 10 seconden : 0 punten
20
2
»>
„ и
30
5
„ 21
>*
40
„
10
„
„ 31
20
50
„ 41
t»
60
40
„ 51
>t
: 60
groter dan 60
t»
i»
Ff
f»
H
ГШ
e
) In het vervolg wordt hier de afkorting GRM gebruikt ter aanduiding van
„Grünbaum-modificatie" in respectievelijk eenvoudige (I) en gecompliceerde
(II) methodische uitvoering.
7
) Zie tabellen achterin.
93
Verder wordt de tijdscore vermeerderd met 5 punten voor elke omissie. Indien (bij een repetitie) een item meer dan één keer wordt genoemd, wordt de daarvoor benodigde zoektijd alleen de eerste keer
in rekening gebracht.
Voorbeeld: Bij pp. N 13 was de frequentieverdeling der zoektijden
als volgt:
sec.
1-10
11-20
21-30
31-40
41-50
omissies
repetities
freq.
37
7
2
2
1
1
1
Hierbij wordt de tijdscore:
37X0 + 7 X 2 + 2 X 5 + 2 X 1 0 + 1X20 + 1 X 5 = 69.
Uit de definitie van de tijdscore blijkt, dat deze hoger is naarmate
het onderzoekresultaat in de tijd gezien ongunstiger uitvalt. In beschrijvingen van dit resultaat van statistische methoden zal sprake
zijn van de bij de GRM geleverde tijdprestatie.
De volgende overwegingen hebben geleid tot het aanvaarden van
deze tijdscore.
1. De karakteriserende grootheid moest voornamelijk bepaald worden door de zoektijden per item.
2. De totale zoektijd of de gemiddelde zoektijd per item werd niet
voldoende representatief geacht voor het attentieve proces; ook
de spreiding van de zoektijden moest in de score tot uiting komen
in die zin, dat de indicatie voor een storing in het attentieve proces bij eenzelfde gemiddelde zoektijd sterker wordt naarmate de
spreiding in de zoektijden groter is.
3. Gezien de beperkingen, die aan de omvang van de analyse waren
gesteld, was het niet goed mogelijk zowel het gemiddelde als de
spreiding van de zoektijd afzonderlijk in de analyse te betrekken,
te meer waar bij de zeer scheve frequentieverdeling van de (steeds
niet-negatieve) zoektijden een belangrijke correlatie tussen gemiddelde en spreiding te verwachten is.
4. De overwegingen sub 2 en 3 vermeld hebben geleid tot de keuze
van een gewogen gemiddelde van de zoektijden, waarin aan de
94
grote zoektijden een hoger gewicht wordt toegekend dan aan de
kleine.
5. Om de berekening van de tijdscore niet te gecompliceerd te maken werd deze gebaseerd op de in intervallen van 10 seconden
geklassificeerde zoektijdgegevens. Verder dienen de gewichtsfactoren daartoe eenvoudige gehele getallen te zijn.
6. Uitgaande van de overwegingen sub 4 en 5 vermeld, is een min
of meer arbitraire keuze gemaakt. Daarbij werd er naar gestreefd
de tijdscores voor de GRM I van de groep normale proefpersonen
in het algemeen beneden de grens 50 te houden en voldoende
differentiatie te bewaren tussen tijdscores voor de GRM I van de
groep der epileptische proefpersonen.
7. Terwille van de eenvoud van bewerking werd voor de GRM IIgegevens dezelfde tijdscore gekozen.
Voor de GRM I-gegevens van een aantal normale en epileptische
proefpersonen werden tevoren een meer en een minder gedifferentieerde tijdscore beproefd. Op grond van de hiermee opgedane ervaring werd de boven gedefinieerde tijdscore geprefereerd.
Met nadruk moet worden gesteld, dat deze tijdscore geen volledig
beeld kan geven van de in de gegevens aanwezige informatie. Er is
in het geheel geen rekening gehouden met andere dan omissieve
fouten. Bovendien is de aan die fouten gehechte puntenwaardering
bij grote aantallen omissies onvoldoende te achten. De hier gegeven
puntenwaardering voor omissies had alleen ten doel de te verwachten verkortingen der totale zoektijden te compenseren en een tijdvreemde factor te vermijden in de tijdbeoordeling. Indien meer dan
10 omissies voorkwamen in een onderzoekresultaat, zijn de betreffende gegevens niet in het statistisch onderzoek betrokken. De zoektijden van de overgebleven items kunnen dan moeilijk representatief
worden geacht ten opzichte van de zoektijdresultaten, waarin geen
of slechts enkele omissies voorkwamen. Om analoge redenen zijn
ook de gegevens van onderzoeken, waarin meer dan 10 repetities
voorkwamen, buiten beschouwing gelaten.
Bij de beschrijving van resultaten zal onderscheid gemaakt worden
tussen een aantal groepen personen. Deze zijn in hun geheel opgenomen in de tabellen of kunnen daaruit door een hergroepering van
95
de gegevens worden verkregen. 8 ) D e groepen gebruikt voor de statistische analyse zijn vermeld in de volgende tabel.
Aantal
Identificatie van de groep
mannen
leeftij dsinterval)
benaming
omschrijving
Al-groep
U-groep
F-groep
J-groep
M-groep
O-groep
stadssohool (GLO)
stadsschool (GLO)
dorpsschool (GLO)
dorpsschool (GLO)
intemaatskmderen
G R M
vrouwen
G R M
I
II
8-11
8-11
8-10
9-11
9-15
67
67
31
31
77
39
ondergrondse
vakscholieren
15-16
64
64
N-groep
normale proefpersonen
13-57
21
21
13
13
Z-groep
lichte neurologische
patiënten
8-80
80
47
55
35
11-72
16-65
27-78
38
30
6
6
25
25
19
PSAZ-
epileptici
groep
depressieven
dementen
8
13
I
II
67
67
33
21
33
10
__
3
13
0
*) Opgegeven zijn. de laagste en de hoogste voorkomende leeftijd.
a. Correlatie
tussen tijdprestatie
en
leeftijd.
Hiertoe is de rangcorrelatiecoëfficiënt van KENDALL of die van SPEARMAN, respectievelijk aangeduid met Τ e n R, berekend.*) Deze coëfficiënten zijn met een positief teken vermeld als er negatieve correlatie
bestaat tussen de tijdscores en de leeftijd, dus een positieve correlatie
tussen GRM-tijdprestatie en leeftijd. Daarbij is steeds het aantal
paren waarnemingen (n) opgegeven. Bij de groepen A l , U, F, J, M
β
) Enkele casi uit de tabellen ontbreken in de statistische verwerking van de
groepsresultaten. Het betreft hier deels errata (S 4 5 ; Ρ 16 en 102), deels
minder duidelijke oí samengestelde diagnosen (P 51, 79, 9 1 , 93, 96, 97,99;
27 en 28), deels na beëindiging vao de statistische analyse nog binnengekomen
onderzoekgegevens (P 129, 130, 131, 133 en 134). Laatstgenoemden zijn
echter alsnog betrokken in de casulstische bespreking van curvebeelden.
· ) Deze toetsen zijn eveneens toegepast in enkele van de hierna volgende berekeningen. Cfr. voor literatuur over de rangcorrelatiecoëfficiënt van Kendall
en Spearman: S. Siegel, Nonparametric Statistics for the Behavioral Sciences.
London — 1956, biz. 213 e.v. en bk. 202 e.v.
96
en O zijn eerst de gemiddelde tijdscores berekend van groepen proefpersonen, waarvan de leeftijd in aantal jaren en maanden overeenkomt. Elk waarnemingspaar bestaat dan uit een leeftijd en een gemiddelde tijdscore. Bij de overige groepen is elk onderzoekresultaat
afzonderlijk in de berekening betrokken.
Op grond van de correlatiecoëfficiënten en η is de hypothese ge
toetst, dat de leeftijd onafhankelijk is van de tijdscore. Als de be
treffende tweezijdige overschrijdingskans ρ groter was dan 0,10 be
staat er geen statistische aanwijzing voor een correlatie tussen de
beide grootheden; bij een p-waarde tussen 0,05 en 0,10 kan van een
zwakke aanwijzing voor correlatie worden gesproken; de betreffende
coëfficiënten zijn voorzien van één sterretje tussen haakjes. De correlatiecoëfficiënten, voorzien van één ofwel twee sterretjes, kunnen
respectievelijk als significant (p kleiner of gelijk 0,05) en zéér significant (p kleiner of gelijk 0,01) worden beschouwd.
De toets is voor mannen en vrouwen afzonderlijk toegepast, omdat
een invloed van sexe op de tijdscores a priori niet kan worden uitgesloten. De groep epileptici is bovendien gesplitst naar de groep
van herkomst, omdat a priori evenmin kan worden uitgesloten, dat
de tijdscores voor deze groepen systematisch verschillen. Dergelijke
gegevens zijn in enkele gevallen gecombineerd door berekening van
een gemiddelde rangcorrelatiecoëfficiënt Τ of R en een daarop
gebaseerde toets.10)
De keuze tussen de methode van KENDALL en die van SPEARMAN is uit
sluitend geschied uit praktische overwegingen. I n het algemeen zal
bij eenzelfde stel gegevens de coëfficiënt van SPEARMAN groter zijn dan
die van KENDALL, maar bij de toetsing is het onderscheidingsvermogen
van beide coëfficiënten nagenoeg gelijk.
De resultaten van dit onderzoek zijn samengevat in de volgende tabel.
Bij de jeugdige proefpersonen wordt op één geval na bij de GRM II
steeds een positieve correlatiecoëfficiënt tussen leeftijd en tijdprestatie gevonden. In een zestal gevallen is de correlatiecoëfficiënt significant.
Er valt dus bij jeugdige proefpersonen een duidelijke tendentie te
10
) Cfr. voor literatuur betreffende dergelijke gecombineerde coëfficiënten: Chr.
L. Rümke en Constance van Eeden, Statistiek voor Medici. Leiden — 1961,
blz. 98 e.v.
97
CORRELATIE TUSSEN GRM-TIJDPRESTATIE
EN LEEFTIJD
GRM I
GRM II
Groepen
Al-groep (m)
U-groep (v)
F-groep (m)
J-groep (v)
A l + U + F+J
M-groep (m)
M-groep (v)
O-groep (m)
Z-groep (m)
(t/m 20 jr.)
Z-groep (v)
(t/m 20 jr.)
22
24
15
15
Comb.
49
18
13
N-groep (m)
N-groep (v)
N- (m en v)
N-groep (m)
(boven 20 jr.)
Z-groep (m)
(boven 40 jr.)
Z-groep (ν)
Epileptici (m)
(S-groep)
Epfleptici (ν)
(A-groep)
Dementen (m)
(P + S +Z-groep)
+
+
+
+
+
+
+
+
0,32
0,46»
0,28
0,08
0,28*
0,68**
0,55*
0,38
22
24
15
15
Comb.
30
+ 0,43*
13
+ 0,13
21
13
Comb.
+ 0,24
+ 0,15
+ 0,20
24
13
20
13
Comb.
+
+
+
—
+
0,49*
0,12
0,40
0,19
0,21(·)
+ 0,44**
+ 0,17
+ 0,30*
17
+ 0,21
— 0,26
— 0,04
23
— 0,18
18
— 0,41*
9
-0,11
7
— 0,38
11
+ 0,16
Toelichting:
η
R
= aantal waarnemingsparen.
= rangcorrelatiecoëfficiënt van Spearman.
(bij combinatie gemiddelde van deze coëfficiënten)
Τ
» rangcorrelatiecoëfficiënt van Kendall.
(bij combinatie gemiddelde van deze coëfficiënten)
(*) = aanwijzing voor correlatie (p tussen 0,05 en 0,10)
* = significante correlatie (p tussen 0,01 en 0,05)
** = zeer significante correlatie (p kleiner of gelijk 0,01)
bespeuren naar een verbetering van de GRM-tijdprestatie met de
leeftijd. Het is op grond van de beschikbare gegevens moeilijk na
te gaan op welke leeftijd de verbetering in de GRM-tijdprestatie ophoudt.
Bij de beoordeling van de resultaten moet worden bedacht, dat het
aantal beschikbare waarnemingen en de spreiding in de leeftijd van
98
groep tot groep aanzienlijke verschillen vertonen. Zo is de geringe
correlatie in de O-groep vermoedelijk toe te schrijven aan het feit,
dat de leeftijdspreiding in deze groep slechts één jaar bedraagt.
Het verschil in correlatie tussen de meisjes van de stadsschool (Ugroep) en van de dorpsschool (J-groep) houdt wellicht verband met
het feit, dat de spreiding in de leeftijd bij de U-groep (ongeveer
evenveel 9- als 10-jarigen) groter is dan bij de J-groep (in meerderheid 10 jaar oud).
Bij de volwassenen worden geen aanwijzingen meer gevonden voor
een correlatie tussen leeftijd en tijdprestatie in GRM I.
Voor de groep normale mannen valt een zeer significante positieve
correlatie tussen leeftijd en tijdprestatie in GRM II te constateren.
Deze groep bevat echter een 3-tal jongeren met een leeftijd kleiner
dan 20 jaar en betrekkelijk hoge tijdscores. Worden deze buiten beschouwing gelaten dan wordt geen significante correlatie meer gevonden.
Bij de epileptische patiënten is voor de mannen van de S-groep een
significante negatieve correlatie tussen leeftijd en GRM II-tijdprestatie geconstateerd. Voor de GRM I-tijdprestatie van deze groep en
voor de GRM I- en II-tijdprestatie van de vrouwen van de A-groep
worden geen significante correlaties met de leeftijd gevonden. Dergelijke correlaties zijn niet onderzocht voor de groepen Ρ en Z, daar
deze betrekkelijk klein waren en voornamelijk uit personen jonger
dan 20 jaar bestonden.
Ook voor de demente mannen werd geen correlatie tussen leeftijd
en GRM I-tijdprestatie gevonden, terwijl het aantal GRM II-gegevens van deze mannen onvoldoende was om deze correlatie te onder
zoeken.
Daar in het algemeen bij de volwassenen geen belangrijke aanwij
zingen voor correlatie tussen leeftijd en tijdprestatie constateerbaar
was, is het onderzoek niet op alle beschikbare groepen toegepast.
Gezien de gevonden correlatie tussen leeftijd en GRM-tijdprestatie
is, voor zover mogelijk, een splitsing naar leeftijd toegepast.
Verband tussen GRM-tijdprestatie
sonen.
en de herkomst van de proefper
De diagnose-groepen der epileptici, depressieven en dementen zijn
afkomstig uit 4 verschillende groepen van herkomst, namelijk: P, S
99
en Ζ voor mannen en P, A en Ζ voor vrouwen. Bij het onderroek
van het verband tussen diagnose en GRM-tijdprestatie is het van
belang te weten of de diverse diagnose-groepen op dit punt als homo
geen kunnen worden beschouwd. Voor dit onderzoek lenen zich al
leen de epileptici, daar de omvang van de overige groepen te
gering is.
Het onderzoek is gedaan ten aanzien van de GRM-tijdprestatie voor
mannen en vrouwen met een leeftijd hoger dan 20 jaar afzonderlijk.
Bij mannen bleken alleen in de groepen S en Ρ personen voor te ko
men, die aan deze condities voldoen. H u n tijdprestaties werden ver
geleken met de toets van WILCOXON (zie sub b.). Het aantal gegevens
uit de groep S was 22, uit de groep Ρ 3; de waarde van V (S ten
opzichte van P) was 0,03. Deze is in het geheel niet significant (p =
0,97). De hypothese, dat de kansverdeling van de tijdscores in GRM I
voor mannen van de groepen P en S hetzelfde is, kan dus niet wor
den verworpen.
Er waren 9 vrouwen uit groep A, 7 vrouwen uit groep Ρ en 3 vrou
wen uit groep Ζ beschikbaar voor deze vergelijking. Hierop werd de
toets van KRUSKALL-WALLIS toegepast. Voor de toetsingsgrootheid Η
werd gevonden 0,008; deze is evenmin significant (p = l.OO).11) De
hypothese, dat de kansverdeling voor de GRM I-tijdscores voor vrou
wen van de groepen Α, Ρ en Ζ hetzelfde is, kan dus niet worden ver
worpen. Uiteraard is hiermee niet aangetoond, dat de GRM I-tijdprestatie onafhankelijk is van de groep van herkomst.
Daar bij de epileptici echter geen enkele aanwijzing voor een ver
band met de groep van herkomst wordt gevonden en splitsing naar
de herkomst bij de andere diagnose-groepen elk verder onderzoek
zou hebben uitgesloten, is een dergelijke splitsing niet meer toe
gepast.
b. Verband tussen tijdprestatie en geslacht.
Dit verband is voor een aantal groepen onderzocht met behulp van
de toets van WILCOXON voor twee steekproeven.12) Hierbij wordt de
11
) Cfr. voor de toetsingsgrootheid Η van Кгшкаіі-Wallis: S. Siegel, op. cit.,
blz. 184 e.v.
12
) Cfr. voor de toets van Wilcoxon: S. Siegel, op, cit., blz. 116 e.v. De toets
wordt daar aangeduid als Mann-Whitney-U-test.
100
hypothese getoetst, dat de tijdscore-verdeling voor mannelijke en
vrouwelijke proefpersonen hetzelfde is.
Bij vergelijking van de tijdprestatie van jongens en meisjes van de
groepen Al, U, F, J en M is de toets van WILCOXON toegepast voor
groepen van kinderen, waarvan de leeftijd in aantal jaren en maanden overeenstemde. Vervolgens zijn de verkregen toetsingsresultaten
gecombineerd.
VERBAND TUSSEN TIJDPRESTATIE EN GESLACHT.
GRMII
GRMI
Groep
Aantal
leeftijdsgroepen
V
Aantal
leeftijds
groepen
V
15
6
— 0,04
— 0,63*
15
6
— 0,57"
— 0,39
210
11
— 0,21
— 0,53*
211)
— 0,52·*
Stadsschool
Dorpsschool
Stads- en Dorpsschool
Internaat
Aantal
m
ν
Normalen
(Ift. 21-40 jr.)
Licht neurologische
patiënten (Z)
(Ift. 21-40 jr.)
Epileptic!
(1ft. 21-40 jr.)
V
17
5
24
29
+ 0,09
16
10
— 0,05
+ 0,530
Aantal
m
ν
17
5
V
— 0,14
Toelichting:
V
= quotiënt van het aantal mogelijke paren (m en v ) , waarbij de tijdprestatie van m hoger was dan van v, verminderd met het aantal paren,
waarbij de tijdprestatie van ν hoger was dan van m
en
_
totaal aantal der aldus te vormen paren m en v.
V
= gemiddelde V-waarde over de beschouwde leeftijdsgroepen.
(*) = aanwijzing voor verschil tussen m en ν (ρ tussen 0,05 en 0,10).
* = significant verschil tussen m en ν (ρ tussen 0,01 en 0,05).
** = zeer significant verschil tussen m en ν (ρ kleiner of gelijk 0,01).
m = mannelijke proefpersonen.
ν
= vrouwelijke proefpersonen.
*) = gemiddelde over de 21 leeftijdsgroepen bij stads- en dorpsscholen.
Opgegeven is het aantal bij de toets betrokken leeftijdsgroepen en
101
de gemiddelde waarde van een coëfficiënt V. Deze coëfficiënt is onder
de tabel gedefinieerd en kan als volgt worden uitgedrukt in de toetsingsgrootheid U, die vermeld wordt bij SIECEL:
V--*IL_I
mn
waarin m het aantal mannelijke en η het aantal vrouwelijke proef
personen voorstelt. Bij de definitie van de grootheid U is de volgorde
van de groepen zodanig gekozen, dat de grootheid V positief is in
dien de mannelijke proefpersonen een betere tijdprestatie leveren
dan de vrouwelijke en negatief in het omgekeerde geval.
In het algemeen kan men constateren, dat de tijdprestatie van de
meisjes beter is dan die van de jongens. Dit verschil is voor de GRM
I significant bij de dorpsscholieren en de internaatskinderen en voor
de GRM II bij de stadsscholieren en bij de combinatie van stads- en
dorpsscholieren.
Ten aanzien van de volwassen proefpersonen van de leeftijd tussen
21 en 40 jaar wordt weinig verband tussen geslacht en tijdprestatie
gevonden. Alleen bij de normale proefpersonen bestaat een aanwij
zing, dat de mannen een betere GRM I-tijdprestatie leveren dan de
vrouwen. Dit verschil is overigens alleen in de grotere diagnosegroepen voor de GRM onderzocht.
Gezien de geconstateerde verschillen is bij het verdere onderzoek
steeds een splitsing naar het geslacht van de proefpersonen toegepast.
с Samenhang tussen tijdprestatie en schoolmilieu.
Deze samenhang is eveneens onderzocht met behulp van de toets van
WILCOXON.
Afzonderlijk zijn vergeleken de jongens van de Al- (stadsschool) en
de F-groep (dorpsschool) en de meisjes van de groepen U (stads-) en
J (dorpsschool).
Hierbij is op overeenkomstige wijze als in het voorafgaande een
splitsing naar leeftijdsgroepen toegepast.
Er wordt een aanwijzing gevonden, dat de GRM I-tijdprestatie voor
de jongens uit het stadsmilieu hoger is dan voor de jongens uit het
dorpsmilieu. Voor de meisjes wijst het resultaat in dezelfde richting,
maar is het niet significant.
Voor de combinatie van beide groepen wordt een significant ver
schil geconstateerd, waarbij eveneens de kinderen uit het stadsmilieu
102
SAMENHANG TUSSEN TIJDPRESTATIE EN SCHOOLMILIEU
GRMI
Groep
Jongens (Al/F)
Meisjes (U/J)
Combinatie
Aantal
leeftijdsgroepen
10
14
240
GRMII
V
Aantal
leeftijdsgroepen
+ 0,35(·)
+ 0,29
+ 0,32*
10
14
240
V
+ 0,21
— 0,09
+ 0,03
Toelichting:
Per leeftijd is berekend:
quotiënt van het яятія] mogelijke paren van een stads- en een dorps
scholier, waarbij de tijdprestatie van de stadsscholier het hoogste was,
verminderd met het aantal paren waarbij de tijdscore van de dorps
scholier het hoogste was
en
totaal aantal der aldus te vormen paren.
V
= het gemiddelde van de V-waarde over de beschouwde leeftijdsgroepen.
(*) ·= aanwijzing voor een verschil tussen stads- en dorpsmilieu (p tussen 0,05
en 0,10).
* ~ significant verschil tussen stads- en dorpsmilieu (p tussen 0,01 en 0,05).
** = zeer significant verschil tussen stads- en dorpsmilieu (p kleiner of gelijk
0,01)^
Bij positieve V-waarde was de tijdprestatie van de stadsscholieren hoger dan van
de dorpsscholieren, bij negatieve V-waarde was het verschil omgekeerd,
i)
= gemiddelde over de 24 leeftijdsgroepen bij jongens en meisjes.
V
=
een betere tijdprestatie leveren dan de kinderen uit het dorpsmilieu.
Voor de GRM II-tijdprestatie daarentegen kon noch voor jongens,
noch voor meisjes, noch voor beide groepen samen een significante
invloed van het schoolmilieu worden aangetoond.
d. Correlatie tussen tijdprestatie en
intelligentie.
Bij dit onderzoek zijn dezelfde methoden gebruikt als sub a beschre
ven. Deze correlatie kon alleen onderzocht worden voor de M- en Ogroep, daar voor de andere groepen geen I.Q.-gegevens beschikbaar
waren. Gestreefd werd naar een onderzoek van de correlatie tussen
op leeftijdsinvloed gecorrigeerde verstandelijke ontwikkeling en de
GRM-tijdprestatie. In verband daarmee moest de correlatie tussen
I.Q. en GRM-tijdprestatie voor elke leeftijd afzonderlijk worden on
derzocht. De resultaten zijn samengevat in de volgende tabel.
103
CORRELATIE TUSSEN TIJDPRESTATIE EN INTELLIGENTIE
GRMI
Groep
R
η
GRM II
Τ
M-groep (m)
9-jarigen
1 O-jarigen
1 l-jarigen
12-jarigen
13-jarigen
14-jarigen
9 t/m 14 jr.
Comb.
+ 0,62*
+ 0,27
+ 0,06
0,00
+ 0,32 С)
+ 0,32
+ 0,27··
M-groep (v)
1 l-jarigen
12-jarigen
13-jarigen
11 t/m 13 jr.
4
6
7
Comb.
0,00
— 0,07
— 0,19
— 0,09
O-groep (m)
16-jarigen
43
10
11
15
13
16
в
η
R
Τ
+ 0,36*
Toelichting:
η
R
Τ
(*)
•
**
=
=
aantal waarnemingsparen.
rangcorrelatiecoëfficiënt van Spearman
(bij combinatie gemiddelde van deze coëfficiënten).
= rangcorrelatiecoëfficiënt van Kendall
(bij combinatie gemiddelde van deze coëfficiënten).
= aanwijzing voor correlatie (p tussen 0,05 en 0,10).
= significante correlatie (p tussen 0,01 en 0,05).
= . zeer significante correlatie (p kleiner of gelijk 0,01).
Bij de M-groep kon slechts de correlatie met de GRM I worden
onderzocht, daar te weinig GRM II-gegevens beschikbaar waren.
Voor jongens wordt in alle beschikbare leeftijdsklassen, behalve voor
de 12-jarigen, een positieve correlatiecoëfficiënt tussen tijdprestatie
in GRM I en het I.Q. gevonden. Deze correlatie is significant voor
de 9-jarigen en de gemiddelde correlatiecoëfficiënt over de zes beschouwde leeftijdsgroepen is zelfs zeer significant.
Bij de meisjes van de M-groep werd geen enkele aanwijzing voor
een correlatie tussen I.Q. en leeftijd geconstateerd. Hierbij moet
worden bedacht, dat geen meisjes jonger dan 11 jaar beschikbaar
waren en dat de aantallen meisjes in de overige leeftijdsgroepen veel
geringer waren dan de aantallen jongens. Bovendien was de spreiding in het I.Q. voor de meisjes in het algemeen geringer.
104
Bij de 16-jarigen van de O-groep werd een significante positieve correlatie tussen tijdprestatie en I.Q. in de GRM I gevonden en zelfs
een zeer significante correlatie tussen het I.Q. en tijdprestatie in
GRM II.
e. Correlatie tussen tijdprestatie in de eenvoudige en gecompliceerde
Grünbaum-modificatie.
Deze correlatie is alleen onderzocht voor de groepen der normale
proefpersonen tussen 20 en 40 jaar en voor de O-groep (16-jarigen).
Met opzet zijn de jongere proefpersonen (uit de N-groep) niet in dit
onderzoek betrokken, omdat deze in het algemeen een minder goede
tijdprestatie leveren, zowel voor GRM I als II, waardoor een schijncorrelatie tussen beide tijdprestaties zou kunnen worden veroorzaakt.
CORRELATIE TUSSEN TIJDPRESTATIE IN GRM I EN II
Groepen
N-groep (m) 20-40 jr.
N-groep (v) 20-40 jr.
O-groep (m) 16-jarigen
O-groep (I.Q. beneden 80)
O-groep (I.Q. 80 t/m 89)
O-groep (I.Q. 90 t/m 99)
O-groep (I.Q. 100 en meer)
I.Q.-combmatie
17
5
51
6
19
12
6
+ 0,54*
+ 0,70
+ 0,47*'
+ 0,77
+ 0,26
+ 0,23
— 0,14
+ 0,28
Toelichting:
η
R
=
=
(*)
*
**
=
=
=
aantal waarnemingen.
rangcorrelatiecoëfficiënt van Spearman, respectievelijk gemiddelde
deze coëfficiënten.
aanwijzing voor correlatie (p tussen 0,05 en 0,10).
significante correlatie (p tussen 0,01 en 0,05).
zeer significante correlatie (p kleiner of gelijk 0,01).
van
Zowel voor mannen als vrouwen worden vrij hoge correlatiecoëfficiënten gevonden. Voor mannen is deze correlatie significant, voor
vrouwen niet, doch daarbij was het aantal beschikbare gegevens zeer
gering.
Bij de O-groep (16-jarigen) werd een zeer significante correlatie tussen GRM I en II geconstateerd. Daar bij deze groep ook de I.Q.'s
waren bepaald, was het mogelijk na te gaan in hoeverre de correlatie tussen de tijdprestatie in GRM I en II wordt beïnvloed door
het I.Q. Binnen de groepen met een vergelijkbaar I.Q. werd nergens
105
een significante correlatie tussen tijdprestaties gevonden. Het gemid·
delde van de vier aldus verkregen correlatiecoëfficiënten is evenmin
significant. Dit doet vermoeden, dat de aangetoonde correlatie tussen
de GRM I- en II-tijdprestaties, althans gedeeltelijk, verband houdt
met het I.Q.
f. Verband tussen tijdprestatie en klinische diagnose.
Bij vergelijking van de verschillende diagnose-groepen is rekening
gehouden met een mogelijke invloed van leeftijd en geslacht op de
GRM-tijdprestatie.
De vergelijkingen zijn daarom voor mannen en vrouwen afzonderlijk
toegepast en er is een splitsing gemaakt in drie leeftijdsgroepen, respectievelijk t / m 20 jaar, van 21 t / m 40 jaar en boven 40 jaar.
Voor de personen onder de 20 jaar, waarbij de sterkste correlatie
met de leeftijd werd gevonden is toch geen verdergaande splitsing
toegepast, daar in deze diagnosegroepen in het algemeen slechts weinig proefpersonen onder de 15 jaar voorkwamen, terwijl tussen 15 en
20 jaar de correlatie met de leeftijd vermoedelijk vrij gering is.
De vergelijkingen zijn voornamelijk op de GRM I-tijdprestatie toegepast, daar in de meerderheid van de diagnosegroepen de GRM II
slechts door een gedeelte van de proefpersonen is afgelegd. Het vermoeden bestond, dat de proefpersonen, die de GRM II niet hebben
afgelegd in het algemeen een slechtere tijdprestatie leverden, dan
degenen die de GRM II wel hebben afgelegd. Dit is voor een aantal
diagnose-groepen nagegaan door beide genoemde klassen van personen te vergelijken op hun GRM I-tijdprestatie. De resultaten van
deze vergelijking zijn samengevat in de volgende tabel.
Hierbij is de toets van WILCOXON toegepast (zie sub b.).
Bij de licht-neurologische patiënten blijken zowel voor de mannen
als voor de vrouwen de personen, die de GRM II hebben afgelegd
inderdaad een zeer significant betere GRM I-tijdprestatie te leveren
dan de personen, die de GRM II niet hebben afgelegd. Dit verschil
wordt ook in enkele afzonderlijke leeftijdsgroepen gevonden.
Bij de epileptici van 21 t / m 40 jaar kon het verschil alleen voor
vrouwen worden aangetoond en bij depressieven en dementen werd
geen significant verschil gevonden.
In deze resultaten werd een aanleiding gezien de vergelijking tussen
106
VERGELIJKING IN GRM I-TIJDPRESTATIE TUSSEN PROEFPERSONEN,
DIE WÈL EN DIE NIET GRM II HEBBEN AFGELEGD
vrouwen
mannen
Groep
leeftijden
m
Licht-neurologische patiënten
Epileptici
Depressieven
Dementen
t/m 20 jr.
21 t/m 40
beven 40
alle leeft.
21 t/m 40
21 t/m 40
boven 40
boven 40
V
η
17
13
17
7
16
8
Comb.
13
3
—
—
—
—
6
4
+
+
+
+
—
0,82«·
0,22
0,55·
0,53*·
0,38
—
—
+ 0,58
m
V
η
10
3
19
10
6
7
Comb.
8
2
7
5
4
7
—
—
+
+
+
+
0,67
0,50*
0,62 (*)
0,60··
+ ι,οο·
— 0,09
+ 0,57
—
Toelichting:
m
η
V
= aantal personen, welke de GRM wel hebben afgelegd.
= aantal personen, welke de GRM II niet hebben afgelegd.
= quotiënt van het aamtal mogelijke paren van op GRM I- en -II-onderzochten en van uitsluitend op GRM I-onderzochten, waarbij de GRM Itijdprestatie van eeistgenoemden hoger was dan van de laatstgenoemden,
verminderd met het aantal paren, waarbij het omgekeerde het geval was
en
het totaal der aantal aldus te vormen paren.
(*) = aanwijzing voor een verschil tussen de beide groepen ( p tussen 0,05 en
0,10).
•
1= significant verschil tussen de beide groepen (p tussen 0,01 en 0,05).
*· = zeer significant verschil tussen de beide groepen (p kleiner of gelijk 0,01).
Bij positieve V-waarde was de tijdprestatie van degenen, die beide GRM-methodieken hebben afgelegd het hoogste; bij negatieve V het laagste.
de diagnose-groepen met betrekking tot de GRM II te beperken
tot epileptici en normalen, omdat de GRM II door alle normalen en
door bijna alle epileptische proefpersonen werd afgelegd.
In de overige diagnose-groepen ontbraken relatief meer GRM IIgegevens, terwijl in de groep der licht-neurologische patiënten bovendien een zeer duidelijk verschil werd gevonden tussen personen
die de GRM II wel, respectievelijk niet hadden afgelegd.
De vergelijking tussen de verschillende diagnose-groepen geschiedde
eveneens met behulp van de toets van WILCOXON. De resultaten hiervan zijn samengevat in de volgende tabel.
In deze tabel zijn met elkaar vergeleken een groep normalen, een
groep licht-neurologische patiënten, een groep depressieven, een
groep epileptici en een groep dementen.
Eerst is de volgorde van normalen, licht-neurologische patiënten en
107
KLINISCHE DIAGNOSE EN GRM I-TIJDPRESTATIE
Vergeleken groepen
Mannen
leeftijd
Vrouwen
aantal
V
aanvul
V
t/m 20
21 t/m 40
t/m 40
4 30
17 24
Comb.
+ 0,41
+0,70»·
+ 0,55*·
7 13
5 29
Comb.
+ 0,41
+ 0,53 (*)
+ 0,47*
LichtEpileptici
neurologische
patiënten
t/m 20
21 t/m 40
boven 40
alle leeft.
30 12
24 16
24 10
Comb.
+ 0,31
+0,50*·
+0,68**
+0,49*·
13
5
29 10
12
8
Comb.
+0,40
+ 0,38(·)
+0,76·*
+0,51·*
Normalen
Epileptici
t/m 20
21 t/m 40
t/m 40
4 12
17 16
Comb.
+ 0,79*
+ 0,92··
+ 0,86··
7
5
5 10
Comb.
+ 0,71*
+ 0,80*
+ 0,76**
Normalen
Depressieven
21 t/m 40
17
+ 0,88*
5
+ 0,65*
LichtDepressieven
neurologische
patiënten
21 t/m 40
boven 40
boven 20
24
3
24
5
Comb.
Depressieven
21 t/m 40
boven 40
boven 20
3 16 — 0,17
5 10 + 0,52
Comb. + 0,18
L. neurol. pat. Dementen
boven 40
24
10
+ 0,34
Depressieven
Dementen
boven 40
5
10
+ 0,08
11
3
+ 1,00*
Epileptici
Dementen
boven 40
10
10 — 0,32
8
3
+ 0,33
Normalen
Lichtneurologische
patiënten
Epileptici
3
12
+ 0,58
29 12
+ 0,24
12 11
+ 0 , 4 1 0 Comb.
+ 0,00
+ 0,23
+ 0,12
12 10
11
8
Comb.
+ 0,450
+ 0,80**
+ 0,62·*
—
—
KLINISCHE DIAGNOSE EN GRM II-TIJDPRESTATIE
Normalen
Epileptici
t/m 20
21 t/m 40
t/m 40
3
6
17 11
Comb.
+ 1,00*
+ 0,99·*
+ 0,99**
7
3
5
6
Comb.
+ 1,00*
+ 0,87*
+ 0,93**
Toelichting:
V
= quotiënt van aantal paren patiënten uit elk van de diagnose-groepen,
waarbij de tijdprestatie van de patiënt uit de eerstgenoemde groep hoger
is dan die van de patiënt uit de laatstgenoemde groep, verminderd met
het aantal paren, waarbij het omgekeerde het geval is
en
'het totale aantal der aldus te vormen paren.
Bij combinatie is de gemiddelde waarde van V opgegeven.
(*) = aanwijzing voor een verschil tussen beide groepen (p tussen 0,05 en 0,10)
* = significant verschil tussen beide groepen (p tussen 0,01 en 0,05)
** = zeer significant verschil tussen beide groepen (p kleiner of gelijk 0,01)
Bij positieve waarde van V is de tijdprestatie van de eerstgenoemde groep het
hoogst; bij negatieve waarde van V geldt het omgekeerde.
108
epileptici onderzocht. Daarbij is gevonden, dat de normalen een
significant betere tijdprestatie leveren dan de licht-neurologische
patiënten en deze weer een significant betere tijdprestatie dan de
epileptici. Deze verschillen werden het duidelijkst geconstateerd in
de groepen van personen boven 20 jaar.
De combinatie over alle leeftijdsgroepen was steeds significant of
zeer significant. Indien dan ook normalen tegenover epileptici worden gesteld zijn de verschillen in beide voorkomende leeftijdsgroepen
significant en in de combinatie zelfs zeer significant.
Vervolgens is getracht de positie van de depressieven ten opzichte
van de drie reeds genoemde groepen te bepalen.
Het blijkt, dat de depressieven van 21 t / m 40 jaar een significant
slechtere tijdprestatie leveren dan de overeenkomstige normalen.
Ten opzichte van de licht-neurologische patiënten wordt slechts bij
mannen in de combinatie over beide leeftijdsgroepen een aanwijzing
voor een verschil gevonden, waarbij de depressieven de slechtste tijdprestatie leveren.
Indien de depressieven tegenover de epileptici worden gesteld wordt
voor mannen geen duidelijk verschil geconstateerd, doch voor vrouwen boven de 40 jaar en in de combinatie over beide leeftijdsgroepen blijkt de tijdprestatie van de depressieven zeer significant beter
te zijn dan die van de epileptici.
Ten slotte is de positie van de dementen ten opzichte van de eerder
genoemde groepen onderzocht.
De vergelijking tussen dementen en normalen was niet mogelijk,
daar de normale proefpersonen op één uitzondering na allen jonger
dan 40 jaar waren, terwijl de dementen, op twee na, ouder waren
dan 40 jaar.
Slechts in één geval kwam een significant verschil naar voren: de
depressieve vrouwen boven 40 jaar blijken een betere tijdprestatie
te leveren dan de demente vrouwen van dezelfde leeftijdklasse.
Samenvattend kan worden geconcludeerd tot:
1. een in volgorde afnemende tijdprestatie van normalen, lichtneurologische patiënten en epileptici, waarbij deze groepen zeer
significant gedifferentieerd zijn;
2. een overeenkomstige volgorde van normalen, depressieven en epileptici, waarbij differentiatie tussen depressieven en epileptici
voor de mannen niet, doch voor de vrouwen zeer significant is;
109
3. geen duidelijk verschil tussen licht-neurologische patiënten en
depressieven;
4. geen duidelijke positie van de dementen ten opzichte van elk der
drie andere diagnose-groepen, waarbij echter in aanmerking moet
worden genomen, dat het aantal demente proefpersonen betrekkelijk gering was en dat deze proefpersonen bijna uitsluitend tot
de leeftijdklasse ouder dan 40 jaar behoorden.
Voor de GRM II-tijdprestatie is er alleen een vergelijking tussen
normalen en epileptici toegepast.
Het verschil tussen deze beide groepen is hier nog duidelijker dan
bij de GRM I-tijdprestatie het geval is.
Weliswaar is niet door alle epileptici de GRM II afgelegd, doch
verwijzend naar onze bevindingen in de voorafgaande tabel mag
worden gesteld, dat indien voor alle proefpersonen GRM II-resultaten beschikbaar waren geweest het verschil althans voor de vrouwen, vermoedelijk nog pregnanter zou zijn uitgevallen.
Om een indruk te krijgen van de GRM I-tijdprestatie van de epileptici ten opzichte van jeugdigen werden nog de in de volgende
tabel aangegeven vergelijkingen toegepast.
VERGELIJKING TUSSEN DE GRM I-TIJDPRESTATIE
STADSSCHOLIEREN
EN EPILEPTICI
VAN 21 T / M
Jongens/mannen
Scholieren
9-jarigen
10-jarigen
Aantal
sch. epi.
37
24
16
16
V
-0,33(·)
— 0,03
VAN
40 JAAR
Meisj es/vrouwen
Aantal
sch. epï.
38
27
10
10
V
— 0,19
+ 0,02
Toelichting:
V
•= quotiënt van aantal paren proefpersonen uit elk van de groepen (sch. en
epi.), waarbij de tijdprestatie van de proefpersoon uit de eerstgenoemde
groep hoger is dan die van de proefpersoon uit de laatstgenoemde groep,
verminderd met het aantal paren, waarbij het omgekeerde het geval is
en
het totale aantal der aldus te vormen paren.
( · ) •= aanwijzing voor een verschil tussen beide groepen (p tussen 0,05 en 0,10).
Bij positieve waarde van V is de tijdprestatie алі de eentgenoemde groep het
hoogst; bij negatieve waarde van V geldt het omgekeerde.
110
Verrassenderwijs is er een aanwijzing, dat de epileptici nog een
betere GRM-tijdprestatie leverden dan de 9-jarige jongens, terwijl
voor de 9-jarige meisjes en 10-jarige jongens en meisjes geen verschil
van betekenis werd gevonden.
Aan Dn. Ph. van Eiteren, onder wiens leiding deze statistische analyse werd
uitgewerkt en aan zijn medewerkers op het Instituut voor Wiskundige Dienstverlening van de R.K. Universiteit te Nijmegen betuig ik mijn oprechte dank
voor de gegeven medewerking.
3.
PSYCHODIAGNOSTISCHE
CASUÏSTIEK
Mededeling van persoonlijk opgedane ervaringen met toepassing van
een gewijzigde methode van onderzoek bestaat zelden in overdracht
van louter objectief indicatieve data. Het komt veeleer er op aan
anderen deelgenoot te maken van eigen ervaringen met het methodisch experiment. Dit komt als het ware een opwekking tot testologische empathie nabij. Het is een poging tot vertrouwd maken met
methodische mogelijkheden en beperktheden. Daartoe kan het fundament weliswaar gelegen zijn in kenbaarmaking van statistisch al
dan niet, meer of minder significante correlaties, maar daarnaast
blijft het zinvol en vruchtbaar op omzichtige wijze eventuele merites
en tekortkomingen van de onderzoekmethode inductief af te tasten.
Dit zoeken naar geringe of grotere waarschijnlijkheid, naar duidelijke of vage differentiatiemogelijkheden aan de hand van casuïstische beschouwing van ihet onderzoekresultaat is niet minder-, doch
anderswaardig dan het aantonen van universele geldigheid. Voor een
groot deel dankt het experiment zijn bestaanswaarde aan het voorkomen van het enkele geval, de afzonderlijke constatering, de ogenschijnlijk niet algemene bevinding. Als zodanig behouden casuïstische ontleding en ordening wetenschappelijke waarde, juist in het
kader van een experimentele opzet.
Bovendien zijn met de tijdprestatie de testologische informaties,
welke het gemodificeerd Grünbaum-onderzoek verschaft, geenszins
uitgeput. Voor beoordeling van de onderzoekresultaten staan eigenlijk drie soorten van informatie ter beschikking, waarvan de gegevens door tijdsmeting verkregen en de vormen van falen door observatie vastgesteld de belangrijkste, maar niet de enige zijn.
111
Eveneens ligt testologische informatie verdisconteerd in de kleurfactor. Ofschoon
onze onderzoekingen dienaangaande nog geenszins afgesloten zijn, lijken verschillen in gemiddelde zoektijd voor respectievelijk gekleurde en witte items, alsook
de kleuren-volgorde in de tijd (kleur-index) en niet in met minst de varianten
van falen met betrekking tot de kleur diagnostisch belangrijke aanknopingspunten
te kunnen bieden. Als data van tijdsmeting zijn te recapituleren: de afzonderlijke
zoektijden per item en het aantal benoemde items — onderverdeeld naar primaire, secundaire, tertiaire en ultimaire tijdslimiet — zowel in totaal als per
arithmetisch tiental. Als vormen van falen kunnen worden gememoreerd: strijdigheden ten aanzien van de mumerieke successie alsmede de figuratief en instructief adeaquate getal- en kleurbenoeming.
Eerstgenoemde gegevens zijn van overwegend kwantitatieve, laatstgenoemde van
overwegend kwalitatieve aard. Het totaalbeeld van de verkregen tijdskromme —
geregistreerd als voorheen toegelicht — vermag een indruk te geven omtrent
beide categorieën van informaties. Deze grafisch gedifferentieerde weergave
kan bepaalde eigenschappen en eigenaardigheden aangaande de individuele
structurering van het attentief verloop relevant maken.
Van deze indicatieve beoordelingskriteria geeft afzonderlijke beschouwing der curvebeelden een vollediger indruk dan de statistische analyse der tijdprestatie in de gemodificeerde Grünbaum.
Waar in deze laatste voornamelijk de klinische groepsverschillen relevant werden, komen in de casuïstische toelichting der curvebeelden de individuele modaliteitsverschillen meer tot hun recht. Mede
daarom beschouwen wij zulke explicatie en toetsing der uitkomsten
eveneens als een adacquate en methodische benadering.
Ons refererend aan de destijdse onderzoekingen van WIERSMA, die
bewustzijns- en aandachtsstoornissen bij epileptische patiënten centraal stelde en die zelfs vanuit dit „primaire symptoom" toegang
hoopte te krijgen tot het complexe syndroom van epileptische verschijnselen en aequivalenten, bespreken wij allereerst het resultaat
van gemodificeerd Grünbaum-onderzoek betreffende door de kliniek
als epileptisch geklassificeerde patiënten.
BLEULER wijst in zijn differentiatie van organisch-cerebrale, psychogene en endogeen-psychotische bewustzijnsafwijkingen op het eveneens frequent voorkomen van zulke stoornissen bij depressieve en
melancholische toestandsbeelden. Hij rekent deze laatsten zelfs tot
het domein van de bewustzijnsstoornis, in zoverre „depressive Zustände aller Art häufig in deutliche Bewusztseinsstörungen übergehen".18)
13
) M. Bleuler: Bewusztseinsstörungen in der Psychiatrie, (in: H. Staub, H.
Thölen: Bewusztseinsstörungen. Symposion. Stuttgart — 1961. Blz. 209 en
203).
112
Typerend voor de door ons aan de orde gestelde methodische benadering zijn de woorden van BLEULER: „Bei Bewusztseinsgestörten
ist die Aufmerksamkeit verändert. Sie ist vom Gewöhnlichen auf
das Ungewöhnliche abgelenkt; sie ist unbeständig, richtet sich wie
ein Irrlicht ziellos bald auf die eine, bald auf die andere Wahrnehmung oder Erinnerung. Hand in Hand damit wird der Gedankengang unzusammenhängend, die Gedankenkette zerreist unerwartet,
und die einzelnen Kettenstücke stehen nicht mehr in unmittelbarem
Zusammenhang (Inkohärenz). Die Wahrnehmung ist erschwert,
die Sinnesreize werden nicht mehr umfassend zur Kenntnis genommen, einzelne werden vernachlässigt, andere bekommen übertriebene Bedeutung".13)
GALON en PRICK stellen, dat de aandacht ak het meest delicate der
psychische fenomenen, bij psychische afwijkingen steeds mede gestoord is. „Opvallend treedt dit naar voren bij patiënten, die lijden
aan organische hersenaandoeningen en epilepsie. In zulke gevallen
is met name de willekeurige aandacht ernstig getroffen. Dergelijke
patiënten zijn als het ware overgeleverd aan de indrukken. Het kost
hun de grootste inspanning de willekeurige aandacht te handhaven.
Ook bij niet-organische stoornissen is de aandacht als regel mede
getroffen".1*)
Wanneer we bij vergelijkende beschouwing van resultaten, verkregen
met de gemodificeerde Grünbaum-methode, die van epileptische en
depressieve patiënten op de voorgrond plaatsen, geschiedt dit niet
om eventuele correlatie van onze bevindingen met als zulke door
de kliniek gestelde diagnosen aan te tonen, doch om voor de wijze
van gestoord opmerkzaam, oplettend en aandachtig-zijn bij juist deze
als zodanig bekend staande ziektebeelden aanknopingspunten in de
uitslag van de Grünbaum-modificatie al dan niet bevestigd te vinden. Evenmin is hiermee bedoeld, dat uitsluitend bij genoemde
ziektebeelden stoornissen van het attentief proces zouden zijn aan
te treffen. Als klinisch notoire bewustzijns- en aandachtsgestoorden
kan juist aan in bovenbedoelde zin gediagnostiseerde patiënten het
al dan niet selectief karakter van de onderzoekmodificatie met betrekking tot het attentief proces worden getoetst.
14
) Cfr. J. J. G. Prick en P. J. A. Galon: Psychologische grondbegrippen (Nederlands Handboek der Psychiatrie. Deel I. Arnhem — 1958. Blz. 151).
113
Niettegenstaande de onvermijdelijke en onontkoombare complicatie
— terecht door BOERE gesignaleerd als: „diagnostiek in de medische
situatie is nimmer diagnostiek zonder meer, doch diagnostiek ten
dienste van therapie, in welke vorm ook" — hebben wij toch de
klinisch-psychiatrische diagnose laten prevaleren, omdat die uiteindelijk centraal staat, ook al impliceert diagnostiek in de behandelingssituatie nu eenmaal heel andere pretenties dan in het raam
van wetenschappelijke exploratie adaequaat en dienstig zou zijn.1')
Als inleiding op de peychodiagnostische casuïstiek zijn enkele algemene karakteristica aan te geven, waarbij men echter dient te bedenken, dat deze uitsluitend aan klinische ervaring zijn ontleend.
Het bradyphrene curvebeeld is kenmerkend gebleken voor depressiviteit. Hierin manifesteert zich vertraging van het psychisch tempo
(Schwerbesinnlichkeit). Opvallend is, dat de depressieve patiënt in
de gecompliceerde methodische uitvoering van de Grünbaum-modificatie een verhoudingsgewijs gelijke frequentie van secundaire zoektijden vermag te handhaven, zulks in tegenstelling tot de psychopaten. Ondanks de toegenomen moeilijkheidsgraad vervalt de depressieve patiënt niet in extreme toename van ultimaire reactietijden, tenzij beginnende dementeringsinvloeden mede zijn attentief
proces bepalen.
Een ander opvallend verschijnsel in het gemodificeerd Grünbaumresultaat vormt de attentieve deterioratie, tot uiting komend in toename van gematigd ultimaire zoektijden. Voegen zich bij zulk curvebeeld extreem verlengde zoektijden dan is dit meest indicatief gebleken voor ernstige organisch-cerebrale gestoordheid. Bij ziektebeelden, die overeenkomst vertonen met de dementia epiléptica, zijn dergelijke curvebeelden aan te treffen.
In dit verband krijgt ook het destructie-verschijnsel betekenis, hetwelk nagenoeg uitsluitend wordt gevonden bij ernstige vormen van
progressief dementieel verval. Dit erratici falen verwijst naar acute
of progrediente amnesie, waardoor onderzochte elk instructief besef kwijtraakt.1·) „Die Beziehungen zwischen Aufmerksamkeit und
") Cfг.: Р. Б. Воеке: Psyohodiagnostische problemen van de epilepsie (biz. 91).
Assen 1963.
1β
) „Erstaunlicherweise hat man bei der psychopathologischen und pathogene
tischen Analyse der Amnesien der Frage der Bewustseinsveränderung stets
nur einen relativ bescheidenen Platz eingeräumt" (W. Zeh: Die Amnesien
Stuttgart 1961. S. 76.).
114
Gedächtnis sind wechselseitig" (HENNING). De organische grondslag
manifesteert zich — in tegenstelling tot de psychogene oorsprong —
in het niet meer weet-hebben van eigen falen.
Meerdere gradaties kunnen worden onderscheiden met betrekking
tot het attentici verval bij dementerenden: toegenomen ultimaire
frequentie (cfr. curvebeelden A l l en A 22), herhaaldelijk voorkomend erratici falen, het destructieverschijnsel, ten slotte ontoereikend begrip of onuitvoerbaarheid van de gecompliceerde, in het
ergste geval zelfs van de eenvoudige methodische uitvoering der
Crünbaum-modificatie.
De paroxysmale curve is kenmerkend te achten voor epileptiforme
attentiviteit. Treden hierbij syncopale tijdsvertragingen op, dan is
meestal sprake van attentieve inzinkingen, zoals aan te treffen bij
organisch-cerebraal gestoorden, met name epileptici. Het curvebeeld
van laatstgenoemde categorie patiënten vertoont bovendien in vele
gevallen omissieve of iteratieve varianten van falen (cfr. blz. 93).
Duidelijk dient in het paroxysmale curvebeeld te worden onderscheiden tussen organische en psychogene herkomst: uitsluitend de
frequentie en het al dan niet extreem karakter van de verlengde
zoektijden verschaffen hier differentiërende aanwijzing. Bedoelde
psychogene paroxysmen zijn beduidend geringer in aantal dan bij
organici het geval is en tekenen zich scherp af in een overigens tachyphreen curvebeeld. Deze relatieve zeldzaamheid van paroxysmale
dalingen op grond van innerlijke remming contrasteert opvallend
met het over het algemeen zelfs hoog gespannen attentieve tempo.
Doen zich daarentegen paroxysmale inzinkingen frequent voor en in
extreme vorm, dan indiceert dit veeleer geringe attentieve constantie en tenaciteit, tot uiting komend in voortdurende neiging tot dalen
van het aandachtspeil, zoals bekend bij primair organisch gestoorden.
De psychogene zoektijdverlenging is bovendien relatief geringer.
Dienovereenkomstig is aan overwegend tertiaire zoektijden de betekenis van attentieve labiliteit toe te kennen, dicht tegen organischcerebrale oorsprong van attentieve deterioratie aanleunend. De neuroticus vermag zich blijkbaar weldra te herkrijgen (paroxysmaal), de
organicus blijft „hangen" (syncopaal).
Ook discrepantie tussen de zoektijden in respectievelijk de eenvoudige en de gecompliceerde methodische uitvoering van de Grünbaummodificatie is, gezien desbetreffende klinische ervaring, als een in115
dicium te beschouwen. Wordt laatstgenoemd onderzoekresultaat ge
kenmerkt door permanent opvallend langere zoektijd, dan is even
tuele suspectie op ernstig hersenlijden niet uit te sluiten (cfr. curve
beeld Ρ 54). Naar alle waarschijnlijkheid manifesteert zich hierin
specifieke vertraging of verstijving van attentieve dynamiek, met
name van het vicariërend samenspel tussen focus- en field-attention.
In het omgekeerde geval, waarbij het resultaat in de gecompliceerde
methodische uitvoering sneller — en eventueel zelfs kwalitatief beter
— tot stand komt dan in de eenvoudige, is meestal sprake van psychogeen opgevoerde aandachtsspanning, zoals bij hysteriforme modaliteiten van attentiviteit mogelijk is. Het geëxagereerd karakter
van deze persoonlijkheidsstructuur demonstreert zich dan bovendien
in paroxysmaal optredende enkelvoudige inzinkingen.
Ten slotte kan discrepantie in tijdsduur van beide methodieken der
Grünbaum-modificatie samenhang vertonen met het psychopathisch
gedragspatroon. Reeds eerder is opgemerkt, dat depressieve patiënten
veelal meer attentieve stabiliteit en tenaciteit vertonen dan psychopathische, die de gecompliceerde methode blijkbaar als een extrabemoeilijking ervaren en daarop dienovereenkomstig reageren.
Belangrijk is nog steeds de differentiatie tussen „organische" en
„psychogene" attentiviteitsstoornissen. Voor het resultaat van de gemodificeerde Grünbaum zijn de daarop betrekking hebbende verschilpunten voorlopig als volgt samen te vatten.
Als „organic signs" kunnen worden beschouwd: frequent optredende
paroxysmale inzinkingen; neiging tot syncopale curvevorm; zeer onregelmatig tempo met naar verhouding gering aantal tachyphrene
zoektijden; toename van tertiaire frequentie; omissieve en iteratieve
varianten van falen; kleur-misnoeming; soms zeer extreme tijdsverlenging per item; geen weet-besef van eventueel falen; absoluut
aantal ultimaire zoektijden groter dan aantal tertiaire.
Bij psychogene attentiviteitsstoornis is meestal sprake van: sporadisch
optredende paroxysmale inzinkingen; ontbreken van syncopale curvevorm; tachyphreen tempo; geringe tertiaire frequentie; geen of
weinig varianten van falen, meest omissief; beperkte paroxysmale
tijdsverlenging; mogelijk weet-besef van eventueel falen.
Voor doeltreffende en betrouwbare diagnostisering van attentiviteitsstoornissen, zowel die van meer organische als die van overwegend psychogene oorsprong, blijft gecombineerde toepassing van
116
beide Grünbaum-methodieken wenselijk, zo niet noodzakelijk. Waar
de eenvoudige methodische uitvoering nu eenmaal gemakkelijker
realiseerbaar is dan de gecompliceerde, dient aan omgekeerde verhouding of extreem verschil van de betreffende tijdprestaties expressieve betekenis te worden gehecht. Onder normale omstandigheden
manifesteert zich het storingsvrij attentief proces in de Grünbaummodificatie door relatief gering verschil tussen beide tijdscurven.
De ervaring leert, dat een gunstiger tijdprestatie in de gecompliceerde onderzoekmethode slechts mogelijk is op grond van psychogeen
overtrokken attentieve inspanning en sporadisch wordt aangetroffen
bij organisch-cerebrale aandoeningen, hoe licht deze ook mogen zijn.
Naarmate echter de voor de gecompliceerde onderzoekmethode benodigde tijdsduur nadeliger uitvalt in verhouding tot de tijdprestatie
in de eenvoudige, des te pregnanter het daarin tot uiting komend
indicium van attentieve gestoordheid, hetzij van organische, hetzij
van karakterologische oorsprong. Juist in het laatste geval vereist
differentiële diagnostisering der vigerende attentiviteitsstoornissen
vergelijkende beschouwing van de kwantitatieve en/of kwalitatieve
verschillen in beide curvebeelden. Omtrent de hieraan in het uiteindelijk onderzoekresultaat te hechten psychodiagnostische beoordeling vermag slechts klinische ervaring als zodanig op de duur de
nodige opheldering te verschaffen.
Nadrukkelijk moet worden gesteld, dat voornoemde Symptomatologie ontleend is aan casuïstische ervaringen, weshalve hieraan slechts
indicatieve betekenis onder het nodige voorbehoud toekomt. „lm
Grunde ist über die Zuordnung seelischer Phänomene zu bestimmten Himregionen oder morphologischen und funktionellen Strukturen und auch über die psychischen Erscheinungen zugrunde liegenden normalen und pathologischen somatischen Vorgänge noch immer zu wenig bekannt, um mehr als hypothetisch bleibende Schlüsse
für die Psychopathologie ziehen zu können" (ZEH) .
Navolgend worden individuele curvebeelden van de Grünbaummodificatie onder vermelding van de klinisch-psychiatrische diagnose en eventueel van de electroencephalografische conclusie, toegelicht. Deze zijn bedoeld ter kennisname van formeel-methodische
Symptomatologie en op grond van klinische ervaring daaraan te
hechten psychodiagnostische waarschijnlijkheidsindicaties.
117
118
Ρ 125.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 2 g.om.; 1 g.rep.; 1 kl.corr.
II 1 g.corr.; 1 kl.corr.
Op extreme wijze overheerst in beide curven de ultimaire frequentie van zoektijden. Vanwege grove onregelmatigheid volkomen abnormaal te achten attentieve intensiteit.
De jeugdige leeftijd van onderzochte in aanmerking genomen, een
in ernstige graad gestoord attentiviteitsproces, mogelijk veroorzaakt
door maligne organisch-cerebrale aandoening, met naar alle waarschijnlijkheid ook intellectieve pseudo-deterioratie tot gevolg. Paroxysmale inzinkingen duiden op epileptische accentuering van cerebrale en attentieve gestoordheid.
E.E.G. -conclusie :
„ . . . Tegen deze achtergrond treden multiforme epileptische paroxysmen op,
welke in de voorste gebieden meer symmetrisch zijn en in de achterste gebieden
overwegend asymmetrisch voorkomen met dien verstande, dat rechts achter de
minste epileptische activiteiten gezien worden . . . "
Ρ 126.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 kl.corr.
II 1 g.om.; dev.; destr.; def.
Duidelijke afname van attentici tempo: in GRM I overheersen tertiaire, in GRM II vooral ultimaire zoektijden, hetgeen de tendens
tot attentieve deterioratie aggraveert. Uitgesproken en permanente
onregelmatigheid van tijdscurven mag als expressie worden gezien
van in ernstige mate gegeven attentieve labiliteit, terwijl eveneens het
grote verschil tussen GRM I- en GRM Il-tijden indicatief lijkt voor
specifieke organisch-cerebrale gestoordheid. Veelvuldig voorkomen
van zowel paroxysmale als syncopale inzinkingen doet diffuse
stoornis vermoeden.
E.E.G.-conclusie :
Tijdens H.V. treedt epileptiform insult op, waarbij in het E.E.G. geen
duidelijke epileptische kenmerken worden gezien . . . Ofschoon in dit E.E.G.
geen bewijzend epileptische kenmerken zijn, wijst het geheel toch op een zeer
ernstige stoornis, welke waarschijnlijk gelegen is diep rechts subcorticaal. Verder
onderzoek geïndiceerd . . . "
119
120
Ρ 62.
Klinische diagnose: epilepsie. (Pyromanie)
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 20 g.rep.; 1 g.om.
II 19 g.om.; 5 g.rep.; 1 g.dev.
Het totale curvebeeld moet voornamelijk gestoord worden genoemd
op grond van ernstige iteratieve (in GRM I) en omissieve varianten
van falen (in GRM II). Ten aanzien van al deze verschijnselen en
perioden van attentief falen vertoonde patiënte volslagen amnesie.
Het behoeft geen betoog, dat op grond van deze bevindingen met
de mogelijkheid van intermitterende organisch-cerebrale storingsmomenten ten aanzien van het attentief proces ernstig rekening te
houden is. Het eenmalig erratief falen en de retrograde amnesie ten
aanzien van de vele getaldoublures doen zelfs aanzet tot attentieve
deterioratie vermoeden.
E.E. G.-conclusie :
„Duidelijk focale verschijnselen of specifiek epileptische activiteit kon niet worden vastgesteld".
Ρ 63.
Klinische diagnose: epileptiforme aanvallen.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
(Geen insulten!)
Falen: I 1 g.om.
II 2 g.def.; 2 g.om.
Op grond van overwegend secundaire frequentie der reactie-tijden in
beide curven is dit resultaat als niet normaal te beschouwen, hetgeen
nog wordt geaccentueerd door de tendens tot attentieve labiliteit (iñ
GRM II) en deterioratie (in GRM I). De omissieve varianten van
falen passen volkomen in deze lichtelijk paroxysmale, doch vooral
bradyphrene tijdsgrafiek, welke eer epileptiform dan epileptisch
aandoet, in de zin van absences of vertagingsmomenten met betrekking tot de attentiviteit.
E.E.G.-conclusie :
„ . . . Er werden geen duidelijke focale of specifiek epileptische verschijnselen
geregistreerd. Het E.E.G. was niet normaal. Het wijst op waarschijnlijk discrete
stoornissen in diepe mediane regionen. Het onderzoek versdiaft geen definitieve
opheldering omtrent aard1 en oorzaak der aanvallen".
121
122
Ρ 135.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 kl.corr.
II 2 g.def.; 1 kl. corr.
In beide curvebeelden springt het naar verhouding zeer gering aantal primaire tijden, met name in GRM II naar voren. Er is sprake
van merkbaar verlengde zoektijden over de gehele lijn, welke in
GRM I overwegend bradyphreen en tertiair, doch in GRM II nagenoeg uitsluitend ultimair gegeven zijn.
Zonder twijfel duidt dit curvebeeld op ernstige attentieve gestoordheid, welke eveneens bevestigd wordt door vaker optredend turbatieverschijnsel, soms met volkomen attentieve black-out. Mnestische en
intellectieve deterioratie lijken hier medebepalend, zodat suspectie
op ernstige organisch-cerebrale gestoordheid niet is uit te sluiten.
Ζ 118.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.rep.; 1 kl.dev.
II 4 g.om.; 1 kl.corr.
Dit sterk onregelmatig curvebeeld met onmiskenbaar paroxysmale
inslag is voldoende indicatief te achten voor attentieve stoornissen,
duidend op epilepsie.
Het omissieve accent GRM II alsook de overheersing van ultimaire zoektijden in beide procedures ondersteunen deze suspectie.
De jeugdige leeftijd van patiënte in aanmerking genomen, is een
samengaan van attentieve en intellectieve deterioratie-tendens waarschijnlijk te achten.
123
124
Ρ 65.
Klinische diagnose: epilepsie. (Kleptomanie)
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 3 g.om.; 1 kl.com.; 1 g.corr.; neg.
II 1 g.om.; 1 kl.corr.
Beide curvebeelden vertonen omissief falen. Het resultaat van GRM
I wordt gekenmerkt door paroxysmale inslag met ultimair accent,
terwijl daarentegen in GRM II de bradyphrene tendentie overheerst.
Als zodanig bieden deze curvebeelden bescheiden aanknopingspunten voor een lacunair vigiliteitskarakter bij vertraagde attentieve
dynamiek. Hoogstens lijkt hier sprake van verlaagd bewustzijn, mogelijk in epileptiforme zin.
E. E.G.-conclusie :
„Laaggevolteerd desynchroon E.E.G. met lichte alpha-asymmetrie ten gunste
van links. Een enkele maal treedt er een gegeneraliseerde paroxysmale, temporaal het hoogst gevolleerde, accentuatie van dit alpha-ritme op."
Ρ 70.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II meerdere g.om., kl.com., kl.corr.; 3 destr.
Opvallende discrepantie tussen volkomen normale en intacte GRM
I-curve en het wel zeer lacunaire resultaat in GRM II met herhaaldelijk optredende kleur-commissie en destructie-neiging. Dit kan niet
anders duiden dan op momenten van amnesie. Het amorfe beeld
van dit attentief proces indiceert veeleer diffuse dan specifieke organisch-cerebrale gestoordheid.
Medicamenteuze invloed (c.q. serpasil) lijkt voor dit atypisch resultaat mede aansprakelijk.
E.E.G.-conclusie :
„Vele artefakten door onrust van patiënt. Traag alpha-ritme. Bitemporale dysritmie rechts temporo-parieto-occipitaal overheersend, toenemend onder invloed
van H.V.
Geen duidelijke epileptische kenmerken, wel aanduiding van epileptiforme verschijnselen rechts parieto-temporo-occipitaal."
125
126
Ρ 40.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.om.; 1 kl.corr.
II geen.
Extreme overheersing van ultimaire zoek-tijden, zonder twijfel
duidend op zeer ernstige vorm en graad van attentieve deterioratie,
slechts voorstelbaar in het kader van dementia epiléptica. Bij in
zulke mate irregulaire en syncopale curvebeelden moet men steeds
bedacht zijn op zekere medebepaaldheid door intellectieve deficiëntie, in olygophrene of demente vorm. Dit extreem voorbeeld van
ultimaire pregnantie lijkt overwegend indicatief voor ernstig dementieel verval of medicamenteuze intoxicatie.
E.E.G.-conclusie :
„Dysritmisch E.E.G. met bilaterale, synchrone epileptische activiteit, die overheerst in de voorste gebieden en het meest doet denken aan pathologie van de
voorste hersenstam".
Ρ 66.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 2 kl.def.; 1 kl.corr.; 1 g.om.; 1 g.rep.
II 1 kl.dev.; 1 kl.corr.; 3 g.om.; 1 g.rep.
Dit door omissies, repetities, onregelmatigheid en neiging tot lichte
deterioratie gekenmerkt attentief proces is voor deze leeftijd geenszins normaal. Mede vanwege de bradyphrene inslag en de veelzijdigheid der varianten van falen moet dit resultaat indicatief worden
geacht voor een eer diffuus dan specifiek organisch-cerebraal storingsproces, dat aan deze lacunaire en abusieve attentiviteit ten
grondslag ligt.
127
128
Ρ 31.
Klinische diagnose: genuine epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: 1 geen.
II 1 g.om.; 1 g.neg.
In beide curvebeelden overheerst op evidente wijze de ultimaire
frequentie van de zoektijden. Vooral in GRM II is het beperkt aantal primaire tijden opvallend. Zoals reeds eerder is opgemerkt is
algehele daling van de curvebeelden indicatief te achten voor ernstige organisch-cerebrale gestoordheid, zich manifesterend in attentieve deterioratie.
Een markant symptoom, dat deze suspectie ondersteunt, is het omissief falen ogenblikkelijk gevolgd door een extreem verlengde zoektijd. Het paroxysmaal karakter met syncopale inslag verwijst naar
attentieve gestoordheid in epileptische zin.
Ρ 34.
Klinische diagnose: affect-epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II herhaaldelijke deviatie-neiging.
Alhoewel reeds in GRM I aanwezig, komen de ultimaire zoektijden
in GRM II op extreme wijze naar voren. Hierbij is het paroxysmaal
karakter der verlengde zoektijden in het oog springend. Het behoeft
geen betoog, dat hier sprake is van frequente neiging tot attentieve
inzinkingen, kenmerkend voor epileptische gestoordheid.
De nog jeugdige leeftijd van onderzochte in aanmerking genomen
kan hier geen twijfel bestaan omtrent de ernst van het attentief gestoord zijn op organisch-cerebrale grondslag.
129
130
S 19.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 kl.com.
II 1 g.dev.
Opvallend is in dit curvebeeld, de ongebruikelijke omstandigheid,
dat GRM II gekenmerkt wordt door een beduidend sneller tempo
dan GRM I.
Dit kan duiden op een hysteriforme accentuering van de persoonsstructuur. Desondanks zijn in beide curven de tertiaire en (extreem)
ultimaire zoektijden naar verhouding te talrijk, hetgeen attentieve
labiliteit en deterioratie indiceert. De syncopale inslag versterkt deze
indicatie.
Zonder twijfel mag in dit resultaat de expressie worden gezien van
een organisch-cerebraal storingsproces, naar alle waarschijnlijkheid
echter in hysteriforme zin geaggraveerd.
S 54.
Klinische diagnose: epilepsie.
(Karakter-degeneratie)
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 5 kl.dev.
Een zekere controverse tussen het relatief normaal te achten GRM Iresultaat en de evident overheersende ultimaire frequentie in GRM
II is opvallend.
De in dit curvebeeld voorkomende syncopale inzinking, welke vier
items omvat, is uitzonderlijk.
De leeftijd van patiënt en het voorkomen van kleur-deviaties mede
in aanmerking genomen, is dit onderzoek-resultaat indicatief te achten voor een niet geheel en al storingvrij organisch-cerebraal functioneren.
Epileptiforme suspectie lijkt gemotiveerd.
E.E.G.-conclusie :
„Traag en dysritmisch E.E.G. met aanduiding van focale activiteit rechts
achter".
131
132
Ρ 39.
Klinische diagnose: epilepsie. (Insulten)
Grünbaum-modificatie-resuïtaat.
Falen: I geen.
II geen.
In dit curvebeeld is wederom relatief veelvuldig voorkomen van
ultimaire zoektijden te constateren, samengaand met onregelmatig
en paroxysmaal verloop. Deze symptomen werden reeds eerder als
kenmerkend aangetroffen voor op epileptische wijze gestoorde attentiviteit.
Vooral de leeftijd van patiënt in aanmerking genomen is dit onderzoekresultaat, niettegenstaande het ontbreken van varianten van
falen, in bovenbedoelde zin te interpreteren.
Ρ 39a.
Klinische diagnose: epilepsie. (Insulten)
Grünbaum-modificatie-resuïtaat.
Falen: I 7 kl.def.
II geen.
Tussen dit resultaat en het voorafgaande ligt een tijdsperiode van
bijna 3 · ^ jaar, gedurende welke patiënt medicamenteus is behandeld.
Het curvebeeld is in gunstige zin veranderd: minder onregelmatigheid, acceptabele verhouding tussen tertiaire en ultimaire frequentie, duidend op verminderde attentieve labiliteit. Niettemin zijn
kleur-deformaties opvallend in GRM I, welk verschijnsel wel gezien
wordt bij temporo-occipitale storingsmomenten.
E.E.G. -conclusie :
„Focale of specifiek epileptische activiteit niet geregistreerd. Het gehele beeld
pleit er voor, dat aan de stoornis een epileptische afwijking ten grondslag ligt".
133
134
S 3.
Klinische diagnose: epilepsie.
(Karakter-degeneratie)
Grünbaum-modificatie-resultaat,
Falen: I 2 kl.om.
II 1 g.dev.
Het meest opvallend is hier de pregnante vertraging der zoektijden
in GRM II, waardoor de primaire frequentie abnormaal gering is.
Als zodanig is dit curvebeeld indicatief voor attentieve bradyphrenie,
labiliteit en deterioratie-tendens. Vooral in GRM II overheerst het
paroxysmale accent, dat mede op grond van de overige indicaties
pleit voor attentieve stoornissen, zoals aan te treffen bij epileptische
patiënten.
Epileptifonniteit kan niet worden ontkend.
E.E. G.-conclusie :
„Pathologische activiteit uitgaande van links frontaal en links temporaal voor".
Herhalings-E.E.G.: „Dezelfde pathologie als bij eerste opname, nu echter aanzienlijke verbetering".
S 23.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 2 g.om.; 7 kl.com.
II 9 g.om.; 1 kl.dev.
Relevant voor beide curvebeelden is het extreem omissieve karakter,
te beschouwen als een der meest kenmerkende symptomen van epileptiforme gestoordheid. De bovendien gegeven ultimaire pregnantie
in beide resultaten pleit voor ernstige attentieve gestoordheid, verwijzend naar organisch<erebrale aandoening. Zonder twijfel is dit
veelvuldig in intermitterende zin gestoord verloop van het attentief
proces bewijzend te achten voor epilepsie.
E.E. G.-conclusie :
„Epileptische activiteit met twee haarden respectievelijk rechts-parietaal en
links-fronto- temporaal".
135
136
S 37.
Klinische diagnose: epilepsie. (Absences)
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 2 g.om.
Opmerkelijke verschuiving van de zoektijden in GRM II naar de
lagere frequentie-zônes, duidend op attentieve labiliteit en deterioratie.
Het volkomen onregelmatige curvebeeld blijkt voornamelijk te wijten aan extreme periodiciteit van het attentief proces. Herhaaldelijk
optredende bewustzijnsverlaging (absences) komt in de uitzonderlijke zoektijd-verlengingen tot uitdrukking.
Vanwege de sterk paroxysmale inslag is dit resultaat suspect te achten voor naar alle waarschijnlijkheid in epileptische zin organischcerebrale gestoordheid.
S 30.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 2 kl.corr.
II 1 g.om.
We hebben hier te doen met een uitzonderlijk curvebeeld: primaire
tijden, wier aantal in de GRM I reeds gering is, ontbreken in de
GRM II geheel en al. De tertiaire frequentie der zoektijden domineert in absolute zin.
In beide curvebeelden zijn de ultimaire zoektijden zo talrijk, dat
hier sprake moet zijn van ernstige attentieve labiliteit en deterioratie. Deze atypische algehele daling van het curvebeeld wordt nogal
eens aangetroffen bij zware vormen van encephalopathie. Men mag
veronderstellen, dat aan deze ernstig gestoorde attentiviteit een
maligne organisch-cerebraal proces ten grondslag ligt.
137
1 В1
M
<ю
•о4
M
10
ее
90
100
138
I I
1
1,
№
ψk 14
:i .
so
? 5TJK
|
,
Í
1
A 1.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.om.
II GRM II niet uitvoerbaar gebleken.
Dit extreem ultimair curvebeeld is zonder twijfel indicatief te achten
voor in ernstige mate gegeven deterioratie, niet alleen in attentief,
doch naar alle waarschijnlijkheid ook in intellectief opzicht.
Het hieraan ten grondslag liggend organisch-cerebraal storingsproces
lijkt zelfs massaal en diffuus. Niettegenstaande het overheersend syncopaal curveverloop, blijft ook een paroxysmale accentuering merkbaar, hetgeen een epileptische aanwijzing kan zijn.
Mede de leeftijd van patiënte in aanmerking genomen is suspectie
op dementia epiléptica niet uit te sluiten, naar alle waarschijnlijkheid medebepaald door olygophrene factoren. Dit laatste wordt geconcludeerd uit de nagenoeg volledige inversie van de in het GRM Iresultaat gebruikelijke frequentie-verdeling van de zoektijden en de
niet uitvoerbaar gebleken GRM II-methode.
A 2.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I veelvuldige negaties.
II 3 g.om.; neg.
Ofschoon het GRM I-resultaat slechts de interpretatiemogelijkheid
biedt van matige neiging tot attentief verval komt een dienovereenkomstige suspectie in de GRM Il-curve op extreem geaggraveerde
wijze tot uiting. De geprononceerde ultimaire frequentie in GRM Π
kan slechts samenhangen met ernstige organisch-cerebrale gestoord
heid, die — vanwege de licht paroxysmale en syncopale accentuering
— als overwegend epileptische attentiviteit te duiden is.
Dementia epiléptica lijkt op grond van dit curvebeeld zelfs in aanmerking te komen.
139
140
A 3.
Klinische diagnose: epilepsie.
Grün baum-m odifica tie-resu Itaat.
Falen : I dev.
ì .
, .
I frequent turbatie-verschijnsel
II 3 g.corr.; dev. |
Dit curvebeeld wordt gekenmerkt door verhoogde ultimaire frequentie, met name in het GRM II-resultaat, dat bovendien over de
gehele lijn sterk is vertraagd (permanent verlaagd bewustzijn?). De
reeds in het GRM I-resultaat aanwezige deterioratie-tendens wordt
in de GRM Il-curve op markante wijze geaggraveerd. De mate, waarin dit het geval is, pleit zelfs voor een samengaan van attentief en
intellectief verval. De zowel op paroxysmale als syncopale wijze gegeven attentieve onregelmatigheid laat nagenoeg geen twijfel bestaan
omtrent de epileptische geaardheid van de hieraan ten grondslag
liggende organisch-cerebrale stoornis.
Dit curvebeeld is eigenlijk te duiden als expressief voor dementia
epiléptica.
Α. 6
Klinische diagnose: epilepsie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 7 g.om.
Op nagenoeg klassieke wijze wordt het GRM II-curvebeeld beheerst
door paroxysmale en omissieve kenmerken van in epileptische zin
gestoorde attentiviteit.
De ultimaire pregnantie en veelvuldige omissies wekken zelfs suspectie op attentief-mnestische stoornissen, zodat een beginnend dementieel verval bij patiënte niet lijkt uit te sluiten. Laatstgenoemde
aanwijzing resulteert voornamelijk uit attentieve deterioratie-neiging.
141
142
Ρ 21.
Klinische diagnose: dementia epiléptica.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.om.
II 1 g.om.
Dit curvebeeld is zonder twijfel indicatief voor grove wisselingen in
het attentici proces.
De paroxysmale en syncopale indruk is onontkoombaar.
Vanwege de extreem lange zoektijden lijkt naast attentieve ook intellectieve deterioratie in het spel, waardoor ook mnestische insufficiënties gegeven zijn.
Dit beeld van attentieve labiliteit is in sterke mate kenmerkend te
achten voor in epileptisch-dementiële zin gestoorde attentiviteit.
S 2.
Klinische diagnose: dementia epiléptica.
(met insulten)
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.om.
II 4 g.om.
Het wel zeer uitzonderlijk karakter van dit curvebeeld komt voornamelijk tot uiting in volkomen omkering van de gebruikelijke frequentie-verdeling der zoektijden: de primaire ontbreken in het
GRM II-resultaat geheel en al. Als zodanig behoeft geen twijfel te
bestaan omtrent de aan deze ernstige attentieve gestoordheid ten
grondslag liggende organisch-cerebrale functie-stoornissen.
Het omissief en extreem paroxysmaal curveverloop duiden op epileptische geaardheid van het attentief verval. Beide curvebeelden
zijn op klassieke wijze suspect te achten voor dementia epiléptica.
N.B. Patiënt staat sinds zijn 32e jaar bekend als toevallijder.
143
Ρ 127
ЧАЛ
ί! !\
J
ί "ι
I
I
I
1
'
•
ι !
• '
1
!
I
/I
I / I
<
!I ! - ,1
<
·
•
'
•ί
'
30 ι !
1
!!
Ί!
to*
!,'
во
'
90
ЮО
144
щ
Ί
'Л
il
! ! '"' !
» ;ι !'
\лш Il й,••W
?
1
1
1
•
1
1
Ϊ
I
1
!
;
!!
I I
l,,!
1
I I
' '
| \
WШ
tn
1 1 'ч
! ! 'Ί'
ί*
!ι
i'
26jr.
í v
1
1
1 ' '
i
1
'
1 '
\
'
Ρ 127.
Klinische diagnose: encephalopathie.
(epilepsie?)
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 1 g.rep.; 1 kl.def.; 2 kl.dev.; 1 kl.corr.
Gezien de leeftijd van patiënte is het aantal ultimaire zoektijden in
beide curvebeelden aan de hoge kant, hetgeen merkwaardigerwijs in
GRM I meer het geval is dan in GRM II. Waar in laatstgenoemde
sprake is van attentieve labiliteit, samengaand met enkele varianten
van falen, kan hier niet worden gesproken van een storingvrij attentief proces. Gezien de paroxysmale curve-accentuering is daaraan een
epileptiform karakter toe te kennen, alhoewel niet in klassieke zin
overtuigend.
E.E.G.-conclusie :
„ . . . Ofschoon dit E.E.G. niet bewijzend is voor epilepsie, wordt het toch gekenmerkt door een epileptiforme neiging tot centrale disregulatie. Het verdient
aanbeveling dit E.E.G. over enige tijd te herhalen".
Ρ 128.
Klinische diagnose: encephalopathie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen : I 1 kl. corr.
II geen.
Opmerkelijk is wederom het duidelijk verschil tussen het GRM I- en
GRM II-resultaat, ten gunste van eerstgenoemde. Zoals reeds eerder
opgemerkt, kan zulks samengaan met een beginnend dementeringsproces, aangezien de GRM II blijkbaar beduidend meer inspanning
van onderzochte vergt.
In elk geval is de tertiaire frequentie van zoektijden te hoog, waarin
een aanwijzing is te zien voor attentieve labiliteit.
E.E.G.-conclusie :
„. . . Na stroboscopie wordt na ± 5 min. beiderzijds in het frontale gebied na
flitsen met 14 h. een aanduiding van piekvorming gezien. Er komen zeker geen
epileptische verschijnselen voor. Medicamentatie was niet gestaakt".
145
Й22
$ 68 jr.
ik
ι
!
I^
k
|1
ЙАІ
-, Λ 1HnJ
M{
1
II
ï
|
. _L
J v^
\
ι
90
wo
fl 11
Ç T3 jr:
L/i ι
wï
»
ПГ" !^
to
те
te
«0
lue
146
1
|і
liЛ
. 1 .
Γ
1
'
πAτ Γ
1
А
m
vi цц л
л
-Ц
l·^
A 22.
Klinische diagnose: dementia arteriosclerotica.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 5 g.corr.
II niet realiseerbaar.
Deze tijdscurve van de GRM I is klassiek te achten voor zowel in
attentieve als in intellectieve zin gegeven dementieel verval: totaal
omgekeerde verhouding in de frequentie-verdeling der zoektijden.
De ultimaire frequentie is in absolute zin dominerend. Primaire tijden zijn nauwelijks aanwezig. Het attentief niveau is permanent verlaagd.
A 11.
Klinische diagnose: dementia arteriosclerotica.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II niet realiseerbaar.
Dit curvebeeld is even expressief als het voorafgaande: extreme overheersing der ultimaire, nagenoeg geen primaire zoektijden. Ook hier
weer volkomen omgekeerde verhouding met betrekking tot de frequentie-verdeling der zoektijden. Dienovereenkomstig is sprake van
een over de gehele lijn verlaagd en vertraagd attentief proces, in
zulke ernstige graad slechts op te vatten als expressief indicium van
dienovereenkomstige organisch-cerebrale gestoordheid, attentief èn
intellectief verval tot gevolg hebbend.
147
148
Ρ 44.
Klinische diagnose: multiple sclerose.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II geen.
De leeftijd van patiënt in aanmerking genomen is in elk geval het
GRM Il-resultaat niet normaal te achten. Alhoewel het GRM Iresultaat nauwelijks doorslaggevende aanknopingspunten biedt voor
attentieve gestoordheid leveren de relatief veelvuldig voorkomende
ultimaire zoektijden in GRM II daartoe alle aanleiding.
De deterioratie-tendens in laatstgenoemd curvebeeld wekt ernstige
suspectie op attentieve gestoordheid, welke zeker niet in psychogene
zin, doch op organisch-cerebrale grondslag gegeven moet zijn.
Ρ 54.
Klinische diagnose: subarachnoidale bloeding.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 1 g.om.
Ondanks het reeds evident gegeven bradyphrene attentiviteitsverloop
in het GRM I-resultaat blijkt toch een groot tijdsverschil tussen beide
curvebeelden opvallend. Reeds eerder werd opgemerkt, dat markante
vertraging van de GRM II-tijdscurve tegenover die van GRM I
indicatief lijkt voor ernstige aandoeningen in cerebro. We zien hier
zulk een verschuiving van secundaire (in GRM I) naar tertiaire frequentie (in GRM II). Tevens is te wijzen op het nagenoeg ontbreken
van primaire zoektijden in het GRM Il-resultaat.
Op grond van de in deze curvebeelden tot uiting komende ernstige
attentieve gestoordheid mag tot dienovereenkomstige organischcerebrale aandoening worden geconcludeerd.
149
Ι Ρ101
Г
9 31 Jr. I
M
éf
h
4
-41
-t/1
Г
ri
1
ss
¡
M
io
л
ïj
\
I
во
M
100
I
| PÍOS
L\
d· 30jr.
/1
N/l
V
τ
|
-' 1
s«
te
ra
во
во
L
150
лh
к
г
ι
У
ill fΙ ι1м
'
1 ι
If
η
I
f
Ρ 101.
Klinische diagnose: psychopathic of
defect-schizofrenie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 kl.def.; turb.
II niet realiseerbaar.
Bij oppervlakkige beschouwing maakt dit GRM I-curvebeeld geen
ernstig gestoorde indruk. Desondanks vertoont de neiging tot ultimaire zoektijden pregnant karakter en is een paroxysmale accentuering gedurende de eerste helft van het onderzoek-resultaat duidelijk
gegeven, zodat epileptiforme storingsmomenten met betrekking tot
de attentiviteit zeer wel mogelijk zijn. (Op te merken is, dat
de eenmalige syncopale inzinking sterk aan absence deed denken, in
welke zin naar alle waarschijnlijkheid ook het tweemalig voorkomen
van het turbatie-verschijnsel is op te vatten.) Suspectie op latent
epileptische verschijnselen is niet uit te sluiten.
E.E.G.-conclusie :
„Af en toe optreden van bilaterale synchrone piekformaties, welke het hoogst
gevolteerd zijn in de temporale gebieden, beiderzijds, en hier ook fase-omkering
vertonen, waardoor het E.E.G. toch een epileptisch karakter krijgt van centrencephale oorsprong.
Dit epileptisch karakter is voornamelijk duidelijk tijdens H.V."
Ρ 105.
Klinische diagnose: encephalopathie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.rep.; 4 kl.corr.
II niet realiseerbaar.
De opmerking van onderzochte: „die moeite met de onderscheiding
van kleuren heb ik vroeger nooit gehad", verklaart de voorkomende
kleurcorrecties, welke wederom onder voorbehoud indicatief mogen
worden geacht voor specifiek temporo-occipitale storingsmomenten.
De extreme frequentie van ultimaire zoektijden wijst bovendien op
evidente deterioratie-neiging van het attentief proces, waaraan een
ernstige organisch-cerebrale stoornis ten grondslag moet liggen.
E.E.G.-conclusie :
„We hebben hier te doen met een diffuus gestoord E.E.G., waarbij sprake is
van een duidelijke baard m het linker aohter-temporale en occipitale gebied . . .
Er is sprake van een proces . . . Het is niet duidelijk uit te maken of we hier te
doen hebben met een tumor, een vasculaire stoornis, ofwel een subduraal haematoom."
151
152
A 16.
Klinische diagnose: chorea van Huntington.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II niet realiseerbaar.
De sterke overheersing van tertiaire en met name ultimaire zoektijden bestempelt dit GRM I-resultaat als sterk afwijkend; evenzo het
naar verhouding te gering aantal primaire en secundaire. Dienovereenkomstig is dit curvebeeld indicatief te achten voor attentieve labiliteit en deterioratie in vrij ernstige graad.
Toch is de tijdsgrafiek niet in paroxysmale zin specifiek te achten,
weshalve suspectie rijst op een hieraan ten grondslag liggend diffuus
organisch-cerebraal storingsproces.
A 13.
Klinische diagnose: chorea van Huntington.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II geen.
Zo relatief weinig zeggend als het GRM I-resultaat hier lijkt, des te
pregnanter is het curvebeeld van GRM II op grond van extreem geringe frequentie der primaire en sterk dominerende secundaire zoektijden. Als zodanig is het bradyphreen curvekarakter nagenoeg exceptioneel te achten en niet als louter kenmerkend te beschouwen
voor ernstige gedeprimeerdheid. Alhoewel in niet uitgesproken mate,
dient toch rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van
op diffuus organisch-cerebrale grondslag gegeven tendens tot attentieve labiliteit en deterioratie.
E.E.G.-conclusie :
„Dit E.E.G. is licht afwijkend. De paroxysmale afwijkingen zouden kunnen wijzen op een centrencephale stoornis, maar zijn niet specifiek".
153
Ρ
Га.
<? 4TJr. Ι
Ί /ι Ι
» (И
» Π
\Аи
Κ
1
1
•
ί
\ι
1
40
«
\/
Ι
η
«β
«β
Μ»
154
Ι
к
уу iw
1
ι
ι
^
Aлл^
\AL
1
\
ν'
te
λ
V
Ρ 47 a.
Klinische diagnose: aphasie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 turb.; 1 neg.
II niet realiseerbaar.
(Vooraf dient te worden opgemerkt, dat onderzochte nog herhaaldelijk moeilijkheden ondervindt met cijfer- en kleurbenoeming. Dank
zij grote inspanning wist hij kleurdeformatie of -correctie te voorkomen.)
Over het geheel genomen is dit GRM I-curvebeeld nauwelijks afwijkend te noemen, met uitzondering van de hoge frequentie der
secundaire zoektijden. Op grond van deze attentieve vertraging is
gedeprimeerdheid niet uit te sluiten. Het bemoeilijkte herkenningsen benoemingsproces, alsmede de onuitvoerbaarheid van GRM II
zijn evenwel kenmerkend voor organisch-cerebrale aandoening.
Ρ 47.
Klinische diagnose: aphasie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
(Zelfde patiënt, 2 jaar later.)
Falen: I def.neiging.
II 1 g.om.; 10 g.rep.; 1 kl.corr.; conf.
(Hierbij moet worden aangetekend, dat onderzochte nog steeds momenten van bemoeilijkte cijfer- en kleurbenoeming vertoonde, zij
het steeds ogenblikkelijk spontaan door zelfcorrectie ondervangen.)
In vergelijking met het vorige GRM-resultaat valt op te merken, dat:
1. de primaire frequentie is toegenomen met bijna 20%;
2. de tertiaire reactie-tijden teruggebracht zijn tot de helft;
3. de GRM H-procedure thans wel uitvoerbaar bleek.
(Hieraan ligt zonder twijfel een merkbaar verbeterd toestandsbeeld
van patiënt ten grondslag.)
Desondanks blijkt het GRM H-resultaat lichtelijk indicatief voor attentieve bradyphrenie en labilieit, naar alle waarschijnlijkheid als
begeleid- en gevolgverschijnsel van organisch-cerebrale gestoordheid.
155
a 35 JK
Ι Ρ 55
A
• h/^n
'i V
2»
Ч\і "Λ
Vy №
NKV
\/\«V/4
4'/ V ι <
^ V
'ί
il
»
ID
go
156
''
Ρ 55.
Klinische diagnose: manie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 2 kl.dev.; turb.
(Vooraf moet worden opgemerkt, dat dit Grünbaum-onderzoek
plaats vond vlak na beëënidiging van een manisch toestandsbeeld,
waarvoor patiënt medicamenteus was behandeld.)
De tijdsgrafiek in beide onderzoekresultaten impliceert op grond van
nagenoeg uitsluitend primaire zoektijden attentieve tachyphrenie.
De snelle, flitsende reactietijden verraden een vitale, euphore, impulsieve attentiviteit. De beide kleurdeviaties mogen niet worden geïnterpreteerd als kleurdeformaties en rechtvaardigen als zodanig
totaal geen encephalopathische suspectie, te meer waar deze verschijnselen verklaarbaar zijn in het kader van de tachyphrene attentiviteit.
Ρ 87.
Klinische diagnose: manie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II geen.
(Ook dit gemodificeerd Grünbaum-onderzoek werd afgenomen in
het eindstadium van medicamenteuze behandeling wegens manie.)
Er is een volkomen normale frequentie-verdeling der zoektijden constateerbaar. Ook hier is sprake van een vitaal-gespannen, tot explosiviteit neigend attentiviteitsverloop, waaraan echter een lichtelijk
hysteriform coloriet niet vreemd lijkt. Voor deze laatste suspectie
pleit de omstandigheid, dat de frequentie-verdeling van primaire,
secundaire en tertiaire reactietijden alsook de totaaltijd in GRM Π
gunstiger zijn dan in GRM I. Er zijn geen aanknopingspunten voor
organiciteit.
E.E.G.-conclusie :
„Snel laaggevolteerd E.E.G. zonder pathologische bijzonderheden. Toestand van
verhoogde prikkelbaarheid".
Herhalings-E.E.G.: „Diffuus en verspreid komt er wat meer laaggevolteerde en
trage activiteit voor".
157
158
Ρ 129.
Klinische diagnose: psychogene depressie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 3 g.om.; neg.
Beide curvebeelden demonstreren tendentie tot bradyphreen attentiviteitskarakter. Op grond hiervan lijkt een depressieve grondstemming aannemelijk. Daarnaast zijn sporadisch peracuut optredende
lange zoektijden constateerbaar, echter zonder enige syncopale accentuering. Waar tevens het diffuus onregelmatigheidskarakter in
deze tijdsgrafiek ontbreekt kunnen deze bevindingen op hysteriforme
inslag duiden, ofschoon tegelijkertijd niet geheel en al vrij te pleiten
van zeer lichte aanwijzing voor organiciteit.
E.E.G.-conclusie :
„Er is in dit E.E.G. sprake van een bijzonder snel en sterk geaccentueerd alpharitme. Voornamelijk beiderzijds in het centro-temporo-parietale gebied treedt
onregelmatige theta-activiteit op, welke tijdens H.V. soms wat scherp van vorm
is, zonder epileptische kenmerken. Dit E.E.G. vertoont zowel lichte retardatiekenmerken alsook tekenen, welke zouden kunnen wijzen op een neurotisch gespannen persoonlijkheidsstructuur."
Ρ 130.
Klinische diagnose: psychogene depressie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I neg.
II 1 g.corr.; turb.
De naar verhouding sterke frequenties der secundaire zoektijden in
beide curvebeelden zijn indicatief te achten voor depressief gestructureerd attentiviteitsverloop, naar alle waarschijnlijkheid van endogene aard.
Vanwege het naar verhouding gering aantal tertiaire en ultimaire
zoektijden zijn aanwijzingen voor organische storingsinvloeden niet
gegeven. Wel kan een hysterifonn coloriet van het attentief proces
niet geheel en al worden ontkend op grond van de sporadisch o p
tredende paroxysmale inzinkingen.
E.E.G.-conclusie:
„We hebben hier zeker te maken met een epileptische activiteit van focale
oorsprong. De focus rechts fronto-texnporaal komt vrij constant voor, mogelijk
is er een tweede focus in het linker temporale gebied".
159
160
Ρ 131.
Klinische diagnose: endogene depressie.
Grünbaum-modificatie^resultaat.
Falen: I 1 g.om.; turb.
II 1 kLdev.; turb.
Opvallend is het nogal pregnant verschil tussen de GRM I- en GRM
Il-tijdscurve ten gunste van eerstgenoemde. Hieruit lijkt te mogen
worden geconcludeerd tot zekere bemoeilijking of verstarring van de
attentieve dynamieL De leeftijd van patiënte in aanmerking genomen is het aantal tertiaire en ultimaire zoektijden in het GRM IIresultaat aan de hoge kant, waarin een aanduiding mag worden gezien voor attentieve labiliteit en deterioratie-tendens.
Aanknopingspunten voor depressiviteit zijn uitsluitend gegeven in
het aantal (14) der secundaire zoektijden in het GRM II-resultaat.
E.E.G.-conclusie:
„Stai alpha-ritme. Diffuus te veel laaggevolteerde theta-activiteit. Overigens vertoont dit E.E.G. geen bijzonderheden".
Ρ 132.
Klinische diagnose: endogene depressie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen : I 2 kl.corr.; neg.
II 2 g.om.; 1 kl.dev.; 1 g.dev.
Het aantal secundaire zoektijden (15) in het GRM H-resultaat indiceert attentieve bradyphrenie, passend in het depressief toestandsbeeld.
De varianten van falen zijn moeilijk verklaarbaar als van psychogene
oorsprong; veeleer lijkt hierin een discrete aanwijzing te mogen worden gezien voor enige medebepalende oiganidteit.
E.E.G.-conclusie:
„Laaggevolterd snel, over het algemeen normaal E.E.G.".
161
I11 "
162
Ρ 133.
Klinische diagnose: psychogene depressie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 2 neg.
II 1 neg.
Alhoewel minder sterk in het GRM I-dan in het GRM Il-resultaat
treedt toch in beide curvebeelden het naar verhouding grote aantal
secundaire zoektijden sterk op de voorgrond. Vooral in GRM II zijn
de aanwijzingen voor bradyphrene attentiviteit overtuigend: nagenoeg gelijke frequentie-verdeling van primaire en secundaire zoektijden (resp. 26 en 22), zonder noemenswaardige tertiaire en ultimaire frequentie (resp. 1 en 1). Zulk een evident bradyphreen attentiviteitsverloop is in klassieke zin kenmerkend te achten voor depressiviteit.
E.E.G.-conclusie:
„Over het algemeen laaggevolteerd licht disritmisoh E.E.G. Dit wijst op lichte
regulatie-stoornissen. Overigens zijn er geen pathologische bijzonderheden".
Ρ 134.
Klinische diagnose: psychogene depressie.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I 1 g.rep.
II geen.
Ook hier is het relatief overheersend aantal secundaire zoektijden
opvallend (in beide curvebeelden 17), passend in het kader van een
depressief syndroom.
Evenals in het voorafgaande GRM-resultaat is de frequentie-verdeling van tertiaire en ultimaire zoektijden minimaal, zodat van organische storingsmomenten met betrekking tot het attentief proces niet
kan worden gesproken, veeleer van psychogene invloeden.
E.E.G.-conclusie:
„Niet duidelijk gestoord E.E.G. met lichte asymmetrie ten nadele van links".
163
164
S 20.
Klinische diagnose: hysterische psychopathic.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 1 kl.com.
In dit GRM-resultaat is het opmerkelijk verschil in secundaire zoektijden wel zeer opvallend: 5 in GRM I en 21 in GRM II. Deze constatering komt in zo uitgesproken vorm relatief zelden voor en wordt
nagenoeg uitsluitend aangetroffen wanneer karakterologische minusvariant en het attentief proces ongunstig beïnvloeden. Onduidelijk is
nog in hoeverre hier sprake kan zijn van ofwel depressieve grondstemming, ofwel van prestationele labiliteit ten aanzien van taakbemoeilijking. (In de eenmalige kleurcommissie mag misschien een
zeer lichte aanwijzing worden gezien voor een paroxysmaal storingsmoment van organisch-cerebrale aard.)
E.E. G.-conclusie:
„E.E.G. normaal met enige temporale labiliteit".
A 24.
Klinische diagnose: hysterische psychopathic.
Grünbaum-modificatie-resultaat.
Falen: I geen.
II 6 g.om.
Ook hier is een sterk contrast gegeven tussen het volkomen normaal
GRM I-resultaat met nagenoeg uitsluitend primaire zoektijden en
het overwegend bradyphrene karakter met dienovereenkomstige frequentie van secundaire zoektijden in het GRM II-curvebeeld.
Alhoewel in deze discrepantie primair een aanwijzing mag worden
gezien voor psychopathiforme attentiviteit, lijkt het meermalig omissief verschijnsel dubieus te achten voor wat betreft zijn oorsprong.
Enerzijds lijkt dit karakterologisch verklaarbaar, anderzijds mag een
zekere aanzet van organiciteit niet zonder meer worden uitgesloten.
165
In tegenstelling tot en in aanvulling op de statistische vergelijking
van groepsresultaten konden in de voorafgaande toelichting op afzonderlijke tijdsgrafieken van de Grünbaum-modificatie varianten
van falen mede in de beoordeling van het onderzoekresultaat worden
betrokken. Deze beschouwingswijze confronteert ons in concreto
met de belangrijkheid èn moeilijkheid van de psychodiagnostische
interpretatie van deze verschijnselen. Voorheen zijn enkele overwegend theoretische aanknopingspunten voor dit attentici falen besproken (cfr. hoofdstuk IV). Als praktische oriëntatie dienaangaande
komen ons enkele uitspraken en bevindingen van EISENSON — gebaseerd op omvangrijke ervaringen met cerebraal getraumatiseerde
overlevenden uit de jongste wereldoorlog — vermeldenswaard
voor.17) Ofschoon hij voornamelijk aphatische stoornissen, als primaire expressie van cerebrale beschadiging toelicht, kan men zich
moeilijk onttrekken aan de indruk van zekere analogie met bepaalde
varianten van falen in de Grünbaum-modificatie. De aphatische
stoornissen maken trouwens deel uit van het totaalbeeld der „organiciteit", dat zowel aphatisch als niet-aphatisch cerebraal beschadigde patiënten vertonen.
Beide categorieën, met name echter de aphatici, demonstreren volgens EISENSON attentieve stoornissen. De grondslag van dit attentici
defect is te taxeren „once we understand the nature of attention and
the role of the cortex in the act of attending". Voor het attentief
proces essentieel stellend, dat het organisme in staat is tot selecterende responsie op specifieke prikkels of bijzondere situatie, met
uitsluiting van andere, acht hij beide processen — selectie en inhibitie — functies van de cerebrale cortex. „A damaged cortex is impaired in this function". Zelfs door zulke patiënten, uit vaag besef
van ontoereikendheid in deze, wilsmatig verhoogde inspanning tot
attentief-zijn, blijft zonder noemenswaardig resultaat.
Van attentief-mnestische samenhang is EISENSON overtuigd: „Memory
in brain-damaged individuals is defective for immediate situations
because of the primary defect of attention".
Ten aanzien van het perseveratie-verschijnsel, dat in zekere zin ook
de iteratieve varianten van falen in de Grünbaum-modificatie eigen
is, merkt EISENSON op: „The perseverating tendency is probably the
17
) Cfr.: J. Eisenson: Examining for aphasia. New-York 1954.
166
most frequently found characteristic of the behavior of persons with
organic brain involvement". Tussen het perseveratie-verschijnsel en
attentiviteitsstoomissen bestaat nauwe samenhang. „In a sense, perseveration may be considered an aspect of abnormal attentiveness
which continues beyond the needs of the situation and which, in
effect, interfered with appropriate behavior".
Perseveratie treedt gemakkelijk op wanneer een patiënt grote moeite
heeft gehad met het produceren van een correct antwoord. „Apparently, as a result of this effort, the patient seems litterally unable
to 'shake off' the old response and to proceed with new and appropriate responses to new situations". Dienovereenkomstig doet zich
perseveratie vooral voor, wanneer de patiënt wordt geconfronteerd
met een opeenvolging van nieuwe situaties — zoals in de Grünbaum
het geval is — waarop hij geen geëigende antwoorden heeft. „Under
such circumstances he frequently reproduces the last correct response". Onze eigen ervaringen met patiënten, die blijk gaven van
instructieve moeilijkheden betreffende de gecompliceerde methodische uitvoering der Grünbaum-modificatie, zijn in overeenstemming met EISENSON'S constatering, dat „perseveration may also manifest itself in what appears to be difficulty of comprehension".
Wanneer een normaal iemand voor een taak wordt gesteld, die zijns
inziens eigen krachten te boven gaat, neigt hij er toe zich aan deze
taak te onttrekken, er voor uit te wijken. In de wijze, waarop dit
geschiedt, acht EISENSON typisch „psychogene" ofwel specifiek „organische" taakomzeiling gegeven. De neurotische mens zal, bij confrontatie met een hem te moeilijke taak, zijn toevlucht nemen tot andere
middelen dan de organisch-cerebraal gestoorde om aan zulk
een lastige situatie te ontkomen. „There may be a sudden onset
of fatigue, or of headache, or of some other seemingly physical
indisposition". De cerebraal gestoorde zal, wanneer hij met een voor
hem te moeilijke taak geconfronteerd wordt en er geen andere uitweg mogelijk is, catastrofisch kunnen reageren. Deze volgens GOLDSTEIN psychobiologische reactie is te beschouwen als een antwoord
van het gehele organisme op een situatie, die niet met succes te voltooien schijnt. Het in de Grünbaum-modificatie te constateren dessructieverschijnsel maakt observationeel een soortgelijke indruk: ook
hier is sprake van een verbijsterende simplificatie der eigenlijke instructie, die van onderzochte relatief te grote inspanning vergt. Elk
167
besef van, elk rekening houden met, elke aanpassing aan de op.
dracht-situatie gaat teloor.
Alhoewel misnoeming en verspreking ongetwijfeld een gevolg kunnen zijn van vermoeidheid, emotionele beroering, innerlijke gespannenheid of anderszins veroorzaakt falen der attentieve vigilantie, is
EiSENSON van mening, dat „most of the patient's paraphasic errors
should, however, be explained as a direct result of cortical damage
rather than as a result of usual psychodynamics".
Als specifieke variant van verspreking of misnoeming in de Grün·
baum-modificatie geldt de reeds eerder aan de orde gestelde kleurcommissie. Dienaangaande werd melding gemaakt van een op grond
van klinische ervaring onder voorbehoud gegeven vermoeden, dat
hier sprake zou zijn van een organisch-cerebraal storingsmoment, van
naar alle waarschijnlijkheid temporo-occipitale aard. Deze suspectie
lijkt bevestiging te vinden in de onderzoekresultaten van ACEVEDO DE
MENDiLAHARSu en zijn medewerkers, die bij vier epileptische patiënten
door cardiazol geprovoceerde insulten observeerden, welke zich door
spontaan optredendende dysphatische initiaalverschijnselen manifesteerden. Bij twee van deze patiënten beperkten zich de daarbij optredende, synchroon vastgelegde E.E.G.-veranderingen tot één hemispheer met een temporale accentuering; bij de andere twee waren de
beginsymptomen in het electroencephalogram bilateraal, synchroon
en symmetrisch, met bijzondere pregnantie over het linker temporale
gebied.1·)
Uit bovenstaande zienswijzen en ervaringen blijkt, dat aan de attentieve zijnsmodaliteit van de mens in eerste instantie expressieve betekenis met betrekking tot het organisch-cerebraal syndroom wordt
toegekend. Overeenkomstige bevindingen en resultaten zijn in de casuïstische bespreking van curvebeelden der Grünbaum-modificatie
tot uitdrukking gekomen. Dit betekent echter niet, dat het aandeel
van emotionele factoren in de attentieve gedragsmodaliteit van geringere invloed zou zijn. De attentiviteit is te beschouwen als neuropsychologische manifestatie van de intentionele zijnswijze van de
mens als subject.
18
) Cfг.: S. Acevedo de Mendilahanu, J. Bogacz, С Mendilaharsu : Etude électroclinique ictale des crises dysphasiques provoquées par activation cardiazolique. (Neuropsychologia 1964, Vol. 1, blz. 299-312. London 1964.)
168
4.
TOEPASSING
VAN GEMODIFICEERD GRÜNBAUM-ONDERZOEK
IN
COMBINATIE MET ELECTROENCEPHALOGRAFISCH ONDERZOEK
Na ruime klinische ervaring met uitwisseling en vergelijking van
Grünbaum-modificatie- en E.E.G.-resultaten tijdens diagnostische besprekingen van patiënten of poliklinisch onderzochten ontstond interesse in synchroon onderzoek met beide methodieken. Uiteraard
draagt zulk onderzoek voorlopig louter experimenteel karakter: allereerst dient te worden nagegaan welke verschijnselen tijdens het
gemodificeerd Grünbaum-onderzoek synchroon in het electroencephalogram tot uiting komen.
De experimentele proefopstelling hiertoe geschiedde als volgt. Onderzochte neemt plaats in een stoel in gemakkelijke en ontspannen houding. Het op ruim \]/^ meter afstand vóór onderzochte geplaatste
getallenpaneel is duidelijk te overzien.
De elektroden zijn op de gebruikelijke manier aangebracht volgens
het 10-20-systeera; van de draden wordt geen hinder ondervondenAan de rechterkant van onderzochte is aan een flexible steel een
microfoon bevestigd, die zo wordt ingesteld, dat onderzochte — naar
het gemodificeerd Grünbaum-bord kijkend — rechtstreeks er ín
spreekt.
Van een 12-kanaals electroencephalograaf worden alle kanalen gebruikt voor electroencephalografische registratie. Met de 13e pen,
waarmee de seconde-markering plaats vindt, is de microfoonversterker verbonden, zodanig, dat de tijdsmarkering normaal doorgang
vindt, terwijl de geluidsregistratie van het door de patiënt gesproken
woord met dezelfde pen geschiedt. Hierbij zijn de versterkers zodanig
ingesteld, dat de seconde-markering met een hogere amplitudo herkenbaar blijft boven de geluidsregistratie. Op deze wijze konden tijdsrelaties tussen het electroencephalografisch beeld enerzijds en de getal- en kleurbenoeming door de patiënt anderzijds nauwkeurig worden vastgelegd.
De moeilijkheid bij deze wijze van registratie is, dat de patiënt de
ogen geopend heeft en bovendien voortdurend beweegt bij het zoeken van diverse getallen. Het is duidelijk, dat dit belangrijke consequenties heeft voor het electroencephalografisch beeld. Vooral in het
frontale en fronto-temporale gebied werden daardoor voortdurend
de oogbewegingen geregistreerd. In het occipito-parietale gebied
169
werd bij deze manier van registratie begrijpelijkerwijs minder of
vaak ook een alpha-ritme gezien, terwijl in hetzelfde gebied lambda
golven geregistreerd werden.
Uiteraard hadden bij de proefpersoon reeds eerder een of meer
E.E.G.'s plaats gevonden. Bij deze E.E.G.'s was al gebleken in welke
afleidingen de electrische stoornissen zich het duidelijkst openbaarden. Bij het gecorreleerde onderzoek werden diè afleidingen gekozen, waarin bij vorige E.E.G.'s de stoornissen zich het duidelijkst
manifesteerden.
Ofschoon door deze afwijkende omstandigheden (open ogen, actief
kijken) in het electroencephalogram meerdere artefakten voorkwamen (oogbewegingen, spieractiviteit, etc.) werd toch geregistreerd
met een tijd-constante van 0,7 en een filter van 30 III. De gebruikelijke versterking was 70 of 100 microvolt per cm. De papiersnelheid
bedroeg 3 cm. per seconde.
Onmiddellijk voorafgaand aan de gecombineerde registratie van
Grünbaum-modificatie en electroencephalogram werd op de gebruikelijke manier een E.E.G. afgenomen, zowel met geopende alsook
met gesloten ogen. Ditzelfde werd herhaald na afloop van de gecombineerde registratie.
Het gehele onderzoek vond plaats in een verduisterde ruimte, waarbij geen volledige afscherming bestond tegen van buiten doordringend geluid. Het E.E.G.-apparaat en de patiënt bevonden zich in
dezelfde ruimte en waren niet gescheiden.
Nadat de onderzoekruimte was verduisterd en het proef-electroencephalogram geregistreerd, werd de instructie van het gemodificeerd
Grünbaum-onderzoek op de gebruikelijke wijze aan onderzochte
meegedeeld en kon de synchrone onderzoekprocedure een aanvang
nemen.
Na het onderzoek werd aan de hand van de op het E.E.G. geregistreerde benoemingsimpulsen en -notities de tijdsschommelingscurve
van de Grünbaum-modificatie uitgetekend en nader uitgewerkt.
Ten aanzien van het patiëntenmateriaal kan worden opgemerkt, dat
dit bestond uit personen met gegeneraliseerde symmetrische epileptische insulten.
De tot dusver opgedane bevindingen zijn veelbelovend, gezien enkele
aanwijzingen, die in de synchrone uitslagen aan het licht zijn gekomen. Deze wettigen de conclusie, dat dit gecorreleerde onderzoek
170
vooral ook van belang is voor een beter begrip van de functionele
mogelijkheden voor de epileptische patiënt in de zogenaamde insultvrije perioden. Men krijgt de indruk, dat er een correlatie bestaat
tussen zoektijden in het gemodificeerd Grünbaum-onderzoek enerzijds en de structuur van het achtergrondritme in het E.E.G. anderzijds. Getalbenoeming lijkt alleen mogelijk op een tijdstip, waarop
in het electroencephalogram een waakpatroon geregistreerd wordt.
Wanneer het achtergrondritme een patroon vertoont overeenkomend
met een verminderde waaktoestand (zoals beschreven door LOOMIS
e.a.) blijkt de patiënt moeilijker tot getalbenoeming te komen. Deze
perioden van verminderde waaktoestand in het electroencephalogram vallen samen met lange zoektijden in de Grünbaum-modificatie.
Verder bestaat de indruk, dat het herkennen van een getal ook een
duidelijke verandering in het E.E.G. teweegbrengt, in de zin van een
arousal-effect, vaak binnen 1 à 2 seconden gevolgd door getalbenoeming.
Het is voorts waarschijnlijk, dat na het in het E.E.G. manifest worden van typisch epileptische verschijnselen zowel in het electroencephalogram als in de zoektijden een verbetering optreedt.
Bij vergelijking van het E.E.G.-patroon tijdens gemodificeerd Grünbaum-onderzoek met voorafgaand of volgend electroencephalogram
krijgen we de indruk, dat tijdens het gecombineerde onderzoek minder epileptische verschijnselen optreden dan in de andere E.E.G.'s.
De hier genoemde aanwijzingen resulteerden uit besprekingen met
de aan onze Psychiatrische Kliniek Calvariënberg te Maastricht
verbonden neuroloog-electroencephalografist. Zij dragen uiteraard
een voorlopig karakter.
In vergelijking tot de door BOEKE vermelde bevindingen van synchrone electroencephalografische en Bourdon-Wiersma-onderzoekingen lijken behalve enkele overeenkomsten ook verschillen met de
uitslagen van het door ons gecombineerd onderzoek naar voren te
komen. Het is op dit moment prematuur hierop nader in te gaan.
Wel komt het ons voor, dat de gemodificeerde Grünbaum zich praktisch en methodisch beter leent voor dergelijke combinatie-proeven
dan de Bourdon-Wiersma.
Ons gecombineerd onderzoek van Grünbaum-modificatie en electro171
encephalogram verkeert nog in een experimenteel beginstadium. Het
zou voorbarig zijn reeds nu gedetailleerde resultaten mee te delen.
De tot dusver opgedane bevindingen houden belofte èn verplichting in.
5 . EPICRISE EN PERSPECTIEF
De uitkomsten van de statische analyse (waarbij de tijdprestatie als
beoordelingskriterium fungeerde) der methodisch verzamelde objectieve data en de casuïstische beschouwing van de curvebeelden der
Grünbaum-modificatie geven aanleiding tot volgende overwegingen
en conclusies.
Allereerst resulteerde significant verschil tussen normalen en epileptici. Deze bevinding lag wel in de lijn der verwachtingen en impliceert als zodanig bevestiging van onze aanvankelijk gestelde hypothese, dat het onderscheid in storingvrije en gestoorde attentiviteit
met behulp van de Grünbaum-modificatie als onderzoek van de aandacht, experimenteel is vast te stellen.
Eveneens is evident onderscheid tot uiting gekomen tussen normale
en depressieve onderzochten. Voor de in de literatuur en in de kliniek verbreide zienswijze, dat observationeel bij depressieve patiënten
van een gestoorde aandachtsmodus sprake is, leveren onze bevindingen experimentele aanknopingspunten.
Dat ook tussen normale proefpersonen en licht-neurologische, c.q.
organisch-cerebrale, klachten of stoornissen duidelijke differentiatie
is te constateren, betekent een psychodiagnostische aanwinst, welke
de juistheid van Grünbaum's onderzoekprincipe op concrete wijze
accentueert. Tevens mag, op grond van deze bevinding, in de attentiviteit een belangrijk expressief indicium van organisch-cerebrale
functionering worden gezien, zoals eerder hypothetisch gesteld.
„From clinical evidence it is assumed that consciousness and attention are functions of the brain" (JUNG) . ")
Het relevante onderscheid tussen epileptische en depressieve patiënten doet scherper selectiviteitskarakter van de onderzoekmethode
vermoeden dan aanvankelijk verwacht. Deze bevinding maakt ex-
l
*) Cfr. R. Jung: Correlation of biodectrical and autonomie phenomena witìi
alterations of consciousness and arousal in man. (Brain mechanisms and
consciousness; op. cit. biz. 310.)
172
perimentele bevestiging en taxatie mogelijk van intercategoriale differentiatie met betrekking tot klinische modaliteiten van attentief
gestoord-zijn.
Hiermee is eveneens het aantoonbaar gebleken verschil tussen epileptische en licht-neurologische verschijnselen in overeenstemming,
duidend op testologische onderscheidingsmogelijkheid van deze beide
in de kliniek vaak minder pregnant te differentiëren categorieën van
attentieve gestoordheid. Deze bevinding affirmeert de methodische
selectiviteit van de Grünbaum-modificatie.
In ogenschijnlijke tegenspraak hiermee lijkt het statistisch niet relevante verschil tussen licht-neurologisch-gestoorde ziekenhuispatiënten en depressieve zieken. Deze bevinding wordt evenwel begrijpelijk
bij beschouwing van de diagnose-lijst behorend bij eerstgenoemde
(Z-)groep. Deze bestaat grotendeels uit een verzameling van lichtorganisch-cerebrale klachten en symptomen naast depressivi tei tsbeelden en omvat als zodanig juist die groepen van patiënten, welke
overeenkomstig de heersende diagnostische opvattingen in de klinische psychiatrie als in mindere of andere mate dan epileptici bewustzijns- of aandachtsgestoorden te beschouwen zijn. In het voor
de bedoelde groepen niet significant bevonden verschil zou een aanwijzing kunnen worden gezien voor eventueel klinisch gegeven verwantschap tussen attentieve stoornissen bij licht-organisch-cerebrale
klachten of symptomen en die bij depressieve verschijnselen.
Alhoewel in ons onderzoekmateriaal de dementen zich vanwege hun
geringe aantal niet specifiek differentieerden, behoeft daaraan op
grond van de in dit opzicht ter beschikking staande klinische ervaringen geen twijfel te bestaan. Reeds het feit, dat geen van de onderzochte dementen in staat is gebleken tot een storingvrije attentieve
vigiliteitsprestatie in de gecompliceerde methode van de Grünbaummodificatie is veelzeggend genoeg; bovendien was in deze groep bedoelde methodische uitvoering meestal niet realiseerbaar op grond van
insufficiënt begrip voor de instructie. Om deze reden is het zelfs
dubieus of de gesignaleerde lacune in de statistisch vergeleken diagnose-groepen zonder meer aan te vullen zal zijn door desbetreffend
nader onderzoekmateriaal van demente patiënten.
Het belangrijkste statistisch resultaat in verband met het onderhavige onderzoek blijft de significante correlatie tussen tijdprestatie in
het gemodificeerd Grünbaum-onderzoek en respectievelijk als niet,
173
minder of ernstig in hun aandacht gestoord te beschouwen onderzochten, in volgorde van normalen, licht-neurologische, depressieve
en epileptische patiënten.
Hierbij is te bedenken, dat laatstgenoemden niet zonder meer gelijk
te stellen zijn met een specifieke selectie uit langdurig intramuraal
psychiatrisch verpleegden (zoals wel eens kritisch wordt opgemerkt
ten aanzien van CODEFROY'S patiëntenmateriaal voor zijn BourdonWiersma-onderzoek). Evenmin is als diagnostische voorwaarde het
frequent optreden van epileptische insulten gesteld. Kortom, de hier
onderzochte epileptici vormen een uitsluitend als zodanig klinisch
gediagnostiseerde groep patiënten, gedurende een niet extreme termijn voor bedoeld ziektebeeld in psychiatrische klinieken verpleegd
en behandeld.
Des te merkwaardiger is het geringe verschil in Grünbaum-tijdprestatie tussen deze attentief-pathologische groep en de attenief-evolutieve, c.q. jeugdigen vanaf 9 à 10-jarige leeftijd, te meer waar op
deze leeftijd de statistisch constateerbare attentieve ontwikkelingstendens (doorlopend tot ongeveer de volwassenheid) nauwelijks een
aanvang heeft genomen. Naar alle waarschijnlijkheid mag hierin
een bewijs worden gezien voor de relatief brede speelruimte van de
attentieve modaliteiten gedurende het ontwikkelingsproces, waarin
tal van ogenschijnlijke bewustzijnsstoornissen als bewustzijnsveranderingen te beschouwen zijn.
Deze constatering impliceert aanknopingspunten voor de steeds meer
veld winnende overtuiging, dat bepaalde attentieve veranderingen,
welke men geneigd is als stoornissen te betitelen, niet altijd pathologische attentiviteit behoeven te representeren. Dit geldt zowel de
attentieve onto- als pathogenese. Terecht merkt ZEH op: „Begrifflich
empfielt es sich bei der Pathologie des Bewusztseins übergeordnet
von Bewusztseinsveränderungen zu sprechen". WIECX spreekt in dit
verband van „Durchgangssyndrome", ZEH van „Grenzzuständen",
waarin differentiatie tussen attentieve verandering en stoornis moeilijk blijft, omdat van bewustzijnspathologie stricto sensu geen
sprake is.'0) Wij menen voorbeelden hiervan te hebben aangetroffen
in sommige der door ons met de Grünbaum-modificatie onderzochte
depressief en licht-neurologisch attentief gestoorden, welke groepen
*·) Cfr. W. Zeh: Die Amnesien. Stuttgart 1961. (Biz. 77-80).
174
zich statistisch dienovereenkomstig differentieerden van epileptisch
gediagnostiseerden.
Reeds WIERSMA trof in het resultaat van zijn onderzoekingen (1909)
attentieve schommelingen aan bij alle onderzochten, ook de volkomen gezonden.*1) Het verschil tussen de prestaties van gezonde proefpersonen en epileptische patiënten lag echter hierin, dat bij laatstgenoemden de schommelingen langduriger en onregelmatiger zijn.
„Schon das normale Bewusztsein ist ständigem Wandel unterworfen,
bei krankhaften Störungen sieht man grosze Verschiebungen und
abrupte Schwankungen" (ZEH).SO) Onze statistische en casuïstische
Grünbaum-modificatie-resultaten stemmen met deze zienswijze overeen: extreem verlengde zoektijden komen frequent voor, duidend op
grove onregelmatigheid en abrupte labiliteit van het attentief proces.
De hier bedoelde al dan niet pathologische bewustzijnsveranderingen
zijn vanzelfsprekend niet te beperken tot grove schommeling of
onregelmatigheid in het attentief proces. Terecht kan onder meer
naast hypo- van hypervigiele attentiviteit worden gesproken in de
zin van Bewusztseinssteigerung en Überwachheit (ζυττ), Bewusztseinserhöhung (BASH) of Bewusztseinsüberhelle (ZEH), alsmede evenzeer van Bewusztseinseinengung en Bewusztseinserweiterung, zoals
in uiteenzettingen over de „Polare Struktur des Bewusztseins" met
name door ζυττ beklemtoond is.*') In de asuïstische beschouwing
van curvebeelden der Grünbaum-modificatie zijn hiervoor duidelijk
aanwijzingen gevonden, soms tot uiting komend in pathologische
versnelling van het attentief tempo met juist daardoor verhoogde
kans op paroxysmale verschijnselen van attentieve verlaging. Voornoemde terminologische realiteiten kunnen ons inziens adaequaat
worden beschouwd in het kader van de veelzijdige structureringsmogelijkheden der attentieve dynamiek, waaraan het meervoudige
polaire karakter van attent- en absent-mindedness, van focus- en
field-attention, van attentief adres en appèl essentieel is, zoals uiteengezet in hoofdstuk IV. Bezien wij het verschil in attentiviteit tussen kinderen en volwassenen, zoals dit uit observaties en bevin11
) Geciteerd naar W. F. van Stegeren: De betekenis van het klinisch-psychologisch onderzoek voor een nadere analyse van de z.g. genuine epilepsie Amsterdam 1957. (Blz. 50.)
**) Cfr. W. Zeh: Bewusztseinsveränderungen und psychopathologische Erscheinungsbilder bei endogenen und symptomatischen Prozessen (Fortschritte
der Neurologie-Psychiatrie. 27. Jrg. 1959. Heft 11.)
175
dingen op grond van het gemodificeerde Grünbaum-onderzoek naar
voren komt, dan kan men niet ontkomen aan de indruk, dat de at·
tentieve gedragsmodaliteit niet louter afhankelijk is van leeftijd en
rijpheid, doch eveneens van welbevinden en temperament, van visuele, auditieve en ervaringsfactoren, alsook van individuele geaardheid en instelling, met dienovereenkomstig grote individuele variatie.")
Bij het kind worden aandacht en opmerkzaamheid eer uitgelokt dan spontaan
geschonken: het zintuiglijk-sensationele belevingselement speelt een overheersende
rol. Vandaar het ambivalent en wisselend verval in wendbaarheid en verstarring.
D e kortstondigheid komt meest voor uit afleidbaarheid, ongeduld en asthenie;
de duur is vaak perseveratie. Het kind heeft behoefte aan bedding van zijn
attentief beleven. De selectiviteit berust grotendeels op attractiviteit, zowel van
object als van situatie.
Alhoewel sterk ddversief en versatici, staat de attentiviteit dikwijls nog te weinig
getraind in dienst van eigen doelstelling en handhaving.
Het zelfbeveiligingsaspect lijkt in het natuurlijk ontwikkeligsproces voornamelijk
appèl te doen op distributieve opmerkzaamheid: meer dan het specifiek gevaar
provoceren algemene dreiging en sensatie kinderlijke aandacht en gerichtheid.
Daarnaast voeren ongeduld en impubiviteit de boventoon. In de situatie blijft
gemakkelijk iets onopgemerkt of wordt misduid, omdat te weinig referentiepunten accuraat worden overzien; het structureringsproces van het waarnemingsveld mist continuïteit.
Naarmate de kinderleeftijd toeneemt verminderen deze attentieve minusfactoren,
dank zij het karakterologisch en sociaal stabiliseringsproces. Bijzondere gevoel»- en
stemmingstoestanden, waardoor het kind uit sociale balans geraakt, kunnen van
onevenredig nadelige invloed zijn op het attentief effect.
Op weg naar de volwassenheid doorloopt het jeugdige individu verschillende
stadia van attentieve rijping. Toenemende beteugeling van het „élan vital" doen
het attentief veelzijdig coloriet geleidelijk aan bedaren tot gereguleerde tonus,
tenaciteit en resistentie. Deze attentieve stabilisering is een zich langzaam voltrekkend proces, sterk parallel aan de groei van de persoonsstructuur.
De volwassene kan gespannen, geduldend en volhardend zijn attentiviteit viseren. Bij hem berust eventuele aandachtsventijving vaak op verkramping, waaraan
emotionele momenten zelden vreemd zijn.
Het lacunair en abusief opmerkzaamheidsverloop dragen bij de volwassene meer
penetrante betekenis: hij raakt uit balans, geblokkeerd, verliest aan resistentie en
reflectie. Zo kan het gebeuren, dat zijn attentief proces door een onbeduidende
hapering in chaotische verwarring en verwardheid vroegtijdig eindigt, met mogelijk kortsluitingsreactie tot gevolg.
Ook in attentief opzicht beschikt het kind over een vitaliteit en dynamiek, die de
volwassen mens steeds meer verliezen gaat. Daarvoor ia de plaats treden echter
andere eigenschappen van attentieve stabiliteit, selectiviteit, vigiliteit, alertheid
en tenaciteit.
De oorspronkelijk gestelde hypothese, dat wij in de Grünbaummodificatie geconfronteerd worden met een authentieke aandachts" ) Gfr. A. Gesell; Ga th. S. Amatruda: Developmental diagnosis. New-York
1954.
176
proef, welke dienovereenkomstig te toetsen moet zijn ten aanzien
van als zodanig in de literatuur gestoord bekend staande of klinisch
gediagnostiseerde patiënten, met name epileptische en depressieve
zieken, heeft op pregnante en gedifferentieerde wijze statistische bevestiging gevonden.
Wij hebben in de gemodificeerde Grünbaum te doen met een onderzoekmethode van de aandachtsmodus, met een op basis van een logisch-mentaal proces geprovoceerde intentionele zijnsmodaliteit als
een der verbijzonderde manifestaties van menselijk bewustzijn. Het
denkend-verwijlen-bij op het niveau van verstandelijk, reflexief bewustzijn voltrekt zich in de realisering van de opgedragen en aanvaarde taak: de ongeordend in rijen geplaatste getallen overeenkomstig hun arithmetische successie (in gedachten) te ordenen en benoemen. Dienovereenkomstig zijn in de statistische analyse aanknopingspunten gevonden voor een zekere medebepaaldheid door de intelligentie-factor.
Aldus wordt aan de belangrijkste der door WITTENBORN genoemde
eisen voor het onderzoek van de aandacht voldaan, in zoverre de
prestatie niet te sterk afhangt van het intellectuele niveau, de opgedragen taak zo min mogelijk samenhangt met de inhoud van het
onderzoek en met kennis, de scores zoveel mogelijk verband houden
met voortdurende mentale inspanning.")
Ook de door VAN DE LOO gereleveerde wezenlijke kenmerken, die een gericht gebruik van de term „aandacht" moeten verzekeren, te weten specifiek gericht-zijn van de gehele persoon, selectieve werking, verhoogde bewustzijnsgraad, continue inspanning en taakkarakter, liggen vervat in de hier aan de orde gestelde procedure van onderzoek.")
De door ZEH ten aanzien van attentieve verschijnselen of stoornissen
fundamenteel geachte en als „Prinzip der Ordnungen" betitelde „bewusztseinsfähige Geordnetheit des Menschen in sich selbst und in
seiner Beziehung zur Auszenwelt" wordt in de gemodificeerde Grünbaum op wel zeer pregnante wijze op de proef gesteld.'·)
De varianten van falen — met uitzondering van de omissie — konden
uiteraard niet in de statistische analyse worden betrokken. Wel kwam
'·) Cfr. R. F. van Naemen: Selectie van chauffeurs. Groningen 1962, blz. 127.
,B
) Cfr. K. J. M. van de Loo: Enkele beschouwingen over de Bourdon-Wienmatest. Gawein V, I - 1956, blz. 33.
" ) Cfr. W. Zeh: Die Amnesien. Stuttgart 1961, blz. 94 e.v.
177
uit de bespreking van afzonderlijke curvebeelden der Grünbaummodificatie-onderzoekingen naar voren, dat aan omissief, abusief en
erratief falen onderscheiden betekenis toekomt. In het omisnef falen
is voornamelijk een uiting te zien van onderbreking der bewustzijnscontinuïteit, in de vorm van een hiaat of lacune in het successief
verloop van het attentieve belevings- of handelingsproces. Het abusief falen is in eerste instantie te kenmerken a b verstoring van de
attentieve selectiviteit, zich bij voorkeur manifesterend op nominatief gebied in dysgnostische of dysphatische verschijnselen. Voor het
erratief falen, als expressief moment van gedesoriënteerd raken, lijkt
een inbreuk op het attentief-mnestische continuum aansprakelijk te
stellen, tot uiting komend in passagère, partieel of totaal, teloorgaan van het instructief besef. Aan de hand van de richtlijnen in
hoofdstuk IV ten aanzien van falen als attentief verschijnsel gegeven,
zijn gedetailleerde differentiatie-pogingen met betrekking tot de varianten van falen als psychodiagnosticum in de onderzoekmethode te
entameren. De daarin vervat liggende psychodiagnostische implicaten zijn bij de aanvankelijke verzameling van het onderzoekmateriaal
te weinig als zodanig onderkend en gedifferentieerd. In dit opzicht
verkeert de onderhavige methode van onderzoek nog in ontwikkeling.
Hetzelfde geldt voor de kleurfactor als psychodiagnosticum. Het
vraagstuk van de verifieerbare invloed van de kleurfactor is te complex om reeds enige uitspraak te rechtvaardigen. In dit opzicht lijkt
perspectief aanwezig, waar individuele tijdsverschillen ten aanzien
van de gekleurde items onderling en in tegenstelling tot de witte
items constateerbaar zijn. De kleurfactor is te beschouwen als fundamenteel element in de getransformeerde experimentele situatie, in
zoverre hierdoor bij onderzochte een pathisch engagement wordt geprovoceerd in tegenstelling tot de zuiver gnostische component in
de oorspronkelijke versie. Dit beroep op het pathisch aspect van de
attentieve modaliteit, dit emotioneel appèl, door invoering van de
kleur in de hier aan de orde gestelde testologische benaderingswijze
tot uitdrukking gebracht, representeert een essentiële bijdrage tot
de psychodiagnostische selectiviteit van de onderzoekmethodiek ten
aanzien van emotioneel dementerende of labiele mensen.
Dat naast deze methodische uiteraard praktische perspectieven van
en voor de Grünbaum-modificatie aanwijsbaar zijn, behoeft nauwe178
lijks toelichting. Genoeg aspecten van het maatschappelijk leven
vergen (beoordeling omtrent) individuele attentiviteit, zoals het
leerproces ten aanzien van kinderen, het verkeer ten aanzien van
weggebruikers, het bedrijf ten aanzien van machine-, instrument- of
paneelbewaking. De moderne structuur van de samenleving biedt
toenemende terreinen van gedrag en professie, waarbij op attentieve
modaliteiten in belangrijke mate beroep wordt gedaan.
Het aantal leerlingen, dat op LOM-scholen en in Kinderbeschermingsinfternaten
primair stoornissen van het attentief ontwikkelingsproces vertoont en daardoor
didactisch en karakterologisch in botsing komt met de maatschappelijk aan hen
gestelde eisen, mag genoegzaam bekend worden verondersteld. Dit naar verhouding testologisch veronachtzaamd attentief aspect treedt steeds meer op de voorgrond als relatief concreet en betrouwbaar houvast in de prognostische beoordeling van het didactisch effect.
Op de controlerende aspecten van de werknemerstaak in de laag- en hooggeautomatiseerde fabrieken, met name op het „wacht"-karakter bij de paneelbediening wijst Brenninkmeijer, wetendi dat hierin een zuiver „waak"-aspect verdisconteerd ligt in de zin van attentieve vigilantie. 27 )
Evenals Wilde ten aanzien van het ongeval door bestuurden van nagenoeg elk
voertuig, toont volgens van Naerssen het onderzoek door Häkkinen duidelijk het
belang aan bij de chauffeursselectie van typische „ability"-factoren als aandacht
en motorische coördinatie. „Bij de analyse van Häkkinen heeft de factor .aandacht' de hoogste lading in het ongevallenkriterium. Er zijn dus goede redenen
om aandachtstests in dit onderzoek te betrekken". se )
Ten aanzien van al deze en soortgelijke beoordelingen, waarbij het
onderzoek van variabele modaliteiten van alledaags opmerkzaam,
oplettend en vooral aandachtig-zijn betreft, kan de Grünbaummodificatie een reëel psychodiagnosticum betekenen.
Als klinisch perspectief is ten slotte het gemodificeerd Grünbaumonderzoek aangaande toxico- en pharmacogene beïnvloeding van de
attentiviteit te releveren. Ofschoon bedoelde research nog in een
beginstadium verkeert bevestigt onze klinische ervaring ten aanzien
van acute alcohol-intoxicatie — niettegenstaande duidelijk constateerbare individuele verschillen — inderdaad intensivering van attentieve tachyphrenie, welke echter een pseudowinstpunt blijkt voor het
attentief proces als totaliteit, in zoverre de kans op paroxysmale,
soms in extreme vorm optredende tempovertraging en varianten van
falen — ondanks subjectieve beleving van taak-vergemakkeling —
onontkoombaar toeneemt. Evenzo kan bepaalde pharmacogene opn
)
Cfr.: G. Brenninkmeijer: Werken in geautomatiseerde fabrieken (blz. 247).
Tilburg 1963.
tê
) Cfr.: R. F. van Naerssen: Selectie van chauffeurs (blz. 67 en 127) Gro*
ningen 1962.
179
timum-overschrijding in het Grünbaum-modificatie-resultaat constateerbare attentieve deterioratie-tendens bewerkstelligen.
Samenvattend mag worden gesteld, dat als methode van onderzoek
betreffende de attentieve modaliteit van aandachtig-zijn de Grünbaum-modificatie experimentele perspectieven opent, te meer waar
door de vigerende procedures op dit terrein voornamelijk wijzen
van opmerkzaam of oplettend-zijn worden benaderd in overwegend
concentratieve, statische vorm. Op de expansieve èn convergerende
reciproque aspecten van de dynamische structurering der attentiviteit doet de Grünbaum-modificatie adaequater appèl. Deze methodische adaequaatheid houdt confirmatoire en contributieve beloften
in niet alleen voor het onderzoek van de in zijn aandacht en bewustzijn al dan niet veranderde of gestoorde mens, maar ook voor
de gecombineerde research van psychisch-mentale en neurofysiologische correlatie-verschijnselen in cerebro.
Met een variant op hetgeen eerder gesteld is, mag worden gezegd,
dat elk testologisch onderzoekconcept pas waarde verkrijgt wanneer
het kan worden geplaatst binnen de context van theoretische opvattingen. Daarmee wordt het karakter van eenzijdigheid en relativiteit van de betreffende onderzoekmethode voor de diagnostische
praktijk geenszins opgeheven, maar wel de symptomatologische
diagnostiek, die er aan te ontlenen is, zoveel mogelijk veilig
gesteld. Dit geldt evenzeer voor de onderhavige onderzoekmodificatie, welke te beschouwen is als een psychologisch detailbeeld, zin
en betekenis ontlenend aan de panoramische visie van een gesystematiseerd geheel van theoretische opvattingen. Daarbij komt het
minder aan op algemeen erkende aanvaardbaarheid van de gekozen
wetenschappelijke zienswijze dan wel op de harmonische inpassing
van de methodische trend, eigen aan het onderzoekconcept, in de totaliteit van bedoelde theorie.
Als zodanig kwamen ons de uiteenzettingen van CALON en in het bijzonder die van PRICK over de zich fasegewijs voltrekkende bewustzijnsorganisatie bij de mens als subject waardevol voor, niet alleen
ten aanzien van de door ons gemodificeerde onderzoekmethode van
GRÜNBAUM, maar eveneens voor de existentieel-anthropologische zienswijze van de hedendaagse psychologie in het algemeen.'·)
"·) Cfr.: J. J. G. Prick; H. G. van der Waals: Nederlands Handboek der Peychiame. Deel I en II. Arnhem 1963.
180
HOOFDSTUK VI
M O D A L I T E I T E N VAN A T T E N T I V I T E I T
„The recent multiplication of symposia devoted to problems
of consciousness is an expression of our present need, for
scientific purposes, of a better understanding of a phenomenon which is indeed the most mysterious in the whole
universe".
A. E. Fessard.
Het behoeft uiteraard geen nadere toelichting, dat het bewustzijn als
wellicht de meest specifieke menselijke vorm van intentionaliteit
nimmer gelocaliseerd kan zijn in de hersenen. Immers in de intentionaliteit manifesteert zich de geaardheid van een transcendente act.
Bewustzijn is eigenlijk: be-wust-zijn-van (lat.: cum-scire, con-scius;
fr.: con-science; eng.: con-scious), weet-hebben-van. Transcendente
acten zijn nimmer gelocaliseerd en men moet de ouderwetse materialistische opvatting van de neurofysiologie bestrijden, dat het bewustzijn bijvoorbeeld in de frontaalkwabben der hersenen gelocaliseerd zou zijn.
Bewustzijn is een intentionele zijnswijze van het subject; de mens
wordt niet met verstandelijk bewustzijn geboren, maar dit moet geleidelijk aan tot ontwikkeling komen. De pasgeborene is nog niet
verstandelijk, heeft nog geen verstandelijk bewustzijn te zijner beschikking. De ontwikkeling van de menselijke bewustzijnsorganisatie
verloopt over treden. Op de laagste trede van deze ontwikkeling
wordt men geconfronteerd met de coenaesthesie (sensus communis)
en eerst geleidelijk aan komen meer gedifferentieerde praefiguraties
van het verstandelijk bewustzijn tot ontplooiing. Uiteindelijk worden de manifestaties van verstandelijk bewustzijn bij het concrete individu manifest.
Ofschoon men in de oude tegenstelling van 'geestelijk' en 'lichamelijk'
in de duale anthropologie van Descartes het bewustzijn als een exclusief geestelijk fenomeen beschouwde, weet men thans, dat dit
overwegend als geestelijk imponerend levensverschijnsel uitsluitend
manifest wordt, wanneer een bepaalde zijnswijze van het zenuwstelsel gerealiseerd is. Het bewustzijn steunt dus op deze zijnswijze van
het zenuwstelsel. Bewustzijn op zich is niet gelocaliseerd in een be181
paald deel van het zenuwstelsel. Wel moet worden gezegd, dat er een
bepaalde zijnswijze van het zenuwstelsel vereist is als fysiologische
conditie, wil verstandelijk bewustzijn manifest (kunnen) worden.
De bewustzijnsfysiologie bestudeert derhalve feitelijk welke biologische condities vereist zijn, wil het subject zó gewekt worden door
middel van activiteiten van het cerebrum als instrument, dat zijn
verstandelijk bewustzijn manifest wordt. De attentiviteit is niet gelocaliseerd. Teneinde een vergelijking te maken, dat het verstandelijk bewustzijn niet in het cerebrum gelocaliseerd is, maar een creatieve act van de mens, waarbij bepaalde functionele zijnswijzen van
de hersenen als instrument vereist zijn, moge volgend voorbeeld
gelden.
Een violist creëert een melodie. Wanneer hij met behulp van een uitstekende
viool, als zijnde het instrument, deze melodie tot ontwikkeling brengt, dan zal
niemand beweren, dat deze melodie in de viool gelocaliseerd is, noch dat de
viool de melodie voortbrengt. Slechts ligt in de viool de dispositie bestorven om,
wanneer ze door het subject bespeeld wordt, diens persoonlijke creatie van de
melodie te uiten. De melodie is de openbaring van het persoonlijke zijn; ze is
nergens gelocaliseerd, ze wordt alleen met behulp van een materiële organisatie,
die daartoe de dispositie heeft, tot ontwikkeling gebracht.
Waar het derhalve in ons geval op neer komt is, dat de hersenen
als instrument zich op een bepaalde wijze structureren — in de modus van het hersen-zijn als bepaald aspect van de persoonlijkheid —
om de personale act van het bewustzijn tot manifestatie te brengen.
Voor de exact fysiologische proeven hieromtrent zij verwezen naar
het oorspronkelijk werk van MAGOUN1), MORUZZI») en BREMER 3 ).
1.
BEMERKEN,
OPMERKZAAMHEID,
OPLETTENDHEID
EN AANDACHT
De problematiek van het bewustzijn, zeker voor zover dat fenomenologisch gefundeerd is, confronteert ons met het woord 'arousal',
afkomstig van 'to arouse': wekken, wakker schudden, opwekken,
aanporren.
Wat betreft de relatie tussen arousal en bewustzijn leren ons de
alledaagse ervaringen van het leven, dat wanneer de mens slaapt —
*) University of California, Loe Angeles (U.S.A.).
») Università di Pisa (Italia).
*) Université de Bruxelles (Belgique).
182
hetgeen niet identiek is met bewusteloosheid — er wekprikkels nodig
zijn om hem vanuit de slaap weer tot het optimaal menselijk bewustzijn te brengen. Hij moet in de letterlijke zin van het woord gewekt
worden, opgepord worden, aangezet worden, geactiveerd worden.
Zelden is hierbij gewezen op de etymologische samenhang van het
transitieve 'arouse' en het intransitieve 'arise', dat rechtstreeks afstamt van het latijnse 'oriri' (opkomen, oprijzen, opstaan, zich verheffen). Etymologisch-psychologisch is dus de arousal te beschouwen
als wekprikkel voor het lichaam en gelijktijdig als oriënteringssein
voor het bewustzijn. Welnu, voor het tot stand brengen van het
echte menselijk bewustzijn is de werkzaamheid van de lichamelijkheid vereist: in het bijzonder dat deel van de lichamelijkheid, hetwelk we het zenuwstelsel noemen. Dit 'zich aanspannen' (lat.: adtendere) van de lichamelijkheid, van het zenuwstelsel in functie van
de bewustzijnsorganisatie, noemen wij de attentiviteit. Attentiviteit
verwijst eigenlijk naar het zichzelf-aanspannen en het zichzelf-organiseren van de lichamelijkheid in dienst van het creëren van het
bewustzijn.
Het zenuwstelsel organiseert zich onder invloed van wekprikkels en
eerst wanneer een bepaalde zijnswijze van het zenuwstelsel aanwezig
is, kan er sprake zijn van verstandelijk bewustzijn. Wordt deze functionele zijnswijze niet tot stand gebracht, dan zijn deze prefiguraties
(van bewustzijn) niet aanwezig en is zelfs coma mogelijk.
In het kader van de opvattingen van GALON en РЫСК met betrekking
tot de zich geleidelijk voltrekkende bewustzijnsdifferentiaties, menen
wij de modaliteiten van attentief-zijn, in de zin van specifieke
manifestaties van bewustzijn, te weten het bemerken, de opmerk
zaamheid, de oplettendheid en de aandacht, te kunnen verduide
lijken.
Op de laagste, minst gedifferentieerde trede, op animaal-biologisch
niveau bewerkstelligt de arousal pre-intentioneel ondergaan van in
vloeden uit binnen- en buitenwereld: bemerken, ontwaren. Dit or
ganisch bemerken is een 'niet-wetend weet-hebben' van het subject
op het niveau van zijn organistisch bestaan. Als zodanig is 'bemer
ken' een .modaliteit van niet-wetend weten, een onbewust organisch
bewustzijn. Hier is hoogstens sprake van een vitale, subjectieve wijze
van intentioneel-zijn, originair dicht tegen sensitief bewustzijn aan
leunend.
183
Bemerken is lichamelijke activiteit op het niveau van coenaesthetisch
bewustzijn. De op het lichaam inwerkende in- en externe prikkels
brengen veranderingen in de lichamelijke toestand teweeg en daarmee correlerende wijzigingen in het stemmingsmatig fundament.
De fijnste, belangrijkste zintuigen voor het bemerken op het niveau
van de vitale functies zijn de viscero- en proprioceptoren alsmede
het evenwichtszintuig. Bij dit bemerken kan eigenlijk nauwelijks worden gesproken van gewaarwording, zeker niet van waarneming,
waarin reeds wezenlijke intentionaliteit besloten ligt. Bemerken geschiedt in de sfeer van een subjectieve wijze van zijn en (pre)formeert gewaarwording.
Opmerkzaamheid is allereerst die wijze van intentioneel-zijn, welke
tot object heeft datgene, wat het subject in zijn grensvlak van binnen- en buitenwereld verandert, daarin aangrijpt (gesubjectiveerde
corporalieit).*) Als zodanig onthult opmerkzaamheid intentionaliteitskarakter op het niveau van sensitief bewustzijn. In ruimere zin
beslaat de opmerkzaamheid het totale gebied binnen de begrenzing
van de vitale ruimte 5 ) Opmerkzaamheid ligt merendeels in het
overgangsgebied van gewaarwordings- naar waarnemingsbewustzijn
(markerende attentiviteit).
Oplettendheid is meer gedistancieerde, geobjectiveerde wijze van
zijn en representeert actief intentioneel zijn. Het cognitief moment
neemt de overhand op het niveau van apperceptief, prereflexief bewustzijn. Houding en uitdrukking van het oplettend individu verraden een afwachtend-selectieve instelling (garderende attentiviteit).
De algehele lichamelijkheid neemt deel aan deze doelgerichte activiteit. Oplettendheid kan op de duur als het ware geautomatiseerd
tot stand komen op basis van prereflexief bewustzijn, dat zich door
oefening en training afgesplitst. Oplettendheid preformeert aandachtig zijn, dat in wezen louter op het niveau van rationeel bewustzijn
gegeven is.
Aandacht is een zuiver verstandelijk-intentionele wijze van zijn in de
zin van reflexief, representatief bewustzijn. Het is een essentie*) Naast de betekenis van: het merkteken, het stempel drukken op, is naar alle
waarschijnlijkheid de oudste betekenis van merkteken etymologisch: grensteken (waarvan woorden als markgraaf, markeren, demarcatie nog getuigen).
s
) Het jagengezegde: „de hond markeert" (d.w.z. de jachthond duidt met snel
heen en weer bewegen van zijn staart de komst of aanwezigheid van wild
aan) is demonstratief voor de grondbetekenis van opmerkzaamheid.
184
onthullende activiteit, welke in 'denken-aan, in-gedachten-verwijlenbij', een specifiek cultureel-menselijke act representeert. De aandachtige kan reflexief 'terugbuigen' op hetgeen hij heeft opgemerkt of
gadegeslagen. Aandacht speelt zich af in de sfeer van het verstandelijk kennen; het is de meest gedifferentieerde modaliteit van attentief bewustzijn. In aandacht komt de essentie van het echte menselijk bewustzijn het meest pregnant naar voren. Het in de aandacht
gegeven verstandelijk ontstaan besef is representatief, vertegenwoordigt iets, dat buiten de subjectieve belevingswereld ligt. Dit verwijzend karakter is op het niveau van sensitieve attentiviteit niet gegeven.
Terecht wordt de aandacht door CALÓN en PRICK betiteld als „het
meest delicate der psychische fenomenen", waaraan zij een bijzondere plaats toekennen.
Samenvattend kan worden gesteld, dat met de term attentiviteit,
alsmede de er aan te hechten onderscheiding in attentief-zijn, het specifiek dynamisch kenmerk van aanspanning der lichamelijkheid ter
intentionele zijnsmodaliteit — waartoe een bepaalde zijnswijze van
het zenuwstelsel een noodzakelijke voorwaarde vormt — als prefiguratie om bewustzijn te creëren, wil worden beklemtoond, zoals in
de differentiaties van opmerkzaam, oplettend en aandachtig zijn tot
uitdrukking komt.
Waar in het voorgaande aan de arousal (als wekroep van de formatio reticularis) de tweeledige functionaliteit werd toegekend аші wekprikkel voor het lichaam
en van oriënteringssein voor het bewustzijn, met tot gevolg het neh aanspannen
(attendere) van de lichamelijkheid (waarvan het zenuwstelsel het constituerend
moment uitmaakt) in dienst van het creëren van echt menselijk bewustzijn, rijst
de vraag hoe zich verdere structurering van het attentief aandeel in de Aktualgenese van de waarneming speculatief verbeelden laat.
Een etymologische speurtocht naar de grondbetekenis van de stam "waar-" kan
verhelderend licht werpen op de psychologische valentie en differentiatie van
de hierbij betrokken attentieve en (ap)perceptieve modaliteiten. De etymologische
grondbetekenis van het woord „waar" is terug te vinden in „wara, ware-, war-"
( = opmerkzaam, oplettend, behoedzaam; het acht slaan op, het zorgen voor,
het in aaht nemen) alsook in „giwar, ghewar, gheware" ( = gewaar, oplettend,
voorzichtig, vief, behoedzaam; het oog houden op, bewaren, beschermen, zorgen).
Er kan geen twijfel bestaan aan verwantschap met „waren, ontwaren, bewaren;
gewaarwording, waarnemen, waarschuwen; waarborg; vrijwaren; verwaarlozen,"
en andere samenstellingen. Etymologische samenhang is bovendien terug te vinden in het duitse „wahr, wahren, gewahr, gewahren", in het engelse „ware,
aware, beware, wary, wareful" en naar alle waarschijnlijkheid ook in het franse
„garer, gare, garder, regarder, garde". In deze afleidingen is nog de basisbetekenis van het woord „waar" ( = opmerkzaam) te onderkennen: de attentieve modaliteit ligt hier etymologisch verankerd.
185
Als exponent van de normale interactie der buiten- en binnenwereld, der uitwendige zintuigen met de inwendige in cerebro, fungeert de arousal, oorsprong
en aanzet tot primitieve attentivi teit: bet wakker worden, het waar-worden,
het ge-waar-worden van het organisme en het ontwaken, ontwaren van bewustzijn. Dienovereenkomstig representeert de arousal signaalkarakter èn oriënteringstendens op het niveau van primitief bemerken (ge-waar-worden, ont-waren),
ab fundamentele prefiguratie van (menselijke) attentiviteit. D e gewekte, aangeporde en onder invloed vam het zenuwstelsel aangespannen ( at-tentieve), zich
oriënterende en organiserende lichamelijkheid gaat verkeren in waaktoestand
onder irtvloed van waakbewustzijn (éveillerende en signalerende attentiviteit). Dit
waar-worden, ont-waren realiseert het stadium der presentie. Onder invloed van
vootschríjdende zlntuigelijke organisatie differentieert zich het signaalkarakter
tot signum en verkrijgt tekenkarakter, zoals in waar-merken tot uitdrukking
komt: het voorzien van een merkteken hetgeen in bet grensvlak van binnen- en
buitenwereld aangrijpt, met andere woorden opmerkzaamheid (signerende attentiviteit) .
Aan dit proces van de markering of signering kan door het subject significatie
worden verleend, waardoor het attentief aandeel medebepalend wordt voor het
stadium van de betekenis-verlening in de Aktual-genese van de waarneming.
Het teken-karakter verkrijgt ding-karakter. Met dit waarnemen houdt de attentieve modaliteit van oplettendheid verband, in de zin van onder de hoede
nemen, in acht nemen. Ten slotte kan deze betekening of betekenis zinnebeeldig
worden voorgesteld in de vorm van een symbool, zoals in het stadium van de
benoeming het geval is. Deze symbolisering impliceert letterlijk: onopzettelijk
doen denken aan, hetgeen slechts mogelijk is op het niveau van echt menselijk,
reflexief en representatief bewustzijn, in de attentieve modaliteit van aandacht.
Etymologisch is hier sprake van waar-houden, in gedachten houden.
Onder hypothetisch voorbehoud lijkt hier de kultureel-menselijke expressie
bij uitnemendheid, de taal, waardevolle informaties te verschaffen, zowel met
betrekking tot de neuropsychologisch aan de arousal te verlenen betekenis voor
het subject alsook ten aanzien van het daaruit voortspruitend attentief aandeel
in de Aktual-genese van de waarneming, waarin zich de zinverlening door het
subject manifesteert.
2 . ATTENTIVITEIT ALS EEN DER VERBIJZONDERDE
MANIFESTATIES VAN MENSELIJK BEWUSTZIJN
Het menselijk bewustzijn is specifiek gebonden aan het bestaan van
de mens. Dit impliceert essentieel verschil tussen menselijk en dierlijk bewustzijn. Beiden kunnen in werkelijkheid slechts als analoge,
niet als identieke verhoudingen met elkaar worden vergeleken.
Menselijk bewustzijn is eigenlijk reflexief ontstaan besef (weet-hebben) van de Ik-zelf- en Ik-wereld-verhoudingen van het individu. Het
is een act van menselijk verstand, waarvan reflectie een verbijzonderd aspect representeert.
Wanneer de mens onbewust-waarnemend en zinnelijk-kennend indrukken ondergaat van zijn Ik-zelf- en Ik-wereld-relaties, dan worden
hem deze pas bewust, indien hij zijn reflectie hierop richt. In het
186
weet-hebben van daaruit resulterend besef omtrent zintuiglijke indrukken of keninhouden manifesteert zich verstandelijk bewustzijn.
Als zodanig is menselijk bewustzijn steeds manifestatie van menselijk
verstand en resulteert uiteindelijk in Ik-besef. Zo is ook menselijke
attentiviteit, als verbijzonderde modaliteit van bewustzijn, (overwegend) verstandelijk bepaald.
a. Ontwikkelingspsychologische
beschouwingswijze.
Het menselijk bewustzijn, dat dus reflexief of mentaal object-bewustzijn is, wordt gekenmerkt door prefiguraties, die niet alleen in
vroege levenstijdperken, waarin nog geen verstand aanwezig is, maar
ook in alle toestanden, waarbij verstandelijke activiteit niet optimaal
mogelijk is, een rol spelen. (Cfr. dementie, hysterie, epilepsie.) In
feite kan derhalve het fenomeen van attentiviteit ontwikkelingspsychologisch benaderd worden vanuit menselijk bewustzijn.
A b prefiguraties van bewustzijn, met inbegrip van attentiviteit,
fungeren coenaesthetisch, sensitief en prereflexief bewustzijn.
Coenaesthetisch bewustzijn, waarbinnen verschillende ontwikkelingstreden gegeven 'zijn, is het primitief ondergaan van, een geconfronteerd worden met indrukken van de sensus communis; ruimer gesteld: het op zeer diffuus-globale wijze vitaal aangedaan worden door
de gewijzigde lichamelijke toestand en daarmee corresponderende
psychische veranderingen (van motorische, thymische en instinctieve
aard), welke opgeroepen worden door inwerking van uit- en inwendige milieu-invloeden. Ook door reflex-activiteiten, automatische bewegingspatronen, die ondoordacht optreden als antwoord op inwerkende milieu-invloeden, wordt de mens vitaal aangedaan.
Meer gedifferentieerd, sensitief bewustzijn treedt op de voorgrond
wanneer het vitaal aangedaan worden als gevolg van de gewijzigde
lichamelijke toestand en alle psychische veranderingen, welke daarmee corresponderen, zich meer omvormt tot zinnelijk vaag besef,
waarbij reflectie nog geen rol speelt. Het impliceert een vaag gerichtzijn op de Ik-zelf en Ik-wereld-relaties op basis van het lust-onlustprincipe. 1 )
1
) In tegenstelling tot verstandelijke attentiviteit, welke correleert met het realiteitsprincipe.
187
Aangezien hetgeen gezegd werd met betrekking tot de voorafgaande
treden van bewustzijn ook geldt ten aanzien van attentiviteit, kan
men dienovereenkomstig spreken van respectievelijk coenaesthetische
en sensitieve modaliteiten van attentiviteit.
Van prereflexief bewustzijn is sprake wanneer menselijke gedragingen, die in de aanvang als verstandelijk bewuste gedragspatronen
zijn te bestempelen, op de duur in vanzelfsprekendheid en ondoordachtheid, als het ware geautomatiseerd, gaan plaats vinden. Het
aanvankelijk verstandelijk weet-hebben van gedragingen wordt uiteindelijk getransformeerd in besef, dat de indruk maakt automatisch
tot stand te komen. Dit betekent, dat het lichaam in toenemende
mate de leiding gaat nemen bij de uitvoering, waardoor geestelijke
activiteit meer recessief wordt. Uit alledaagse levenservaringen en
uit gegevens van patho-psychologie blijkt, dat talrijke menselijke
activiteiten zich op de duur op een lager niveau dan het expliciete
reflexief bewustzijn kunnen gaan voltrekken, waardoor het lichaam
als het ware de rol gaat spelen van het subject als geheel („Ie corps
sujet").
Onder invloed van bewuste oefening en training verwerft het lichaam toenemende 'wijsheid', welke uiteraard niet los staat van de
geestelijke regeling, die binnen het menselijk bestaan heerst, maar
wel verwijst naar een meer geaccentueerd raken van zogenaamde
autonome lichaamswijsheid („wisdom of the body"). In feite betekent
dit, dat men in zekere mate kan spreken van een lichamelijke attentiviteit, welke naar analogie van „wisdom of the body" zou kunnen
worden bestempeld als „bodily attentivity".')
Het lichaam kan in bepaalde omstandigheden op eigen manier „wijs" reageren.
Het kan op sommige momenten als het ware vicariërend voor de geest optreden.
Dit is geen profanatie of denigrering, maar hoogste openbaring van geestelijke
regulatie, dat in de bezielde lichamelijkheid de geest vermag te detacheren, te
delegeren aan het lichaam, het bepaalde taken ter gedeeltelijke overname kan
toevertrouwen.
Vergeleken met de opvattingen van KLAGES over zijn antithese van
„Seele" en „Geist", behoren sensitieve en prereflexieve attentiviteit
tot het domein van de „Seele", reflexief bewustzijn tot het domein
van de „Geist".
) In het geordend plaats vinden en het zich feilloos voltrekken van slaapwandelen manifesteert zich dit onder meer.
188
Met betrekking tot het dierlijk bewustzijn zij opgemerkt, dat op een
bepaald ogenblik, zonder aantoonbare geest, toch lichamelijke activiteiten mogelijk zijn, die op attentiviteit wijzen. Zo kan het dier,
zonder geest, veel attentief doen.
De onderscheiding met betrekking tot bovengenoemde modaliteiten
van bewustzijn en attentiviteit impliceert geen absolute scheiding.
Zij bestaan in de praktijk niet afzonderlijk. Bedoeld is veeleer, dat
telkens één bepaalde modaliteit prevaleert, domineert, maar dan
niet los gerukt uit het intiem samenspel met de respectievelijke andere modaliteiten van bewust- en attentief-zijn.
Wanner iemand reflexief attentief is, zijn de prereflexieve, sensitieve en coenaesthetische modaliteiten geenszins uitgesloten, integendeel juist nog mede in het samenspel begrepen. Prereflexieve attentiviteit omvat onder normale omstandigheden nog sensitief en coenaesthetisch attentief zijn. Zelfs wanneer iemand zich uitwendig
gedraagt als overwegend coenaesthetisch attentief, kan bij nadere
analyse nog sprake zijn van enige meer gedifferentieerde sensitieve
attentiviteit.
Wat nu normale attentiviteit van pathologische onderscheidt, is juist
het geheel of gedeeltelijk verstoord zijn van deze intieme verbondenheid der attentieve modaliteiten. Met andere woorden de integratie
van coenaesthetisch, sensitief, prereflexief en reflexief bewustzijn
valt weg, verdwijnt, partieel of totaal. Bovendien is in ziekelijke omstandigheden meestal geen sprake meer van reflexieve attentivtiteit.
Beide verschijnselen vormen essentiële kenmerken van ziekelijk
misvormde attentiviteit, zoals met name bij epilepsie en hysterie.
(De epileptische en hysterische patiënt missen bij buien hun verstandelijke attentiviteit, zodat enkel coenaesthetisch-sensitieve attentiviteit gegeven blijft, die dan ook nog afwijkend is van de normale.)
b. Existentieel-anthropologische
benaderingswijze.
Wanneer men de problematiek van het bewustzijn — met inbegrip
van aandacht en de in het voorafgaande aan de orde gestelde andere
modaliteiten van attentiviteit — benadert vanuit de gezichtshoek van
189
de existentiële anthropologie, dan kan men de volgende opvatting
postuleren.
Het menselijk zijn als specifieke en unieke levensvorm, — aangeduid
als Dasein of existentie — is een polaire eenheid van het persoonlijk
bestaansaspect en het lichamelijk bestaansaspect. Dit lichamelijk be·
staansaspect steunt op de georganiseerde organische processen, die
zich binnen het organisme voltrekken. In het kader van dit georganiseerd gebeuren, dat de bedrij fshuishouding van het organisme constitueert, worden de fysiochemische activiteiten, metabole en endocrine processen, weefsel- en orgaanprocessen noodzakelijke voorwaarden voor en zijn uiteindelijk deelaspecten van de lichamelijkheid als
subjectiviteit. Met dit laatste is bedoeld, dat de lichamelijkheid
van de mens een integrerend aspect is van de persoonlijkheid.»)
Lichamelijkheid als subjectiviteit is meer dan een organisme. Het
is een zijnswijze van de mens. In contact met de wereld realiseert
de lichamelijkheid een soort vóórpersoonlijke ontmoeting, die zich
openbaart in somatische gedragingen en handelingspatronen.
Uit de geaardheid van deze laatsten en uit het feilloos aangepastzijn aan de situationele omstandigheden blijkt, dat de lichamelijkheid over een — als vóór-persoonlijk te betitelen — 'wijsheid' beschikt, dat wil zeggen 'weet' heeft van de omstandigheden, en dat
het individu, het subject, met behulp van de lichamelijkheid, betekenis verleent aan de ervaren milieu-invloeden.
Terwijl op het organisch niveau van menselijk leven enkel sprake
is van een zeer primitief bemerken, gaat gedurende de ontwikkeling
van h t t individu dit 'bemerken' (empfinden) zich steeds meer differentiëren. Het organisme, als deelmoment van het subject, bemerkt
bijvoorbeeld in de sfeer van de viscera het zich aldaar bevindende
voedsel, zonder dat het subject hier enig bewustzijn van heeft. In
normale gezondheid scheidt het bemerkende organisme, volkomen
aangepast aan de geaardheid van de toegediende fysische en chemische prikkels, de vereiste, bij de vigerende situatie passende ex- en
interne secreties af.
Uit dit gedrag van het organisme moet men besluiten, dat het orga') Zonder hierop verder in te gaan zij verwezen naar de uiteenzettingen van
Galon en Prick, die binnen het Ik als subject een onderscheid maken tussen
het sociale, geestelijke en lichamelijke Ik. (J. J. G. Prick; H. G. van der
Waals: Nederlands Handboek der Psychiatrie. Deel I blz. 194-201.)
190
nisme 'wéét' heeft, dat wil zeggen betekenis kan verlenen aan de inwerkende impulsen, en aangepast aan dit weet-hebben zinvol antwoord geeft op deze onbewuste kennis. Hier kan men spreken van
'bewusteloos bewust-zijn', dat wij nader omschrijven als „bemerken".
Dit is in feite een gevoelsmatig gewaarworden; prefiguratie van
het meer sensitief bewustzijn op komst. Dit bemerken en de daaruit
resulterende meer gedifferentieerde treden zijn opgenomen binnen
de coenaesthesie: eigenlijk deelaspecten daarvan. Zoals eerder gezegd, is de coenaesthesie het lustvol of onlustvol opgaan in het vitaal
aangedaan worden als gevolg van het bemerken van de op het organisme inwerkende prikkels.
Op het niveau van de lichamelijkheid als subjectiviteit is er nog
geen sprake van echt specifiek menselijk bewustzijn. In feite zijn de
gedragingen, de handelingspatronen, die zich op het niveau van de
lichamelijkheid manifesteren en door het lichaam gecreëerd worden,
somatomotore automatismen. Deze worden door de lichamelijkheid
in ondoordachtheid en in vanzelfsprekendheid georganiseerd.*) Deze
voorbewuste automatismen, welke op het niveau van de lichamelijkheid tot uiting geraken en door het subject met behulp van de
lichamelijkheid tot uiting worden gebracht, blijken in feite niet geheel los te staan van het persoonlijk bestaansaspect van het individu,
waarbinnen het verstandelijk of reflexief bewustzijn zijn plaats
heeft. Waar dit persoonlijk bestaansaspect een eenheid uitmaakt met
de lichamelijkheid, impliceert deze intieme verbondenheid, dat het
vóór-persoonlijke onbewustzijn de werking van het persoonlijk bewustzijn in zich gegrift, in zich vervat houdt.
In deze gedachtegang stelt PRICK, dat het vóór-persoonlijk onbewustzijn in feite een 'wetend-niet-weten' is. „Er is sprake van een 'weten',
omdat uit de activiteiten van het lichaam en uit het gedrag en beleven van de mens blijkt, dat zowel het lichaam als de 'biologische
psyche' weet hebben van de indrukken en er op reageren. Dat er
tegelijkertijd van 'niet-weten' van de opgedane indrukken gesproken
wordt, berust op het feit, dat bedoelde indrukken niet opgetrokken
worden naar het niveau van het verstandelijk bewustzijn".l,) Dien*) Men kan hier analogieën ontdekken met de automatisering, welke zich in
fabriek en bedrijf bezig is te ontwikkelen.
5
) J· J· G. Prick en H. G. van der Waals: Nederlands Handboek der Psychiatrie.
Deel II, bk. 391.
191
overeenkomstig is bewustzijn niet een exclusieve wijze van intentioneel betrokkennzijn bij de wereld en bij het zelf, maar tegelijkertijd
een niet-er-bij-betrokken-zijn. Rondom deze ambiguïteit van 'weten
en niet-weten', van intentioneel betrokken-zijn en niet-betrokken-zijn
bij de omgeving en bij het zelf, centreert zich de moderne bewustzijnsproblematiek.
192
SAMENVATTING
Dagelijks terugkerende ervaringen in d e psychiatrische kliniek en
in de psychologische praktijk confronteren ons bij jeugdigen en volwassenen, c.q. scholieren en patiënten met klachten of stoornissen in
het opmerkzaam.oplettend of aandachtig zijn. Deze verschijnselen raken de
bewustzijnsproblematiek.
O m d a t de in complexiteit toenemende structuur van h e t maatschappelijk bestel en verkeer juist aan deze ogenschijnlijk
expressie-modaliteiten
psychologische
enerzijds hogere eisen stelt, anderzijds
af-
b r e u k doet, interesseerde ons de testologische b e n a d e r i n g van bedoelde verschijnselen, aanvankelijk als probleem, later ook als bevinding.
W a a r reeds LINDWORSKY juist dit gebied v a n de (experimentele) psychologie o n d a n k s d e talrijke onderzoekingen als een der minst bevredigende heeft gekarakteriseerd en m e n tot o p de dag van vandaag over relatief weinig mogelijkheden beschikt voor het onderzoek
o p d i t terrein, werd een experimentele modificatie van een destijds
door A. A. GRÜNBAUM, in samenwerking m e t L. VAN DER HORST, opgesteld exploratief o n t w e r p (getallenpaneel)
o p h a a r psychodiagnos-
tische waarde voor d e praktijk getoetst.
Als tegenhanger èn aanvulling van de in zwang zijnde conventionele
m e t h o d i e k e n o p dit terrein — zoals Bourdon-Wiersma,
Toulouse-
Piéron, Kraepelin, Meilli e n meerdere o p dit stramien verschenen
versies — leek d e G r ü n b a u m preferente a a n k n o p i n g s p u n t e n te Ыеden, in zoverre deze onderzoekprocedure overwegend expansieve, dis
tributieve aandachtsvorm provoceert (in de eenvoudige methodische
uitvoering) naast dynamisch samenspel van duellerende en vicariër e n d e tendenzen van focus- en field-attention (in de gecompliceerde
methodische uitvoering).
De verwachting, d a t modificatie van de G r ü n b a u m bijdrage en perspectief zou k u n n e n opleveren voor d e testologische b e n a d e r i n g v a n
bewustzijnsdalingen, opmerkzaamheidsschommelingen en aandachtsstoornissen, heeft in het casuïstisch en statistisch resultaat van ons
onderzoek bevestiging gevonden.
De onderhavige verhandeling m a a k t m e l d i n g van de daartoe door
ons opgestelde en gebruikte klinisch-experimentele modificatie van
193
de Grünbaum, alsmede van de door toepassing verkregen bevindingen en resultaten.
Als zodanig draagt dit onderzoek een louter empirisch karakter en
is bedoeld als oriënterend experiment. Tot grondslag voor deze empirisch-experimentele terreinverkenning dienden de Grünbaummodificatie-resultaten van 773 onderzochten, in leeftijd variërend
van 8 tot 80 jaar, welk onderzoek-materiaal in toegevoegde tabellen
van numerieke data is weergegeven.
Na in hoofdstuk I probleem- en doelstelling van deze verhandeling
in het kort te hebben geschetst, wordt als overkoepelende verzamelterm van al die intentionele zijnsmodaliteiten, welke differentiaties
van opmerkzaam, oplettend en aandachtig-zijn indiceren, het begrip
„attentiviteit" ingevoerd. Deze operationele term is voornamelijk bedoeld om bestaande begripsverwarring te vermijden en beoogt tevens
meer eenheid in spraakgebruik te bevorderen door onder een gemeenschappelijke noemer al deze intentionele modaliteiten samen
te voegen, welke een der verbijzonderde manifestaties van menselijk
bewustzijn representeren en als dynamische levensuitingen te beschouwen zijn.
In hoofdstuk II worden, na een beknopte levensschets van de ontwerper der hier aan de orde gestelde methode van onderzoek, enkele
beschrijvingen gegeven van toepassing en resultaten door VAN DER
HORST (1938), WATERiNK (1946) en VAN EEKELEN (1953). Ondanks het
door deze auteurs verschillend gekozen indicatie-gebied voor toepassing van de Grünbaum, blijken zij in hun oordeel over de bruikbaarheid er van eenstemmig positief. Deze constatering is des te frappanter, waar over de onderzoekmethode van GRÜNBAUM, hoewel nog
hier en daar in gebruik, naar ons bekend geen verdere publicaties
meer zijn verschenen.
Eigen ervaringen met de Grünbaum ten behoeve van de psychologie
in de neurologisch-psychiatrische sfeer toonden eveneens klinische
bruikbaarheid aan, met name bij in hun bewustzijn of aandacht
gestoorde patiënten. Op grond van bij deze klinische toepassing geconstateerde methodische inconveniënten, die afbreuk deden aan
het onderzoekresultaat, groeide de overtuiging, dat aanvullende wijzigingen met betrekking tot de presentatie en registratie van de
Grünbaum psychodiagnostische perspectieven zouden kunnen bieden.
194
Onze uit tal van proefnemingen uiteindelijk geresulteerde Grünbaum-modificatie wordt in hoofdstuk III uitvoerig toegelicht. Invoering van het kleurelement (door ultraviolette belichting van
fluorescerend cijfermateriaal) en relatieve duisternis vormen de wezenlijke componenten van de nieuwe experimentele situatie.
Het door deze methodische wijzigingen uitgelokt pathisch engagement van onderzochte met kleuren en relatieve duisternis als gewaarwordingsbelevingen, appelleert op het bewustzijnsaspect, voor zover
dit door de emotionele structuur van de situatie wordt beïnvloed.
Deze gelijktijdig gnostische (getalssymbolen) èn pathische (kleuren)
confrontatie is van differentiërende invloed gebleken met name ten
aanzien van attentief labiele of gestoorde onderzochten en is te beschouwen als een reële bijdrage tot de indicatief-selectieve waarde
van Grünbaum's onderzoekprincipe. De eveneens verruimde mogelijkheden van attentief -mnestisch falen — in omissie ve, abusieve en
erratieve zin — worden gedifferentieerd besproken.
In hoofdstuk IV vormt het problematisch karakter van de beleving
van lichtgevende kleuren in relatieve duisternis het onderwerp van
bespreking. In hoeverre aan deze complicatie zeker aandeel in de
psychodiagnostische resultaten is toe te schrijven, valt nog niet te
overzien. Uitvoerig wordt ingegaan op het verschil in eenvoudige
en gecompliceerde methodische uitvoering, aan de hand waarvan
tevens het psychologisch onderscheid met de Bourdon-Wiersma beklemtoning krijgt. Hierbij blijken de door de (gemodificeerde) Grünbaum op basis van het mentaal-logisch ordeningsproces der arithmetische getallenreeks geprovoceerde attentieve dynamiek en het
daaraan eigen polaire karakter essentieel.
Gepleit wordt voor gecombineerde toepassing van de eenvoudige
en gecompliceerde methodische uitvoering met het Bourdon-Wiersma-onderzoek, omdat elk van deze methodieken specifiek licht werpt
op het attentief proces. Voor zover de betreffende klinische ervaring
thans reikt, worden de psychodiagnostische indicatiemogelijkheden
der varianten van falen toegelicht.
Nadat in hoofdstuk V de samenstelling der groepen onderzochten —
respectievelijk bestaande uit leerlingen van stads- en dorpsscholen,
internaatskinderen, vakscholieren, normale proefpersonen, alsmede
licht-neurologische ziekenhuispatiënten en in psychiatrische klinieken verpleegden — is besproken, worden aan de hand van reken195
kundige gemiddelden betreffende de frequentie-verdeling der zoektijden in de Grünbaum-modificatie enige preliminaire differentiaties vastgesteld. Hieruit resulteren reeds vrij duidelijke verschillen
in attentieve intensiteit, vigiliteit en tenaciteit met betrekking tot
jeugdigen en volwassenen enerzijds, en in hun aandachtsproces normaal en gestoord functionerende proefpersonen anderzijds.
In de in aansluiting hierop verrichte statistische analyse van de uitkomsten, bepaald met behulp van een gewone scoring voor de tijdprestaties in de Grünbaum-modificatie, blijkt onze aanvankelijk gestelde hypothese, dat wij hier te doen hebben met een „aandachtsproef", welke dienovereenkomstig te toetsen moet zijn bij als zodanig gestoord bekend staande, klinisch gediagnostiseerde patiënten,
significanten en gedifferentieerde bevestiging te vinden. Aan de hand
van casuïstische bespreking van Grünbaum-modificatie-resultaten
worden verschillen tussen epileptische, depressieve, dementerende en
enkele andere categorieën van patiënten toegelicht.
Melding wordt gemaakt van een begin van experimentele toepassing
der gemodificeerde Grünbaum-methode in combinatie met electroencephalografisch onderzoek. Het maakt de indruk, dat er aanknopingspunten bestaan voor synchroniciteit van getalherkenning in de
Grünbaum en geregistreerd arousal-effect in het electroencephalogram.
Tot slot wordt in hoofdstuk VI het attentiviteitsbegrip gedifferentieerd naar modaliteiten van coenaesthetisch bemerken, sensitieve
opmerkzaamheid en prereflexieve oplettendheid als prefiguraties
van menselijke aandacht op het niveau van reflexief, representatief
bewustzijn, overeenkomstig de opvattingen door GALON en met name
door PRICK uiteengezet in het Nederlands Handboek der Psychiatrie.
196
RÉSUMÉ
Certaines constatations r e t o u r n a n t tous les jours en clinique psychiatrique et dans la p r a t i q u e psychologique, nous m e t t e n t en
présence
de plaintes et de troubles d e l'attention sensorielle, perceptive ou intellective, observés chez jeunes et adultes, c.q. écoliers et malades. Ces
symptômes sont en connexité avec les problèmes d e la consience.
Ce q u i nous intéressait dans les susdits phénomènes, tout d'abord à
titre de p r o b l è m e plus tard en tant q u e constatation, ce fut leur approche testologique, étant d o n n é q u e la structure de plus en plus
complexe d e la société se m o n t r e plus exigeante q u ' a v a n t d'une part
et de l'autre plus nuisante aux modalités d'expression a p p a r e m m e n t
psychologiques, q u e nous venons de m e n t i o n n e r .
LINDWORSKY, lui déjà ayant caractérisé ce d o m a i n e d e la psychologie
(expérimentale) comme é t a n t — malgré les nombreuses récherches —
l'un des moins satisfaisants et l'examen d e ce terrain disposant d e
relativement p e u d e possibilités, nous procédâmes à la verification
sur sa valeur psychodiagnostique pratique d ' u n e modification expérimentale d ' u n project exploratif (panneau des nombres), d o n t l'original était établi p a r A. A. GRÜNBAUM en collaboration avec L. VAN DER
HORST. P e n d a n t et à la fois complément des methodes conventionelles
en usage d a n s ce d o m a i n e , telles q u e BOURDON-WIERSMA, TOULOUSEPIÉRON, KRAEPELiN, MEiLLi et plusieurs autres variations sur le m ê m e
thème, la m é t h o d e GRÜNBAUM, d e préférence, nous semblait d'offrir
des points d e contact, en tant q u e cette m é t h o d e d'examen provoque
u n e attention pluôt expansive et distributive (méthode rudimentaire) parallèle au jeu d y n a m i q u e de tendances, en duel les unes avec
les autres et vicariantes, d e l'attention convergente et divergente, dite
„focus- et field-attention" (méthode complexe). Q u e la modification
de la m é t h o d e G r ü n b a u m puisse présenter des perspectives en vue
de l'approche testologique des affaiblissements d u niveau conscient
ou des troubles de l'attention perceptive et intellective, cette expectation se trouve confirmée dans le résultat casuistique et statistique de
nos recherches.
La présente m o n o g r a p h i e m e n t i o n n e n o t r e modification
clinico-
expérimentale d e la m é t h o d e d e G r ü n b a u m , établie et utilisée dans
ce b u t , et en o u t r e , les constatations et résultats obtenus en l'appliq u a n t . T e l l e qu'elle est, la présente recherche offre u n caractère
197
purement empirique et ne prétend être qu'une orientation primaire.
Base de cette recherche empirico-expérimentale furent les résultatsmodification-Grünbaum, conséquences de 773 personnes examinées,
dont l'âge variait de 8 à 80 ans et dont les constatations numériques
de recherche se trouvent mentionnées en tables annexes.
Le chapitre I esquisse brèvemem le problème et le but de cette
monographie et introduit le terme collectif „attentivité", impliquant
toutes ces modalités qui marquent des diversités de l'attention sensorielle, perceptive et intellective. Ce terme opérationnel vise surtout à éviter toute confusion d'idées existante et, en même temps, à
apporter plus d'unité linguistique, en réunissant sous un même dénominateur toutes ces modalités qui représentent l'une des manifestations de la conscience humaine et qui doivent être considérées
comme des expressions du dynamisme vital.
Le chapitre II donne, après une brève biographie de l'auteur de la
méthode originale d'examen de qu'il en est question, quelques descriptions de l'application et des résultats par VAN DER HORST (1938),
WATERiNK (1946) et VAN EEKELEN (1953). Malgré la différence du domaine indiqué par ces auteurs concernant l'application de la méthode Grünbaum, ils se trouvent à l'unanimité d'un avis positif
quant à son utilisation; constatation d'autant plus frappante que,
pour autant que nous sachions, il n'a plus paru de publications
ultérieures ayant pour sujet la méthode d'examen de Griinbaum,
bienque celle-ci soit encore utilisée ça et là.
Des constatations faites par nous-même relatives à la méthode
Griinbaum appliquée en faveur de la psychologie dans le milieu
neuro-psychiatrique, nous avons démontré en outre son utilisation
clinique, nommément dans son application sur des malades affectés
de troubles de la conscience ou de l'attention. Nous basant sur des
inconvénients de méthode constatés dans cette application clinique
— et qui nuisaient aux résultats des recherches — se corroborait
notre conviction que des modifications complémentaires, relatives à
la présentation et à l'enregistrement de la méthode originale Griinbaum, pouraient offrir des perspectives psychodiagnostiques.
Notre modification-Grimbaum, résultat final de multiples expériences, se trouve amplement exposée au chapitre III. Ce sont l'introduction de l'élément à couleurs luminescentes (avec projection de
198
rayons ultraviolets sur des séries de chiffres fluorescents) et la pénombre, qui constituent l'essentiel des composantes de la méthode
expérimentale nouvelle. L'engagement pathique de personnes examinées provoqué par ces modifications de méthode et provenant d'effets luminescents et pénombreux — étant des expériences de perception — fait appèl à l'aspect de la conscience en tant que celle-ci est
influencée par la structure émonionnelle de la situation. Cette confrontation gnostique (symboles numériques) et pathique (couleurs)
simultanée s'est avérée d'influence différentielle, nommément chez
des personnes caractérisées d'une attentivité labile ou troublée. Elle
doit être considérée comme une réelle contribution à la valeur indicative-sélective du principe de recherche de Grünbaum. Les possibilités accrues des échecs dans le domaine attentifonnémonique —
omettants, abusives ou erratiques — sont traitées de façon différenciée.
Le chapitre IV traite du caractère problématique à savoir comment le
sujet réagit sur les couleurs luminescentes projetées dans une obscurité relative. Il est malaisé et prématuré de se former une idée
définitive de la part qu'ont, éventuellement, ces complications dans
les résultats psychodiagnostiques. La distinction entre le traitement
selon la méthode rudimentaire et celui selon la méthode complexe
est relevé dans le détail. Cette distinction tend à mettre en relief
en même temp» la différence psychologique d'avec la méthode
Bourdon-Wiersma. C'est là que s'avèrent essentiels le dynamisme
attentif et son caractère polaire, provoqué par la méthode (modifiée) de Grünbaum, basée sur le procédé mental-logique de classement numérique. La combinaison d'application des méthodes rudimentaire et complexe en même temps que l'examen BourdonWiersma est préconisée, chacune de ces méthodes élucidant, séparément, l'aspect attentif. Les données psychodiagnostiques des variantes de la défaillance sont commentées dans la mésure de l'expérience clinique dans ce domaine.
Le chapitre V traite d'abord de la composition des groupements de
personnes examinées: élèves d'écoles villageoises et citadines, pensionnaires assistés, élèves d'une école professionnelle des mines, sujets normaux, des hopitalises légèrement neurologiques et ceux traités dans les cliniques psychiatriques. Ensuite l'on trouve établies
quelques distinctions préliminaires à l'aide de moyennes arithmé199
tiques relatives à la distribution de fréquence des temps de réaction
dans la méthode Grünbaum modifiée. D'ici l'on constate des différences attentives d'entre d'une part les jeunes et les adultes et
d'autre part les sujets d'attention normale et ceux affectés de troubles. Dans l'analyse statistique des résultats, effectuée conséquemment à l'aide d'un score pour les performances temporelles dans la
modification-Grünbaum, notre hypothèse initiale, à savoir qu'il
s'agit là d'une épreuve attentive et qui, comme telle, doit pouvoir
se vérifier chez des malades censés être troublés dans l'attention
après l'examen clinico-diagnostique, cette hypothèse, disions-nous, se
trouve confirmée d'une facon évidente et différenciée.
Sur la base d'une explication casuistique des résultats de modification-Grünbaum, un exposé est ajouté des différences attentives qui
existent entre les souffrants d'épilepsie, de dépression, de démence
et d'autres affections mentales. Un commencement d'application expérimentale de la méthode Grimbaum-modifiée, combinée avec
l'examen électroencéphalographique est mentionnée. On reçoit l'impression qu'ils existent des points de contact entre la synchronicité
de la réconnaissance du symbole numérique dans la méthode Grimbaum-modifiée et l'effet d'arousal qui fit son apparition dans l'électroencéphalogramme.
C'est pour finir, que dans le chapitre VI la notion d'attentivité est
différenciée en modalitées de perception coenaesthétique, de notation sensitive et d'attention préréflexive comme préfigurations de
l'attention humaine au niveau de la conscience reflexive et representative, selon les opinions expliquées par CALÓN et notamment par
PRICK dans le Nederlands Handboek der Psychiatrie (Manuel Néerlandais de la Psychiatrie).
SUMMARY
Everyday experiences in the psychiatric clinic and in psychological
practice confront us with defects in young people and adults, c.q.
scholars and patients, as regards their being watchful, heedful and
thoughtful. These phenomena affect the problem of consciousness.
T h e testological approach of the phenomena mentioned above interested us at first as problem, then also as finding the more so
since the ever increasing complexity of our social pattern and intercourse claims more and more to these apparently psychological modalities of expression and at the same time harms them. Since, in
spite of the numerous investigations, LINDWORSKY characterized this
particular field of (experimental) psychology as o n e of the least satisfying, and since u p to now we have relatively few possibilities
for investigations in this field at our disposal, an experimental modification of an exploratory design (table of numbers), made at the
time by A. A. GRÜNBAUM in collaboration with L. VAN DER HORST, was
tested on its practical psychodiagnostic value.
Both as counterpart and as completion of the conventional methods
en vogue in this field — as BOURDON-WIERSMA, TOULOUSE-PIÉRON, KRAE-
PELIN, MEILLI and various other variations on this theme — the
Grünbaum seemed to offer practical connections in so far as this
method of investigation mainly evokes (in its simple methodical
form) an expansive, distributive kind of attention as well as the
dynamic interplay of conflicting and vicarious tendencies of focusand field-attention (in its complex methodical form).
T h e expectation that modification of the Grünbaum might contribute to and open new prospects for the testological approach of decreasing consciousness, of fluctuating and disturbed attention, has
been confirmed by the casuistic and statistic results of our research.
In this study we have mentioned our clinical-experimental Griinbaum-modification, designed for and applied to this purpose, as
well as the evidence and results obtained by this application. This
research as such is merely empiric and is meant to be a tentative
experiment. As basis for this empiric-experimental exploration served the Grünbaum-modification-results of 773 examined persons,
varying in age from 8 till 80, the research-matter of which has been
recorded in added tables of numerical data.
201
A broad outline of problems and purposes, stated in this study, is
given in chapter I. T h e term "attentiveness" has been introduced as
a generic term for all those intentional modes of being, indicating
differentiations of attitude as watchful, heedful or thoughtful. This
operational term is mainly meant to avoid existing confusion of
ideas and also aims at furthering uniform language by conjoining
under one general term all those intentional modalities, which represent special manifestation of human consciousness and are to be
considered dynamic expressions of life.
In chapter II, after a short biography of the originator of the
method of investigation under discussion, a description has been
given of some applications and results by VAN DER HORST, WATERINK
and VAN EEKELEN. In spite of the different fields of attention, chosen
by these authors for the application of the Grünbaum, they appear
to be unanimous in their approval of its usefulness. T h i s statement
is the more striking since, to our knowledge, there have been no
further publications about the method of investigation of the Grünbaum, in spite of its still occasional use.
Personal experiences with the Grünbaum for psychological purposes
in the neurological-psychiatric field also showed clinical usefulness,
notably in patients showing defects in consciousness or attention.
Owing to methodical inconveniences — noticed during application
of this method — which harmed the results of the investigation, we
grew more and more convinced about possible
psychodiagnostic
prospects that might be opened by complimentary alterations in
connection with the presentation and registration of the Grünbaum.
Our ultimatic Griinbaum-modification, resulting from numerous experiments has been explained in chapter III. Introduction of luminescent elements of colour (by throwing ultraviolet light on
fluorescent arithmetical figures) and relative darkness constitute the
essential lay-out of the resulting experimental situation. T h e passive
engagement of the examined person with colours and relative darkness as perceptional experiences, evoked by these methodical alterations, appeals to the aspect of consciousness, so far as influenced
by the emotional structure of the situation. At once gnostic (arithmetical symbols) and sensible (colours), this confrontation has proved to be of differentiating influence notably as regards examined
persons showing defects or instability in attentiveness and may be
202
considered a real contribution to the indicative-selective value of the
Grünbaum principle for investigation. The likewise extended possibilities of attentive-mnestic failure — in omissive, abusive and erratic ways — have been discussed separately.
In chapter IV the problematic character of the confrontation with
luminescent colours in relative darkness has been commented on.
The part these complications have played in the psychodiagnostical
results is not yet to survey. The differences in simple and complex
methodical form of the Grünbaum have been treated in detail, on
the basis of which data the psychological distinction with the
Bourdon-Wiersma is emphasized. Here the attentive forces and their
inherent polar character, evoked by the (modified) Grünbaum by
means of the mental-logical arrangement of the numerative system,
proved to be essential.
Application of the simple and complex methodical form combined
with the Bourdon-Wiersma-examination has been strongly recommended because either method is clearing up distinct aspects of the
process of attentiveness. With the clinical experiences we now have,
we had an explanation with the psychodiagnostic indicative signs of
the various failure types.
After reviewing the formation of the groups of examined people —
consisting of pupils of town- and village schools, boarding- and
technical schools, normal testées as well as slightly neurological
hospital-patients and those nursed in psychiatric clinics — some preliminary differentiations have been determined by means of arithmetical averages concerning the distribution of time-periods for
number-finding in the Grünbaum-modification. From these data are
fairly distinct differences resulting in attentive intensity, vigilance
and tenacity concerning youths and adults on the one hand and
normally or defectively functioning testées with regard to their
process of attention on the other hand.
In the subsequent statistical analysis of the results, determined
through a measured score of the time-records in the Grünbaummodification, our initial hypothesis that we are dealing with an
attention-test, which, accordingly, it should be possible to apply to
as such reputedly defective and clinically diagnosed patients, appears
to be significantly and distinctly confirmed.
From casuistic discussions of the Grünbaum-modification-results at·
203
tentive distinctions between epileptic, depressive, demented and
some other categories of patients have been commented on. Incipient
experimental application of the modified Grünbaum-method combined with electroencephalographic examination has been mentioned. There seem to be reasons to assume that the identification of
numbers in the Grünbaum and the arousal effect registered in the
electroencephalogram are synchronous.
Finally in chapter VI atientiveness has been differentiated according
to modalities of coenaesthetic perception, sensitive watchfulness and
prereflexive heedfulness as preformations of human attention on the
level of reflexive, representative consciousness in accordance with the
ideas, explained by CALON and notably by PRICK in the Nederlands
Handboek der Psychiatrie (Dutch Manual of Psychiatry).
204
ZUSAMMENFASSUNG
Täglich wiederkommende Erfahrungen in der psychiatrischen Klinik
und in der psychologischen Praxis stellen uns bei Jugendlichen und
Erwachsenen, meist Schülern und Patienten, Klagen oder Störungen
bezüglich der Aufmerksamkeit, Achtsamkeit oder Fähigkeit zur Besinnung gegenüber. Diese Erscheinungen berühren in spezifischer
Weise die Bewusztseinsproblematik.
Wo die immer wachsende Komplexität des gesellschaftlichen Rahmens und Verkehrs gerade diesen anscheinend psychologisch expressiven Modalitäten nicht nur höhere Forderungen stellt, sondern sie
gleichzeitig auch beeinträchtigt, interessierte uns die testologische
Annäherung an diese Erscheinungen, anfangs in der Problemstellung, später auch in den Ergebnissen.
Obgleich schon LINDWORSKY gerade dieses Gebiet der (experimentellen) Psychologie trotz der zahlreichen Untersuchungen als eines der
am wenigsten befriedigenden charakterisierte, verfügt man noch bis
auf den heutigen Tag über nur relativ wenig Möglichkeiten für die
hier in Betracht kommende Untersuchung. Gerade kam uns die Prüfung einer experimentellen Modifikation eines von A. A. GRÜNBAUM,
in Zusammenarbeit mit L. VAN DER HÖRST, aufgestellten explorativen
Entwurfs (Zahlenfeld) auf ihren psychodiagnostischen Wert für die
Praxis wünschenswert vor. Als Gegenstück und Ergänzung der
gängigen konventionellen Methoden auf diesem Gebiet — wie
BOURDON-WIERSMA, TOULOUSE-PIÉRON, KRAEPELIN, MEILLI und mehrere
auf demselben Prinzip aufbauende Versionen — ist der von GRÜNBAUM aufgestellte Prüfungsentwurf als methodisch wertvoll einzuschätzen, weil dieses Verfahren sowohl überwiegend expansive, distributive Aufmerksamkeitsmodi provoziert (in der einfachen methodischen Ausführung) als auch dynamisches Zusammenspiel sich gegenseitig bekämpfender und abwechselnder Tendenzen von Fokusund Feld-Aufmerksamkeit (in der komplizierten methodischen Ausführung) .
Die Erwartung, dasz eine Modifikation der von GRÜNBAUM aufgestellten Methodik Beitrag und Perspektive für die testologische Annäherung an Bewusztseinsänderungen, Aufmerksamkeitsschwankungen und Störungen der Besinnlichkeit zu liefern vermöchte, wurde
205
vom kasuistischen und statistischen Ergebnis unserer Untersuchung
bestätigt.
Die vorliegende Schrift befaszt sich nunmehr mit der zu diesem
Zweck von uns aufgestellten und benutzten klinisch-experimentellen Modifikation des Grünbaumschen Entwurfs sowie mit den durch
Anwendung derselben erzielten Befunden und Ergebnissen. Als
solche trägt diese Untersuchung einen ausschlieszlich empirischen
Charakter und beabsichtigt, ein orientierendes Experiment zu sein.
Zum Ausgangspunkt dieser Verarbeitung wurden die Modifikationsergebnisse von 773 Untersuchten im Alter von 8 bis 80 Jahren
herangezogen. Das Untersuchungsmaterial ist in Zahlenübersichten
dieser Abhandlung beigefügt worden.
Nachdem im Kapittel I Problemstellung und Zielsetzung dieser Abhandlung kurz skizziert sind, wird der Begriff „Attentivität" eingeführt, womit ein Sammelausdruck gemeint ist für alle diejenigen intentionellen Seinsarten, wie sie in den Differenzierungen des aufmerksamen, achtsamen und besinnlichen Seins gegeben sind. Auszer
der Vermeidung bestehender Begriffsverwirrung bezweckt dieser
operationale Ausdruck einheitlichen Sprachgebrauch zu fördern, indem alle diejenigen intentioneilen Modalitäten, welche als eine der
besonderen Erscheinungsarten menschlichen Bewusztseins und als
dynamische Lebensäuszerungen zu betrachten sind, auf einen gemeinschaftlichen Nenner gebracht werden.
Im Kapitel II werden einem kurz gefaszten Lebensabrisz über den
Urheber der hier zur Frage stehenden Untersuchungsmethode einige
Beschreibungen zugefügt, die sich mit der von VAN DER HORST (1938),
WATERiNK (1946) und van EEKELEN (1953) durchgeführten Anwendung derselben und mit den von ihnen erzielten Ergebnissen befassen. Trotz dem von diesen Autoren ganz unterschiedlich gewählten
Indikationsgebiet für die Anwendung der Grünbaumschen Methodik stellt sich heraus, dasz sie über ihre Brauchbarkeit einstimmig
positiv urteilen. Diese Feststellung ist um so schlagender, weil der
Untersuchungsmethode Grünbaums — zwar noch hier und da verwendet — nach unserem Wissen keine weitere Veröffentlichungen
mehr folgen. Eigene Erfahrungen mit der Methode Grünbaums zum
psychologischen Zweck im neurologisch-psychiatrischen Rahmen wiesen überdies auch auf klinische Brauchbarkeit hin, besonders hin206
sichtlich der in ihrem Bewusztsein oder in ihrer Achtsamkeit gestörten Patienten. Auf Grund der bei dieser klinischen Anwendung hervorgetretenen Inkonvenienzen, welche das Untersuchungsergebnis
beeinträchtigten, wuchs die Überzeugung, dasz ergänzende Abänderungen hinsichtlich der Darbietung und Registrierung der Griinbaumschen Methode psychodiagnostische Perspektive zu gewährleisten vermöchten.
Unsere schlieszlich aus zahlreichen Versuchen hervorgegangene
Grünbaum-Modifikation.wird im Kapitel III ausführlich erläutert.
Einführung leuchtender Farben (durch ultraviolette Bestrahlung
fluoreszierenden Ziffermaterials) und relativer Dunkelheit stellen
die wesentlichen Komponenten der neuen experimentellen Situation dar.
Das von diesen methodischen Abänderungen herausgeforderte pathische Engagement des Untersuchten mit Farben und relativer
Dunkelheit als empfindungsmäszige Beeinflussung appelliert an den
Bewusztseinsaspekt, insofern dieser durch die emotionelle Struktur
der Situation bedingt ist. Diese gleichzeitig gnostische (Zahlensymbole) und pathische (Farben) Konfrontation hat sich von differenzierendem Einflusz erwiesen, namentlich in Anbetracht auf die attentiv Labilen oder Gestörten, und ist daher als ein reeller Beitrag
einzuschätzen für die indikativ-selektive Bewertung des Grünbaumschen Untersuchungsprinzips. Die gleichfalls erweiterten Möglichkeiten vom attentiv-mnestischen Versagen — in omissiver, abusiver
und errativer Weise — werden differenziert erörtert .
Im Kapittel Г setzen wir uns mit dem problematischen Charakter
der Emfindung leuchtender Farben in relativer Dunkelheit ausein
ander. Inwiefern dieser Komplizierung ein bestimmter Anteil in
den psychodiagnostischen Ergebnissen zuzuschreiben ist, läszt sich
kaum übersehen. Ausführlich wird auf den Unterschied zwischen
einfacher und komplizierter methodischer Ausführung eingegangen,
während gleichzeitig der psychologische Unterschied mit der Bourdon-Wiersma-Prüfung betont wird. Dabei stellt sich heraus, dasz die
durch die (modifizierte) Grünbaum auf Grund des mental-logischen
Ordnungsprozesses der arithmetischen Zahlenreihe provozierte attentive Dynamik und der damit verknüpfte polare Charakter wesentlich sind.
Kombinierte Anwendung der einfachen und der komplizierten Me207
thodik zusammen mit dem Bourdon-Wiersma-Test wird befürwortet,
weil jede dieser Untersuchungsmethoden in spezifischer Weise den
attentiven Prozes beleuchtet.
Nachdem im Kapitel V die gruppierte Zusammensetzung der Untersuchten — Stadt- und Dorfschüler, Kinder aus einem Fürsorgeheim,
Fachschüler, normale Probanden, sowie leicht neurologische Krankenhauspatienten und in psychiatrischen Kliniken Verpflegte umfassend — besprochen ist, werden an Hand von arithmetischen Mittelwerten bezüglich der Frequenz-Verteilung der Suchzeiten in der
Grünbaum-Modifikation einige preliminare Differenzierungen festgestellt. Schon hieraus ergeben sich deutliche Unterschiede in Hinsicht auf attentive Intensität, Vigilität und Tenazität sowohl bei Jugendlichen und Erwachsenen wie auch bei in ihrer Aufmerksamkeit
normal oder gestört funktionierenden Versuchspersonen. Aus der anschlieszend aufgestellten statistischen Analyse der Ergebnisse, ausgearbeitet and Hand einer gewogenen Score für die zeitgemäszen
Leistungen in der Grünbaum-Modifikation, ergibt sich signifikante
und differenzierte Bestätigung unserer anfangs aufgestellten Hypothese, dasz hier eine Prüfung der Aufmerksamkeit vorliegt, die dementsprechend zu bewerten sein musz in Bezug auf als solche gestört
bekannten, klinisch diagnostizierten Patienten.
An Hand kasuistischer Erläuterung einiger Grünbaum-Modifikationsergebnisse werden Unterschiede zwischen epileptischen, depressiven, dementen und andere Kategorien von Patienten besprochen.
Auch wird eine erste experimentelle Anwendung der modifizierten
Grünbaum-Methodik in Kombination mit elektroencephalografischer Untersuchung erwähnt. Es macht den Eindruck als seien
Anhaltspunkte gegeben für die Annahme einer Synchronizität der
Zahlen-Auffindung in der Grünbaum-Tafel und des registrierten
arousal-Effekts im Elektroenzephalogramm.
Abschliessend wird im Kapitel VI der Attentivitätsbegriff differenziert nach Modalitäten von coenaesthetischem Bemerken, sensitiver
Aufmerksamkeit und praereflexiver Achtsamkeit im Sinne von Praefigurationen menschlicher Besinnlichkeit auf dem Niveau reflexiven,
repräsentativen Bewusztseins, den Auffassungen von CALÓN und namentlich von PRICK, erörtert im Niederländischen Handbuch der
Psychiatrie, entsprechend.
208
TABELLEN
van
frequentieverdelingen der zoektijden,
gevonden en benoemde items (A-totaal)
tijdsscores (B-totaal)
tijdsperioden, (zoektijden per tiental items)
Toelichting :
Omissies : in mindering gebracht op 50.
Repetities: tussen haakjes; opgeteld bij 50.
per
onderzochte.
Al-groep (67 jongens van 8;6 t/m 11;0 jaar.)
GRM I
No.
Lft. Gsl.
2
3
4
5
6
m.
m.
8; 10 m.
8;11 m.
8;11 m.
8;6
8;8
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
32
23
26
11
8
12
3
10
3
2
3
4
4
3
26(4) 10(3) 8
29(5) 10(3) 7(1)
2
—
—
1
5
7
8
9
10
11
9;0
9,0
9;0
9;0
9;0
m.
m.
m.
m.
22
25
29
32
30
17
15
10
9
7
7
2
6
4
5
2
2
2
4
4
2
2
1
1
12
36
44
45
13
9;0
9;0
9;0
9;0
9;1
m.
m.
m.
m.
m.
20
32
36
27
27
9
12
10
13
19
7
3
3
4
3
4
1
—
2
—
4
1
—
1
—
14
15
37
40
43
9;1
9;1
9;1
9;1
9;1
m.
m.
m.
m.
m.
33
33
28
6
14
10
3
3
5
—
16
17
18
19
20
9;2
9;2
9;3
9;3
9;3
m.
m.
m.
m.
m.
33
31
38
32
28
6
12
6
9
12
21
22
23
39
24
9;3
9;3
9;4
9;4
9;5
m.
m.
m.
31
36
34
29
32
16
6
11
10
9
25
26
38
46
27
9;5
9;5
9;5
9;5
9;6
m.
m.
m.
m.
22 16(2) 7
38
5 2(1)
32
10
2
26
9
9
28
18
2
28
29
30
31
32
9;6
9;6
9;7
9;7
9;7
m.
ra.
m.
m.
m.
34
26
28
34
27
10
16
9
9
5
41
33
9;7
9;9
m.
36
21
9
14
HL
Ш.
Ш.
Ш.
Ш.
—
1
210
3
5
4
3
1
—
2
3
1
2
2
4
5
1
3
1
3
2
4
1
—
1
—
1
—
—
1
1
—
1
1
-U)
2
—
1
—
1
—
—
—
3
1
2
—
1
85
70
58
163
92
178
178
137
144
119
162
217
154
203
159
363
119
124
184
196
180
133
123
254
151
50
50
50
51
50
189
300
179
98
259
86
78
58
79
63
184
219
137
209
165
125
258
136
130
179
249
167
187
96
206
127
110
155
108
124
4
1
1
2
—
49
50
50
50
50
458
129
95
246
93
212
44
79
72
102
201
185
77
114
135
157
114
119
218
106
214
108
177
214
94
198
131
64
84
105
2
50
51
50
49-52
49-53
212
43
335
121
81
56 201 118 157 78
68 101 68 169 99
67
92 201 191 262
80 242 122 154 208
35 166 114 151 101
51
51
50
50
49
202
119
147
163
139
79
58
37
58
83
191
109
107
162
127
50
67
157
82
150
163
46
75
49
81
96
69 109 134 102
175 88 132 42
165 60 143 75
170 144 205 74
114 75 207 104
100
45
72
95
68
—(1)
3
—
—
1
1
1
1
—
—
1
—
2
4
—
1
1
—
—
1
1
1
1
1
1
1
1
—
51
48
49
50
152
160
170
218
76
ld)
—
—
49-51
50
50
50
168
139
153
152
147
155
150
115
104
109
2
2
1
1
1
1
1
1
2
1
6
4
3
7
7
2
5
—
3
1
1
__
—
3
—
4
50
50
50
50
49
50
132
323
53
400
72
73 70 106
99
97 140 169
78 220 155 254
75 133 154 81
80 188 270 157
2
5
3 — ( 1 ) . , ^_
1 —
—
—
51
41
58
118
35
37
—
—
1
1
—
2
1
5e
200
125
77
346
229
1(1)
1
1
1
Tijdsperioden
2e
3e
4e
59
59
50
50
50
1
1
2
2
—
1
— —(1)
1
2
-
28(8) 8(2) 8(1) 4(1)
33(1) 13
2 -O)
5(1)
2(2)
Ie
49-52
143
92
147
143
91
205
116
115
126
154
164 131 139
169 188 78
186 72 73
145 227 128
141 90 110
113
157
130
84
207
79 124 167 100
158 120 113 37
St. Aloysius-school — Maastricht
GRM II
Totaal Totaal
Frequentie-verdeling der zoektijden
(B)
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 " (A)
7
14
3
23
16(4) 16(3)8(1) 3(1)
3
14
4
24
10
7
4
13
2
12 8(1)
23
1
5
2
2
3
9
16
26
17
18
17
20
8
13(1)
18
9
7
10
11
6
2
4
1
3
3
1
2
9
30
25(1)
21
23
11
12
17
14
21
10
6
4
6
5
11
1
2
4
—
1
13
32
21
19
16
9
11
16
17(1)
13
4
5
4
8
7
4
2
4
2
2
4
17
9
6
16
12
3
22(4) 10(3)9(2)
26
11
4
7 5(1)
16(3)
2
1
_
1
2
1
—
2
3
2
1
5
1
1 ·-(i)
2
2
1
—
1
2(1)
1
3
1
2
6
7
2
_
^_
20
27
31
20
23(1)
16
12
7
17
16
8
4
7
7
6
3
1
3
4
1
1
1(1)
1
1
16
23
8
2
19
21
5
1
25(3) 10(3) 9(3) 4(1)
9
6
1
1
14
8
15
5
26
22
18
13
6
4
_
7
1
1
2
1
47
50
49
51
48
634
215
261
351
226
135
153
144
227
152
3
50
50
49-51
50
50
582
104
99
278
87
271 328 186 192 323
78 147 140 117 126
102 144 156 205
97
158 122 190 213 156
115 160 135 152 120
35
50
49
49-52
40
293
67
297
179
211
252
83
170
103
130
46-51
39
59
47
29-54
648
214
235
317
184
201 223 529 205 233
122 —
198 176 144
182 272 206 146 166
154 236
94 176 107
122 148 138 —
32
60
46
31
50
50
86
215
322
194
195
177 258
130 150
105 250
157 126
120 157
108 142 131
85 259 136
140
84
76
179 209 121
151 184 127
48
47
51
50
48-51
152
169
159
169
162
107
121
157
136
155
191
97
179
166
95
1
50
49
60
19
48
132
178
185
222
331
160 150 101 147 137
121 197 135 187 106
275 193 188 190 157
150
94 —
—
66
202 283 216 224 190
4
50
49
66
391
110
235
1
—
1
—
1
7(1)
1
4
4
^_
1
1
1
1
1
2
1
1
1
—
1
2
1
2
4
_
2
1
2
289 149 153 223
167 352 169 296
101 157 127 135
27 103 274 269
176 162 162 222
3
26(4) 18(2)2(2) 4(1) —(1) __
10
22
3
10
6
13
5
3
1
2
18
22
6
2
1
25
15
5
2
1
1
_
1
1
—
__
1
_
_
,
—
5e
253
302
303
328
264
1
—
Tijdsperioden
3e
4e
2e
50
59
49
38
51
2
1
1
2
1
1
Ie
124
156
100
217
231
385 312 394 254
222 205 188 143
206 130 203 157
231 189 226 200
135 346 135 134
120
153
188
173
44
165
137
126
170
129
18
111
193
174
116
130 132
138 239
178
133
219
247
225
122
164
209
163
142
131
121
134
125
125
155
150
141
118
121
167
103
84
176
211
GRM
Vervolg Al-groep, (jongens van 8;6 t/m 11;0 jaar.)
I
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
No.
Lft. Gsl.
57
60
66
10;0
10;0
10,0
m.
m.
m.
38
45
32
9
2
13
2
2
1
1
1
2
47
48
58
59
63
10;1
10; 1
10;1
10;1
10;1
m.
m.
m.
12
7
5
8
12
3
3
m.
35
39
36
30
29
__
1
—
3
3
67
34
52
68
53
10;1
10;2
10;2
10;2
10;3
m.
m.
m.
m.
m.
40
40
33
35
35
4
8
И
13
7
4
1
2
61
35
42
50
56
10;3
10 ;4
10;4
10;5
10;5
m.
m.
m.
m.
m.
64
49
51
55
62
10;5
10;6
10;6
10;6
10;6
65
54
Ш.
6
6
3
13
9
10
6
3
3
4
5
4
m.
m.
m.
m.
m.
35
35
27
32
27
12
9
17
8
15
2
2
1
4
2
10;11 m.
11;0 m.
30
30
13
16
4
3
212
1
1
1(1)
1
1
78
100
158
95
39
76
80
54
89
—
50
50
50
50
50
39
39
180
216
169
53
37
49
68
59
86
125
161
196
129
126
67
236
133
145
73
76
156
108
133
68
99
42
210
177
—
—
—
—
50
50
49
50
50
48
41
77
46
94
51
40
89
89
62
87
105
102
71
117
80
70
66
100
152
103
79
144
92
84
66
94
63
90
80
—
—
59
49
51
50
50
401
176
288
115
62
40
56
68
62
56
180
123
172
110
109
291
106
165
109
101
188
171
174
163
128
313
126
267
93
89
—
__
2
—
—
1
49
50
49
50
50
39
168
144
166
170
34
68
77
99
77
198
104
125
100
148
121
197
144
177
215
77
253
156
133
150
71
118
100
136
97
—
.
—
50
50
86
57
94
65
143
125
92
77
126
93
101
116
__
—
1
1
1
_
—
—
—
__
1
1
—
—
—
—
2
1
—
—
2
—
2
2
2
1
—
3
1
—
—
1
2
2
2
1
—
5e
101
75
173
_
2
2
3
3
4e
66
47
85
—
1
—
3
1
1
3e
38
24
171
—
—
—
—
2e
50
50
50
—
—
2
2
2
2
—
4
30
29
32
38
31(5) 8(4)
—
Tijdsperioden
Ie
5
2
1
Al-groep
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 >60'
Totaal Totaal
Tijdsperioden
(A)
(B)
Ie
2e
3e
4e
5e
24
29
21
19
19
21
4
1
4
2
1
2
—
—
2
—
—
—
1
—
—
50
50
50
138
53
122
97 157 174 129 100
72 110 116 98 75
117 171 157 116 140
29
36
30
23
16
17
11
11
7
12
3
3
3
4
6
1
—
1
4
__
—
—
3
2
__
—
—
4
4
50
50
47
46
6(1)
__
—
2
1
2
48-51
59
37
102
474
484
78
71
89
188
331
130
125
128
146
221
100 127 85
88 96 88
181 81 78
315 294 115
213 159 272
31
22
22
18
27
12
17
23
11
11
4
7
2
2
7
2
4
2
—
2
__
—
—
—
1
1
—
—
—
—
__
—
—
—
—
50
50
49
31
48
104
109
81
127
107
138
118
107
105
109
89
174
113
123
133
126 100 122
193 115 132
115 122 115
89 —
13
131 82 139
18
16
14
25
18
12
17
5
6
6
2
3
3
2
5
—
—
4
3
1
1
—
1
1
—
—
—
47
49
18
20
4
4
11
4
8
389
339
293
116
115
184
152
177
113
118
251
224
137
170
147
237
216
229
146
157
6
11
7
12
10
2
5
—
5
2
__
1
2
4
2
1
2
1
—
1
__
—
—
50
50
46
50
17(1)
11
14
13
11
7
—
39-51
112
233
161
212
219
85
166
114
132
136
127 136 153 107
175 191 223 156
178 98 171 97
227 218 190 136
109 31 167 223
15
18
13
16
7
3
3
4
__
,
1
___
38
42
151
167
110 161 176 109 33
153 25 156 174 124
30
17
23
18
9(1)
—
—
46-51
50
49
122
190
174
132
149
202
218
266
99
174
21S
GRM
U-groep. (67 meisjes van 8;9 t/m 11;3 jaar.)
I
No. Lft.
Gd.
35
41
34
42
47
8;9
9;0
9;1
9;1
9;1
V.
V.
V.
V.
V.
51
66
36
43
61
9;1
9;1
9;2
9;2
9;3
64
1
30
39
44
Frequentie-verdeling der zoektijde α
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
22
26(1)
11
9
10
14
10
5
9
3
4
3
5
4
2
1
2
3
—
—
3
5
3
3
5
2
3
2
4
2
1
2
1
1
1
1
—
—
27
19
31
8(1)
V.
V.
V.
V.
V.
28
32
29
27
28
14
8
15
10
11
9;3
9;6
9;6
9;6
9;6
V.
V.
V.
V.
V.
32
27
31
37
32
13
14
11
12
12
4
7
5
—
3
__
—
3
—
1
1
2
—
1
1
—
—
—
—
45
46
55
67
2
9;6
9;6
9;6
9;6
9;7
V.
V.
V.
V.
V.
30
29
35
32
37
8
13
14
9
8
6
4
1
3
2
3
4
^_
—
—
2
—
—
—
—
—
3
37
48
49
50
9;7
9;7
9;7
9;7
9;7
V.
V.
V.
V.
V.
33
37
27
36
32
12
5
13
6
13
3
1
4
5
4
4
56
65
5
38
9;8
9;8
9;8
9;9
9;9
V.
V.
V.
V.
V.
30
25
27
22
30
10
11
8
13
8
1
1
4
6
5
4
1
4
3
5
52
62
31
53
58
9;9
9;9
9;10
9;10
9;10
V.
V.
V.
V.
V.
36
27
32
35
30
5
10
6
5
13
4
7
3
8
6
26 9;11
27 9;11
32 9;11
63 9;11
6 10;0
V.
V.
V.
V.
V.
23
26
34
33
14
14
13
10
11
7 10;0
8 10;!
V.
V.
32
35
14
9
33(1)
214
6(1)
—
4
1
_
—
—
3
5
1
2
—
—
1
1
1
—
—
—
—
—
—
1
1
2
—
—
—
1
1
—
—
•
1
1
—
4e
5e
48-51
187
163
105
158
156
113
47
66
58
64
181
219
118
89
137
155
154
111
147
138
154
158
166
73
105
157
106
127
39
104
50
49
50
51
49
93
166
85
190
172
58
74
128
95
43
106
113
103
203
246
129
98
109
188
110
182
185
71
158
140
124
130
120
46
88
50
50
50
50
50
66
103
77
44
129
48
76
47
79
96
156
175
145
80
198
104
108
96
107
75
106
101
123
63
63
100
122
99
89
107
50
50
50
50
49
236
86
33
113
101
61
99
53
68
46
214
117
78
118
92
161
153
94
139
100
165
142
62
125
132
189
94
88
126
73
50
49
49
48
50
99
150
101
87
66
42
50
66
48
65
101
92
80
130
107
140
111
185
87
108
129
192
153
87
140
80
82
78
87
69
50
50
71 165 264 253
75
147 264 235
96 214
56 130 309 156 185
132 187 266 273 122
86 136 146 151 127
50
39
1
2
2
3e
48-51
_
—
—
2e
49
—
—
—
—
—
—
—
Tijdsperioden
Ie
1
1
4
2
1
1
—
51
50
305
477
281
286
151
3
2
2
2
1
__
3
4
—
—
__
—
1
—
—
—
—
—
—
48
49
48
50
50
70
150
177
70
66
54
139
51
69
76
75
201
160
115
111
74
139
81
112
119
88
104
121
89
107
100
94
239
92
99
6
6
1
4
1
3
1
2
1
4
3
2
—
1
1
—
—
—
—
—
—
—
49
49
50
51
50
153
113
51
130
87
90
100
71
86
87
105
117
140
209
119
133
133
60
78
90
168
110
82
128
151
134
155
74
49
77
2
3
2
1
_
_
—
__
—
50
49
58
68
75
49
90
58
155
164
97
96
87
49
1
5
3(1)
2(1)
1
3
3
1
2
1
49-51
St. Angda-school - Maastricht
GRM II
Totaal Totaal
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 " (A)
(B)
17
13
10
8
24(4) 15(4) 10(1) - ( i )
12
10
3
23
5
13
11
1
33 11(1)
3
—
1
—
—
__
—
—
—
—
20(2)21(3) 4(5)
19
8
8
4
24
21
17
7
22
29
6
10
2
7
1
4
2
2
3
—
—
2
1
2
—
—
—
2
—
1(1)
Ie
Tijdsperioden
2e
4e
3e
51
48-60
49
30
49-51
196
85
189
157
161
165 242
126 241
186 108
116 131
59 130
2
—
—
1
60
49
50
50
50
162
391
72
109
170
103 102 355 177 133
210 278 157 206 146
107 104
93 144 128
97 180 148 155 114
97 223 175 110 171
^_
1
—
—
1
^_
—
—
—
—
50
49-51
51
50
49
106
152
111
85
179
84 148 162 127
138 181 144 134
90 165 140 181
86 122 134 140
134 118 186 158
146
143
179
96
184
1
2
—
__
—
1
1
—
42-54
42
50
48
27
305
141
132
253
160
228
151
76
102
103
177 173
43 134
150 172
174 200
21 —
165
162
146
186
133
178
110
108
195
69
. , _ __
1
—
1
—
1
—
—
^_
1
1
3
—
29
39
50
47
50
142
203
171
313
90
86
57
97
150
89
107
35
174
185
127
80
150 251
137 251
115 234
129 152
26
118
94
146
147
1
—
2
3
1
4
—
50
50
49
45
40
238
329
234
464
165
97 164 387 120 113
149 193 229
95 215
138 116 189 143 130
128 211 248 245 299
127 151
42 150 148
1
1
^_
2
2
—
—
1
2
1
—
—
47
44
49
48
50
175
320
269
127
98
68 124
118 201
110 129
100 143
90 116
139 140 190
119 199 149
158 270 222
143 116 154
175 117 133
16(2) 13(1) 10(4) 9(2)
14 7(1)
2
3
21
1
27
17
3
2
27
9
3
10
1
1
23
20
5
—
2
1
—
—
1
2
—
—
—
59
51
50
50
50
246
303
89
135
115
153 363
90 289
142 129
99 186
114 152
181 232 127
195 116 246
100 138
80
167 120 110
154 160 100
^_
—
__
—
50
49
68
73
88
115
129
136
25
21
18
23
18
18
16
23
20
22
4
7(1)
7
5
4
1
4
1
2
1
14(3)
17
23
22
17
10
18
21
14
5
7(1)
5
4
5
3
3
—
1
3
2
16
18
24
21
23
11
14
13
14
20
1
2
9
6
4
26
23
23
11
19
14
12
12
12
10
6
7
5
11
7
23
21
21
24
24
15
10
12
11
19
4
4
6
9
4
28
28
19
14
2
6
1
3
2
2
3
2
—
3
7
2
—
1
—
___
1
4
4
2
2
1
4
4
2
3
3
7
3
2
1
1
—
.
1
1
—
—
—
—
—
1
—(1)
1
—
2
—
151
105
185 205
142 117
194 159
114 —
149 122
5e
UI
111
164
109
144
54
101
99
111
215
GRM
I
Vervolg U-groep, (meisjes van 8;9 t/m 11 ;3 jaar.)
Frequentie-verdeling der ζoektijdlen
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
No.
LfL
Gsl.
9
33
40
10;1
10;1
10;1
V.
V.
V.
30
32
27
12
10
11
5
3
5
1
2
3
54
60
10
11
12
10;1
10; 1
10;2
10;3
10;3
V.
V.
V.
V.
V.
32
34
38
40
41
7
12
7
9
9
5
1
4
1
3
2
13
14
15
28
16
10;3
10;4
10;4
10;4
10;5
V.
V.
V.
V.
V.
35
36
48
37
3
8
2
9
17
59
18
19
29
10; 6
10;6
10;7
10;7
10;7
V.
V.
V.
V.
V.
35
33
36
30
32
20
57
21
22
23
10;8 V.
10;8 V.
10;9
V.
10;9
V.
10;10 V.
27
28
35
25
28
24
25
10; 11 V.
11;3
V.
29
36
26(6) 16(3)
216
12
11
11
12
6
—
—
5
3
4
5
2
4
1
5
5
—
—
—
1
1
1
2
—
14(1) 3(1)
7
10
17
17
7
2
6
3
13
8
3
3
—
1
4
1
1
4
1
4e
5e
49
50
50
104
175
217
38
35
57
104
84
122
113
157
173
157
117
140
98
207
101
3
1
1
__
—
—
—
—
^^
—
—
—
—
50
50
50
50
50
129
69
54
23
18
98
51
45
51
32
83
156
69
77
70
210
128
82
63
41
113
99
118
64
51
98
50
70
85
71
2
1
__
—
—
—
3
50
50
50
50
49-60
271
71
4
38
112
31
74
28
40
73
88
70
59
86
267
92
97
60
84
125
147
116
59
94
126
354
97
48
81
132
1(1)
—
—
—
—
1
1
1
1
3
—
—
—
4
__
—
—
—
—
50
50
50
50
50
54
72
57
89
257
48
35
31
78
80
64
108
135
158
227
80
104
122
128
195
91
123
80
84
67
115
101
55
80
138
2
4
3
1
—
.^
—
—
—
—
48-52
—
—
50
50
50
50
143
169
90
114
79
63
94
62
96
54
176
103
49
151
109
170
115
128
123
144
131
225
164
107
102
94
181
77
91
110
1
1
__
—
__
1
50
50
101
121
54
80
159
98
125
120
158
179
94
69
—
—
—
,
3e
_^
1
1
1
2
2
2
—
—
2e
1
1
1
^„
—
—
Tijdsperioden
Ie
1
—
1
GRM
II
U-groep.
Totaal Totaal
Frequentie-ve:rdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
17 20(2)
21
12
27
13
7
9
5
3
2
4
6
2
2
1
21
17
24
18
30
14
17
21
22
16
5
11
3
8
4
25
25
31
30
23
10
16
15
9
17
26
19
—
3
1
—
4e
5e
131
137
93
165
162
105
161
170
197
127
154
197
162
100
166
1
1
—
—
—
50
49
50
50
50
233
194
77
114
52
89
189
107
126
98
163
150
113
163
83
199
198
139
119
106
235
129
124
176
118
163
171
105
127
99
49
50
50
50
45
395
142
50
103
89
116
81
72
121
94
287
112
131
177
139
176
199
101
127
128
238
156
103
99
110
160
114
95
104
83
50
50
50
48
128
89
72
73
219
130
94
51
94
194
117
154
164
114
228
139
128
83
89
171
159
140
75
125
179
90
144
108
116
139
1
1
3e
135
149
151
—
^_
—
—
2e
46
50
48-52
—
—
Ie
—
—
—
4
6
4
7
4
3
2
—
3
1
2
—
—
1
—
—
—
—
—
4
1
—
—
—
2
2
^_
—
—
—
—
—
—
—
—
^^
1
—
1
1
1
4
—
—
—
50
49
13
49
50
180
270
234
141
125
121
128
152
109
96
220 200
207 195
5 —
154 158
195 137
142
250
—
147
105
103
114
46
90
116
1
1
^^
1
49
50
120
176
113
174
173
135
110
130
118
52
35
35
14
11
9
17
2
6
2
3
7
19
25
7
22
25
20
10
2
18
15
6
5
1
6
7
21
34
20
8
7
4
24(1)17(1)
1
2
Tijdsperioden
—
—
2
1
4
2
6
3
4
2
1
2
_
1
—
1
1
—
_
2
1
1
49-52
146
122
217
F-groep. (31 jongens van 8;9 t/m 10;7 jaar.)
GRM I
No.
Lit
Gsl.
2
11
7
12
13
8;9
8;11
9;0
9,0
9;0
Ш.
1
5
8
22
31
Totaal Totaal
Frequentie-veindeling der zoektyden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(В)
(A)
m.
19
26
31
21
23
8
12
7
5
14
9;1
9;2
9;2
9;2
9;2
m.
m.
m.
m.
m.
22
27
28
26
28(1)
14
12
14
10
5
3(1)
7
4
4
10
10
1
2
3
2
10
15
19
28
6
9;4
9;6
9;6
9;6
9;7
m.
m.
m.
m.
25
31
33
34
27
11
12
9
10
10
6
4
4(1)
6(1)
6
4
1
2
—
—
14
23
24
25
20
9;7
9;7
9;7
9;7
9;8
m.
m.
m.
m.
m.
24
21
19
30
37
11
12(1)
18
9
7
27
4
18
9
17
9;8
9;9
9;9
9;10
9;11
m.
m.
m.
m.
m.
31
28
24
27
34
10
14
11
16
8
5
3
3 1(1) 1(1)
5
3(1)
5
1
4
2
26
30
29
3
16
9;11
10;2
10;3
10; 7
10;7
m.
m.
m.
m.
m.
35
23(1)
26
30
15
11
12
13
14
9
id)
7
m.
23
17
5
21 10;7
m.
m.
Ш.
Ш.
218
5
5
5
9
8
7
5
9
5
3
10
3
7
4
3
3
1
2
2
2
—
5
1
1
1
1
2(1)
—
1
6
3
—
4
1
1
__
2
—
2
2
1
2
3
Tijdsperioden
2e
4e
3e
5e
9
—
1
3
1
47
49
47
46
50
676
164
144
485
208
292
117
67
173
120
332
124
200
278
145
408
189
110
253
215
244
162
76
148
100
214
107
145
319
162
1
-(i)
50
50
49-51
47
51
163
209
93
205
220
88 161
550 104
87
87
53 198
129 204
181
154
179
144
158
219
213
144
178
192
215
86
163
139
211
232
94
98
50
240
103
109
51
84
123
214
113
142
124
144
128
156
152
102
218
228
107
109
109
78
105
113
104
83
105
—
2
2
1
50
50
51
51
48
2
2
2
1
2
1
4
4
—
4
2
50
51
49
50
50
417
419
136
313
159
278
132
122
87
82
167
148
155
302
122
206
216
185
84
103
97
256
163
167
185
276
294
150
97
76
__
^_
—
1
—
—
50
49-52
46-51
50
49
95
158
227
87
81
61
100
67
68
98
93 147
140 150
201 299
173 142
72
92
101
130
98
116
111
130
102
148
93
105
1
^_
4
—
—
1
51
51
50
49
40
97
379
116
78
283
73 76
86 122
135 117
75 123
98 238
109
345
155
128
236
149
89
144 236
146
90
89
94
73 104
1
1
50
189
113
182
140
2
2
2
—
—
—
1
3
1
—
^_
^_
le
1
—
—
—
1
—
—
—
—
—
2
1
—
—
1
1
1
136
184
St. Franciscus-school - Hoensbroek
GRM II
Totaal Totaal
]Frequentie-verdeling der zoektijdien
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
15
15
25
9
11
5
7
3
18
9
2
14
4
2
10 11(2) 4(2)
25
10
2
13
21
18
17
15
10
6
4
2
6
49
50
1(1)
48-54
258
181
153
273
153
4
247
194
327
186
385
192
106
251
143
342
197
194
386
183
210
146
127
353
231
283
189
137
87
348
214
295
432
—
300
552
150
242
92
280
433
154
329
246
226
414
204
168
249
274
—
2
—
252
160
85
344
176
206
122
113
209
125
215
151
153
113
223
147
207
110
114
—
167 250
155 93
130 97
164 175
203 117
6
6
1
3
3
3
3
1
3
3
1
—
1 —
2 —(1) —
2
—
—
49
50
50
54
49
405
396
161
164
168
140
244
163
170
168
220
251
180
189
184
278
149
189
151
181
241
197
246
181
141
210
188
151
137
143
4
2
7
7
3
2
^^
1
1
3
1
40
50
50
43
50
206
92
306
169
150
173
111
119
125
145
161
243
131
232
125
128
241
155
125
210
151
103
118
96
176
134
179
134
123
59
48
26
30
138
471
435
180
218
125
207
187
93
138
185 168 139
—
— 302
206 337 119
147 —
14
197 114 11
118
288
144
104
73
47
210
117 155 122 132 161
8
6
17
13(1) 22(2) 10
17
14
13
11
21
17
16
23
9
3
610
306
253
685
200
50
50
48
35
38
5
3
14
10
13
23
1
1
50
5e
1
1
5
3
1
4
2
18
18
8
3
—
3
4
4
44-54
4e
29
50
16
20
22
7
9
6
7
1
2
7
1
3e
1
5
5
5
5
1
7
10
1
3
1
3
—
2e
746
330
259
300
620
13
13
5
17
20
4
13 17(1) 9(2)
10
8
5
18
5
8
16
20
20
17
13
39
49
49
1
1
1
—
1
Tijdsperioden
Ie
—
—
1
1
—
—
—
3
—
—
1
1
—
—
15
12
10
15
10
9
7
2
6
4
1
3
.
1
1 -d)
1
2
1 —
2
—
21
15
5
2
3
18(3) 19(1) 12(4)-O)
14(4)' 8(1)4(3) 5(1)
.
ι
__
—
—
2
5
4
—
1
37-60
219
GRM I
J-groep. (33 meisjes van 9;3 t/m 11 ;0 jaar.)
Frequentie-verdeling der zoektijden
No. Lft. Gsl. 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
31
8
11
6
9
9;3
9;8
9;9
9;10
9; 10
V.
V.
V.
V.
V.
28
32
28
36
31
15
14
15
12
13
4
3
1
—
3
10
16
21
20
13
9;11
9;11
9;11
10;0
10;1
V.
V.
V.
V.
V.
32
21
36
29
28
12
12
6
10
11
14
23
18
4
15
10;1
10;1
10;2
10;4
10;4
V.
V.
V.
V.
V.
33
25
25
35
35
9
17
17
13
10
4
3
4
2
1
30
32
33
1
3
10;4
10;6
10;6
10;7
10;7
V.
V.
V.
V.
V.
31
29
28
39
34
11
11
12
10
12
4
5
3(1)
1
3
28
19
29
7
17
10;7
10;8
10;8
10;9
10;9
V.
V.
V.
V.
V.
33
32
36
30
25
11
6
7
10
11
2
22
25
26
27
10;9 V.
10;9
V.
10;9
V.
10;10 V.
10;10 V.
5 10;11
24 10;11
12 Ufi
V.
V.
V.
4
9
4(1)
4
5
3
3
2
5
9
35
4
10
25(1) 14 6(1)
26
17
2
8
3
35(1)
26(1) 18(1)
3
39
35
29
220
6
5
16
2
1
3
1
2
3
5
4
1
2
1
1
3
1
—
—
—
2
3
2
2
—
—
1
2
2
2
3
1
1
1
3
2
^_
2
—
1
1
1
—
2
2
3
—
—
—
—
—
.
—
3
2
2
—
—
1
2
—
1
1
—
1
2
—
—
__
1
—
—
—
.^
1
2
-d)
2
2
4
KD1
1
1
1
—
—
—
—
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
50
50
48
50
50
90
53
115
74
81
76 150
66 112
66 119
53 104
74 145
104
84
135
83
121
122
134
100
73
123
50
49
51
50
48
114
314
122
250
147
60
92
73
77
79
179
127
82
235
93
99
141
101
77
115
102 110
230 170
184 117
176 211
70 153
50
50
50
50
50
128
189
114
36
145
58
65
90
79
64
149
119
166
81
151
161
178
114
86
99
85
140
146
113
150
109
180
100
70
86
180 100
129 127
148 116
62
80
81
79
88
104
63
40
98
106
87
94
90
68
1
1
1
1
__
1
—
—
—
50
50
46-51
50
49
112
187
119
25
44
82 130
62 263
46 135
50
82
56 106
^—
49
45
49
49-51
50
92
132
89
190
137
50
34
75
99
95
130 101
108 153
101 155
93 230
149 182
79
51
105
131
161
50
52
50
52
52
50
223
134
81
91
46
119
68
84
88
108
85
149 240
134 110
116 107
141 156
66
115
114 138
98 209
101. 62
80 141
50
50
49
107
175
57
37
55
104
74
87
140 173
107 100
87
249
104
1
1
—
—
—
—
—
2
—
—
—
—
—
2
—
—
—
1
1
1
—
Ie
1
—
—
1
1
—
1
3
Totaal Totaal
(B)
(A)
—
94
75
56
71
112
91
57
100
St. Johannes-school - Hoensbroek
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
22
27
30
24
22
13
15
19
13
6
20(1) 20
19
18
29
9
21
15
21
14
22
26
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
1
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
49
49
48
89
101
75
78
121
115
116
68
144
119
145
126
139 113 135
149 142 115
103 95 76
125 109 128
7
4
5
4
4 -(i)
8
1
5
7
1
3
—
1
—
1
4
1
—
—
2
3
1
—
—
49
40
286
532
180
176
113
134
181
106
145
142
164
338
189
123
179
145
207
168
196
134
183 141
186 53
98 94
113 100
156 82
7
7
—
^_
—
—
—
1
^_
—
1
1
—
42-57
49
49
79
117
194
198
152
98
112
116
87
80
148
136
21
168
176
128
201
188
164
143
154
178
184
149
157
3
6
2
4
3
2
1
1
—
Ie
46-52
48
50
50
50
115
134
256
235
154
13
20
24
16
7
9
3
—
3
3
28
13
4
2
—
1
2
50
226
145 118 134 134 179
25
27
24
10
14
14
6
5
4
4
4
2
__
—
—
1
—
1
1
—
2
47
50
47
205
93
243
205 163 141 99 127
81 108 152 154 96
134 196 217 143 100
13
14
22
14
22(1)
8
4
3
5
9
10
2
1
3
1
2
1
2
—
3
—
1
—
2
1
2
—
3
29
43
49
50
51
171
168
304
83
406
148
92
172
86
168
131
143
183
135
265
53
104
211
137
247
117
158
146
234
49
150
234
127
192
..
121
304
170
101
153
142
115
162
130
126
137
161
138
107
153
127
152
145
126
115
15(3) 17(3) 8(1)
10
23
14
26
1
1
—
26
18
22
32
22
18
18
14
10
25
3
5
10
5
1
3
3
2
—
1
.^_
1
2
1
1
__
2
—
1
—
1
—
—
—
50
48
50
49
50
81
261
138
110
85
92
225
113
69
93
37
20
17
6
22
14
3
4
10
1
3
5
1
—
3
^^
—
—
__
—
—
48
49
49
67
99
193
76 124 59 89 66
154 136 136 127 80
118 193 255 168 138
221
GRM
No.
M-groep. (110 jongens en meisjes van 8;1 t/m 15;5 jaar.)
I
Lft. Gel.
71
49
43
27
44
8;1
9;0
9;0
9;0
9;2
25
18
100
66
39
9;3
9;3
9;3
9;4
9;5
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
V.
18(1)
m.
m.
25
V.
m.
m.
m.
m.
m.
31(2)
30
29
32
27(2)
7
11
9
9
4
6
8
5
3
12
11
14
16
5
4
3
3
1
4
4
1
4
1
1
1(2)
2
6
1
11(1)
V.
27
24
35
80 9;7
20 9;10
28 9;11
65 10;1
31 10;2
m.
m.
m.
m.
m.
38
13
26
26
25
5
12
14
12
17
72
68
32
46
63
10;3
10;4
10;5
10;7
10;7
4
14
3
m.
21
2
2
m. 32(1) 12
3
m. 27(6) 9(1) 7(1)
m.
26
9
8
5
m. 22(1) 16
8 3(1)
101
77
50
102
34
10;8
10;9
10;9
10;10
11;0
m.
m.
m.
106
103
20
104
45
11;0
11;0
ii;i
n.i
m. 31(1)
m. 30(7) 15(1)
61
19
97
51
98
11;5
11;5
ii;6
ii;7
ii;7
m.
m.
81
75
35
79
105
11;8
11;9
11;9
11;9
11;9
m.
30
m. 25(2)
m.
38
V.
33
m.
27
Π;2
Ш.
m.
m.
m.
V.
V.
m.
m.
55 11;10 m.
96 11;10 V.
11
27
30
21
37
33
14
16
10
8
9
34
39
33
15
7
13
11
25
39
9
5
23
42
222
9
15
13
6
7
12
13
6
1
2
1
4
3
9
2
1
3
11
2
3
1
—
—
1
3
2
2
2
10(1) 3(2)
1
1(1)
2
1
1
1
3
—
4
—
2
3
1
1
1
5
5
7
1
4
1
—
4
—
1
43-51
50
48-52
48
50
50
46-54
48
2 -(1)
—
—
47-52
50
4e
5e
459
182
143
123
238
113 164 507 342
89 349 157 202
73 112 201 109
68 116 167 131
109 152 120 182
163
156
91
122
354
77
78
77
212
77
71
74
79
182
56
118
120
125
77
96
91
116
95
176
99
63
101
99
170
101
83
63
100
225
129
36
360
126
87
123
63
278
156
188
192
95
174
215
115
96
88
612
146
133
255
135
143
215
180
128
2e
3e
__
49
3(4)
49-57
4
50
51
50
65
549
333
119
224
2
1
2
1
50
51
58
50
52
378
154
263
188
122
118
94
76
123
85
256
148
224
260
179
173
82
244
95
146
209
158
221
125
191
230
82
117
111
137
47
50
2
—
1
_
—
2
—
1
50
48
108
57
305
86
163
70
90
102
46
68
155
101
270
114
131
79
106
218
101
104
176
129
151
144
133
86
99
148
60
57
—
—
—
—
50
51
50
51
60
35
34
56
172
130
70
47
48
84
55
70
55
74
116
140
80
80
67
173
103
48
108
137
139
255
102
134
129
93
111
50
49
56
60
50
343
40
27
118
88
113
29
40
90
68
219
90
71
117
112
217
76
93
278
121
210
110
139
102
129
173
55
84
105
84
50
50
51
50
105
321
47
139
219
78
106
69
41
70
148
180
85
170
119
108
182
80
79
192
101
146
80
135
293
91
580
117
214
102
45
50
131
77
106
28
101
89
159
125
125
66
93
71
5
—
—
—
—
2
3
1
1
—
—
—
—
1
2
1
—
1
—
—
—
—
—
—
1
1
1
2
—
3
—
—
-d)
4
1
1
—
1
_
—
—
—
—
1
2
4
—
2
-d)
1
4(1)
2
3
1
4 —(1) —
—
2
2
4
1
1
2
1 -(2)
7
5
1
—
—
—
—
4
1
—
1
2 -(1)
—
3
1
—
1
42(3) 6(1) ld)
27(6) 19(2) 2(1) KI)
34
3
1
1
2
1
Tijdsperioden
Ie
3(1)
—
—
1
__
—
ι
48-51
49-54
Huize Mariënwaard Meensen
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
Totaal Totaal
(A)
(B)
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
I.Q.
90
92
104
93
14
14
5
2
24
16
4
4
—
1
—
2
37
258
110 130
61
192 147
—
1
50
172
117 211 143 144 137
105
105
110
83
110
125
85
105
94
100
100
92
85
90
75
46
262
110 134 165 191 196
—
50
98
162 118 115 120 107
—
—
49
35
61
182
76 119 131 100 95
74 51 49 86 224
1 —
51
175
110 110 166 114 248
—
—
1
49
50
79
117
98 96 129 161 110
76 134 112 126 126
22
11
2
29
14
2
—
29
18
18
11
—
3
—
—
1
2
2
27 10(1)
7
4
26
30
17
16
4
1
2
20
21
5
2
—
—
48
97
96 179 109 140 124
15
13
14
4
—
2
48
226
137 197 199 155 243
17
22
7
18
3
7
1
2
2
—
2
—
33
50
304
151
137 —
89 189 241
186 149 167 134 104
1
—
—
49
48
36
—
—
—
2
1
1
—
91
97
92 115
85
223
107
95
80
106
87
110
95
81
96
82
82
78
110
80
103
97
92
95
100
106
76
114
Vervolg M-gToep. (jongens en meisjes van 8;1 t/m 15;5 jaar.)
GRM I
No.
Lft. Gsl.
38
31
40
5
4
1
14
9
4
1
—
—
m.
v.
m.
v.
v.
39
34
33
40
37
5
9
15
8
7
27(1)
40
32
31
27
13
6
8
14
10
25
43
12
5
40
8
28
27
35
40
18
14
11
9
3
3
2
1
—
5
2
—
34
43
41
38
42
10
1
7
10
7
3
3
2
1
2
17 11;10 m .
62 12;0 v.
82 12;1 m .
6
3
74
107
13
12;2
12 ;2
12;2
12;2
12;3
69
36
70
76
108
12;4
12;5
12;5
12;5
12;5
m.
m.
m.
m.
m.
89
47
109
91
110
12;5
12;6
12;8
12;8
12;8
m.
m.
v.
m.
m.
38
78
37
111
87
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
12;9 m .
12;9 m .
12;10 m .
12;10 v.
12;11 m .
40
2
8
112
113
13;0
13;0
13;0
13;0
13;0
m.
m.
m.
v.
ra.
93
1
10
15
48
13;1
13;2
13;2
13;2
13;4
m.
v.
v.
14
12
92
99
11
13;4
13;4
13;4
13;4
13;5
m.
v.
m.
m.
m.
30
37
37
46
44
9
10
8
3
2
13;5 m .
13;6 m .
13;7 v.
13;8 m .
37
34
36
32
7
13
12
7(1)
64
114
54
42
V.
m.
65
68
23
36
47
68
126
84
77
—
—
—
—
50
50
50
50
49
45
88
55
26
119
62
47
64
60
48
75
83
80
97
96 105 121 134
75 107 101 105
103 61
75 41
165 100 62 89
48-51
50
50
50
48
96
107
166
63
155
105
38
71
74
84
127
110
230
74
115
48
50
244
25
110
50
143 131 216 130
76 43 101 75
—
50
46
68
49
50
50
50
56
113
52
23
103
89
77
49
49
50
50
50
50
70
97
24
100
19
55
39
53
48
54
—
—
—
3(1)
50
50
61
53
35
42
46
289
70
54
120
94
—
49
50
50
50
50
138
40
61
11
29
50
50
50
51
49
46
39
99
1
2
—
1
—
1
1
—
—
1
1
1
3
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
1
—
1
—
—
—
—
—
1
5
2
1
7
—
1
—
4
1
37
10
3
—
36
11
2
1
39(7) 8(1) 2(2) — ( 1 )
31(1)
7 5(1)
1
224
49
50
50
2
1
—
—
—
—
—
Tijdsperioden
2e
3e 4e
—
—
—
1
—
—
Ie
—
—
—
—
107
65
132
62
82
134
67
119
86
59
135 76 98
71 149 74
130 66 123
149 109 99
202 129 125
57
54 109
107 81
87 99
146 165 110 152
70 105 72 98
87
48 107 59
73 135
134 83
71
77
71
99
88
54
110 109
46 92
58 65
85 146
60 72
89
95
72 63
80
88
86 67
129 103
88 87
187 250 219 147
94 110 118 96 86
63 102 77 92 69
43 56 55 174 102
32 43 75 61 75
36 93 61 40 51
41
72
50
113
133
74
80 83
108 108 89 80
95
58
91 86
124 77 116 154
M-groep
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
(B)
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
21
33
35
23
38
23
18
13
12
22
9
3
3
1
—
1
—
—
—
—
—
—
19
19
5
2
1
19(3) 15(2) 4(2) 7(2) 3(1)
23
12
8
2
1
28
16
29 12(1)
20(1) 15
29
26
12
11
1
2
1(1)
—
—
1
13
5
—
2
1
2
34
12
8
2
2
1
3 —(1)
2
3
5
—
3
7
1
2
—
—
—
—
—
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
I.Q.
118
84
78
134
115
99
155
137
90
84
86
98
—
—
—
—
—
—
_
_
_
_
_
_
89
145 165 114 95 105
33
55 128 117 58 71
113
99
100
106
—
_
_
ne
449
—
228
245
159
140
—
127
160
146
296
—
126
182
173
209
—
213
195
128
276
—
119
179
112
94
82
108
70
101
46
—
92
84
325
78 85 114 94
—
—
—
—
105 115 95 99
81 83 78 127
342 45 465 121
87
—
148
134
100
118
84
92
117
93
45
50
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
_
—
_
_
_
_
_
_
74
67 103 58 112 95
217
76 144 146 173 152
93
102
74
112
103
—
_
—
105
37
—
—
—
—
_ _ _ _
_ _ _ _
152 116 121 58
118 54 60 72
90
91
105
83
83
632
307 137 404 296 234
—
— _
—
_ —
_
_ _ _ _ _
_
_
_
_
_
_
—
_ _ _ _ _
116
87
87
95
80
105
91
108
102
95
101
48-51
50
50
50
50
5
50
3
—
1
—
1(1)
—
49
49-61
47
—
—
—
49
2
—
—
—
—
—
—
—
4
49-51
46-51
44-51
—
2
—
1
—
1
28
33
10
16
3
1
2
—
1
—
—
—
—
—
44
50
17
11
6
1
4
3(1)
6
48-51
22
37
26
22
106
56
44
—
_
_
52
88
150
83
106
_
142
—
231
522
126
157
90
133
_
_
4
1
1
2
—
—
—
—
—
—
47
50
—
_ _ _ _ _
_
_
_
_
_
_
85
74 110 124 115 121
45
69 63 123 108 85
19(1) 4(1)
23
2
1
2
—
1
—
—
—
—
52
50
68
26
20
10
158 134 129 116 115
91 164 147 163 95
66
225
Vervolg M-groep (jongens en meisjes van 8;1 t/m 15;5 jaar.)
GRM I
No.
Lft
115 13,8
Gsl.
m.
Frequentie-verdeling der zoektijdien
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
28
12
5
2
Tijdsperioden
2e
3e
4e
1
49
174
88 131 202 115
—
—
—
__
—
—
—
49
59
50
—
89
29
24
—
86 98 94
42 141 185
47 65 72
—
—
—
56
78
67
48
—
1
—
Ie
36
7
13;8 m.
13;8 v. 40(7) 7(1)
41
7
13;9 m.
13 ;9 m.
—
—
13:9 m.
2
2
2
3 —(1) —
2
—
—
—
—
—
67
24
4
41
94
13;11 m.
13; 11 v.
13;11 m.
14;0 m.
14;0 m.
36
37
34
30
—
13
9
6
12
—
—
—
2
6
4
—
2
4
1
—
—
—
—
—
—
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
47
—
66
48
82
69
—
33
83
86
90
5
14; 1
14;2
14;2
14;2
14;3
m.
m.
m.
m.
m.
35
11
3
1
—
—
—
50
47
70 116
40
5
1
—
—
—
50
95
21
7
52
22
26
14;4
14;4
14;4
14;5
14;7
m.
m.
m.
m.
m.
37
35
40
36
38
11
15
9
9
8
1
5
4
2
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
50
50
42
30
23
43
36
50
60
46
26
23
120
50
30
116
73
9
85
88
4
—
—
—
—
—
8
30 14;8 m.
40
16 14;9 m. 40(5) 9(1) 1(1) —(2)-(l) —
4
1
—
—
23 14; 10 m.
35
5
84 15;2
53 15;4
m.
42
226
5
—
1
96
102
106
104
—
86
89 129
72 68
50 71
—
—
•
114 121 56
69 83 62
137 68 116
113 87 101
—
—
—
60
87
86
45
87 146
54
85
69
44
29
59
33
56 69
89 70
87 70
93 75
83 102
78 115
80 76
66 64
85 86
86 77
52 65 63
58 202 108
42 86 119
48
70
60
61
53
90
68
73
91 106
57
M-groep
GRM II
1-10
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
16(1)
19
3
6
1
21
10
9
1
—
30
9
2
3
1
_
_
_
_
_
_
26(2) 11(2) 5(2)
1
1
35
9
5
—
—
22
—
—
_
27
23
—
—
_
9
—
35
34
23
_
—
11
9
16
_
_
_
_
_
27
_
4
—
—
_
—
—
—
2
1
—
2
1
7
—
—
—
2
15
_
_
5
_
—
—
—
_
—
_
—
1
—
—
_
1
2
2
—
—
—
—
_
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
_
—
—
—
—
—
1
_
_
_
1
—
—
—
1
_
1
—
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
I.Q.
179 176 175 191
199
77
41
120
106 153 109
17
45
103
94 101 105 153
_
_
_
_
_
_
_
44-56
107
122 125 60 146
49
48
60 113 101 113
140
69
97
79
90
87
ge
105
98
105 115 117 124 140
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
77 99 —
95 67
134
109
go
77
96
49-51
49
_
_
_
39
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
_
27
_
13
1
3
—
—
_
_
_
_
_
_
16
3
3
—
—
_
_
_
_
_
_
_
50
_
—
49
—
_
49
_
_
_
_
93
_
_
71
_
_
_
_
49
44
50
_
_
32
338
_
57
53
187
_
_
_
64 129 110
73 65 45
210 199 122
_
_
_
_
_
125
_
_
_
_
_
_
_
63
82
79
_
_
_
83 195 117
95
_
_
_
66
_
Ie
_
_
61 118
_
_
_
88
84
122
8
89
5
90
_
юз
_
97
98 148
81
96
_
_
_
_
102 132 144 135
_
_
_
_
_
86
86
80
87
_
82
85
95
98
95
80
O-groep. (64 jongens van 15;9 t/m 16;9 jaar.)
GRM I
No. Lft. Gsl.
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 >60"
(A)
(B)
__
—
—
—
—
36
33
34
37
38
13
10
9
9
11
1
5
4
3
1
40
34
41
47
40
6
12
3
2
6
2
2
1
—
3
.^
—
2
1
—
m.
m.
m.
37
34
42
39
41
9
9
5
8
6
2
4
2
1
—
16;0
16;0
16;0
16;0
16;0
m.
m.
m.
m.
m.
40
42
39
37
34
8
7
6
12
11
1
1
3
1
1
52
55
57
58
59
16;0
16;0
16;0
16;0
16;0
m.
m.
m.
m.
m.
38
33
37
36
37
10
13
8
5
11
1
3
3
62
13
33
48
49
16;0
16;1
16;1
16;!
16;1
m.
m.
m.
34
39
37
24
38
8
7
10
18
11
56
8
22
23
24
16;1
16;2
16;2
16;2
16;2
m.
m.
m.
m.
m.
39
39
38
38
38
9
8
6
7
7
3
3
3
1
25
26
7
9
54
16;2
16;2
16;3
16;3
16;3
m.
11
10
9
9
12
3
1
4
4
3
__
m.
35
39
36
35
26
—
—
m.
m.
42
36
5
11
3
2
_
_
—
—
18
19
30
31
20
15;9
15;9
15;9
15;9
15;10
Ш.
21
29
35
37
39
15;10
15;10
15;10
15;10
15;10
m.
32
34
50
36
38
15;11
15;11
15;11
16;0
16;0
m.
41
42
43
44
51
6 16;4
10 16;4
m.
m.
m.
m.
Ш.
m.
m.
m.
Ш.
Ш.
m.
m.
m.
Ш.
228
Tijdsperioden
Ie
2e
3e
4e
5e
74
88
56
95
69
80
94
81
84
63
1
—
—
—
50
50
49
50
50
31
95
113
73
27
54 102 70
64 98 164
45 98 225
66 88 63
40 69 74
—
—
—
2
—
—
—
—
^_
1
—
—
—
50
50
47
50
49
102
174
46
14
32
41 164 97 43 77
65 58 151 114 132
50 97 70 63 70
38 50 40 62 100
51 90 70 53 72
2
1
—
2
2
__
—
—
—
—
.^_
1
—
—
1
—
—
—
—
50
49
49
50
50
48
93
25
41
72
52
36
54
54
46
__
—
1
—
—
—
1
—
—
1
—
—
—
1
__
—
—
—
—
50
50
50
50
47
61
19
57
29
82
54 135
48 90
42 76
43 69
63 85
1
I
1
1
—
__
—
—
—
—
—
—
1
—
__
—
—
—
—
50
50
49
49
50
35
51
46
95
32
38 112 84 71 58
66 62 155 101 136
16 52 110 102 54
43 67 146 95 106
54 116 62 173 55
6
4
3
3
1
__
1
—
—
3
—
—
—
—
—
_^
—
—
—
—
49
50
50
49
50
71
34
35
126
27
41 116 110 84 96
38 95 75 80 71
45 64 86 89 76
92 178 116 104 145
69 88 55 65 59
ι
1
_
_
_
2
2
2
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
49
50
50
33
31
52
49
99
49 106 90 61
39 112 93 80
58 99 68 115
30 75 96 111
42 104 146 98
_
—
—
—
—
50
50
50
51
41
57
25
48
68
84
83 79 126 66 79
65 86 93 71 53
69 115 72 81 93
50 104 86 134 76
56 122 94
6 131
__
—
50
50
25
72
35
48
6
2
—
—
1
1
—
—
1
—
1
1
—
1
—
1
1
1
__
1
1
—
1 -(i)
_
1
72 94 98
75 92 126
79 78 92
90 101 70
85 98 65
85
92
48
60
94
61
75
74
89
56
69
62
68 75
65 54
56 86
84 51
81 123
82 71
80 137
54
76
59
81
90
42
91
GRM
Ondergrondse Vakschool - Bninssum
II
Totaal Totaal
Frequentie-verdeling der ъoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
26
33
39
22
24
21
35
25
18
15
21
9
10
30
30
37
26
35
18(1)
9
12
14
11
1
8
1
8
1
__
2
—
—
—
2
—
32
35
27
38
25
10
8
17
9
20
4
3
2
1
1
_
3
5
3
6
—
1
3
3
1
—
3
1
3
3
3
6
4
2
11
31(8) 10(1) 4(2)
32
32
31
36
16
14
11
13
1
2
4
1
18
36
31
17
12
15
9
2
1
10(4)25(1) 6(1)
35
8
2
35(1)
31
26
31
27
9
15
19
12
15
4
2
2
2
5
35
37
25
31
19
6
8
15
19
27
5
1
1
35
31
13
16
—
—
—
—
1
1
1
—
3
KD
1
—
1
1
2
KD
1
1
2
—
3
—
2
2
—
—
1
1
3
5
2
1
69
127
137
120
110
110
89
.^
1
—
—
1
_^
—
—
—
—
49-51
50
50
49
50
46
118
29
93
87
80
105
85
118
112
93
108
81
135
105
104
137
70
115
76
132
159
79
97
85
76
107
65
101
100
105
86
90
85
86
1
^_
—
1
—
1
49
46
49
49
49
125
51
139
38
130
90
48
89
73
99
106
65
130
82
186
133
107
145
70
136
121
94
99
97
109
115
90
131
82
110
82
87
81
_
62
48-62
160
47
53
87
31
103
113
47
94
82
126 135
116
59
93 108
125 137
94
79
255
82
105
109
89
143
93
95
107
104
86
85
100
93
104
234
34
60
315
71
121
63
83
241
69
207
76
116
232
96
219
158
86
265
118
157
107
117
160
76
121
95
114
137
83
87
95
95
71
118
60
72
67
85
129
130
78
121
93
141
117
148
153
169
113
117
103
134
132
169
100
113
134
158
99
74
—
90
86
86
82
97
—
—
80
—
—
—
—
2
1
1
1
47-58
1
—
71
92
106
112
110
123
117
2(1)
—
90
80
—
104
95
86
144
153
97
221
49
50
49
1
2
135
129
86
73
81
126
172
149
87
178
2
—
—
—
153
152
128
119
95
106
77
158
68
186
_
—
—
1
1
2
114
168
155
106
89
91
115
112
63
145
_
—
—
KD3
123
190
114
111
59
44
49
50
49
51
—
—
83
134
125
78
56
—
—
—
—
1
3(1)
2
IQ.
—
—
—
—
50
49
49
50
_
5e
48
50
50
—
—
—
—
1
4e
—
—
—
48-51
—
—
—
—
1
3e
111
277
105
60
22
3
1
—
—
1
—
48
2e
—
—
—
—
2
18
16
15
10
11
24
21(1)
Tijdsperioden
Ie
47
—
—
^_
—
—
__
—
—
1
—
48-51
50
50
48
60
83
144
135
—
—
—
—
__
—
—
—
—
47
50
48
50
50
62
71
135
38
94
98
111
151
90
126
123
111
108
80
125
69
76
153
130
123
88
108
92
100
116
65
80
133
64
187
—
^_
—
49
50
41
52
67
96
72
109
116
98
76
88
61
110
1
50
49-51
229
GRM
Vervolg O-groep, (jongens van 15;9 t/m 16;9 jaar.)
I
Frequentie-verdeling der zoektijdfen
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
No.
Lft. Gsl.
11
14
60
16;4
16;4
16;4
m.
m.
2
4
16
17
1
16;5
16;5
16;5
16;5
16;6
m.
m.
m.
m.
m.
3
5
15
40
45
16;6
16;6
16;6
16;7
16;7
61
27
28
46
47
16;7
16;8
16;8
16;8
16;8
m.
m.
m.
m.
36
38
53
63
64
65
16 ;8
16;8
16;8
16;9
m.
m.
m.
m.
40
36
40
35
Ш.
m.
Ш.
m.
m.
m.
Ш.
40
37
38
8
9
9
2
2
3
40
40
40
36
7
11
9
6
11
2
3
1
2
2
36
35
38
33
39
10
11
10
12
3
3
2
33
13
33(2)
1
2(1)
—
2
—
1
—
—
4
5
2
1
1
9
7
3
2
1
1
5
1
1
1
3
—
8
9
8
13
1
5
1
2
—
—
—
38(10)8(1)
9
36(1)
230
—
—
1
—
—
—
—
^_
1
—
—
—
^__
—
—
—
—
__
2
—
—
—
—
—
—
4e
5e
—
35
35
57
66
100
94
77
134
83
103
61
71
78
78
90
—
—
—
—
50
53
50
50
49
34
77
23
42
37
38
58
32
34
50
40
167
61
72
60
108
102
103
118
77
97
102
81
91
96
55
UI
84
88
77
—
—
—
—
50
50
50
50
49
45
72
40
54
86
65
66
37
84
69
61
99
80
83
95
78
81
81
130
97
140
109
78
73
111
73
100
88
90
69
50
61
56
38
36
41
86
128
175
80
114
69
96
80
127
111
115
89
60
117
73
83
90
151
71
145
73
65
65
109
32
77
114
70
104
93
78
60
80
73
102
51
71
48
53
69
63
49-51
—
_^
1
—
—
—
50
50
51
96
78
73
39
^_
—
1
—
___
—
—
—
__
—
—
—
50
50
50
50
31
43
41
36
2
1
3e
26
93
33
—
—
—
—
—
2e
50
49
50
1
1
Tijdsperioden
Ie
O-groep
GRM II
Totaal Totaal
Frequentie-veirdeling der zoektijdeiπ
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
1
22
24
3
29
18
3 —(1)
30(6) 6(2) 3(2)
—
—
„^
5
38
7
14(1)26(1) 5(3) 2(1)
3
39(1) 7(1)
1
38(1)
7
5
—
4
21
17 4(1)
—
—
—
—
28
22
32
12
29
14
13
14
13
13
22
11
31
12
26(2) 16(2)
26
15
33
10
34
37
31
41
12
10
11
5
5
7
1
6
4
2
4
1
1
—
6
4
7
5
6
__
2
—
1
1
^__
1
4
2
1
—
2
1
—
-(i)
^_
—
—
50
51
39-61
2
—(1) —
—
—
1
1
IQ.
114 102 122 105 151
104 112 119 129 84
79 69 51 84 112
86
100
93
48-51
85
108
89
73
192
49-56
53
51
^_
1
—
—
—
__
—
—
—
—
50
49
49
34
46
93
186
68
186
66
115
170
65
1
69
__
—
—
—
—
—
—
^_
—
—
1
—
40
49
54
48
50
122
69
87
135
60
103
64
131
91
96
^^
—
1
—
__
—
1
1
__
—
—
—
47
48
50
50
49
35
122
70
1
2
1
2
—
—
1
1
4e
5e
39
222
39
39
204
50
—
83
51
82
Tijdsperioden
Ie
2e
3e
121 79 77 51
191 143 191 172
101 180 74 61
114 76 88 63
147 141 164 114
183 146
210 128
1390
83
113 188
120 56
109
107
100
144
86
77
73
87
96
81
145
177
107
117
132
96
—
118
75
83
132 99 23 129
119 129 171 78
116 87 138 110
126 100 179 113
96 148 73 82
85
93
—
87
83
60 136 88 96 80
70 80 85 75 66
95 144 129 133 104
50 91 83 68 83
120
92
96
93
231
GRM
No.
N-groep. (34 mannen en vrouwen van 13 t/m 57 jaar.)
I
Lft. Gsl.
Fxequentie-veindeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
40
32
37
44
38
8
12
11
6
8
2
6
2
—
2
.^
—
—
—
2
V.
45
m.
37(1)
V.
V.
43
36
36
4
7
4
9
11
2
2
2
1
1
2
1
2
2
42
47
46
48
39
7
3
4
2
9
1
m.
m.
m.
42
40
41
47
46
8
8
7
3
4
23
23
24
24
24
m.
m.
m.
m.
m.
43
43
46
46
46
7
7
4
26
28
20
10
22
24
24
24
25
25
V.
V.
V.
42
46
43
42
43
5
4
6
8
7
3
32
31
27
26
26
36
57
49
45
47
34
1
3
2
14
18
24
12
15
14
13
15
16
16
16
V.
V.
34
13
23
16
19
18
18
18
19
19
17
1
2
21
29
19
21
21
21
21
V.
30
11
25
4
8
22
22
22
23
23
9
33
5
6
7
m.
V.
m.
m.
m.
Ш.
xn.
xn.
V.
V.
xn.
m.
m.
m.
m.
V.
232
3(1)
4
51
73
88
66
95
63
100
81
53
59
47
77
44
57
64
50
50
49
50
18
69
28
53
47
32
45
63
46
38
54
58
79
128
53
67
121
46
83
103
74
92
66
91
137
34
100
64
62
65
—
—
—
—
50
50
50
50
50
54
6
8
4
33
41
29
35
23
58
53
63
57
44
59
116
44
58
52
91
62
55
45
52
87
42
45
42
52
75
—
—
—
—
50
50
50
50
50
16
26
24
6
8
49
45
41
26
56
59
78
98
48
51
57
102
65
63
50
48
61
68
60
38
37
66
43
63
40
—
—
—
—
50
50
50
51
50
14
14
8
16
8
37
45
36
27
26
47
73
74
50
51
63
67
49
80
39
54
60
44
45
46
51
46
67
47
38
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
50
50
25
8
17
16
14
38
30
33
54
40
58
70
37
98
67
80
44
64
55
66
49
27
68
59
49
56
44
34
43
59
—
—
—
__
—
—
—
50
50
50
50
2
21
9
43
21
21
29
74
29
36
46
129
39
51
47
77
35
66
29
94
38
66
63
84
—
—
—
1
—
—
—
—
\
—
—
—
—
2
2
—
—
__
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
__
—
—
—
—
^_
—
—
1
—
__
^— —
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
3
1
—
—
1
1
1
1
—
1
5e
69
89
84
74
105
—
—
—
—
—
4e
76
80
63
67
75
—
—
—
—
—
—
—
3e
26
54
32
12
46
—
—
—
—
1
2e
50
50
50
50
50
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
Tijdsperioden
Ie
49-51
N-groep.
GRM II
1-10
Frequentie-verdeling der zoektijden
11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 >60'
39
11
32
10
19(14)9(3)
43
7
32
11
41
33
40
34
34
8
11
7
10
11
40
10
42(6) 7(3)
40
8
44
5
29
19
5e
48 123 71 77
73 157 148 70
68 —
30 119
51 60 73 79
80 152 95 88
70
95
83
71
94
3
50
49
1
4
1
3
3
2
1
3
2
50
50
49
50
50
21
62
34
65
57
68 104 87 85
84 98 98 127
53 53 101 74
82 74 141 125
73 97 108 107
50
96
58
80
77
50
50
49
50
20
19
26
15
48
66 58 69
45 76 141
74 76 81
61 63 56
89 111 118
71
68
78
55
93
61
52
64
57
74
50
50
50
50
50
15
38
29
4
20
49
80
77
54
67
39 103
67 61
61 77
66 52
68 66
49
69
94
63
68
47
90
72
53
56
50
50
50
49
50
27
35
17
13
13
56
86
55
43
58
71
64
85
49
76
83
56
70
45
51
91
89
56
41
42
75
80
67
58
38
2
2
50
50
54
50
50
10
8
22
36
36
44
55
56
60
99
56 67
45 63
68 102
83 101
68 64
83
65
66
83
60
52
59
88
67
69
2
50
50
50
50
8
10
14
52
42
44
50
78
36
56 60
51
51
74
67 108 60
143 109 104
34
47
48
85
κι:
1-68
49-59
2
—
2
—
1
38
37
43
45
45
11
10
6
4
4
1
3
1
—
1
—
4
5
7
21
Tijdsperioden
2e
3e
4e
3
2
5
9
7
2
10
46
45
43
27
50
49
Ie
22
70
133
14
72
5
2
44
40
41
48
40
45
5
46
4
43(3) 6(1)
35
13
44
3
Totaal Totaal
(A)
(B)
1
1
1
GRM
I
Z-gFoep. (135 mannen en vrouwen van 8 t/m 80 jaar.)
No. Lft
Gsl.
1
2
16
122
132
8
8
8
8
8
m.
m.
m.
m.
m.
4
136
128
113
5
9
9
10
10
11
m.
m.
m.
6
121
125
7
8
11
11
11
12
12
m.
m.
m.
m.
9
126
10
11
127
12
12
13
13
13
m.
m.
12
123
14
15
17
14
14
15
15
15
m.
m.
18
19
20
114
124
16
16
16
16
16
m.
21
22
23
24
25
17
17
18
18
18
26
27
100
28
29
19
19
19
20
20
V.
30
118
20
20
m.
V.
Ш.
V.
V.
V.
m.
V.
V.
m.
V.
m.
Ш.
m.
V.
m.
V.
m.
V.
m.
m.
m.
m.
V.
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
29
24
6
2
12
13
2
6
2
1
27(6) 9(2) 5(1)
32
30
8
9
5
5
24
38
35
36
31
18
7
9
8
13
3
5
4
3
5
30
21
27
31
33
10
12
13
10
12
4
9
2
3
3
34
1
12
35(8)11(1) 4(1)
-d)
1
—
1
1
—
—
35
35
36
33
44
9
12
11
14
4
5
3
2
2
2
—
38
42
35
41
43
3
6
14
6
6
7
2
1
2
1
—
—
—
—
37
46
31
36
43
11
3
11
9
5
2
1
4
2
1
42
28
7
9
234
—
3
—
—
—
1
—
—
—
—
3
Tijdsperioden
(A)
(B)
Ie
2e
3e
4e
5e
50
50
60
49
49-51
134
216
363
116
348
63 208
128 166
77 511
72 155
109 158
93
191
564
97
298
121
240
138
171
190
96
165
107
90
82
49
50
49
50
50
146
39
53
101
91
89
71
53
65
96
117
64
102
147
74
140
66
64
74
144
146
100
76
48
94
180
85
119
119
107
200
139
271
235
59
74
105
98
85
70
143
181
144
106
110
158
164
192
209
132
198 114
135 133
210 113
69 207
78 91
—
—
50
48
49
50
50
—
—
—
—
—
—
—
—
50
60
50
50
50
102
42
39
46
75
108
43
31
73
102
163
121
92
105
108
123
167
105
104
121
80
82
75
80
159
96
76
54
70
175
50
50
50
50
50
44
73
32
43
82
48
38
58
59
40
117
135
90
115
61
110
49
52
94
72
95
91
79
79
80
104
68
99
75
116
—
2
1
1
—
—
—
—
2
2
—
—
—
1
1
—
—
—
—
50
50
50
50
50
103
39
52
48
18
55
56
38
62
42
109
78
146
139
65
149
62
67
99
75
90
122
69
77
45
87
107
95
57
43
1
—
—
—
—
—
—
1
^_
—
—
—
—
__
—
—
—
—
__
—
—
1
—
49
50
50
50
50
56
22
33
82
17
40
41
73
58
31
91
74
107
89
84
128
80
75
80
54
90
73
109
47
50
71
46
78
84
73
__
—
2
1
.^_
—
1
—
—
___
—
—
—
—
___
—
1
1
—
50
50
51
50
50
32
11
142
108
25
48
28
64
72
37
96
59
174
170
67
91
66
92
114
61
88
59
157
89
60
56
45
159
87
95
4
__
2
3
_
—
50
51
19
238
43
143
76
203
53
253
61
86
62
87
1
2(1)
1
4(1)
—
—
—
—
—
12
4
16
9
6
5
—
1
1
2
—
1
1
35
42
34
37
42
7
—
1
1
1
—
—
—
4(1)
—
—
1
1
2
1
3
2
1
2
1
1
2
—
—
—
—
—
—
7
13
15
—
—
—
—
2
6
3
2
2
39
35
27
—
1
4
3
3
—
Totaal Totaal
Ziekenhuis St. Annadal · Maastricht
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
30
12
6
1
— —(1)
34
10
4
1
1
18
11
10
7
42
31
6
14
—
4
27
16
36(1) 11(1)
35
13
22(1)
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
1
51
124
179
117
174
124
106
—
—
50
70
80
90
122
97
124
1
1
1
49
267
156 203
195
195
173
—
1
—
—
—
—
—
—
50
50
22
58
109
61
135
108
65
125
84
98
67
98
2
2
1
3
1
—
1
—
1
1
—
—
—
—
—
50
52
50
132
42
51
85 179
74 115
78 139
135
113
92
93
83
67
127
85
89
4
2
2
1
—
—
31-51
153
72
102
173
7
—
37
38
22
13
10
17
—
1
8
—
1
1
—
—
1
—
—
—
—
—
—
50
50
49
26
35
109
65
78
95
90
93
96
97
90
177
102
83
141
87
66
117
26
15
3
2
—
—
—
46
85
129
105
70
109
80
26
36
30
33(1)
37
12
10
15
14
12
5
3
3
2
1
2
1
—
1
—
2
—
—
—
—
1
—
—
—
—
2
—
—
—
—
50
50
48
51
50
269
45
55
48
29
113
75
92
105
96
127
111
65
102
87
144
88
126
81
49
179
75
84
99
68
154
78
9?
105
60
38
46
8
3
2
1
1
—
—
—
1
—
—
—
50
50
76
11
104
72
131
56
73
53
91
62
84
65
39
8
3
—
—
—
—
50
31
74
108
65
54
50
34
16
14
15
2
7
—
5
—
—
—
1
—
2
50
46
38
295
63
206
84
213
76
174
86
163
92
128
235
Vervolg Z-groep. (mannen en vrouwen van 8 t/m 80 jaar.)
GRM I
No.
Lft. Gsl.
120
31
32
20
21
21
V.
33
34
105
35
36
21
21
21
22
22
V.
V.
V.
96
37
38
39
40
22
23
23
23
23
m.
106
41
42
43
44
23
25
25
25
26
V.
104
45
46
47
115
26
27
27
27
27
V.
133
48
49
51
52
27
28
28
28
29
V.
V.
101
53
99
50
54
29
30
31
32
32
V.
55
119
56
134
3
32
32
33
33
34
m.
57
58
59
60
34
34
34
36
V.
m.
v.
v.
V.
V.
v.
m.
m.
m.
V.
m.
V.
m.
m.
m.
m.
m.
m.
m.
m.
V.
V.
m.
V.
m.
V.
m.
m.
m.
V.
1-10
Frequentie-verdeling der zoektijden
11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
11
37
41
10
12
8
44
46
35
43
17
8
4
10
7
23
36
41
39
28
33(1)
12
7
7
15
9
35
37
28
28
43
14
9
8
15
5
39
—
43
47
49
7
1
1
—
—
—
—
—
7
2
1
6
—
—
2
1
1
1
—
—
1
—
1
—
5
3(1)
9
3
10
36
42
43
30
27
10
7
5
16
18
4
1
1
2
2
30
48
40
39
25
7
1
10
11
15
3
1
46
43
17
24
4
6
12
16
1
6
5
66
59
138
54
162
55
39
81
50
133
42
52
126
58
176
50
50
50
50
49-51
34
94
39
120
58
53
53
81
64
44
106
106
66
104
112
75
49
103
187
113
81
80
76
125
82
87
66
98
113
89
—
—
50
50
50
50
48
38
48
366
70
20
59
53
113
84
35
79
138
187
156
63
70
111
202
133
40
82
60
179
115
51
55
57
229
91
63
50
—
50
50
50
34
—
14
9
2
37
—
36
38
24
114
—
67
78
58
56
—
52
47
34
85
—
60
48
59
85
—
54
57
49
50
51
50
50
50
50
16
38
16
145
42
29
78
48
72
106
88
82
58
212
49
45
83
59
73
43
35
83
55
145
56
53
51
78
97
50
50
50
50
50
40
19
25
62
136
74
42
50
130
63
116
73
69
88
168
107
59
78
110
180
65
67
61
76
110
56
54
81
77
83
40
50
50
50
51
79
7
20
22
145
41
21
41
31
54
115
43
52
78
197
30
38
64
86
146
60
56
58
65
153
71
37
47
57
144
50
50
39
50
8
17
159
157
28
47
93
84
78
58
185
220
49
93
147
122
61
62
74 67
113 48
104 210
1
1
—
1
_^
—
—
1
—
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
„^
__
1
^_
—
—
—
—
1
__
—
—
—
1
__
—
—
—
—
__
—
—
—
4
^—
1
1
_
66
52
65
64
139
—
—
—
—
1
2
—
—
5(1)
48
44
41
59
115
—
—
4
2
5
12
8
155
14
181
—
—
—
4
—
—
50
50
49
50
49
___
—
1
—
—
1
2
2
1
2
6
6
—
84
77
101
—
—
3
4
7
178 254
75 112
65
71
—
—
—
—
—
—
—
1
2
1
—
—
—
1
—
—
—
—
—
—
3
__
—
3
2
__
—
1
2
1
5e
152 297
68
71
45
63
—
1
Tijdsperioden
2e
3e
4e
335
29
26
—
—
—
Ie
42
50
50
2
—
—
2
—
42
46
37
45
33
236
4
—
—
1
7
—
8
—
Totaal Totaal
(B)
(A)
1
—
—
—
1
__
—
GRM II
Z-groep
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
30
16
4
—
—
—
—
50
52
33
31
37
38
13
7
10
9
4
1
3
2
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
ζ
ζ
50
39
50
50
46
74
35
48
34
43
26
31
15
4
9
11
1
1
—
5
_
2
1
2
_
—
—
25(1)
35
9
Π
4
3
—
—
43
5
—
27
33
41
44
13
7
8
5
35
39
1
Ie
Tijdspenoden
2e
3e
4e
5e
79
120
99
116 112
25 25
86 76
92 82
182 106
80
94
98
92
99
75
83
59
98
66
61
49
_
_
—
1
—
—
—
50
50
37
50
35
33
133
87
—
—
1
1
—
—
39-51
50
133
77
63
55
90 44
71 127
98 119 102 97
—
—
—
—
48
20
63
46
2
3
1
1
—
1
—
—
2
1
—
—
—
2
—
—
1
—
—
—
45
47
50
50
161
154
21
15
Π
8
3
1
1
1
—
—
—
—
—
—.
50
49
47
36
80 123
92 68
75
69
40
36
10
10
—
4
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
20
40
54 102
74 103
81 83
85 100
73
98
38
12
—
—
—
—
—
50
24
64
61
64
30
31
16
8
1
5
—
5
2
—
—
—
—
—
49
49
82
96
40
49
38
31
9
1
8
16
1
—
4
2
—
—
—
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
50
23
2
36
32
73
45
51
71
67 85 98 83
39 55 44 41
61 89 116 51
89 119 107 111
2
2
1
—
—
—
—
—
—
—
32-61
49
120
25
93
64
93
59
24(10)5(1)
42
5
1
—
74 92 92 126 80
62 83 135 43 60
57 25 87 107
ПО
60 122 109 117 150
65
35
43
129 134 117 98 98
60 154 84 118 108
72 86 73 58 36
64 59 67 54 85
96
91 69
83 104
90
106 121 96 75 108
98 105 116 124 118
97
79
24
80
25
33
237
Vervolg Z-groep. (mannen en vrouwen van 8 t/m 80 jaar.)
GRM I
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
No. Lft. M/V 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
61
36
m.
36
12
1
62
117
109
63
64
36
36
37
38
38
V.
43
36
45
40
42
6
8
4
10
3
,^_
1
1
—
4
1
2
—
—
1
65
131
66
67
135
38
38
38
39
39
V.
V.
V.
V.
29
25
46
33
32
13
14
3
14
11
5
7
—
1
1
1
2
—
1
4
68
69
70
71
72
40
40
40
41
41
43
35
44
48
28
4
10
4
2
16
3
3
2
—
4
„__
73
74
75
102
76
42
43
44
44
45
V.
34
42
45
18
32
16
6
4
17
14
_
2
—
10
3
78
112
79
103
107
45
45
46
46
46
V.
42
31
31
40
11
6
16
7
9
35
2
9
1
2
2(1)
110
97
111
80
81
46
47
47
48
48
m.
40
31
37
35
25
9
8
12
13
14
5
1
1
2
5
—
—
4
82
108
137
83
84
48
48
48
49
49
m.
m.
38
43
10
34
25
10
7
15
14
16
2
—
9
2
6
85
86
87
88
89
50
51
52
53
54
m.
41
24
39
44
44
7
21
β
5
4
2
5
3
1
1
v.
m.
m.
V.
m.
m.
V.
m.
V.
V.
m.
m.
m.
m.
m.
m.
m.
m.
Ш.
Ш.
V.
V.
V.
V.
m.
Ш.
V.
V.
m.
238
1
—
—
—
—
50
49
__
1
—
—
—
_^
1
—
—
—
—
—
—
—
50
49
50
50
50
22
106
13
20
36
40
69
22
52
67
1
2
1
1
2
.^
—
—
—
—
49
51
50
50
50
86
123
26
63
107
93
60
24
90
101
—
50
50
50
50
50
23
65
18
4
102
1
-0)
—
—
__
—
—
• ^ -
Tijdsperioden
2e
3e
4e
73 170
—
__
__
1 —
—
—
— , —
1
—
1
Ie
5e
80
54
60
51 69
66 180
62 73
68 55
88 80
52
89
73
70
75
74
48
35
49
52
120
231
113
103
153
121 103 106
143 211 115
51 55 39
104 73 103
101 153 111
38 73 93 42
46 126 143 79
36 69 75 54
44 51 40 43
86 142 143 143
56
97
51
32
98
__
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
47
50
32
22
18
119
63
55 93 122 88 66
26 52 55 88 50
41 80 60 67 40
71 191 146 139 127
100 103 116 85 101
.^_
—
—
—
—
1
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
50
51
62
52
89
23
100
38 92 110 69 55
120 107 104 87 83
109 152 164 119 122
66 85 95 58 76
98 165 158 174 160
1
3
—
—
—
—
_
—
—
—
—
50
50
50
50
48
38
111
29
51
148
71 65 113 47 52
98 128 175 71 120
51 77 111 74 56
43 111 82 82 112
120 219 181 134 95
_
—
5
—
1
_
—
4
—
2
^_
—
2
—
—
^_
—
4
—
—
50
50
49
50
50
30
14
530
38
112
35 56 57 84 42
66 71 63 70 65
91 309 448 416 541
90 90 92 77 92
161 119 152 143 157
__
^_
__
—
—
—
50
50
50
50
50
24
67
31
15
73
(
—
1
2
1
1
1
3
—
—
1
1
e
—
—
—
—
1
51
109
60
45
43
69 79 66 99
91 144 111 151
63 91 79 96
81 74 75 41
68 103 56 92
Z-groep
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
3
23
34
36
4
5
7
10
3
2
—
2
1
—
—
—
—
—
—
—
31
13
3
—
47
3
—
—
21
23
3
3
42
42
7(1)
6
6
22
—
2
9
—
—
—
26
43
37
19
5
8
4
1
3
—
8
6
4
17
9
39
19
29
6
1
1
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
—
—
—
—
—
—
13
30
41
48
318
120
59
40
324
88
65
76
3
84
23
95
18
19
52
69
22
—
51
75
—
49
76
99
—
1
—
48
91
78
112
81
118
65
—
—
—
50
6
50
47
46
51
41
—
—
—
50
91
104 117 149 131 150
—
—
1
—
—
—
—
—
1
48
50
51
22
22
169
50 64 74 51 60
105 61 78 61 64
196 141 178 143 195
1
—
—
—
—
—
—
50
50
50
78
25
51
102 102 180 129 97
46 97 59 41 47
46 91 113 110 108
—
23
297
169 193 105 —
12
27
143
127
—
1
2
—
—
3
—
1
—
—
—
9
2
—
8
8
3
18
3
—
9 —(1) —
—
—
—
—
—
—
—
—
1
—
1
50
28
39
201
50
51
18-51 278
64 75 119 75
95 147 142 130
81 115 142 94
348 42 —
—
—
—
50
15
28-51 220
72
252
84 73
79 —
102
91
44
13
5
10(1)
35
15
38
32
37
11
13
11
—
1
2
—
1
3
2
2
1
—
—
—
2
—
—
—
—
—
50
30
—
2
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
50
27
61
32
1
96
73
94
—
63
81
99
51
78 79
—
116
79
86
90 86 74 76 22
79 139 121 106 111
84 84 95 78 63
239
Vervolg Z-groep. (mannen en vrouwen van 8 t/m 80 jaar.)
GRM I
No.
LfL Gsl.
Totaal Totaal
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(B)
(A)
90
116
91
130
92
54
54
55
55
56
37
9
39
9
30
16
18(2) 21(1)
39
10
93
94
129
98
95
58
58
63
66
80
m.
HL
m.
m.
v.
V.
m.
m.
m.
v.
23
17
34
11
38
12
34(5) 13(5)
36
9
—
1
1
2
1
—
3
1
—
2
2
—
—
1
1
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
1
1
1
1
—
—
—
—
2
—
—
1
Ie
Tijdsperioden
2e
3e 4e
5e
50
50
50
47-53
50
83
48
77
137
25
67
54
80
151
46
140
132
114
110
88
68
63
120
158
81
101
70
125
108
84
118
81
95
140
72
50
49
50
60
50
99
162
24
56
113
96
65
59
73
60
144
128
76
124
162
111
145
74
222
81
169
100
91
75
113
125
131
84
82
97
GRM II
Z-groep
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
27
27
14
20(1)
19
15
34
29
9
18
7
3
6(1)
5
2
1
—
^
—
2
1
1
—
—
—
2
-*»
~-.
1
^-
49
51
78
55
45-51
245
50
49
113
51
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
134 105 133
92 108 103
226
—
m
43
108
90
103
— г
иг
48
5e
107
из
205 170 145
wjm
-i-r
•и-
105 123 »47
82 110 84
241
KLINISCHE DIAGNOSEN BEHORENDE BIJ DE Z-GROEP
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
49.
50.
51.
52.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Myxoedeem.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Hypothyreoidie.
Epilepsie.
Absences?
Enuresis nocturna.
Psychopathie.
Psychogene stoornissen.
Suspect voor epilepsie.
Commotio cerebri.
Buikpijnklachten.
Enuresis nocturna.
Epilepsie.
Observatie.
Depressie.
Epilepsie.
Enuresis nocturna.
Observatie.
Observatie (epilepsie?).
Cephalea na commotio cerebri.
Observatie.
Depressie.
Ziekte van Pfeiffer.
Observatie.
Psychogene cephalea.
Cephalea.
Postcommotioneel syndroom.
Nervositas.
Heimwee-reactie.
Cephalea.
Cephalea.
Epilepsie.
Klachten over oorpijn.
Cephalea.
Hysterie.
Absence-suspectie.
Cephalea.
Epileptiforme verschijnselen.
Cephalea.
Cephalea.
Postcommoticmeel toestandsbeeld.
Psychopathisermg.
Epilepsie?
Cephalea.
Observatie.
Cephalea.
Nervositas.
Trauma capi tb.
242
53.
54.
55.
56.
57.
58.
59.
60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
71.
72.
73.
74.
75.
76.
78.
79.
80.
81.
82.
83.
84.
85.
86.
87.
88.
89.
90.
91.
92.
93.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
100.
101.
102.
103.
Cephalea.
Cephalea na trauma capitis.
Psychoneurose.
Depressie.
Postmeningiale prikkelingen.
Hysteriforme verschijnselen.
Dementie.
Psychogene depressie.
Epilepsie.
Depressie.
Cephalea.
Cephalea.
Cephalea.
Cephalea.
Psychogene depressie.
Chronische Verstimmung.
Depressie.
Flauwtes.
Cephalea.
Cephalea.
Cephalea. Depressie.
Cephalea.
Cephalea.
Bronchiale asthma.
Observatie.
Contusio cerebri.
Cephalea.
Depressie.
Observatie.
Depressie.
Cephalea.
Psychastheen neurotische
persoonsstructuur.
Cephalea.
Vertigo.
Cephalea.
Depressie.
Suspect voor epilepsie.
Suspect voor epilepsie.
Cephalea. Vertigo.
Depressie.
Lues cerebrospinalis.
Pruritis senilis.
Postcommotioneel toestandsbeeld.
Neurotische depressie.
Dementie.
Depressie.
Epilepsie.
Depressie.
Cephalea.
Cephalea.
104. CephaJea.
105. Depressie.
106. Epilepsie.
107. Depressie.
108. Depressie.
109. Cephalea.
110. Cephalea.
111. Cephalea.
111. Cephalea.
112. Dementie.
113. Enuresis nocturna.
IH. Pieudo-epilepsie.
115. Cephalea.
116. Dementie.
117. Depressie.
116. Epilepsie.
119. Depressie.
120. Cephalea.
121.
122.
123.
124.
125.
126.
127.
128.
129.
1Э0.
131.
132.
133.
134.
135.
136.
137.
Epilepsie.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Enuresis nocturna.
Alcoholisme.
Dementie van Pick.
Hyperthyreoidie.
Enuresis nocturna.
Cephalea.
Cephalea.
Klachten over duizeligheid.
Enuresis nocturna.
Epilepsie.
GRM I
No.
A-groep. (33 vrouwen van 19 t/m 73 jaar.)
Lft. Gsl.
1-10
20
5
15
30
29
19
24
24
26
29
V.
V.
16
26
4
33
32
30
30
33
33
34
v.
v.
v.
v.
V.
14
35
31
12
41
8
9
13
25
3
39
41
43
43
48
V.
V.
V.
V.
V.
47
27
27
28
22
3
19
16
14
13
10
24
17
7
18
49
50
51
52
54
V.
V.
V.
V.
V.
34
45
42
17
31
14
4
1
25
13
1
1
4
5
5
1
21
28
2
6
57
58
58
59
59
V.
V.
V.
V.
V.
3
27
23
24
33
8
14
18
11
7
5
5
5
7
7
10
2
2
1
2
14
23
19
31
12
60
60
64
64
65
V.
V.
V.
V.
V.
13
21
29
9
30
21
17
17
16
16
10
6
1
5
2
4
5
1
7
2
27
22
11
65
68
73
V.
V.
V.
20
3
6
18
10
10
10
11
11
2
10
10
v.
v.
v.
36
33
30
31
43
Frequentie-verdeling der zoektijd«:n
Totaal Totaal
11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
244
8
13
12
15
7
4
3
3
2
—
2
1
2
1
—
—
—
2
—
—
7
9
4
11
3
8
1
1
11
—
6
1
8(4) 6(4) 7(2) 4(1)
6
2
1
—
.
3
6
5
7
1
—
—
^_
1
1
1
2
_^
—
—
1
1
—
—
50
50
50
50
50
56
51
139
110
14
1
8(1)
—
50
49
50
47-62
50
2
—
—
—
—
^_
—
—
—
3
2
—
—
—
—
1
2
—
2
1
—
9
2
1
4
1
242 371 245
42
83 131
131
74
95
234 291 514
47
38
59
184 215
124 117
114 126
353 660
107 114
50
50
50
49
50
6
63
72
88
361
35
75
65
91
102
60
117
128
163
236
38
137
135
80
136
38
136
66
113
148
38
86
140
92
178
50
50
50
50
49
53
13
72
115
56
51
81
37
70
30 169
188 138
77
96
73
70
74
124
110
128
56
72
180
72
101
60
76
97
88
—
49
50
50
50
50
1066
113
141
307
89
_
—
—
6
—
50
50
50
48
50
192
154
109
617
62
97
164 104 251 146
108 156 156 172 174
53 155 139
85 126
127 434 405 330 260
53 102 115 117 150
_
50
50
50
106
815
535
101 163 170 129 142
418 299 335 235 333
264 444 311 275 417
5
—
1
1
—
1
1
1
1
1
—
1
4
—
—
6
9
__
4
3
113
98
192
85
62
443
106
122
771
32
1
—
1
—
—
—
—
51
40
60
63
46
5e
135
69
123 109
118 122
75
158
76
66
1
—
Tijdsperioden
2e
3e
4e
80
90
126
126
58
—
—
—
4
1
Ie
9
—
—
2
6
1
331 311 422
101 125 121
119 149 211
72 363 257
70 103 122
293 267
182
79
176
97
218 290
146
92
GRM II
Psychiatrisch Ziekenhuis St. Anna - Venray
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 " (A)
(B)
21
17
26
14
39
15
13
12
18
9
5
6
9
14
2
31
14
31
36
2
5
1
4
3
1
2
_
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
105 225 150
168 209 259
175 162 126
164 161 137
95
70 101
124
214
98
156
91
—
—
—
47
45
50
50
50
210
311
119
146
28
120
160
120
174
71
2
—
50
143
123
81
117
166
146
—
—
—
48
67
66
119
66
150
85
2
—
1
50
128
71
117
74
111
179
50
50
50
45-58
50
49
43
48
50
18
158
193
216
485
234
144
237
158
48
157
126
126
288
207
144
70
180
82
156
181
184
186
175
199
169
154
77
207
147
197
300
206
47
229
192
57
176
152
135
293
106
134
150
189
65
112
282
276
290
195
73
136
85
1
1
2
—
—
—
—
—
—
1
1
1
11
5
1
9
2
—
41
9
—
—
—
18
19
8
4
—
11
24
9
4
1
15(3) 18(2) 7(1) 2(2) 1
4
15
7
16
4
14
17
11
4
2
14
22
3
3
1
28
11
3
1
2
7
29
8
6
—
—
1
1
2
3
—
—
2
—
—
—
—
—
1
1
—
1
—
7
11
18
12
3
6
7
6
5
4
5
2
2
2
47
43
256
429
157 247 375 359 101
205 270 237 187 178
10
21
23
17
11
2
1
2
3
—
1
—
1
—
50
42
271
104
133 269 124 311 157
107 318 85 100 78
24
17
5
3
—
—
50
129
120 148 152 202 137
1
245
KLINISCHE DIAGNOSEN BEHORENDE BIJ DE A-GROEP.
1.
2.
3.
4.
3.
6.
7.
8.
9.
16.
If.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie. Hysteriscù gedrag.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Psychopathie.
Conversie hysterie? PsychopatAie.
Dementia arteriosclerotica.
Imvolutie-depressie.
Chorea van Huntington.
Praeseniele depressie.
Hysterische psyohopalhie.
Chorea van Huntigton.
Manisch depressieve constitutie.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
Depressie.
Schizofrenie.
Puberteitspsyohose.
Manisch depressieve psyc&ose.
Dementia arterioeclerotica.
Psychose.
Hysterische psychopathic.
Psychogene angstreactie.
Hysterie? Psychopathie.
Exogene reactie met paranoidie.
Depressie.
Psychopathie.
Psychogene psychose.
Paranoide psychose bij debiele
Psychopathie.
32. Paranoide schizofrenie.
33. Epilepsie.
KLINISCHE DIAGNOSEN BEHORENDE BIJ DE S-GROEP.
1.
2.
3.
4.
3.
6.
7.
8.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
Epilepsie.
Dementia epiléptica.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Schizofrenie.
Debiliteitspsychose. Depressie.
Epilepsie.
Debilitas mentis. Depressie.
Epilepsie.
Epilepsie. Karakterdegenerätie.
Psychopathie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Schizofrenie.
Sohizofrenie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Hysterische psychöpathie.
Hysterische psychopathie.
Chronisch alcoholisme.
Psychopathie.
Epilepsie.
Psychopathie.
Psychopathie.
Epilepsie.
Dementia ârteriosclerotica.
Epilepsie. Karakterdegenerätie.
Epilepsie. Karakterdegenerätie.
Epilepsie.
Alcoholisme.
Schizofrenie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Schizoide psychopathic.
Schizofrenie.
Epilepsie.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
49.
30.
51.
32.
53.
54.
55.
56.
57
58.
59.
60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
71.
72.
73.
Schizofrenie.
Schizofrenie.
Schizoide psychopathie.
Multiple sclerose.
EpQeptoide karakterdegenerätie.
Debiliteitspsychose.
Encephalopathie.
Epilepsie.
Schizophrenie.
Verwaarlozingspsyohopathie.
Hysterische psychopathie.
Vroege dementering.
Psychopathie.
Psychopathie.
Debilitas mentis. Psychopathie.
Psychogene depressie.
Epilepsie. Karakterdegenerätie.
Praeseniele dementie.
Schizofrenie.
Degeneratie-psychose.
Psychose bij débilitas mentis.
Hysterie.
Paranoide psychopathie.
Dementie.
Schizofrenie.
Defect-schizofrenie.
Epilepsie.
Psychose.
Debilitas mentis.
Degeneratie-psychose.
Angst-neurose.
Epilepsie.
Paranoide psychose.
Psychopathisch gedrag.
Schizofrenie.
Neurasthenie.
247
GRM
No.
S-gToep. (72 mannen van 16 t/m 78 jaar.)
I
Lit. Gsl.
Totaal Totaal
]Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(В)
10
15
35
46
47
16
16
16
16
16
m
m.
m.
m.
m.
32
26
33
36
33
7
11
12
9
10
52
17
56
12
32
16
17
21
22
22
m.
m.
m.
m.
m.
43
14
37
35
34
7
16
13
38
40
72
21
26
22
22
22
24
24
m.
m.
m.
m.
m.
43
59
63
69
25
24
24
24
24
25
44
62
6
19
42
6
6
5
3
2
.
1
3
—
1
3
—
2
2
1
—
—
9
1
5
37
38
34
44
32
11
5
9
5
13
.
4
4
1
4
__
1
—
—
1
^_
—
1
—
—
m.
m.
m.
m.
m.
32
40
33
35
47
12
8
10
3
3
4
2
5
10
—
25
25
27
27
27
m.
m.
m.
m.
m.
35
36
25
15
25
11
11
14
14
10
4
1
4
8
4
11
34
36
50
51
28
29
29
29
31
m.
m.
m.
m.
m.
41
23
47
37
39
9
16
1
9
4
4
1
2
7
69
13
58
71
54
31
32
32
32
33
m.
m.
m.
m.
8
34
40
35
28
7
14
9
10
12
2
1
1
4
7
18
29
39
33
14
34
34
34
35
36
m.
m.
m.
m.
m.
40
44
34
32
35
7
6
9
14
7
20
4
36
37
m.
m.
43
30
5
8
Ш.
248
6
—
—
4
2
2
2
10
1
1
—
1
—
2
2
—
1
—
—
—
—
—
1
—
1
—
2
4
3
3
__
6
—
2
—
__
—
—
—
—
1
1
—
1
2
—
—
2
1
3
_
2
—
—
—
—
—
—
1
1
1
_
—
Зе
4е
5е
—
—
—
50
49
50
50
48
194
187
49
63
70
103
99
59
48
110
148
133
103
126
124
147
136
113
64
79
162
242
115
149
72
79
99
77
54
107
3
—
—
1
^_
5
—
7
—
50
50
50
50
50
14
542
26
457
93
55
125
49
72
48
64
258
67
87
90
69
332
107
115
145
90
260
72
131
145
84
225
69
84
121
1
1
1
49
50
48
50
50
67
140
68
15
56
42
53
60
34
99
71
107
63
109
90
128
148
106
60
101
73
55
74
59
113
76
70
122
45
ПО
38
51
80
55
41
107
111
75
108
54
108
75
126
122
54
156
58
67
91
58
91
77
146
68
38
—
—
—
—
—
—
__
—
—
—
—
^_
—
—
—
—
50
50
50
50
50
74
26
65
76
6
.^_
—
—
2
1
—
—
4
6
1
50
50
47
50
48
42
57
303
588
250
74 109
45 138
70 284
129 505
101 216
69
89
130
341
226
65
89
71
240
146
61
93
63
128
90
—
—
—
—
—
50
49
50
50
50
18
117
47
48
43
49
149
34
89
50
65
141
44
90
117
65
136
41
57
83
79
190
113
102
94
60
84
52
96
66
1
—
—
—
—
21
50
50
50
50
299
43
23
50
119
ИЗ
56
58
69
149
28
81
80
98
146
14
122
53
71
146
.
121
101
104
106
__
180
43
84
98
__
—
1
—
2
.^
—
1
—
—
50
50
50
49
50
54
12
158
53
154
30
62
50
44
54
139
65
90
104
197
85
73
105
72
147
77
64
213
100
102
55
48
112
66
85
_
—
^__
—
50
50
20
86
74
74
68
168
56
131
74
120
67
137
1
—
—
—
—
—
1
1
1
2e
1
1
1
—
—
—
—
. . .^_
^_
3
—
—
1
8
Tijdsperioden
le
Psychiatrisch Ziekenhuis St. Servatiua - Venray
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
19
24
12
32
10(1)
11
12
18
11
19
7
6
5
2
9
5
2
10
3
5
1
1
3
—
3
5
10
28
30
16
6
11
14
9
24
2
7
4
2
7
3
3
2
1
2
4
4
2
—
—
26
22
17
5
3
—
1
1
26
16
22
24
1
3
2
22
29
16
9
10
1
25(5) 13(3) 8(2)
1
—
1
2
1
1
1
1
144
200
100 138
105 110
49
50
54
243
108 95 119 79 98
179 147 106 199 214
103 176 173 99 139
73 68 86 77 11
136 173 182 167 199
2
__
3
1047
169
71
227
123
105
124
140
259
132
188
99 137 136
75
22 —
—
1
—
1
50
39
60
112
78
196
—
—
50
56
__.
—
—
50
50
26
82
—
4
—
1
—
50
50
362
70
179 177 243 274 198
102 126 125 116 135
1
—
1
—
50
17
49
48
50
39
330
34
77
88
101 75 88
296 163 —
78 58 93
157 209 96
66 53 109
49
50
50
50
107
39
62
276
79 88 148 104 127
83 75 84 93 81
75 92 140 129 91
102 243 269 177 235
30
50
48
50
110
106
135
88
98
96
136
105
64
174
50
50
122
176
—
1
6
—
12
27
16
15
14
8
2
—
41
3
36
28
26
7
5
12
11
19
1
5
1
5
2
1
—
2
2
—
—
1
__
1
—
1
—
—
—
—
33
35
29
19
11
12
16
13
4
3
4
8
—
1
5
—
—
2
—
—
3
—
—
—
5
18
21(3) 15
14
29
29
16
6
2
2
4
—
—
2
—
2
—
1
1
—
—
—
—
—
2
8
1
1
21
13
49
30
1
7
16
25
26
175 39
773 402 565 143
170 131 114 130
64 41 139 90
212 162 146 125
2
—
42
27
25
24
108
78
143
390
555
113
73
98
1
__
146
132
274
110
241
392
—
—
1
—
5e
139
158
178
150
170
22
50
50
42
50
..
Tijdsperioden
2e
3e
4e
205
190
158
111
183
2
14
—
—
—
1
Ie
287
209
321
162
248
47-51
13
1
46
47
50
50
1
1
1
1
—
35
—
Totaal Totaal
(A)
(B)
„ ^
1
—
1(1)
—
1
39-54
1
1
98 152
82
68
63 92 64 90
119 164 102 113
65
83
76
176
120
121
142
91
65 70
71 —
55 82
78 121
98 105
18
42
106 97 121
147 27 140
103 118 93
129 138 104
81 132 149 98 153
90 120 134 181 149
249
GRM
VernBoIg S-groep. (mannen van 16 t/m 78 jaar.)
I
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 " <A)
(B)
No.
Lft. Gsl.
7
48
57
37
37
37
m.
m.
m.
23
42
31
17
8
7
60
1
45
31
22
37
40
40
41
42
m.
m.
m.
m.
m.
39
20
26
39
36
53
68
3
23
5
42
42
44
45
46
m.
m.
m.
m.
m.
64
37
41
66
28
46
47
47
47
51
70
73
30
49
16
52
52
53
53
54
55
65
8
24
61
2
27
1-10
5
—
—
—
__
—
2
.—
2
—
2
4
4
7
20
6
6
9
2
7
3
4
3
2
2
2
—
1
__
1
—
—
—
29
45
30
17
27
11
4
9
18
12
5
1
7
5
8
1
3
2
1
3
—
—
2
2
m.
m.
m.
m.
m.
34
31
16
17
19
11
13
9
24
14
3
3
5
8
11
__
2
5
1
3
1
—
3
—
1
m.
m.
m.
34
37
10
31(3)
m.
23
1
1
11
5
4
2
Ш.
13
12
17
8
19
^_
—
1
1
1
54
54
55
56
59
m.
m.
m.
m.
Ш.
45
29
25
30
43
5
16
15
13
5
.^_
4
5
2
2
^_
1
2
4
—
72
78
m.
m.
17
16
13
13
4
9
7
6
—
—
9
3
3
—
3e
4e
5e
2
179
16
274
122
56
119
188
72
209
148
56
181
159
43
83
120
30
191
._
—
—
—
—
^^
—
2
—
—
50
50
39
49
49
44
115
222
37
48
53
123
79
38
88
112
123
115
83
87
44
179
136
101
81
77
127
51
98
95
73
108
179
38
81
1
__
—
—
3
—
50
50
50
48
50
157
13
123
351
114
98
43
85
176
68
109
72
145
283
162
154
60
149
258
217
145
55
122
133
106
186
50
83
127
111
^_
—
1
—
2
49
50
40
50
50
62
101
303
98
253
51
66
164
147
147
118
176
175
151
177
100
137
206
109
189
92 119
93
91
85 160
159 131
139 231
^_
—
50
50
50
53
50
51
29
279
191
108
74
38
184
83
102
128
119
228
173
155
94
76
181
168
202
131
91
289
107
114
71
70
167
99
99
50
50
50
60
50
10
62
155
136
20
38
94
86
74
35
62
113
110
171
69
58
165
263
143
94
56
99
131
152
81
58
86
120
92
57
49
50
381
390
88
231
162
174
341
179
256
242
251
302
—
1
1
—
1
1
—
—
1
ж
—
2
1
,—
1
—
—
—
.
—
—
1
—
—
5
1
2e
50
50
50
2
—
—
Tijdsperioden
1«
1
3
1
—
2
2
S-groep
GRM II
Frequentíe-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
Tijdsperioden
(A)
(B)
Ie
2e
3e
4e
5e
39
10
1
—
—
—
—
50
25
38
73
76
73
69
33
13
37
24
10
13
12
10
8
12
15
19
3
18
14
2
12
—
3
5
1
9
3
1
7
—
3
4
—
2
4
1
4
—
1
2
—
3
3
1
—
—
1
—
—
1
2
1
3
—
2
—
—
4
3
49
47
49
49
40
51
50
41
165
421
29
260
193
11
441
448
105
161
81
90
182
50
128
437
146
236
84
163
161
66
221
225
139
269
102
138
191
73
244
173
103
249
73
133
46
84
257
173
67
266
71
187
129
76
279
137
15
11
5
17
13
6
6
11
4
2
6
3
1
1
2
1
1
1
5
3
42
48
24
204
511
452
169 87 164 140 127
195 295 174 229 465
44 211 230 244 —
11
19
14
3
2
1
—
50
218
138 235 197 175 193
21
33
6
22
15
16
6
2
17
14
16
35
17
7
21
22
11
18
19
17
15
46(3)
1
—
__
__
—
__
—
—
50
50
49
84
40
292
141 115 112 149 107
73 91 136 73 92
173 251 193 256 259
7
1
—
2
9
3
1
2
2
47
342
153 326 142 153 203
2
6
13
6
12
2
2
4
3
—
^_
1
1
1
—
1
1
—
.
1
1
1
—
50
45
46
50
49
52
191
283
214
95
84
126
252
272
116
117
191
197
160
144
104
134
87
157
155
172
195
249
143
117
66
107
147
211
115
15
6
6
3
9
46
947
377
431
438
308
379
—
251
P-groep (127 mannen en vrouwen van 12 t/m 77 jaar.)
GRM I
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
No. Lft Gd. 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
125
15
113
12
49
12
15
15
16
16
m.
V.
V.
m.
V.
22
22
7
13
5
4
4
—
32
30
11
11
3
5
3
—
17
10
12
14
17
4
2
15
8
10
3
2
2
5
4
14
5
2
4
13
1
10
6
1
—
2
9
6 - ( ΐ ) 2(1)
23(5) 16(6) 4(2) Kl)
3
—
—
—
3
3
1
1
—
_
1
1
1
1
1
16
17
17
126a 17
135 17
m.
m.
21
35
19
17
17
18
112
37
122
61
18
18
18
19
18
m.
ν.
m.
ν.
ν.
29
32
27
38
22
62
70
42
11
75
19
19
20
20
20
ν. 32(10) β(2) β(6) 9 - ( 1 )
47
—
—
2
1
m.
—
—
37
8
3
m.
—
—
5
3
42
v.
36
8
4
2
ν.
—
65
94
80
32
52
20
20
21
22
22
V.
ν.
ν.
m.
ν.
27
34
90
37
41
9
11
9
5
8
4
3
4
5
—
4
1
1
2
—
1
1
2
1
1
1
—
—
—
—
115
104
8
34
123
22
23
24
24
24
ν.
ν.
ν.
m.
ν.
31
29
41
33
36
7
11
8
11
10
8
6
—
1
1
1
1
1
2
3
1
1
1
1
60
66
129
30
110
24
24
24
25
25
ν.
ν.
ν.
ν.
ν.
32
29
37
31
40
13
11
11
11
8
2
4
76
127
10
57
74
25
25
27
27
27
ν.
ν.
m.
ν.
7(1)
Ш.
38
32
5
31
42
7
18
11
5
S
3
11
5
2
4
1
—
109
117
27
27
ν.
ν.
38
32
10
15
2
2
^_
1
63
56
126
V.
V.
m .
252
3
2
1
4(1)
1
—
1
6
—
—
—
_
—
—
1
—
—
1
—
1
1
1
1
3(1)
1
7
—
—
—
—
—
—
—
—
1
—
1
—
1
1
—
—
—
—
—
2
—
—
2
—
—
1
—
—
—
—
1
—
—
—
(Β)
le
2e
9e
4е
48
40
569
136
127
107
147
165
89
45
48
67
296
105
177
73
162
291
111
148
120
200
363 165
73 87
287 96
142 116
142 115
89
70
199
283
204
141
41
188
170
112
210
100
255
147
189
149
88
123
239
160
118
86
166
197
142
S2-52
73
56
145
58
222
68
34
71
60
60
68
50
50
50
50
116
15
151
25
56
72 78 237 358 191
38 63 55 46 83
60 147 137 60 ,62
43 86 59 53 63
44 70 50 105 115
47
50
46
50
50
213
67
108
75
36
68 100 208 102 191
79 75 118 106 76
72 108 157 100 73
55 104 105 142 91
89 59 100 67 71
49
50
50
50
50
129
182
26
147
55
98 139 158 102 113
98 101 201 134 51
27 95 64 58 68
62 128 164 142 82
45 88 136 94 49
51
50
50
50
86
107
62
167
26
66 68 95 105 163
47 68 153 132 100
49 103 104 82 46
75 180 184 91 123
47 77 80 62 30
32 97 101 97 IH
41 177 ПО 205 147
213 363 376 248 257
49 91 118 155 81
33 93 1Θ2 172 93
45-64
50
50
49
50
50
49-51
50
50
50
45
50
1
2
2
—
—
2
—
.^
—
—
—
—
1
—
5
1
1
__
—
1
—
—
__
2
5
—
—
51
50
49
49
50
59
209
576
82
40
—
—
50
50
30
50
2 ·-(1)
^_
Tijdsperioden
(Α)
49-51
5е
132
157
175
271
237
137 94 107 115
121 131 86 92
229 ПО 144 115
58 64 138 91
130 304 94 64
50 82
40 112
82 76 57
80 107 124
Psychiatrische kliniek Calvariënberg - Maastricht
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijde η
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 " (A)
(B)
5
7
1
4
3
2
20(3) 11(3) 3
3
24
22
1
1
1
17
14
9
18
15
26
5
7
8
17
12
16
22
14
10
7
9
6
7
4
3
5
5
12
1
1
6
2
5
25
27
12
16
7
7
3
2
2
1
—
3
1
2
1(1)
2
1
1
23
12
20
12
4
5
2
21
29
15
16
10
1
1
2
1
86
255
428
288
545
219
387
183
259
153
36-56
50
137
79
34
111
76
114
133
113
94
137
141
101
48
50
46
45
50
194
169
527
349
463
166
90
252
244
179
128
123
172
201
257
178
146
487
200
364
143
144
288
123
261
160
218
311
194
347
49
50
134
67
102
83
148
145
133
128
158
137
139
100
31-55
31
50
35
59
187
334
42
96
70
189
118
52
93
88
205
157
106
85
129
97
38
132
130
110
100
85
205
140
51
74
69
91
49
30
85
169
150
129
126
104
117
184
93
132
1
50
48
210
67
127
130
276
86
182
89
118
88
122
91
3
17
48
50
50
397
62
660
44
196
102
264
84
145
86
113
71
95
320
106
132
233
92
66
204
121
1
1
3
2
1
2
1
3
—
4
33
20
31
6
11
10
17
2
2
4
2
1
2
2
1
16
26
21
41
16(1)
14
14
8
9
3
3
2
1
4
1
4
1
2
26
22
13(1)
13
1
8
1
3
1
2
34
26
12
14
1
1
1
5
38
11
—
1
2
—
—
1
5e
973
376
—
1
Tijdsperioden
4e
2e
3e
50
49
13
3
—
9(2) 16(2)
2
14
7
4
6
40
2
8
26
1
31(5) 15(3) 2(1)
Ie
•
—
2
—
8
4
2
2
4
47-51
47
50
50
192
208
443
26
146
179
216
72
151
113
291
87
164
126
211
75
188
130
208
67
149
111
235
75
2
1
44-51
49-51
211
201
215
231
87
145
109
218
107
132
82
122
49
47
99
118
127
63
82
121
144
137
82
136
78
108
50
82
68
87
79
300
71
-d)
1
1
—
—
1
253
Vervolg P-groep, (mannen en vrouwen van 12 t/m 77 jaar.)
GRM I
No.
Lft
Gsl.
79
84
90
28
28
28
97
5
89
39
40
28
29
29
30
30
120
105
1
103
130
30
30
31
31
31
m.
m.
m.
73
91
9
39a
107
32
32
33
33
33
V.
V.
V.
19
33
96
16
64
34
34
34
35
35
V.
V.
V.
121
55
95
131
4
35
35
35
35
36
V.
6
7
86
88
92
36
36
36
36
36
V.
V.
V.
2
36
41
51
69
37
37
37
37
37
V.
V.
V.
98
132
133
35
38
38
38
39
1-10
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
V.
V.
V.
41
33
42
8
13
4
1
4
2
m.
30
39
35
27
9
13
8
12
11
8
5
2
3
3
8
V.
m.
m.
v.
V.
V.
8
7
27
12
8
2
1
2
2
1
41
40
43
10
41
9
8
4
6
5
1
3
7
4
37
44
29
38
40
9
6
15
9
7
28
43
28
21
36
14
6
15
21
14
m.
40
32
27
38
25
8
8
9
11
19
V.
V.
V.
V.
41
36
37
24
8
9
10
18
v.
V.
m.
V.
V.
V.
m.
V.
m.
2
2
1
—
5
16
25
12 6(1)
21
31(5) 14(3) 4(2)
32
9
3
16
—
33
38
41
20
32
41
m.
m.
—
254
—
—
5
1
2
1
5
1
79
110
112
46
31
58
50
50
50
21
46
38
.^
—
—
2
15
50
50
50
50
49
71
36
39
287
1081
82 146 106
84
31
80
58
82 132
58 162 223
275 494 584
90 114
106 59
83 102
118 205
715 550
2
2
197
334
58
203
42
125 160 185
165 254 200
70 139 111
80 267 123
76
98
49
179
169
145
119
75
90
159
132
85
80
85
77
145
94
83
114
86
121
71
57
55
74
104
88
58
78
__
4
—
3
—
—
—
—
50
51
60
50
50
2
__
__
—
—
—
—
—
^_
—
—
—
—
50
49
50
49
50
46
24
84
79
21
34
49
112
114
58
94
64
124
107
62
—
—
_
—
—
—
50
50
50
41
50
18
31
23
592
30
28
28
66
178
38
74 60
119
76
45
69
172 400
72 55
__
—
—
—
—
50
50
50
49
50
48
12
115
33
29
83
49
126
76
40
133
72
150
76
73
90
62
132
82
111
^_
—
—
—
50
50
49
50
50
88
17
160
182
28
77
48
90
207
69
89
85
131
193
69
119
46
186
122
86
145
81
101
130
79
160
67
127
117
64
—
—
1
1
2
—
—
1
—
10
—
__
—
—
1
—
—
__
1
—
1
4
—
—
—
—
—
—
—
1
—
—
—
—
—
—
—
—
__
1
—
—
1
50
49
41
49
50
26
171
93
27
123
44
79
63
48
100
107
53
146
60
115
73
112
94
80
148
72
138
5
62
95
68
124
88
91
112
—
—
—
__
—
—
1
50
50
50
50
21
68
55
141
52
98
62
116
71
101
112
166
100
90
144
124
59
102
80
147
34
75
60
112
,
2
1
2
51
36
59· 48
87
82
85
51
46
80
__
3
—
—
—
1
1
2
3
1
1
44
73
48
62
102 52
326 583
79
98
—
1
—
_
5
57
46
124
87
74
.^_
—
2
2
—
1
—
1
2
—
2
—
2
4
4
—
—
20
78
38
__
—
—
2
4
1
1
1
—
6
1
1
2
—
—
5e
3
3
2
1
2
3
—
—
Tijdsperioden
4e
2e
3e
3
6
_
—
—
—
Ie
1
1
—
P-groep
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 >60'
'otaal Totaal
Tijdsperioden
(A)
(B)
Ie
2e
33 82 70
80 132 63
85 83 101
3e
4e
5e
12
2
3
1
1
49
41
50
17
91
49
13
26
25
22
17
19
10
15
6
3
9
4
2
—
2
5
39
50
50
50
159
93
285
260
147 87 103 159 152
98 140 152 105 102
225 160 283 196 76
119 164 141 195 109
21
16
6
49
317
140 168 260 145 194
26
19
3
50
83
100 107 138 127 202
23
42
20
8
4
—
50
50
120
16
99 119 148 141 136
78 85 77 83 71
26
2
12
8
9
8
50
19
99
231
160 149 148 174 114
212 191 —
—
—
33
25
22
10
11
6
2
4
1
46
42
29
60
132
122
27 66 113 117
75 206 81 97
96 44 49 50
29
18
1
50
111
78 139
33
40
11
9
6
1
50
50
52
23
26
28
14
15
5
6
50
50
163
80
118 168 190 108 135
96 93 144 120 124
16
36
15
9
4
3
39
49
185
58
195
83
27
15
42
70
93
3
1
1
1
3
48
42
7
57
50
193
203
262
46
223
151
163
198
62
155
1
44
48
50
48
104
115
59
256
123 125 101
109 92 133
91 115 100
129 284 160
43
25
6
13
34
20
19
23
9
2
1
5(4) 13(3)
19
14
30
29
26
11
7
15
22
23
—
—
5
3
1
5
2
7
6
4
13
1
8
2
1
1
4
—
67
67
87
89 119
71 74
—
62
75
75
31
94 164
89
74
83
85
138
139
50
96
27 114 112
57
117
181
—
181
213
116
75
68 88
89 87
73 135
175 148 160
179 171 116
—
—
—
102 83 61
260 107 117
110 44
122 102
132 91
191 166
255
GRM
No.
Vervolg P-groep, (mannen en vrouwen van 12 t/m 77 jaar.)
I
Lft. Gsl.
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
87
39
m.
38
9
3
3
50
53
58
82
40
40
40
40
40
v.
m.
m.
28
41
39
29
28
18
7
8
15
21
2
1
3
3
—
100
45
108
44
78
41
42
42
43
43
V.
37
32
30
37
12
12
13
7
1
4
4
3
13
20
46
114
103
44
44
44
45
47
v.
m.
m.
v.
m.
34
45
44
41
23
14
5
5
8
15
2
—
—
1
9
47
47a
59
31
17
48
48
48
49
50
Ш.
m.
v.
v.
m.
31
26
29
25
10
14
16
15
7
2
5
V.
V.
v.
v.
m.
m.
V.
m.
m.
m.
m.
m.
3
25
34
23
39
10
12
12
21
8
m.
v.
m.
v.
14
22
27
54
119
51
51
51
51
51
28
68
99
124
21
52
52
53
55
55
48
111
38
116
43
56
57
57
57
59
V.
V.
m.
V.
V.
m.
V.
m.
V.
m.
—
2
—
—
2
1
—
—
—
—
1
2
2
—
—
—
30
32
30
34
22
10
14
14
11
12
42
24
37
34
25
5
17
9
10
19
256
—
—
1
—
—
3
6
1
1
1
1
6
2
4
2
7(1)
7
4
5
1
—
4
2
4
—
5
3
7
3
6
2
2
1
1
2
—
—
1
3
39
103
73
51
108
__
—
—
1
—
50
50
50
50
50
66
59
31
125
52
51
106
75
76
81
137
137
80
134
107
126
110
66
148
117
100
95
78
93
83
114
72
77
147
81
29
94
106
109
150
68
58
61
46
126
110
113
148
107
194
91
160
131
125
248
51
104
130
61
328
68
112
119
81
254
1
—
—
—
—
—
50
50
50
50
50
38
10
20
21
135
56
35
64
51
126
106
68
109
98
158
117
44
55
62
94
77
78
39
72
171
75
42
38
57
136
__
1
1
2
—
50
50
47
50
54
108
147
165
284
219
82
58
112
75
609
195
128
110
183
185
185
115
91
243
155
113
164
124
119
222
49
113
64
251
199
—
—
—
—
49
50
50
50
50
76
94
17
56
94
68
49
40
85
82
110
116
104
136
112
98
131
60
87
134
81
150
60
125
77
92
74
56
59
134
38
50
50
50
50
875
219
44
77
41
190
138
53
79
47
720
157
98
114
63
485
226
117
126
120
655
114
96
129
110
25
161
76
156
47
49
50
47
49-51
115
53
118
57
344
70
71
97
75
180
131
71
110
91
193
136
108
243
52
216
109
133
121
98
242
83
75
94
92
153
50
50
50
50
50
25
109
43
50
98
34
128
89
49
62
101
163
136
147
89
53
116
48
77
108
55
125
60
91
135
57
105
80
55
242
1
1
—
1
—
1(1)
1
__
—
—
—
3
3(1)
33
50
50
50
50
71
—
—
—
—
—
—
—
2
1
4
1
9
1
—
—
—
—
—
—
—
—
—
__
—
1
—
2
1
2
—
—
—
—
5e
—
—
1
1
2
4e
1
1
—
—
—
—
1
2
3e
50
1
—
—
—
—
2e
—
—
1
1
1
2
1
8
4
—
—
—
—
—
—
—
—
3
—
6
1
1
1
1
17(1)17(2)
13
12
6
8
17
50
50
50
50
50
—
25(12)15(1)4(6) 4(2)
31
31
43
35
29
71
83
85
102
134
—
Tijdsperioden
Ie
—
—
—
Jl
P-groep
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
(A)
(B)
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
42
7
1
—
—
—
—
50
19
64
83
70
63
70
3
38
3
10
2
2
2
—
—
—
—
—
1
—
9
50
297
30
92
55
59
74
9
94
—
76
—
91
28
12
5
2
1
1
—
49
134
140 117 168 153
65
28
14
20
23
1
4
—
2
—
4
—
1
—
—
49
48
50
216
100 96 93 107 98
173 207 165 141 158
29
9
4
2
2
2
2
50
298
118 207 189 153 184
28
41
37
24
13
8
5
8
8
1
2
5
1
—
—
—
—
—
—
1
—
—
—
—
—
—
—
—
50
50
44
38
76
21
50
121
101 131 181 125
58 82 86 81
56 85 35 62
151 117 90 31
21(6) 18(4) 8(1)
—
1
—
49-61
141
152 172 141 156 184
49
49-51
442
327
185 265 364 249 232
613 161 309 187 232
45
50
50
45
50
84
210
31
137
69
119
149
82
161
88
47
49
166
272
138 100 102 171 111
170 213 303 197 232
11
7
16
16
9
18
8
4
24
13
36
15
30
17
25
13
21
17
3
8
1
6
1
1
2
27
5
13
16
3
21
20
23
3
11
25
10
14
19
15
13
3
11
30
14
11
16
1
—
2
1
1
5
118
172
89
106
127
136 108
136 126
86 67
153 119
135 86
2
1
—
—
1
2
49
166
152 111 165 160 144
4
1
5
2
1
3
3
1
2
50
50
49
473
123
460
278 292 278 231 196
144 169 137 84 99
273 195 243 220 179
2
2
1
1
50
118
142
9
3
4
—
1
28
223
203 123 102
25
5
3
, .
49
110
132 129 155 182 150
—
1
1
108
219
119
153
103
82
67
64
29
91
131
89
95
—
37
257
GRM I
Vervolg P-groep, (mannen en vrouwen van 12 t/m. 77 jaar.)
Frequentie-verdeling der zoektijden
Totaal Totaal
No. Lft Gsl. 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
(A)
(B)
77
93
128
67
23
59
59
60
67
77
m.
V.
m.
m.
V.
35
39
29
—
22
258
13
9
15
3
15
_
—
6
—
3
1
1
—
1
5
_
—
—
2
2
_
—
—
—
2
1
—
—
2
1
50
49
50
8
50
96
33
60
386
275
Ie
Tijdsperioden
2e 3e 4e
5e
90 87 113 86 146
49 91 87 60 59
90 101 151 93 83
—
—
—
344 —
149 176 100 244 176
P-groep
GRM II
Frequentie-verdeling der zoektijden
1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 > 6 0 "
Totaal Totaal
(A)
(B)
Ie
Tijdsperioden
2e
3e
4e
5e
24
20
3
2
—
—
—
49
80
108
105
130
132
125
16
18
11
—
4
1
—
50
211
105
214
217
164
208
259
KLINISCHE DIAGNOSEN BEHORENDE BIJ DE P-GROEP.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
27.
28.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
39.
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
47.
48.
49.
50.
51.
52.
53.
Schizofrenie.
Epileptische schemertoestand.
Psychopathie.
Depressie.
Epilepsie.
Syndroom van Benedikt.
Anorexia nervosa.
Onduidelijk geval.
Schizofrenie.
Dementie.
Epilepsie.
Neuropathie.
Onduidelijk geval.
Hersentrombose. Motorische
aphasie.
Chorea major.
Epilepsie.
Dementia arteriosclerotica.
Epilepsie.
Suspect voor epilepsie.
Alcoholisme.
Dementia epiléptica.
Syndroom van Korsakow.
Dementia senilis.
Praeseniele dementie.
Praeseniele dementie.
Epileptiforme verschijnselen.
Genuine epilepsie.
Medicamenteus behandelde
epilepsie.
Epileptiforme verschijnselen.
Affect epilepsie.
Hysterie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Automanie.
Depressie.
Multiple sclerose.
Depressie.
Chronisch alcoholisme.
Aphasie.
Potator.
Schizofrenie.
Myasthenia gravis.
Geagiteerde depressie.
Schizofrenie.
Syndroom van Korsakow.
Encephalopathie.
260
54.
55.
56.
57.
58.
59.
60.
61.
62.
63.
64.
65.
66.
67.
68.
69.
70.
71.
73.
74.
75.
76.
77.
78.
79.
80.
82.
83.
84.
85.
86.
87.
88.
89.
90.
91.
92.
93.
94.
95.
96.
97.
98.
99.
100.
101.
102.
103.
104.
Subarachnoidale bloeding.
Manie.
Temporale epilepsie.
Ontwikkelingspsychopathie.
Cephalea. Vertigo. Epilepsie?
Atrofia cerebri.
Defect-schizofrenie.
Epilepsie.
Epilepsie. Pyromanie.
Epileptiforme verschijnselen.
Depressie.
Epilepsie. Kleptomanie.
Epilepsie.
Dementie.
Syndrome de surménage.
Defect-schizofrenie.
Epilepsie.
Dementie van Piek.
Manisch-depressieve mengtoestand.
Schizofrenie.
Schizofrenie.
Epileptische aequivalenten.
Dementie.
Postoperatieve encephalopathie.
Neurotisohe depressie.
Ontwikkelingspsychopathisering
bij debilitas mentis.
Depressie.
Hysterische psychopathic.
Epileptiforme verschijnselen.
Alcoholisme. Depressie.
Hysterische neurose.
Manisch depressieve psychose.
Depressie.
Schizofrenie.
Temporale epilepsie.
Neurotische depressie.
Syndrome de surminage. Depressie.
Atypische depressie.
Verwaarlozingspsychopathie.
Schizofrenie.
Neurotische depressie.
Hystero-neurotische depressie.
Psychogene depressie.
Atypische depressie.
Dwangneurose.
Psychopathie of schizofrenie.
Endogene depressie.
Dementie van Alzheimer.
Hysterische psychopathic.
105.
107.
108.
109.
110.
111.
112.
113.
114.
115.
116.
117.
119.
120.
Encephalopathie.
Hystero-epilepsie.
Depressie.
Suicide bij degeneratieve persoonlijkheidsstructuur,
Psychogene depressie.
Paranoide psychose.
Epileptische aequivalenten.
Epileptiforme verschijnselen.
Endogene manie.
Hysteriforme reacties.
Alcoholisme.
Dementia simplex.
Hysterische angstreactie.
Katatonie.
121.
122.
123.
124.
125.
126.
127.
128.
129.
130.
131.
132.
133.
134.
135.
Epileptische psychose.
Debiliteitspsychose.
Hemiplegie.
Depressie.
Epilepsie.
Epilepsie.
Encephalopathie.
Enhephalopathie.
Psychogene depressie.
Psychogene depressie.
Endogene depressie.
Endogene depressie.
Psychogene depressie.
Psychogene depressie.
Epilepsie.
261
WETENSCHAPPELIJKE
A. A.
PUBLIKATIES
VAN
GRÜNBAUM.
Über die Auffassung der Gleichheit.
Ein Beitrag zur Psychologie der Abstraktion.
(Dissertatie. Leipzig — 1908.)
Über stereoskopische Scheinbewegumgen.
(Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde — Jrg. 1915, no. 20.)
Über die psychophysiologische Natur des primitiven optischen Bewegungseindrucks.
(Folia Neuro-Biologica — Jrg. 1915, Band I X — 6/7.)
Een reactie-taster voor twee elkaar vervangende stromen.
(Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde — Jrg. 1915, no. 15.)
Over wezen en verloop der gezichtsveimoeienis.
(Uit: Verslag van de gewone vergadering van de Wis- en Natuurkunde-afdeling
van 27-5-1916. Deel X X V . )
Het probleem der meting in de ontwikkeling van de moderne psychologie.
(Openbare Rede — Amsterdam. Groningen 1917.)
Psychophysisohe en psychophysiologische onderzoekingen over flikker-verschijnselen en optische vermoeienis.
(1917.)
Untersuchungen fiber die Funktionen des Denkens und des Gedächtnisses.
(Leipzig 1917-1919.)
I
Psychologische Natur der Beziehungserlebnisse.
II Erscheinungsweisen des Bewusztseins (besonders der Beziehungen).
III Assoziation und Beziehungsbewusztsein (Venuch einer psychophysiologischen
Theorie der Reproduktion).
I V Assoziation und Organisation. (Zur Einleitung in eine Strukturlehre des
Bewusztseins).
(Archiv für die gesamte Psychologie. Band 36-38.)
Wil en beweging.
(Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde — Jrg. 1919.)
Negative Abstraktion und Nebenaufgabe.
(Leipzig — 1919.)
Het psychogalvanisoh reflex verschijnsel en zijn psyohodiagnostische waarde.
(Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde — Jrg. 1920, no. 13.)
Enige nieuwe gezichtspunten betreffende de psychologie der reactie-processen.
(Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde — Jrg. 1920, no. 21.)
Aufmerksamkeit, Emotivität und galvanisches Phaenomen bei Morbus Basedow!.
(Psychiatrische en Neurologische Bladen — Jrg. 1922, no. 6 ) .
Herrschen und Lieben, als Grundmotive der philosophischen Weltanschauungen.
(Bonn — 1925.)
Experimentell-psychologische Untersuchungen über Aphasie und Paraphasie.
(Zeitschrift für die gesamte Neurologie und Psychiatrie 1925.)
Bijdrage tot revisie van het аргахіe-vraagstuk.
(Utrecht — 1925.)
Über das Verhalten der Spinne (Epeira diademata) besonders gegenüber vibratorisohen Reizen.
(Psychologische Forschung. Zeitschrift für Psychologie und Ihre Grenzwissenschaft — Jrg. 1927, no 9.)
262
Het Ik-bewustzijn en de psychische ontwikkeling.
(Rede bij ambtsaanvaarding te Utrecht — 1928.)
Die Struktur der Kinderpsyche.
(Zeitschrift für Paedagogische Psychologie.)
Die Idee der Psychoanalyse und die Erkenntnis-Theorie.
(Krisis der Psychoanalyse — 1929.)
Eine Störung der Chronognosie.
(Monatschrift für Psychiatrie und Neurologie — 1929.)
Experimente zur Lehre vom systematischen Zusammenhang der motorischen Erscheinungen.
(Zeitschrift für die gesamte Neurologie und Psychiatrie — Jrg. 1929.)
Über motorische Momente der Agraphie: Schreibstörungen und Zwangsgreifen.
(Monatzeitschrift für Psychiatrie und Neurologie. Vol. 77 — Jrg. 1930).
The pointing position of the hand as a pathological and primitive reflex.
(Brain. Vol. 53 — Jrg. 1930.)
Sprache als Handlung.
(Bericht über den XII. Kongres der Deutsche Gesellschaft für Psychologie —
1931.)
Aphasie und Motorik.
(Zeitschrift für die gesamte Neurologie und Psychiatrie. Vol. 130 — Jrg. 1931.)
263
LITERATUUR.
ACEVEDO DE MENDILAHARSU, S.; BOGACZ, J.; MENDILAHARSU, C :
Etude électroclmique ictale des crises dysphasiques provoquées par activation
cardiazolique. (Neuropsychologia 1964, Vol. 1, blz. 299-312. London 1964.)
ADRIAN, E. D . ; BREMER, F.; JASPER, H. H.; DELAFRESNAYE, J. F.:
Brain mechanisms and consciousness. Oxford 1954.
ALLISON, R. S.: The senile brain. A clinical study. London 1962.
BAL, Α.: L'attention et ses maladies. Paris 1957.
BALINT, M.: The doctor, his patient and the illness. Londen 1957.
BELLAK, S.: Psychology of physical illness. New-York 1952.
BERG v. d., J. H.: Psychologic van het ziekbed. Nijkerk 1957.
BLEULER, M.: Endokrinologische Psychiatrie. Stuttgart 1954.
BOEKE, P. E.: Psychodiagnostische problemen van de epilepsie. Assen 1963.
BOREL, J. : Précis de diagnostic psychiatrique. Montpellier 1961.
BOUMAN, L.: Prof. Dr. A. A. Grünbaum. (Psychiatr. en Neurol, bladen X X X V
1932, blz. 105-107.)
BOUMAN, L.: In memoriam Prof. Dr. A. A. Grünbaum. (Ned. Tijdscbr. voor
Geneesk. LXXVI 1932, deel I, blz. 218-219.)
BREMER, J. J. С. В.: De ziekenhuispatiënt. Dissertatie. Groningen 1963.
BRONISCH, F. W.: Die psychischen Störungen des älteren Menschen. Stuttgart 1962.
BUYTENDIJK, F. J. J.: Algemene theorie der menselijke houding en beweging.
Utrecht 1948.
BUYTENDIJK, F. J. J.: De relatie arts-patiënt. (Ned. Tijdschr. voor Geneesk.
1959.)
BUYTENDIJK, F. J. J.: Over de pijn. Utrecht 1961.
GALON, P. J. Α.; PRICK, J. J. G.: De afbraak der persoonlijkheid bij multiple
sclerose. (Ned. Tijdschr. voor psychologie en haar grensgebieden. Deel IV, ail.
6, 1949.)
GALON, P. J. Α.; PRICK, J. J. G.: Psychologische grondbegrippen. Amhem
1962.
DELAY, J.: Les ondes cérébrales et la psychologie. Paris 1950.
DELAY, J.: Les maladies de la mémoire. Paris 1961.
EISENSON, J.: Examining for aphasia. A manual for the examination of
aphasia and related disturbances. New-York 1954.
EEKELEN v., W. F.: Iets over de toepassing van de Grünbaumtest bij het psychodiagnostisch onderzoek van arbeiders. (Ned. Tijdschr. voor Psychologie.
N.R.-I. 1953. blz. 49-69.)
ELLERBECK, J. P. W.: De wereld van de zieke mens. Haarlem 1961.
FABER, H.: Over ziek zijn. Assen 1956.
FOUCAULT, M.: Maladie mentale et psychologie. Paris 1962.
GESELL, Α.: The first five years of life. New-York 1940.
GESELL, Α.; AMATRUDE, С. S.: Developmental diagnosis. New-York 1954.
GOLDSTEIN, K.; SCHEERER, M.: Goldstein-Scheerer tests of abstract and
concrete thinking. New-York: The Psychological Corporation 1945.
264
HÄKKINEN, S.: Traffic accidents and driver characteristics. Helsinki 1958.
HENNING, H.: Die Aufmerksamkeit. Berlin-Wien 1925.
HORST v. d., L.: Over opmerkzaamheid. (Ned. Tijdschr. voor Psychologie V.
1937, blz. 421-433.)
HORST v. d., L.: Opmerkzaamheid en intelligentie. (Ned. Tijdschr. voor Psychologie VI. 1938, blz. 207-215.)
KAZNELSON, S.: Juden im Deutschen Kultuibereich. Berlin 1959.
KLINGLER, M.: Das Schädelhimtrauma. Basel 1961.
KÖHLER, W.: Dynamische Zusammenhänge in der Psychologie. (Vert.) Stuttgart 1958.
KREVELEN v., Α.: Nederlands Leerboek der speciële Kinderpsychiatrie. Deel I.
Leiden 1952.
KÜSCHNER: Küschners Deutsche Gelehrten-Kalender. Jrg. 1928; 1931.
LERSCH, PH.: Aufbau der Person. München 1956.
LERSCH, PH.; SANDER, F.; THOMAE, H . ; WILDE, K.: Handbuch der
Psychologie. 3. Band: Entwicklungspsychologie. Göttingen 1959.
LIPPERT, H.: Einführung in die Pharmakopsychologie. Stuttgart 1959.
LOHY, J. M.; KORNGOLD, S.: Récherches experimentales sur les causes psychologiques des accidents du travail. (Le travail humain IV, 1936, blz. 1-64.)
LOO ν. d., K. J. M.: De klinisohe psychologie in dienst van de problematiek
van de essentiële hypertensie. Nijmegen 1952.
LOO ν. d., К. J. M.: Enkele beschouwingen over de Bourdon-Wiersma-test.
(Gawein V, 1956, blz. 33.)
MAGOUN, H. W.: The waking brain. Springfield 1958.
MERLEAU-PONTY, M.: Phénoménologie de la perception. Paris 1945.
MEUMANN, E.: Intelligenz und Wille. (Hrsg. von G. Störring) Leipzig 1923.
NAERSSEN v., R. F.: Selectie van chauffeurs. Groningen 1962.
PENNINGTON, L. Α.; BERG, Ι. Α.: An introduction to clinical psychology.
New-York 1954.
PFLÜGFELDER, G.: Experimentelle Untersuchungen über Bewusztseinsstörungen in der Insulinbehandlung. Basel 1951.
PIERLOOT, R.: Algemene problemen van de klinsche psychosomatiek. Utrecht
1954.
PINNER, M.; MILLER, B. F.: When doctors are patients. New-York 1953.
PRADINES, M.: Traité de la psychologie générale. Paris 1946.
PRICK, J. J. G.: Het ziel-Uchaam probleem der wijsbegeerte en de psychosomatische geneeskunst. (Annalen Thijmgenootschap 28.) Utrecht 1950.
PRICK, J. J. G.: Problems concerning intelligence and personality and the
psyohopathology of dementia. (Folio psych, neerl. 56. 1953, blz. 829-857.)
PRICK, J. J. G.: De psychosomatiek, haar mogelijkheden en grenzen. (Ned.
Tijdsohr. voor Geneesk. 1957.)
PRICK, J. J. G.: Problems with regard to the aetiology and genesis of mental
diseases II. (Folio psych, neerl. 61. 1958, blz. 297-314.)
PRICK, J. J. G.; WAALS v. <L, H. G.: Nederlands Handboek der Psychiatrie.
Deel I. Arnhem 1958.
PRICK, J. J. G.: Developmental levels in the affective life considered from
the neuroanatomic and neurophysiobgical point of view. (Folia psych, neerl.
62. 1959, blz. 341-354.)
265
PRICK, J. J. G.; WAALS v. d., H. G.: Nederlands Handboek der Psychiatric.
Deel II. Arnhem 1963.
PRICK, J. J. G.: Het zenuwstelsel. Syllabus. Studium generale. Afd. Natuurwetenachappen, Delft 1964.
PUECH, P.; GUILLY, P; LAIRY-BOUNES, G. C : Introduction à la psychochirurgie. Paris 1950.
QUERIDO, Α.: Inleiding tot een integrale geneeskunde. Leiden 1955.
QUERIDO, Α.: Patiënt en zieke. (Ned. Tijdschr. voor Psychologie XVII. 1962,
afl. 2.)
ROBIN, G.: Les difficultés scolaires chez l'enfant. Paris 1957.
ROELS, F. J. Μ. Α.: Prof. Dr. A. A. GrOnbaum. (Utr. prov. en stedel. dagblad
12-1-1932.)
RUESCH, I.: Chronic Disease and Psychological invalidism. Berkeley 1951.
RÜMKE, Chr. L.; EEDEN v., C : Statistiek voor Medici. Leiden 1961.
RUTTEN, F. J. TH.: De mens in de psychologie. (Ned. Tijschr. voor Psychologie XVIII. 1963, afl. 4.)
SCHULTE, W.: Die Synkopalen Anfälle. Stuttgart 1949.
SIEGEL, S.: Nonparametric Statistics for the behavioral Sciences. London 1956.
SMEETS, J. W. : Phaenomenologie van ziekte en ziek-zijn. Leiden 1956.
SOLOMON, H. C ; COBB, S.; PENFIELD, W.: The brain and human behaviour. Baltimore 1958.
STAUB, H.; THÖLEN, H.: Bewusztseinsstöningen. St. Moritz 1961.
STEGEREN ν, W. F.: De betekenis van het klinisch-psychologisch onderzoek
voor een nadere analyse van de z.g. genuine epilepsie. Dissertatie. Amsterdam
1957.
STERN, E.: Die Tests in der klinischen Psychologie. 2 Bde. Zürich 1954-1955.
STÖRRING, G. E.: Besinnung und Bewusztsein. Düsseldorf 1953.
STRAUSS, Α. Α.; LETHINEN, L. E.: Psychopathology and education of the
braininjured child. New-York 1947.
STROHAL, R.: Grundfragen der Psychologic. Innsbruck 1950.
UEXKÜLL VON, J.; KRISZAT, G.: Streifzüge durch die Umweite von Tieren
und Menschen. Bedeutungslehre. Hamburg 1958.
WATERINK, J. : Over opmerkzaamheid en opmerkzaamheidsconcentratie. (NedTijdschr. voor Psychologie. N.R. I. 1946, blz. 97-126.)
WEWETZER, K. H.: Das Hirngeschädigte Kind. Stuttgart 1959.
WINDLE, W. F.: Neurological and psychological deficits of asphyxia neonatorum. Springfield 1958.
WOODWORTH, R. S.: Experimental psychology. New-York 1938.
ZEH, W.: Bewusztseinsveränderungen und psychopathologische Erscheinungsbilder bei endogenen und symptomatischen Prozessen. (Fortschritte der Neur.Psychiatrie. Jrg. 27, nov. 1959, Heft 11.)
ZEH, W.: Die Amnesien. Bonn 1961.
266
STELLINGEN
I
Gezien de grote betekenis van A. Grünbaum voor de psychologische
diagnostiek en theorievorming is zijn werk in de geschiedkundige
beschouwingen betreffende de psychologie onvoldoende belicht.
II
Onze Grünbaum-modificatie is te beschouwen als een wezenlijke bijdrage tot de diagnostiek van stoornissen der attentiviteit.
III
Voor het psychologisch-psychiatrisch onderzoek van pathologische bewustzijnstoestanden komt het hypervigiele attentiviteitsaspect evenzeer in aanmerking als het hypovigiele.
IV
Voor onderzoek en onderwijs is het van belang er rekening mee te
houden, dat relatieve duisternis een attentiviteit begunstigende situatie schept.
V
Het verdient aanbeveling een meer doelgericht ontwikkelings-psychologisch en klinisch-psychologisch onderzoek in te stellen naar de in
de praktijk nog te weinig gedifferentieerde variante vormen van het
vroegtijdig infantiel autisme.
VI
Het zou de mathematisch-psychologische denkrichting ten goede komen, indien elke psycholoog, die zich in het bijzonder daarop toelegt, een periode van klinisch-psychologische stage doormaakt.
VII
Er komen vormen van linkshandigheid voor, waarbij het raadzaam
is er rekening mee te houden bij het aanleren van handelwijzen (b.v.
leren schrijven); er komen ook vormen voor, die geen belemmering
met zich meebrengen ten aanzien van rechtshändige gewoontevorming.
Het kriterium ter onderscheiding van deze vormen van linkshandigheid bestaat in de latente contralaterale beïnvloeding van de manifeste motoriek.
Vili
Dat collectief schoolpsychologisch onderzoek slechts te realiseren is
door uitschakeling van de individuele testologische benadering, is
een misvatting.
IX
De cijfers van een niet gepubliceerd onderzoek door Undeutsch betreffende de verkeersborden, die door automobilisten worden opgemerkt, doen vermoeden, dat verkeerstekens, die een beroep doen op
zelfbehoud, gemakkelijker worden opgemerkt dan verkeersborden,
die de automobilist tot voorzichtigheid ten opzichte van anderen
manen.
X
In advertenties van instituten voor toegepaste psychologie wordt in
ons land veelal gesteld, dat sollicitanten zich behoren te onderwerpen aan een psychologisch onderzoek. In duitse advertenties van dezelfde strekking wordt van gegadigden verlangd, dat zij bereid zijn
tot een „Personalberatung". Wij achten dit laatste beter dan het
eerste
XI
De stichting van de staat Israël heeft op doorslaggevende wijze er
toe bijgedragen het zelfbewustzijn van de Joodse enkeling en groepering buiten de staat Israël te versterken en hun positie als burgers
in de verschillende landen te verbeteren.
XII
Het in hechte verbanden gegroepeerd zijn van eensgezinden vormt
een belemmering van niet-theologische aard voor het welslagen van
het oecumenisch streven.
XIII
Dat Heimo — maker of schenker van de kapitelenpracht op het hoge
koor in de Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht — de officiële
schrijftaal niet machtig was, is niet meer dan waarschijnlijk.