Document 6222024
Download
Report
Transcript Document 6222024
•
•
RUKSD
wsseLv-
Ri
Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders.
Smedinghuis. Lelystad
•'< '< f* OE
LD-RS
We -kdocument
van
1985-62 Cdc
ir. P.H. Schouten
datum: maart 1985
De riolering van Almere
INHOUD
Biz.
1.
SAMENVATTING
2.
INLEIDING
3.
3.1.
3.2.
3.3.
3.3.1.
3.3.2.
3.3.3.
3.3.4.
3.4.
HET NEERSLAGAFVOERSYSTEEM
Inleiding
De grachten
De R.W.A.-riolen
Systeemopbouw
Ontwerp uitgangspunten
Berekeningen
Laaggelegen gedeelten
Drainage
6
6
6
8
8
9
9
10
10
4.
4.1.
4.2.
4.3.
4.3.1.
4.3.2.
4.3.2, 1.
4.3.2, 2,
4.4.
4.4.1,
4.4.2,
4.4.3,
4.5.
4.6.
HET AFVALWATERAFVOERSYSTEEM
Inleiding
Opbouw van het hoofdrioleringssysteem
De D.W.A.-riolen
De wijkriolen
De onderheide diepriolen
Systeemkeuze, constructie en uitvoering
Problemen met diepriool
Het bemalingssysteem
De bemalingsgebieden
De gemalen
Persleidingen
Signaleringssysteem
De rioolwaterzuiveringsinstallatie
11
11
11
12
12
13
13
14
15
15
15
17
18
19
5.
LITERATUUR
21
Bijlagen.
r
17993
7160
X£
17 9 9 3. ]ilo
Werkdocumenten zijn als regel eerste versies van te schrijven rapporten
(uittypen geschreven tekst) en daardoor uitsluitend bestemd voor intern
gebruik. De verantwoordelijkheid voor de tekst berust bij de auteur.
Bijlagen
1. Principe-afmetingen open watergangen; tek.nr. Al-103.088
2. Typetekening oeverbeschoeiing open watergangen; tek.nr. Al-103.087
3. Principeprofiel van de grondverbetering van de grachten in AlmereHaven
4. Situatie met grachten, peilen, stuwen e.d.
5. Toekomstige situatie met grachten, peilen, stuwen e.d.
6. Principetekening put voor olie-absorptiedeken (R.W.A.)
7. Typetekening betonnen inspectieput; tek. nr. Al-142.180
8. Typetekening riool-huis- en kolkaansluitingen D.W.A. en R.W.A.;
tek.nr. Al-103.102
9. Typetekeningen drainage; tek.nrs. Al-103.098
10. Typetekeningen drainage; tek.nrs.(Al-103.099 (oud)
(Al-103.073 (nieuw)
11. Typetekening kunststoffen inspectieput 0 600 en 0 800 (D.W.A.);
tek.nr. Al-103.103
12. Detail scharnierstuk onderheid diepriool
13. Constructie diepriool
14. Overzicht toegepaste systemen onderheid diepriool Almere-Haven
15. Overzicht toegepaste systemen onderheid diepriool Almere-Stad
16. Overzicht herstel diepriool Almere-Haven
17. Tekening + opsomming bemalingsgebieden D.W.A.
18. Overzicht geplaatste gemalen incl. alle gegevens
Overzicht gemaal nummering nog te plaatsen gemalen
19. Typetekening pompput; tek.nr. B3-103.074
20. Overzichtstekening persleidingen en hoofdriolering; tek.nr.
D7-194.351
21. Typetekening aansluitschema datafoon-V-terminal t.b.v. gemalen/
pompputten - R.W.Z. Zuidelijke Flevoland, tek.nr. Al-103.075
1. SAMENVATTING
Dit rapport beschrijft de riolering in de door de Rijksdienst voor de
IJsselmeerpolders ontwikkelde stadsdelen van de kernen Almere-Haven,
Almere-Stad, Almere-Buiten en Almere-De Vaart.
Het rioleringsstelsel in Almere is van het type gescheiden stelsel.
Het systeem is opgebouwd uit:
- het neerslagafvoersysteem, bestaande uit een stelsel van open water
lopen (grachten), een stelsel van regenwaterafvoerriolen (R.W.A.riolen) en een drainagestelsel.
- het afvalwaterafvoersysteem, bestaande uit een stelsel van afvalwaterriolen (D.W.A.-riolen), een bemalingssysteem van hoofdrioolgemalen,
minirioolgemalen en pompputten met daarbij behorende persleidingen
en een rioolwaterzuiveringsinstallatie.
De riolering is in het begin ontworpen op basis van dezelfde uitgangspunten als in Lelystad. In 1984 heeft er een wijziging plaatsgevonden
in de ontwerpafvoercapaciteit van het R.W.A.-stelsel en wel van 60 1/s
ha naar 50 1/s ha. Verder onderzoek naar deze ontwerpnprm vindt nog
plaats.
In 1985 is, voor de bepaling van de hoeveelheid afvalwater, het aantal
inwoners per woning van 3 teruggebracht naar 2,7.
De stadsgrachten hebben een transport- en bergingsfunctie voor de afvoer van regenwater uit de R.W.A.-riolen en van kwel- en drainagewater.
Zij voeren het water vertraagd af naar het open polderwater (N.A.P.5,20 m of N.A.P.-6,20 m) d.m.v. stuwen of gemalen. In Almere-Haven zijn
hoofdzakelijk twee peilen ingesteld, t.w. N.A.P.-4,80 m (stadsgrachten)
en N.A.P.-5,20 m (bevaarbare route). In Almere-Stad en Almere-Buiten
is een peil ingesteld van resp. N.A.P.-5,50 m en N.A.P.-5,80 m.
Het bedrijventerrein De Vaart heeft momenteel een peil van N.A.P.-6,20.
In de toekomst moet een peil van N.A.P.-5.80 m worden ingesteld voor
het nog bouwrijp te maken gedeelte.
Het ontwerp van de grachten is gebaseerd op o.a. een peilstijging van
0,50 m eenmaal per 10 jaar en heeft tot resultaat dat 2,5 a 3% open
water gerealiseerd dient te worden. Met name in Almere-Stad is door de
recreatieplassen Weerwater en Leeghwaterplas het % open water groter
(ongeveer 7% in uiteindelijke situatie).
Naast de transport- en bergingsfunctie hebben de grachten ook een recreatieve (varen, vissen) en een stedebouwkundige functie.
De stad is per wijk voorzien van een apart stelsel van regenwaterafvoerriolen, waardoor het via straat- of trottoirkolken en daken verzamelde
regenwater wordt afgevoerd . Deze riolen bestaan uit betonbuizen met
mof-spieverbinding (min. diameter 300 mm) met betonnen controleputten
Bij het ontwerp is uitgegaan van een afvoercapaciteit van 60/1/s ha
(later 50 1/s ha) verhard oppervlak en voor woongebieden van een verhard
oppervlak van 66% van het bruto oppervlak. Berekeningen zijn opgesteld
aan de hand van literkaarten en standaardformulieren of met de computer
(met name door adviesbureaus). Speciale aandacht vragen laaggelegen gebieden, zoals kruisingen van langzaamverkeerroutes met busbanen, wegen,
spoorweg e.d. In veel gevallen zijn hier bemalingen toegepast.
De drainage is in dit rapport buiten beschouwing gelaten. Verwezen wordt
naar diverse publikaties.
343/12-3-"85/MvG ,
Het in woningen of gebouwen geproduceerde afvalwater wordt via huisaansluitleidingen afgevoerd naar het afvalwaterafvoerriool of droogweerafvoerriool (D.W.A.-riool). Deze riolen liggen naast de weg of in combinatie met het R.W.A.-riool in de as van de weg. Zij bestaan uit P.V.C.buizen (min. diameter 250 mm) met kunststof controleputten. De riolen
zijn ontworpen o.a. uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van
3 inwoners (later 2,7 inwoners) per woning, een afvoer per inwoner van
200 1 per etmaal met een maximum van 20 1 per uur, een afvoer per ha
bedrijventerrein resp. industrieterrein van 0,25 en 0,50 1/s per bruto
ha, een maximale vulling van 75% en ont- en beluchting via de open
ontspanningsleidingen tot boven de daken van de woningen.
De riolen liggen onder afschot, varierend van 1:300 tot 1:1000 en zoveel
mogelijk in circuitvorm.
Het ingezamelde afvalwater in de D.W.A.-riolen loost op het diepste punt
of in een onderheid diepriool of in een gemaal. Op basis van een kosten
vergelijking tussen beide systemen is van het eerstgenoemde afgestapt en
wordt momenteel alleen nog gewerkt met onderbemalingen.
De bemaling is ontworpen op een afvoer van 150 1 per inwoner per dag
met een maximum van 15 1 per uur. De overige uitgangspunten zijn gelijk
aan die voor het D.W.A.-stelsel.
In Almere zijn 4 typen gemalen geplaatst. In afnemende belangrijkheid
achtereenvolgens de hoofdrioolgemalen (natte en droge kelder met bovenbouw en twee pompen), de minirioolgemaal (natte en droge kelder met twee
pompen), de pompputten met twee pompen in onder water uitvoering en de
pompputten met een pomp in onderwateruitvoering.
De hoofdrioolgemalen van Almere-Haven en Almere-Stad zijn voorzien van
een windketel als waterslagvoorziening.
De hoofdrioolgemalen van Almere-Stad en Almere-Buiten zijn voorzien van
een compostfilter tegen stankbezwaar voor de omgeving.
De gemalen en pompputten verpompen het afvalwater via persleidingen uiteindelijk naar de rioolwaterzuiveringsinrichting. Bij het ontwerp van
de persleidingen is uitgegaan van een minimale snelheid in de leiding
van 0,60 m/s. De persleidingen zijn van P.V.C. of asbest-cement.
De belangrijkste gemalen zijn aangesloten op een signaleringssysteem
via het gekozen lijnen systeem van de P.T.T. Het systeem is van de
firma Landis & Gyr en genaamd: Datafoon-V-systeem. De gemalen melden
alarmen aan de centraalpost, welke is gesitueerd op de R.W.Z.I., of
aan het back-up station, welke bij de dienstdoende wacht is gesitueerd.
Vanuit de centraalpost en het back-up station kan een gemaal gecommandeerd worden.
Het in Almere geproduceerde afvalwater wordt gezuiverd op de rioolwaterzuiveringsinrichting op het industrieterrein De Vaart. De R.W.Z.I.
heeft momenteel een capaciteit van 80.000 inwonerequivalenten.
Het effluent wordt geloosd op de Lage Vaart.
Het overtollige slib wordt gedroogd in het twee-traps lagunesysteem,
gelegen tussen de Lage en Hoge Vaart.
2. INLEIDING
Dit rapport omvat een beschrijving van de waterhuishouding en het
rioleringsstelsel van Almere, welke door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders is ontworpen en aangelegd.
In verband met de ontwikkeling van de stad is gekozen voor een systeem
waarbij van elkaar losstaande stroomgebieden worden gerealiseerd, die
afwateren op open water wat betreft het regenwater en op minirioolgemalen en hoofdgemalen wat betreft het afvalwater. Het betreft consequent het gescheiden rioolstelsel. Voor de kern Almere-Buiten is voor
aanvang van de bouw nogmaals onderzocht wat het toe te passen systeem
diende te worden (20). Gekozen is voor voortzetting van het gescheiden
rioolstelsel. Hierbij wordt het regenwater en het afvalwater elk door
een apart buizenstelsel afgevoerd.
Het systeem is opgebouwd uit de volgende onderdelen:
a. Het neerslagafvoersysteem bestaande uit een stelsel van open waterlopen (grachten), een stelsel van regenwaterafvoerriolen (R.W.A.riolen) en een drainagestelsel.
b. Het afvalwaterafvoersysteem bestaande uit een stelsel van afvalwaterriolen (D.W.A.-riolen), een bemalingssysteem van minirioolgemalen,
hoofdrioolgemalen en persleidingen en een rioolwaterzuiveringsinstallatie.
In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan het neerslagafvoersysteem, en
wel achtereenvolgens aan de onderdelen waaruit het bestaat. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens het afvalwaterafvoersysteem behandeld.
Het rapport geeft in hoofdlijnen weer welke uitgangspunten, normen
etc. gebruikt zijn bij de ontwikkeling van de riolering van Almere.
Daar waar mogelijk is verwezen naar reeds bestaande publicaties in de
vorm van R.IJ.P.-rapporten en Flevoberichten.
In de bijlagen zijn zogenaamde "type-tekeningen" opgenomen. Dit zijn
tekeningen van standaardconstructies en oplossingen en als zodanig altijd toegevoegd als vast onderdeel bij bestek en tekeningen.
Dank voor hun medewerking ben ik verschuldigd aan de correctors van dit
rapport en voor hun medewerking, ing. J. de Man en de tekenkamer van de
afdeling Civieltechnische Werken.
3. HET NEERSLAGAFVOERSYSTEEM
3.1. Inleiding
Het neerslagafvoersysteem bestaat uit grachten, R.W.A.-riolen en
drainage.
In dit hoofdstuk wordt aan elk onderdeel een paragraaf gewijd. In
paragraaf 3.2. wordt aandacht besteed aan de grachten. Per kern
worden de diverse functies, eigenschappen e.d. beschreven. In paragraaf 3.3. wordt het stelsel van R.W.A.-riolen beschouwd voor geheel
Almere omdat er per kern geen noemenswaardige verschillen zijn.
In paragraaf 3.4. wordt tenslotte kort aandacht besteed aan het drainagestelsel. In hoofdzaak wordt echter verwezen naar reeds bestaande
publicaties in de vorm van R.IJ.P.-rapporten en Flevoberichten.
3.2. De grachten
De grachten in Almere hebben diverse functies. De voornaamste is wel
de berging en transport van neerslagwater. Het overtollige neerslagwater wordt aangevoerd door de R.W.A.-riolen en de drainage.
De grachten voeren het water af naar de poldervaarten.
Een tweede functie van de grachten is de recreatieve functie. Genoemd
kunnen worden varen, schaatsen, vissen e.d.
Een derde functie van de grachten is van stedebouwkundige aard. De aanwezigheid van grachten, waterpartijen en grote plassen is kenmerkend
voor Almere.
De grachten zijn gedimensioneerd op basis van de volgende algemene
uitgangspunten:
- een peilstijging van 0,50 m eens per 10 jaar is toelaatbaar (1)
- het bebouwd gebied mag nooit meer dan 600 m van een open waterloop
zijn afgelegen. De grachtafstand wordt daarmee maximaal 1200 m (2)
- de diepte van de grachten dient minimaal 1,20 m te zijn i.v.m. het
voorkomen van plantengroei
- i.v.m. de stabiliteit een talud van minimaal 1 : 3 (zie bijlage 1)
Almere-Haven
In Almere-Haven zijn drie typen grachten te onderscheiden, t.w.:
- de centrumgracht. De centrumgracht heeft een opgestuwd peil van
N.A.P. - 2,95 m. Dit peil wordt gehandhaafd middels een pompinstallatie aan het begin van de kerkgracht. Aan het eind van de Marktgracht
stort het water over op N.A.P. - 4,80 m.
De centrumgracht is ter weerszijde voorzien van verticale betonnen
keerwanden.gefundeerd op palen, en bekleedt met baksteen.
- de doorgaande vaarroute. De doorgaande vaarroute loopt van de sluis
in de Gooimeerdijk via het afwateringskanaal naar de Hoge Vaart.
Het peil is gelijk aan dat van de hoge afdeling van de polder, t.w.
N.A.P. - 5,20 m. Vanwege de doorvaarbaarheid is de diepte minimaal
1,50 m. De breedte varieert, doch is minimaal 25 m.
In het stedelijk gebied is de gracht beschoeid d.m.v. een damwand
constructie gelijk aan de stadsgrachten.
Ten noord-oosten van de Waterlandse weg is de oeverlijn vastgelegd
d.m.v. een betonblokkenmat, type Beto.
- de stadsgrachten. In de stadsgrachten is het peil opgestuwd tot N.A.P.
- 4.80 m. D.m.v. twee stuwen (overstortbreedte 5,0 m) wordt het overtollige water geloosd op de doorgaande vaarroute (peil: N.A.P. - 5,20 m)
In de Muidertocht ligt een vaste dam als peilscheiding tussen AlmereHaven (N.A.P. - 4,80 m) en Almere-Stad (N.A.P. - 5,50 m ) .
De diepte van de stadsgrachten is 1,20 m; de breedte is variabel.
De stadsgrachten zijn afgewerkt d.m.v. een azobe damwand beschoeiing bestaande uit 3 cm dikke planken, lang 1,20 m met om de 60 cm een plank van 1,50m.
De grachten in Almere-Haven zijn voorzien van een grondverbetering i.v.m.
opbressingsgevaar. Voor nadere gegevens wordt verwezen naar lit. 3, 4,
5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 en bijlage 3 voor een principe profiel.
Almere-Stad
In Almere-Stad is een uniform peil van N.A.P. - 5,50 m ingesteld (l, 13,
14).
De grachten worden bemalen door het vijzelgemaal dat gesitueerd is aan
de Leeghwaterplas. Het vijzelgemaal heeft, afhankelijk van de opvoerhoogte, een gemiddelde capaciteit van 3 m 3 /s en slaat het water uit op de
Hoge Vaart (peil: N.A.P. - 5,20 m ) . Globaal kan worden gesteld dat de
Stadsautoweg 1, Rijksweg 6 en de Hoge Vaart de peilscheiding van het
bemalingsgebied vormen.
In Almere-Stad zijn twee typen gracht gangbaar, t.w. de bevaarbare en
de niet bevaarbare. De bevaarbare grachten hebben, voor zover mogelijk
een breedte van minimaal 20 m en zijn 1,50 m diep. Twee routes door
Almere-Stad dienen uiteindelijk bevaarbaar te zijn, en wel vanaf AlmereHaven via de Lange Wetering, het Weerwater, de centrumgracht, het
koningin Beatrixpark naar de Noorderplassen en de route vanaf het Weerwater via de Leeghwaterplas naar de Hoge Vaart. De wijze van de daarbij
te passeren peilscheidingen is nog onderwerp van studie.
De overige,niet bevaarbare, grachten van Almere-Stad hebben een breedte
van 15 m en zijn 1,20 m diep.
De grachten zijn beschoeid d.m.v. azobe palen en planken volgens typetekening bijlage 2, behoudens de centrumgracht welke voorzien is van
een onderheide betonnen keerwand, die afgewerkt is met baksteen.
Almere-Buiten
In Almere-Buiten is een peil ingesteld van N.A.P. - 5,80 m (1).
Een uitzondering hierop vormt de insteekhaven en havenkom die in open
verbinding staan met de Lage Vaart (peil: N.A.P. - 6,20 m ) . Uiteindelijk
zullen de grachten d.m.v. 5 stuwen lozen op het Lage Vaartpeil. Drie
stuwen, gelegen aan de insteekhaven zullen beweegbaar zijn d.m.v. een
klep; de andere twee stuwen zijn vast. De stuwen hebben een overstortbreedte van resp. 6 en 9 m op een peil van N.A.P. - 5,60 m. Op N.A.P.
- 5,80 m is de overstortbreedte resp. 1,5 en 3 m.
De stadsgrachten hebben een breedte van 15 m en een diepte van 1,20 m.
De oeverlijn is vastgelegd met een azobe beschoeiing volgens type
tekening (bijlage 3 ) .
De insteekhaven heeft een breedte van 25 en 40 m en een diepte van
2,50 m. De oeverlijn is vastgelegd met een opensteenasfaltconstructie,
type fixtone, dik 10 cm. De havenkom zal in de ronding afgewerkt worden
met een azobe beschoeiing. De westelijke rechtstand zal verticaal afgewerkt worden (damwand, keermuur).
Almere-De Vaart:
Op het bedrijventerrein De Vaart zal in principe een peil ingesteld gaan
worden van N.A.P.-5,80 m (1). D.m.v. stuw(en) zal geloosd worden op de insteekhaven (peil: N.A.P.-6,20 m). Een uitzondering hierop vormen de gedeelten
De Vaart 1, 2 en 3 die gedraineerd en gerioleerd zijn op basis van het
aanliggende water met een peil van N.A.P. - 6,20 m.
De insteekhaven heeft een breedte van 90 m en is 3,0 m diep. De oever
is afgewerkt met een danwandconstructie met plaatselijk ervoor een
stortebed.
De in de verlenging van de insteekhaven liggende gracht is 26 m breed
en 1,50 m diep. De oeverlijn is vastgelegd d.m.v. een azobe beschoeiing
volgens type tekening bijlage 3 met daarboven grasbetonstenen tot een
hoogte van N.A.P. - 5,70 m.
Op bijlage 4 zijn van genoemde kernen de reeds aanwezige grachten ingetekend met de daarbij behorende peilen, stuwen, peilscheidingen en gemaal.
Op bijlage 5 zijn op het structuurplan de nog te graven grachten
met de daarbij behorende werken aangegeven.
3.3. De R.W.A.-riolen
3.3.1. Systeemopbouw
Almere is per wijk voorzien van een apart stelsel van regenwaterafvoerriolen (R.W.A.-riolen). Deze riolen liggen in principe in de as van de
straat, soms in combinatie met het D.W.A.-riool.
Het via straat- of trottoirkolken en daken verzamelde regenwater wordt
via P.V.C. aansluitleidingen en P.V.C.-standleidingen (op de inlaten)
naar het R.W.A.-riool afgevoerd. De R.W.A.-riolen bestaan uit betonbaizen met mof-spieverbinding, lang 2 m (ook wel 2,40 m) met een minimum diameter 300 mm. De ligging is zoveel mogelijk horizontaal. In
Almere-Haven zijn, vanwege de slechte grondslag, de R.W.A.-riolen gelegd op azobe-matten. In de andere kernen is dit niet noodzakelijk geacht.
De controleputten zijn gemaakt van betonelementen met een zandvang
0,60 m beneden de laagst aangesloten buis.
De uitmonding in de gracht is onder water aangebracht ca. 0,20 m beneden grachtpeil. De laatste strengen naar de laatste controleput voor
de gracht worden onder afschot gelegd. In de laatste controleput is in
de toekomst, indien nodig, plaatsing van een "olie-absorptiedeken"
mogelijk (zie bijlage 6).
Van de toegepaste betonputten is de typetekening Al-142180 bijgevoegd
(bijlage 7) evenals van het aansluitsysteem voor huis-/ en kolkaansluiting typetekening Al-103102 (bijlage 8). De zettingsmof wordt sinds
1980/1981 toegepast.
8
3.3.2. Ontwerp uitgangspunten
De R.W.A.-riolering is ontworpen op basis van de volgende uitgangspunten:
a. afvoercapaciteit 60 1/s/ha verhard oppervlak. Vanaf 1984 50 1/s/ha;
b. max. stijging van de grachtwaterstand van 0,20 m;
c. de bij de afvoercapaciteit berekende waterspiegel dient overal
0,20 a 0,30 m beneden maaiveld te blijven;
d. het verhard oppervlak is voor woonwijken veelal gesteld op 2/3 deel
van het bruto-oppervlak. In centrumgebieden is 80 a 100% verhard
gerekend.
ad a.
Van het begin af aan is met deze voor vlakke gebieden gebruikelijke
aanname gerekend. Later is op basis van de "5 minutenregens" van de Grontmij en het stedelijk wateronderzoek van de R.IJ.P. in Lelystad deze aanname verklaard als een regenintensiteit van 75 1/s/ha gedurende 20 minuten, die eenmaal per twee jaar wordt bereikt of overschreden, met
een afvloeiingscoefficient van 0,8 (15)
Nader onderzoek (16) heeft aangetoond dat de tot dusver gebruikte norm
aan de veilige en dus dure kant is. Op basis van dit onderzoek is de
norm voor de afvoercapaciteit van het R.W.A.-stelsel verlaagd tot
50 1/s/ha.
Momenteel wordt zelfs gestudeerd op een variabele norm, afhankelijk
van grachtafstand, percentage verhard oppervlak en berging in het
rioolstelsel.
ad b.
De stijging van de grachtwaterstand is bij de berekening uit veiligheidsoverwegingen gesteld op 0,20 m en om niet de frequentie van water op
straat door de grachtwaterstand te laten beinvloeden.
ad d.
Het verhard oppervlak stellen op 2/3 deel van het bruto-oppervlak is aan
de royale kant. Evenwel bij het bouwrijpmaken is meestal de terreinafwerking niet bekend. Tevens is voor latere uitbreiding van verharding reserve aanwezig.
3.3.3. Berekeningen
De berekeningen zijn veelal met de hand op formulieren uitgevoerd aan
de hand van literkaarten, waarop de verharde oppervlakten en afvoerrichtingen zijn bepaald. Enige woongebieden zijn door adviseurs voorbereid en met behulp van een computer berekend waarvan rapportage beschikbaar is.
3.3.4. Laaggelegen_gedeelten
De gekozen waterpeilen (1, 13) hebben geleid tot plaatselijk lager gelegen gedeelten, o.a. kruisingen langzaamverkeerroute met busbanen en
kernhoofdwegen. Ter plaatse wordt het regenwater verzameld
via kolken en p.v.c.-riolen in een pompput. Op enkele plaatsen dient
het aanwezige drainagastelsel onderbemalen te worden. De pompputten lozen het overtollige neerslagwater in de nabij gelegen gracht of put van
het R.W.A.-stelsel.
3.4. Drainage
In Almere zijn drie typen drainagestelsel toegepast in de opgespoten
gebieden, t.w.:
- kruisdrainage
- langsdrainage
- blokdrainage
De drainage loost in principe op het openwaterstelsel. Daar waar dit
niet mogelijk is, wordt geloosd op het R.W.A.-riool of wordt de drainage onderbemalen. Aansluitingen op het D.W.A.-riool zijn niet toegestaan en als zodanig nooit bewust uitgevoerd.
Naast de drainage voor de woongebieden zijn de wegcunetten van alle
wegen, busbanen e.d. voorzien van een langsdrainage, lozend op een
sloot dan wel gracht of R.W.A.-riool (bijlage 9 en 10).
Voor een gedetailleerde beschrijving van de diverse toegepaste drainagestelsels, de berekeningsgrondslagen, uitgangspunten e.d. wordt verwezen naar lit. 17 en 18.
10
4- HET AFVALWATERAFVOERSYSTEEM
4.1. Inleiding
Het afvalwaterafvoersysteem bestaat uit afvoerriolen, pompputten, minirioolgemalen en hoofdrioolgemalen. De totale afvalwaterproduktie wordt
uiteindelijk geloosd op de rioolwaterzuiveringsinrichting op het bedri jventerrein De Vaart.
In 1973 is een studie verricht naar de opzet van de riolering voor AlmereHaven en geheel Almere (lit. 23 en 24).
Qua systeemopbouw heeft zich in het begin van de tachtiger jaren een
wijziging voorgedaan. Op basis van een uitgebreid onderzoek voor het toe
te passen systeem in de derde kern, Almere-Buiten, is besloten af te
stappen van het systeem met onderheide diepriolen en te kiezen voor een
systeem met meerdere onderbemalingen. In paragraaf 4.2 wordt hier nader
op ingegaan.
In paragraaf 4.3. wordt aandacht besteed aan de D.W.A.-riolen resp. aan
de wijkriolen en de onderheide diepriolen. In paragraaf 4.4. wordt het
bemalingssysteem besproken en in paragraaf 4.5. het signaleringssyteem
welke storingen van de gemalen doorseint naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties.
In paragraaf 4.6. wordt tenslotte kort iets gezegd van de r.w.z.i. zelf.
4.2. Opbouw van het hoofdrioleringssyteem
Uitgangspunt voor de opbouw van het hoofdrioleringssysteem is dat elke
woning binnen een straal van 500 m van een aansluitpunt op de hoofdriolering gesitueerd is. Gezien de vaak rechthoekige vorm van de wijken
wordt de maximale afstand 500 /2 (= 700 m ) . Bij genoemde lengte wordt
de diepte van de wijkriolering beperkt tot M.V. - 3,0 m. Tot deze diepte kan het riool in een open sleuf gelegd worden; grotere diepte leidt
tot bovenmatige verhoging van de kosten van de aanleg van de wijkriolering. Aangezien het uitgangspunt voor het openbaarvervoerbanensysteem
gelijk is aan die van de hoofdriolering (straal van 500 m) is het hoofdrioleringssysteem gelegen langs de o.v.-banen.
Het aansluitpunt van de wijkriolering kan bestaan uit:
a. een diepliggend onderheid riool
b. een (mini)riool gemaal.
ad a.
In Almere-Haven en Stedenwijk, Waterwijk en Randstad van Almere-Stad
sluit de wijkriolering aan op een diepriool. Het diepriool begint op
een diepte van + m.v. - 3,0 m en ligt onder een helling van 1:1000.
Het diepriool mondt uit in een minirioolgemaal of een hoofdrioolgemaal.
ad b.
In de resterende delen van Almere-Stad, in Almere-Buiten en Almere
De Vaart loost de wijkriolering op een minirioolgemaal. Dit minigemaal
perst het afvalwater of naar een aanliggend wijkriool 6f naar een volgend mini- c.q. hoofdrioolgemaal.
De stap van systeem a naar systeem b is gezet op basis van de investerings- en exploitatiekosten van beide systemen (lit. 19, 21).
11
4.3. De D.W.A.-riolen
4.3.1. De wijkrioljfj}
Almere is voorzien van een apart stelsel van afvalwaterriolen of D.W.A.riolen (D.W.A. = droogweerafvoer). Deze riolen liggen in principe naast
de weg, doch soms in combinatie met het R.W.A.-riool in de as van een
woonstraat. Het in woningen of gebouwen geproduceerde afvalwater wordt
via een P.V.C. huisaansluitleiding en P.V.C. standleiding op het P.V.C.riool voor D.W.A. aangesloten (zie huidige aansluitsysteem voor huisaansluitingen typetekening op bijlage 8). De zettingsmof wordt sinds
1980/1981 toegepast (bijlage 8). In het verleden zijn woningen veelal
via verzamelaansluitingen op de controleputten aangesloten en niet via
standleidingen. Tegenwoordig vindt aansluiting plaats via in de D.W.A.leiding opgenomen T-stukken met een standleiding. De D.W.A.-riolen bestaan veelal uit P.V.C.-buizen 0 250 mm in de woonwijken met enige verzamelriolen 0 315 mm en 0 400 mm.
De controleputten voor de P.V.C.-riolen zijn uitgevoerd in kunststof
met stroomprofiel en vlakke bodem, in principe met diameter 0 600 of
0 800 (zie typetekening op bijlage 11).
De D.W.A.-riolen zijn ontworpen op basis van de volgende uitgangspunten:
a. afvoer per inwoner per etmaal 200 1 (bestaande uit combinatie van
vuilwaterproduktie, lekkage en eventuele foute aansluitingen);
b. maximale afvoer per uur is 10% van de etmaalafvoer;
c. de riolen worden op deze max. uurafvoer gedimensioneerd uitgaande
van een maximale vulling van 75% en een gemiddelde woningbezetting
van 3 inwoners per woning. Vanaf 1985 wordt 2,7 inw. per woning aangehouden.
d. afvoer van industrieterrein 0,5 1/s per bruto-ha (Almere-De Vaart);
e. afvoer van in woongebieden gesitueerde bedrijventerrein 0,25 1/s per
bruto-ha (Gooisekant, Markerkant e.d.);
f. de minimale dekking op de riolen bij de "beginpunten" bedraagt momenteel 1,30 m;
g. De D.W.A.-riolen liggen onder een verhang vanaf de hoogst gelegen
punten. Het momenteel toegepaste schema is als volgt:
0-150 m 1:300; 150-300 m 1:500; van 300 tot 1.000 m 1:750; en verder
1:1000;
h. het materiaal is P.V.C. met minimum diameter 0 250 mm. Deze materiaalkeuze is gedaan om onderscheid te krijgen van het R.W.A.-systeem (betonriolen);
i. de riolen worden, indien redelijkerwijs mogelijk, in circuitvorm gelegd, zodat afstroming naar meerdere kanten mogelijk is bij eventuele verstopping;
j. ont-/belichting via de open ontspanningsleidingen tot boven de daken
van de aangesloten woningen.
De aanwezige berging per hoofd bemalingssysteem bedraagt ongeveer een
"8 uur"-produktie van afvalwater.
12
4.3.2. De onderheide diepriolen
4.3.2.1. Systeemkeuze, constructie en uitvoering
- Bij de start van Almere-Haven is onderzoek gedaan naar de invloed van
de bodemgesteldheid op de standzekerheid van de riolering (lit. 25).
In het kader van dit onderzoek zijn diverse proefsleuven gegraven en
aanlegmethoden beproefd. Resultaat van het onderzoek was, dat sleuven
dieper dan 2,25 m beneden het opgespoten maaiveld alleen met aanvullende maatregelen gedurende enige tijd in stand te houden zijn voor
de aanleg van riolen (zie lit. 25). De uitvoeringszettingen bedroegen
daarbij nog altijd 0,30 m.
- De geadviseerde oplossing van een hoofdgemaal met toevoerriolen onder
vrij verval (lit. 23) bleek niet haalbaar gezien de onderzoeksresultaten. Daarom is gekozen voor een systeem met twee extra tussengemalen.
- Gekozen is destijds voor een aanlegmethodemet twezijdig afgekiste sleuven
en onderheide diepriolen om de volgende redenen: a. Om verstoring van
de grondslag onder de openbaar vervoersbaan (o.v.-baan) te voorkomen:
b. om de standzekerheid en daarmee het afschot te verzekeren, mede
gezien de sterk varierende diepte van het pleistoceen en de aanwezigheid van veenlagen.
- Omdat de hoofdriolering een infrastructureel onderdeel van de eerste
orde is, is gekozen voor zekerheid.
- Voor het toe te passen buismateriaal en de oplegconstructie is destijds gekozen voor asbestcementbuizen op twee paaljukken per buis.
De keus is gemaakt na de vergelijking op basis van technische en
financiele "kwaliteiten" van drie systemen, te weten: het systeem Arkel
het systeem Bonna, beide met gewapend betonnen buizen en het systeem
Eternit met asbestcementbuizen. De motivering van deze keus was:
a. Oplegging van de buis op twee jukken verdient de voorkeur t.o.v.
een systeem van een juk per buis gezien de voorkomende ongelijke
zetting in het holoceen en de daardoor optredende ongelijke belasting op de buizen.
b. Door de geringere buitendiameter een ca. 20% lagere belasting op
de buizen.
c. Door "speling" in de komeetmoffen is het systeem minder gevoelig
voor zettingen.
d. Passtukken zijn in het werk te maken.
e. Een goede, waterdichte en flexibele verbinding tussen de buizen.
- Het diepriool langs de openbaarvervoersbaan (o.v.-baan) is voorzien
van eveneens gefundeerde aftakkingen onder de o.v.-baan door voor
aansluiting van de wijkriolen vanaf de andere zijde van de weg.
- Kruisingen met grachten zijn uitgevoerd met niet gefundeerde vrij
verval zinkers bestaande uit H.P.E.-buizen in Almere-Haven en P.V.C.
zinkers in Almere-Stad. Bij deze zinkers zijn alleen in Almere-Haven
spoelmogelijkheden met grachtwater aangebracht.
- In iedere streng van het diepriool, lozend op een gemaal, is een nooduitlaat met overstortmogelijkheid aangebracht. Overstorthoogte in
Almere-Haven bedraagt N.A.P.-4,00 m en in Almere Stad N.A.P.-4,50 m.
- De aansluitingen van de wijkriolering op het diepriool is geschied
door middel van scharnierstukken bestaande uit gietijzeren buisstukken en hulpstukken volgens bijlage 12.
- De constructie van het diepriool in Almere-Haven en Almere-Stad is in
de loop der jaren gewijzigd en weergegeven op bijlage 13. De plaats
13
waar de verschillende systemen zijn toegepast is weergegeven op bijlagen 14 en 15.
4.3.2.2. Problemen met diepriool
- Bij de camera-inspectie in november 1977 van het eerste rioolbestek
(aangelegd eind 1975) werden in vijf putlengten 6 breuken geconstateerd. Het herstelbestek werd in 1978 voorbereid en eind 1979 in
uitvoering genomen. Uit een camera-inspectie voorafgaand aan de uitvoering in 1979 van dit bestek werden nog 4 breuken ontdekt. Deze
zijn in het kader van het herstelbestek eveneens gerepareerd.
Op bijlage 16 zijn de plaatsen aangegeven waar herstel heeft plaatsgevonden .
- Na afloop van de uitvoering bleek, dat in de aansluitende riolen weer
8 breuken waren opgetreden. Uit een onderzoek naar de oorzaken (lit.
26) bleek dat bij het trekken van de damwanden van de sleufbekisting
er wateroverspanning optreedt nabij de paalpunten bij een uitgeschakelde diepwelbemaling.
Door het teruglopen van de korrelspanning onder de paalpunt ontstaan
zettingen van de palen. Aanbevelingen uit het onderzoek zijn:
Bij reparatie aan het diepriool dienen eerst diepwelbronnen geplaatst
en in werking gesteld te worden. Deze bronnen in werking houden tot
het eind van alle werkzaamheden met name bij het in- en uittrillen
van damwanden en heien van palen voor het herstel. Alleen op deze
wijze blijft de standzekerheid van de constructie gewaarborgd.
- Het herstel van de 8 breuken is gebeurd door het aanbrengen van een
kunststofbekleding van 9 mm dikte volgens het Insituformprocede door
Zegwaard b.v. te Delft. Uit beproevingen (lit. 27) is gebleken dat
deze bekleding aangebracht in een asbestcementbuis de gewenste sterkte
kan leveren om buigende momenten en dwarskrachten op te nemen. De bekleding is eind 1980 aangebracht. Deze methode kan alleen met succes
worden toegepast indien de riolen niet verzakt zijn.
- Een regelmatige controle van het diepriool (b.v. 1 maai per jaar) is
dan ook aan te bevelen om de kosten van herstel van eventuele breuken
zo laag mogelijk te houden.
- In September 1983 werd bij de overdracht van het diepriool in AlmereHaven een breuk geconstateerd tussen de putten 8 en 9. Het herstelbestek werd in 1984 ter hand genomen, waarbij het gebroken en verzakte
gedeelte werd opgegraven en hersteld. Na het herstel is een kunststofbinnenbekleding aangebracht, inclusief de aansluitende rioolstrengen
(tussen de putten 7 en 10). Door de gemeente Almere is in eigen beheer
en gekoppeld aan dit werk een bekleding aangebracht tussen de putten
5 en 7. Hiermee is nagenoeg het gehele diepriool in het centrumgebied
van een bekleding voorzien om latere calamiteiten te voorkomen.
- De problemen door zetting van het onderheide diepriool zijn hoofdzakelijk opgetreden in en nabij het centrumgebied van Almere-Haven. Daarbuiten waren de problemen verklaarbaar door zakking van kruisende regenwaterriolen met onvoldoende tussenruimte, doordat de zetting groter was dan verwacht.
- Op bijlage 16 zijn de plaatsen aangegeven waar in Almere Haven en
Almere-Stad herstel van het diepriool heeft plaatsgevonden en waar
de kunstsstofbinnenbekleding is aangebracht.
14
4.4. Het bemalingssysteem
4.4.1. De_bemalingsgebieden
Het met behulp vein de D.W.A.-wijkriolen en/of diepriolen ingezamelde
afvalwater loost op het diepste punt in een minirioolgemaal of een
hoofdrioolgemaal. Het gebied dat afvalwater loost op een minirioolgemaal vormt een onderbemalingsgebied. Vanuit dit gebied wordt het afvalwater via een persleiding geloosd in een ander onderbemalingsgebied
of in het hoofdrioolgemaal, of in het gebied dat rechtstreeks onder
verval het afvalwater loost in het hoofdrioolgemaal. Een bemalingsgebied is het totale gebied wat rechtstreeks of indirect loost op het
hoofdrioolgemaal.
Bemalingsgebied Almere-Haven
Het bemalingsgebied Almere-Haven kent 6 onderbemalingsgebieden en 2 via
een pompput lozende vestiging (zie bijlage 17). Drie minirioolgemalen
en het hoofdrioolgemaal (nrs. 210/0 t/m 213/0) bemalen het onderheid
diepriolenstelsel. De gemalen 214/0, 215/0 en 216/0 bemalen achtereenvolgens de Waterlandse tuinen, Sportcomplex de Groene Wig en het buitendijks gebied; pompput 216/1 verzorgt de afvoer van het toiletgebouw
op het buitendijks gebied. De Bosschuur aan de Muiderweg loost het afvalwater via een klein pompputje in het rioleringsstelsel van de wijk
Muidergouw.
Bemalingsgebieden Almere-Stad
Almere-Stad zal in de uiteindelijke situatie twee bemalingsgebieden
bezitten. Een hoofdrioolgemaal (nr. 220/0) is reeds gerealiseerd
(zie bijlage 17). Op het hoofdrioolgemaal (zullen) lozen vele onderbemalingen (b.v. 221/0) of onder - onderbemalingen (b.v. 222/2 via 221/1).
Daarnaast bemaalt het hoofdrioolgemaal tevens de diepriolering van
Randstad en Waterwijk.
Verspreid liggende vestigingen (b.v. sauna) zijn via kleine pompputjes
aangesloten op een (onder) bemalingsgebied.
Bemalingsgebieden Almere-Buiten
Almere-Buiten zal in de uiteindelijke fase twee bemalingsgebieden bezitten (lit. 19). Een hoofdrioolgemaal is reeds gerealiseerd (nr. 250/0)
(zie bijlage 17). Op het gerealiseerde hoofdrioolgemaal lozen
direct of indirect 11 onderbemalingen.
Bemalingsgebied Almere-De Vaart
Momenteel bestaat het bedrijventerrein Almere-De Vaart uit een bemalingsgebied (zie bijlage 17). Bij toekomstige uitbreidingen zal bekeken moeten worden hoe het geproduceerde afvalwater verzameld en getransporteerd dient te worden.
4.4.2. De gemalen
In
a.
b.
c.
d.
Almere zijn vier typen gemalen geplaatst, t.w.:
hoofdrioolgemalen
de minirioolgemalen
de pompputten met 2 pompen
de pompputten met 1 pomp.
15
De gemalen en pompputten zijn ontworpen op basis van de volgende uitgangspunten:
a. afvoer per inwoner 150 1/etmaal;
b. maximale uurafvoer is 10% van de dagafvoer;
c. een gemiddelde woningbezetting van 3 inwoners per woning; Vanaf 1985
is deze norm verlaagd naar 2,7 inwoners welke meer aansluit bij de
werkelijkheid;
d. totaal aantal woningen in een bemalingsgebied;
e. afvoer van industrieterreinen 0,5 1/s per bruto ha;
f. afvoer van in woongebieden gesitueerde bedrijventerreinen 0,25 1/s per
bruto ha.
In bijlage 10 staat een opsomming van alle geplaatste gemalen, incl. de
benodigde gegevens. Tevens is een overzicht gegeven van de nummering
van de nog te plaatsen gemalen.
ad a
De hoofdrioolgemalen zijn uitgevoerd met een "natte" kelder voor de ontvangst van het afvalwater, een "droge" kelder waar de pompen met elektromotoren staan opgesteld en een bovenbouw. De gemalen zijn uitgerust
met tweetoerenmotoren, uitgezonderd het hoofdrioolgemaal van AlmereHaven dat maar enkeltoeren is, en hebben zo een hoge en een lage capaciteit die afhankelijk van de aanvoer wordt ingeschakeld. De schakelapparatuur is in een schakelkast in het gebouw aangebracht. De gemalen
zijn aangesloten op het centraal signaleringssysteem (zie paragraaf 4.5)
Bij bepaling van de benodigde berging tussen in- en uitschakelpeil is
uitgegaan van een schakelfrequentie van maximaal 10 maai per uur voor
laagtoeren zowel als hoogtoeren.
De berging is bij gemaal 210/0 gedeeltelijk gevonden in het diepriool.
In gemaal 220/0 is de "natte" kelder voorzien van een omloopgoot.
Bij de gemalen 240/0 en 250/0 is de berging volledig aanwezig in de
"natte" kelder.
In de gemalen zijn de nodige voorzieningen aangebracht voor het plegen
van onderhoud, zoals watervoorziening, werkbank met gereedschappen, verlichting, ventilatie, schrijftafel e.d.
De gemalen 210/0 en 220/0 zijn voorzien van een waterslagvoorziening in
de vorm van een windketel. De windketel van gemaal 210/0 is uitgevoerd
in beton en bouwkundig opgenomen naast de natte kelder. De windketel
van gemaal 220/0 is uitgevoerd in staal en geplaatst in de droge kelder.
Bij de gemalen 240/0 en 250/0 is gezien de lengte van de persleiding en
de opvoerhoogte geen waterslagvoorziening benodigd.
De gemalen 220/0 en 250/0 zijn voorzien van een compostfilter waardoor
de in de natte kelder opgehoopte lucht (vooral H2S) afgevoerd en gezuiverd wordt. Stankoverlast voor de omgeving is daarmee uitgesloten.
Voor een goede werking van het compostfilter is het vochtgehalte van
het compost van essentieel belang. Daarom zijn de compostfilters voorzien van een semi-automatische sproeiinstallatie.
ad b.
De minirioolgemalen zijn identiek uitgevoerd aan de hoofdrioolgemalen
met uitzondering van de bovenbouw. Bij de tot 1983 uitgevoerde minirioolgemaLen is bovengronds een schakelkast geplaatst voor de schakelapparatuur en de P.G.E.M.-aansluiting. Vanaf 1983 is de schakelkast
van de schakelapparatuur in de droge kelder opgehangen.
16
Bovengronds is alleen nog een klein kastje aanwezig voor de P.G.E.M.aansluiting. Dit kastje is uitgevoerd in roestvaststaal, kwaliteit
AISI 304 L. De droge en natte kelder zijn toegankelijk via luiken in
het dek (zie ook typetekening bijlage 19).
De pompen worden vanaf 1983 in horizontale opstelling geplaatst en
aangedreven met V-snaren, dit i.v.m. de mogelijkheid om de capaciteit
van de pompen zonodig te verhogen door het verwisselen van de poelie's.
Voor 1983 werden de pompen vertikaal opgesteld. I.v.m. met enige uniformiteit in het fabrikaat van de pompen worden uitsluitend pompen toegepast van het fabrikaat K.S.B. of G.E.H.O.
ad c
De pompputten zijn voorzien van twee pompen in onderwateruitvoering
geplaatst in een betonnen, meestal vierkante put.
Bij bepaling van de benodigde berging tussen in- en uitschakelniveau
is uitgegaan van een schakelfrequentie van maximaal 10 maai per uur per
pomp. De s_hakelapparatuur is ondergebracht in een op de put geplaatste
plaatstalen kast. Vanaf 1983 is, om onderhoudstechnische redenen, de
schakelkast uitgevoerd in roestvaststaal, kwaliteit AISI 304 L. Verder
zijn de nodige voorzieningen aangebracht om de pompen uit de put te
kunnen takelen voor onderhoud.
De pompputten zijn aangesloten op het centrale signaleringssysteem.
Vanwege enige uniformiteit in de toegepaste pomptypen worden uitsluitend
pompen toegepast van het fabrikaat Landustrie of ABS (Dubislav).
ad d.
Deze pompputten zijn voorzien van een pomp in onderwateruitvoering,
geplaatst in een betonnen ronde of vierkante put. Vanwege de meestal
zeer geringe rioolwateraanvoer en de geringe gevolgen bij storing is een
100% reserve niet nodig geoordeeld.
In deze pompputten worden pompen toegepast van het fabrikaat Landustrie
of ABS. De schakelkast kan uitgevoerd zijn in plaatstaal, roestvaststaal of slagvast p.v.c. afhankelijk van de kans op vandalisme.
Deze pompputten zijn niet aangesloten op het centrale signaleringssysteem.
4.4.3. Persleidingen
Uit de gemalen en pompputten wordt het afvalwater via persleidingen verpompt. Uiteindelijk komt het rioolwater in het hoofdrioolgemaal vanwaar
het naar de rioolwaterzuiveringsinrichting wordt verpompt. Op bijl. 20 zijn de
persleidingen (incl. gemalen) getekend met verwijzing naar besteks- en
tekeningnummers.
Bij het ontwerp van persleidingen is uitgegaan van een minimale snelheid in de leiding van 0,60 m/s. Een lagere snelheid wordt ontoelaatbaar geacht i.v.m. mogelijke bezinking in de leiding die niet meer
meegenomen wordt door de waterstroom. De opvoerhoogte, en dus het energieverbruik van de pompinstallatie is dan laag.
Bij de berekening van de dynamische opvoerhoogte is gerekend met een
wandruwheid van 0,20 mm voor p.v.c. en 0,25 mm voor asbest-cement.
Automatische ontluchtingspunten zijn niet opgenomen in de persleidingen.
De aanwezige ontluchtingen in de persleiding vanaf gemaal 214/0 zijn
verwijderd. Met de hand bedienbare ontluchtingen zijn daar aangebracht
waar opeenhoping van lucht te verwachten is zonder dat deze door de
17
waterstroom wordt meegevoerd. Uitgangspunt daarbij zijn de door WAVIN
opgestelde normen waar bij een bepaalde diameter is aangegeven onder
welke helling de persleiding nog mag dalen zodat luchtbellen meegenomen
worden (lit. 22).
Alleen bij twee hoofdrioolgemalen is het noodzakelijk gebleken waterslagvoorzieningen op te nemen. Bij de andere gemalen en pompputten is de
opvoerhoogte zo laag dat deze voorzieningen niet noodzakelijk zijn.
4.5. Signaleringssysteem
Voor een goed beheer van het totale bemalingssyteem van Almere is een
signaleringssycteem onontbeerlijk. Hoewel enige berging in het systeem
aanwezig is en de belangrijkste gemalen voorzien zijn van twee pompen
(100% reserve) is snel reageren op een storing gewenst vanwege mogelijke
vervuiling van het rioolstelsel door bezinking.
Gewenst werd een betrouwbaar systeem dat niet alleen storingen kon doormelden maar ook commandering vanuit het hoofdstation naar de onderstations kon realiseren.
Op basis van een betrouwbaarheids- en kostenonderzoek is gekozen voor
doorvermelding via P.T.T.-telefoonlijnen volgens het kiesnummersysteem,
d.w.z. bij het optreden van een storing verzorgt een telefoonkiesapparaat in het onderstation een verbinding met het hoofdstation.
Uiteindelijk is gekozen voor het Datafoon-V-systeem van de firma Landis
& Gyr. Het systeem bestaat uit de volgende componenten:
- onderstations
- centraalpost
- back-up station
Het onderstation
Het onderstation wordt gemonteerd in de schakelkast van de gemalen of
los aan de muur in een p.v.c.-behuizing. Het onderstation heeft
de mogelijkheid de volgende meldingen te verrichten of te ontvangen:
- 8 alarmmeldingen
- 8 statische meldingen
- 8 digitale en/of analoge meldingen
- 8 commando's
Alleen t.g.v. de eerstgenoemde wordt het kiesapparaat (goedgekeurd
door de P.T.T. onder toelatingsnummer V.T.D. 74 Fl-34) automatisch in
werking gesteld.
De tweede en derde genoemde meldingen, de statische melding (= b.v. stand
van een bepaald contact) en de waarde melding (= b.v. niveau in de natte
kelder) worden alleen doorgeseind indien vanuit de centraalpost daarom
gevraagd wordt.
Commandering vindt plaats vanuit de centraalpost (b.v. gemaal paraat/niet
paraat).
Momenteel zijn alleen de alarmcontacten (afhankelijk van het type gemaal
zijn er contacten over) en een commando contact (paraat/niet paraat) in
gebruik (zie bijlage 21).
Bij een optredend alarm zal het onderstation 10 maai verzoeken de centraalpost te bereiken. Bij spanningsuitval verzorgt een ingebouwde oplaadbare accu de spanning.
18
De centraalpost
De centraalpost is geplaatst op de rioolwaterzuiveringsinrichting van
Almere. Op de centraalpost komen de alarmmeldingen binnen en worden
direct vastgelegd op een printer. Een alarmzoemer komt in werking.
M.b.v. LED-'s is gemaalnr. en het soort alarm direct zichtbaar. Tevens is
op de printer te lezen het tijdstip, het gemaalnummer, de naam van het
gemaal en het type storing. Zodra een storing is opgeheven wordt dit
weer gemeld.
Indien de centraalpost onbemand is (weekend, avond) worden de alarmen
automatisch doorgemeld naar de dienstdoende ambtenaar. De centraalpost
tracht 5 maai contact te krijgen met het bij de dienstdoende ambtenaar
geplaatste back-up station. Lukt deze aktie niet dan zal hij het semafoonnummer van de dienstdoende ambtenaar bellen.
Ter controle van de open P.T.T -lijnen is een automatische stationscontrole ingebouwd. Op een in te stellen tijdstip gaat de centraalpost alle
aangesloten onderstations opbellen, wederom per gemaal 10 pogingen.
Komt de verbinding tot stand dan worden de standen van de aangesloten
contacten opgenomen. In er niets aan de hand dan wordt ook niets vermeld
op de printer. Komt de verbinding niet tot stand dan wordt op de printer
"niet gemeld" genoteerd met daarbij tijdstip, gemaalnummer en gemaalnaam.
Het back-up station
Het back-up station heeft in principe dezelfde werking als de centraalpost, exclusief de automatische stationscontrole. Op een ingebouwde
printer worden de alarmen vastgelegd. Het back-up station is ingebouwd
in een stevige koffer om transport mogelijk te maken.
Voor verdere informatie wordt verwezen naar de uitgebreide bedrijfsvoorschriften die bij net systeem behoren.
4.6. De rioolwaterzuiveringsinstallatie
Het in geheel Almere geproduceerde afvalwater wordt gezuiverd op de
rioolwaterzuiveringsinrichting "De Watercaroussel" aan de Vlotbrugweg
op het bedrijventerrein De Vaart. Het betreft hier een biologisch ultralaag belast actief slibsysteem, vorm gegeven in de zgn. "caroussel".
Het afvalwater komt binnen op een verdeelwerk vanwaar het rechtstreeks
in het beluchtingscircuit (of caroussel) gebracht wordt. De hierin aanwezige bacterien breken organische verontreinigingen in het afvalwater
af bij toevoeging van zuurstof. Hiervoor zijn zgn. puntbeluchters geplaatst. Het slibhoudende water stroomt af naar de nabezinktank, waar
het slib wordt achtergehouden en verpompt wordt of terug naar het
beluchtingscircuit 6f naar de slibindikker, waarna het verder verwerkt
wordt.
Het verdeelwerk is voorzien van een mechanische ventilatie die de
lucht afzuigt en door een compostfilter moet om stankbezwaar voor de
omgeving te voorkomen.
Het gereinigde afvalwater (effluent) wordt onder vrij verval geloosd
op de Lage Vaart.
19
Het overtoilige slib wordt op een terrein tussen de Lage Vaart en de
Hoge Vaart verwerkt in een zgn. "Twee-trapslagune systeem". De eerste
trap bestaat uit een buffering van het slib onder gelijktijdige indikking. De tweede trap bestaat uit het in dunne lagen verspreiden van
slib in droog lagunes. Na enige jaren is het slib zover gedroogd dat "zwarte grond" ontstaat waarvoor diverse toepassingsgebieden bestaan (b.v.
plantsoenen).
De capaciteit van de installatie is momenteel 80.000 inwonerequivalenten
bij een hydraulische belasting van 1260 m3/u, verdeeld over twee beluchtingscircuits en een nabezinktank.
Indien de totaal geplaatste capaciteit van de hoofdrioolgemalen benut
wordt en de uurcapaciteit van de r.w.z.i. wordt overschreden zal d.m.v.
sturing van deze gemalen voorkomen moeten worden dat zij alleen tegelijk het rioolwater aanvoeren op de r.w.z.i.
De rioolwaterzuiveringsinstallatie is eigendom van het Rijk in afwachting van een in te stellen zuiveringsschap. De exploitatie en dagelijks
beheer vindt momenteel plaats door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, Directie Landinrichting, Cultuurtechnische Afdeling, subafdeling Inrichtingswerken.
20
5. LITERATUUR
1. Werkgroep Waterbeheersing Almere
- De waterbeheersing van Almere
R.IJ.P.-rapport 1978-37 Abw
2. J.D. Heijnis, J. de Man - Ontwatering en afwatering van stedelijke
gebieden, normen en
H. de Roo en E. Schultz
kostenaspecten
R.IJ.P.-rapport 1977- 1 Bcd/Bbw
3. J.E.G. Bouman,
K.G. de Jong
De stadsgrachten van Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1978-40 Abw
4. J.E.G. Bouman,
K.G. de Jong
- Verslag van het onderzoek bij een
proefgracht in Almere-Haven
Intern rapport 1975, no. 363
5. Idem.
- Waterbalans-studie van het grachtpand A-A"
in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1975-8 Bbw
6. Idem.
- Waterbalans-studie van een gedeelte van de
doorgaande vaarroute in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1976-4 Bbw
7. Idem.
- Waterbalans-studie van het grachtpand H-H'
in Almere-haven
R.IJ.P.-rapport 1976-21 Bbw
8. Idem.
- Waterbalans-studies van de grachtgedeelten
F-H' en F-E in de eerste fase van de grachten
in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1976-41 Bbw
9. Idem.
- Waterbalans-studie van het grachtpand A-V
in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1977-16 Abw
10. Idem.
Waterbalans-studie van het grachtpand V-V
in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1977-28 Abw
11. Idem.
Waterbalans-studie van het grachtpand C-S
in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1978-29 Abw
12. Idem.
Waterbalans-studie van het grachtpand M-B
in Almere-Haven
R.IJ.P.-rapport 1978-31 Abw
13. Studiegroep Water in
Almere-Stad
Voorstel waterpeil Almere-Stad
R.IJ.P.-rapport 1976-28 Bf/Bbw/Bd
14. J.E.G. Bouman,
K.G. de Jong
Waterbalans-studie van het grachtpand
in het gebied 2.M.5. te Almere-Stad
R.IJ.P.-rapport 1982-5 Abw
21
15. J.A. v.d. Berg, G.A. Ven - Kwantitatieve aspecten van de afvoer van
regenwater in Stedelijke Gebieden
H20 (19) 1977 no. 9
16. F.H.M. van der Ven
- Ontwerpafvoerintensiteit en ontwerpinloopprofielen
Flevobericht nr. 222
17. A.J. Hebbink e.a.
Evaluatie drainage in Lelystad en Almere
Flevobericht nr. 240
18. H. de Roo
Drainage van Stedelijke Gebieden en recreatieve gebieden in de IJsselmeerpolders
R.IJ.P.-rapport 1978-7 Abw
19. P.H. Schouten
De opzet van de hoofdriolering in AlmereBuiten
In voorbereiding
20. Witteveen + Bos
Onderzoek keuze rioleringssysteem plangebied "Almere-Buiten"
Studierapport
21. P.H. Schouten, J. de Man - Hoofdriolering gebied 2.E
Intern rapport
22. WAVIN Kls.
Documentatie Kunststof leidingsystemen
hoofdriolering en rioolpersleiding.
23. Ingenieursbureau Dwars,
Hederik en Verhey
Structuurrioleringsplan voor bestemmingsplan Almere-Haven
dossier 1-2140-10-01
24. Idem
Almere - Nieuwe Stad
a. Studie vuilwater afvoersysteem
b. Studie rioolwaterzuiveringsinrichting
c. Voorontwerp R.W.Z.I.-Almere, le fase
25. R.J. Zee
Resultaten van een proef met het graven van
rioolsleuven en het leggen van rioolbuizen
in het gebied van Almere-Haven
Intern rapport R.IJ.P. nr. 386, 1975
26. M.A. Viergever
Funderingsaspecten van een onderheide riolering in Almere.
Flevobericht nr. 210, 1983
27.
Buigproef op een asbestcementbuis met inwendige
kunststofbekleding.
Rapport T.N.O.-I.B.B.C. nr. B-80-1-351, opdrachtnr. 60-6-1280 van Insituform Holland B.V. te
Delft, 1980.
22
B i j l a g e 1.
00
oc
tu
Q
_J
0
B
i
a
O
CL
X
ui
Q
OC
UJ
LU
->
_J
<
Ci
UJ
Z
UJ
._
CC
UJ
UJ
Q
3 _-
03
z
_5 §
_
I
e*
oc
O zu
O UJ _.
UJ
0.
>
o
z
O
z
UJ
•_;
I-
8
tUJ
(/)
ti
ft
u. o
<z
UJ o
r - >
z
u. u
ai
LU
>l
c
2 a,
<- c
Q
C/>
u <
CL O
UJ l »
"O __
11
._.
10
-
-
i_
_=
a0_
,_
uiz
/
z
. V *
8i
is
2<
*_.
_* £
1-
1
u
ul UJ _
i_ a z
Ul uj
111
_
a: o
u -1
t- >
4 ^z
u
p E
ui
t-
*ffl_is
bl
. z z 5UJ_.
UJ" _ z
Ul
o<
!_2 „O -,° a: 4
z* 8
UJ
0.
u
z
c_
Q.
55 a.
» 5UJ ?artz
°__
— I—i *
-i n J -
-1 <* I O y 7 > u
uia_ o 4 z
UJ 4 4
"2
ZUI
z
fcy<
44 _ 1 4
<
u i
_l4^
_ 4 r-2
£_:
u
VI
Bijlage, 2
OEVERBESCHOEIING TYPE A
water breedte < 15 m
OEVERBESCHOEIING
water breedte > 15 m
TYPE
B
bevestigen a m y ho_l_ro___o_t(.10 Ig BO.volgring
(veninken)
(J. _o *__
<_.20* W «_.
AZOBE OEKPLAK 0105X0025
gac. eosoteerd
gr_n_n 0 0 3 x 0 0 4
1r>§tcreo_o teerd
-**_-
-_«_-_Ur_»r
grcnan 0 0 3 x 0 0 4
-
nicolon no 66186
n i c o l o n no 68186
0 20" ws
aio_-planxan
azobe planken
A _>____ OJXL .
_OW"JTV.
-_ob_pal«n 0 0 f t x 0 0 8
V
0.7_- mv
Ig 1 5 0 m h o h 1 ° ° m
2 00
V
RIJKSDIENST
VOOR
DE
IJSSELMEERPOLDERS
hoofdafdeling STEDEBOUW EN OPENBARE WERKEN
afdeling:
CIVIELTECHNISCHE WERKEN
bestek:
betreft
TYPETEKENING
OEVERBESCHOEIING
OPEN WATERGANGEN
schaallen) •« : 10
blad
33. .-.g.-f
. , < J _ -_-=-^7
hoofd s.o.-v ^""
4.. i '
form
ft.
arctiief nr
^aQfl7
mm - N * P
BRhBOBUB.
7300
.KM
-5000
-6500
oorspr. profiel met
1 m zandophoging
M l
wegschuiven vh zand
ontgraven in de droge
ontgraven in de natte
naar depot
opzetten van het peil en cutteren van het veen
m.v 0
aanbrengen afdichtingsktei
aanbrengen van het ballastzand
profielopbouw tpv de gracht
na grond verbetering
BIJLAGE 3
•
>
SITUATIE MEDIO 1985
schaal 1 5000
BIJLAGE
bestaande
•B-
gracht of kanaal
pomp
vijzelgemaal
stuw
vaste dam
sluis
-5200
peil in mm t.ov nap
4
B i j l a g e 6.
C/3
UJ
Q
-i
O
a.
oc
Q
ENBAI
WERK
cn _
->
-J
LU
</)
C/> z
LU
" ) _LU
»••
__
$
Z
UJ _r?_ UJ
QC a.
£
O o
Z
O
LU _.
o
>
ll
H
£__
Q LU
c/_
z
UJ
__
Q
(/)
-aC
—a
QC
to U
Ol
c
del
f2•
loofd
fdeh
0_
UJ
UJ
B i j l a g e 7.
GY.PUTRAND MET AANGESTORTE BETONVOET EN DEKSEL
evtrnnkomsbg N 3 52. R.Of mat R.W inda rond
7. -TZ2__
STRAATDEK5EL
METINGEL'JMOE
VERWISSELBARE
NEOPRENERING
GY PUTRAND MET AANGE STORTE BETONVOET EN OEKSEL
ovartankomstig N.3S2.R.DS met R-W in de rond
Pulrond en deksel tcltvarandoor de.elde fobrikont
1.00m
i
-_ / M^X.MOGE
— LYME AFW'JKING
'VAJ. -E ASSEN |90'' .. .S 3 V
J B'J GROTER VER.SCHII RONDE*.
'I, /PUTTEN TCEPASSEN
*
/j
- y f 5-iso
VERTIKALE DOORSNEDE
BETONNEN INSPEKTIEPUT
MET 0.60 m ZANDVANG
(*\
V/l
A
ITx-35^^
J7
fi o_«o -
>v:/yy//>//i
PUT ALLEEN TOEPASSEN B'J GESCHEIDEN RIOOLSTELSEL
B'J EEN GESCHEIDEN RIOOLSTELSEL ALLEEN VOOR HET
REGENWATERRIOOL DE LETTERS R - W IN DE RAND
B'J BESTELLING DIT SPECIAAL OPOEVEN
i
HORIZONTALE
DOORSNEDE
Voor het maken van deze beton putten is mede van toepassing
NEN 7035
RIJKSDIENST
VOOR
DE
IJSSELMEERPOLDERS
hoofdafdeling STEDEBOUW EN OPENBARE WERKEN
afdeling
CIVIELTECHNISCHE WERKEN
betreft
Type tekening betonnen inspectieput
l__le_end
_-kc-I
i.en
[__|i3a_inv
schaal(en)
bestek
ap
-
•___-__ s_»
M I . | a _ - / I blad
^L7 8 irifct___j
hoofd s
form
_$___*_•__ A1
archief nr
K 2 1 80
\\V?.
xx
_XX.
rwsJ
B i j l a g e 9.
Bijlage 10
blad 1
Bijlage
INSPECTIEPUT
KUNSTSTOF
si 600 en 4 800
G Y PUTRANO EN OEKSEL O V E R .
EEWKOMSTIGN 3 S 2 . R . O « |
u
^Z2^
STRAATDEKSEL
METINGELUMDE
VERVRSSELBARE
NEOPRENERING
______
RIJKSDIENST
VOOR
IJSSELMEERPOLDERS
hoofdafdeling STEDEBOUW EN OPENBARE WERKEN
afdeling
CIVIELTECHNISCHE WERKEN
b_tr.it
TEKENING
Kunststoffen inspectieput
K
i 600 en j 800 P
TYPE
•chaallerf)
_____2__1
Bijlage 17
blad 1
Overzicht bemalingsgebieden
Hoofdgemaal
N
Minigemaal
pompput
210/0
Bemalingsgebied
Bedrijventerrein De Steiger
Bedrijventerrein De Vaart
De Marken
De Gouwen
210/1
211/0
Groenhof (gedeeltelijk)
Bosschuur
Groenhof (gedeeltelijk)
De Werven (excl. Achterwerf)
Het Centrum
De Zandwierde
212/0
De Hoven
De Wierden (excl. Zandwierde)
213/0
De Grienden
De Meenten
De Achterwerf
214/0
De Waterlandse tuinen
215/0
Sportpark Wierdenpark
216/0
Buitendijks gebied (incl. jachthaven)
216/1
Toiletgebouw buitendijks gebied
Waterwijk
Randstad
Markerkant
Kruidenwijk (gedeeltelijk)
Staatsliedenwijk
220/0
221/0
Stedenwijk (excl. centrumgracht huizen )
221/1
De Korver Sportpark
222/1
Hoofdcentrum
222/2
Centrum le fase + flats Olstgracht
Centrumgracht huizen
223/1
Kruidenwijk-Oost
(gedeeltelijk)
Bijlage 17
blad 2
Hoofdgemaal
Minigemaal
pompput
Bemalingsgebied
224/1
Bedrijventerrein Gooise kant
225/2
Klein-Brandtsportpark
225/3
225/4
226/0
Zwembad
Sauna
Muziekwijk
226/1
School Muziekwijk (tijdelijk)
240/0
De Vaart 1, 2, 3 en 4
250/0
Bedrijventerrein Poldervlak
(gedeeltelijk)
Molenbuurt (gedeeltelijk)
251/0
Bedrijventerrein Poldervlak (gedeeltelijk)
Molenbuurt (gedeeltelijk)
Centrum (ten noorden van spoorbaan)
251/1
251/2
252/0
Sporthal
Sportvelden
Gebied 3.C
SITUATIE
MEDIO 1985
schaal 1.5000
BIJLAGE 17
onderbemalingsgebied
•
minirioolgemaal / pompput
x
hoofdrioolgemaal
210/0
gemaalnummenng
225/t
sauna
<M
0
5
u
9
OO
•rl
9
P
Ui
n
_.
u
^-.
:•:
«
|
8
a*
§
§
co
4.
X3
1
_3
1
8
•H
•
>•
CK
o
•
>
o•
>
o
CM
CO
OJ
_.
co
t^
CNJ
in
CM
"3
cn
N
cn
t-~
cn
maai
0
V
a
r-l
a
—> -
•H p.
O
m
r-l•
a> •3
-p _
cn
_
>
rH
H
o
o
ra
1
t-H
C
0)
H->
3
o
rH
•H
c
•H
a
9
X
V
in
50)
r-l
•H
•p
CO
V
E
o
o
•p
0
c
9
cc
_•
crH
•H
3 J-l
3
9
O
M
J-
U
•H
oo
4J CO
OB __
__:
a
"B
C
9
t<
0
+>
•H
3
CQ
a
cn
0)
rH
•H
O
•P
-H
Tl
C
9
-P
•rH
9
3
CM CD
«»
CD
rH
«Cf
frH
O
1
cn
rrH
in
•
3
a ^
CO M__
o E
c
9
a
I
o -i
a
<u •rl
a (0
•p
3
3
o
in
tfl
o
rH
o
in
i
o
o
—
in
fcd CO
cc i a
i_ —
o
o
o
o
rH
rH
rH
g
5
g
WW
0- co
cn .•
D
N
cn oa)
CM
«5
•
ci
o
CO
ca
|
ID
cti
a
C
u
5
mi
-c
•n
mm
en
cn
m
cn
-C
tfl
•H
rH
•<
<T
ii
<
rH_.
rH
1
c
m
m
u.
c
CO
CM
rH
CO
_.
-_
m, u•
in
CM
CJ)
rH
O
teks-
1
m
CM
o
m
CM
c0
m
0
in
CM
<1-
O
10
CM
1
CO
CO
in
rH
+J
o
o
CM
O
CO
_OJ u•
CM
CM
o
o
1
DC
C
•rl
a
_.
rH
1
in
CM
8
o
cn
0
o
m
m
cn
0
E
rH
rH
o
H
C
01
_(H_ ae
o
o
O)
H
1
*
in
IO
CO
rH
1
CD
fCM
10
rH
<3
rH
1
CM
m
<
m
cn
__!
__:
-m
s
CO
m
OT
«?
m
CO
CO
rH
ST
rH
1
CD
CD
rH
V
rH
1
m cn
co __>
rcn
o
rH
"7
rH
1
cn
m
a
3
•o
Lan
9
H
*J
T_
1
9
_B
S0
a
rl
Q)
•H
0)
9
co
H
o
s
-J
V
C\J
rH
C^
rH
<J
rn
1
__
CO
i
cn
cn
ST <T
rH rH
hrH rH
.»
1
*
o
rH
<
O
CO
CM
11
in
cn
I
O
[^
m
in
^
1
§
CM
^
00
CO
cn
rH
CO
rH
CM
CO
cn
co
m
rH
CD
<
co
E
UD
CM
rH
CO
CO
1 1
I f l CO
c
rH
CM
E
OJ
<I
rH
1
m
<__
_-
E
CM
rH
rH
cn ^r m
r- rh
'j
^T
i n in m
CO oo CO
T-l rH rH
s
£.
CO
1
r^
rj>
S
OJ
rH
I
0
0
c
h
0
anc
•H
g
9
U
9
>
n
t1
9
r-l
>
a
flj
<
o
s
oo c
H
E
N
CM
in
r>
CD
cn
rH
o
9
•rl
rJ
o
^
o
rH
CM
o
o
r4
CO
CNJ
8
•
13
•P
CO
3
•o
cCO
01
rH
-H
U
r-l
<_u
o
E
N
o
m
w
__
o
o
"v-.
—
CM
03
co
__
o
s
CM
H
O.J
m
tn
__
o
cn
r-i
CM
1
S
-
o
<?
rm
CM
c.
r-l
•-'•
•ri
_<f.
_o
•N.
10
rH
CM
CC
cn
__:
o
co
H
CM
a3
fi
-4
*>
10
H
CM
» »
«
__
*
&
a
cn
_
__
o
P
Q
X
+3
xC):
•n
2
c
•0
a -c
a
w
Ci CM
••"J
•rH r H
3
__>
co
CD
o
cn
• 3
ca -
O"E
rH
in
io
2
sf
o
co
rH
in
c
c;
i
in
CM
o
a
10
c_
o
rH
^,
ST
CM
rH
CD
D
a
1
r*
__
i
10
H
Oi
DO
C*
c
gl
C
:__
li-
CQ
en
m
__
rH CO
.- a>
o 3 cn
cn co cn
rH
in
_••
rH rH
CM CM CM
ST
sr
rH H rH
cn
l
CM
rH
rH
U.
_
_!
CC
<
CM
I
1
o
o
o
cc
m
CM
I
CM
rH
cn
co
rH
CM
CD.
O
cn
rH
CO
ca
o
sr
CD
J,
rH
1
CO
CM
1
m
CM
CO
o
rH
mi
ST
^r
OJ
0
co
o
O
CU
11
O
i
rH
in
0
O
-C
9
i.
in
O
LO
rH
cr
c
3
.tn
3
NJ
cn
CM
I
8
5
O
Oj
o
•a
a
aE
_.
o
cn
sr
m
8
in
rH
1
in
o
in
10
cn
cn
cn
10i
•Q
O
cn
8
(O
i
•rl
rH
0.
_j
u
a
c
•ml
9
•
"v_.
CD
o
_
01
J^~
o
CT
KVR
_c
0
c_
W
<
V
a
iS
S
_.
-'DO
IH
•p
rH
h
*>
tl
•r—|
Ml
•p
1
CO
a
_
_
_-
0)
rH
s.
§u
rH
cn
u
sr
i
in
r H
a,
cc
__
n.
mC
<
'—
<
ca
CO
CO
CO
CO
CQ
cn
CQ
<
<
<
<
sT
r-
CM
O
in
sT
cn
cn
CD
m
CO
h.
•rl
cu
5i
C
9
_- —
_. E
0) o
E a
oo
__:
O) H
rH rH
c
•r_
c
0
__:
8)
*>
O
•
L
C
rH
cn
CQ
<
i —
<-
ii
1
CM CO
SB
E
CM
t H
O
m
rH
in
co
H
1
1
1
uo ID
s
CO
<
cc
10
CQ
I
m
cr.
w
o
__
<
rH
in
ai
0)
rH r H r H
i n '-0 UO
CO CO
rH - H r H
ca
co
1
rH
rH
r-
r-i
lO LO
r. r H
_0
1
CM
u
< o <
C J
sr
r-
1
CM
O ^
-' _1
sr
sf
C
CO
w
_-
__:
o eg CD
O
o
X o
u; CO
n
m B5 iCO
cn
cn
in in
co
a
rH rH
1
rH
•
1
1
CM 10 10
<
c_
CQ
CD C^
mm
CO CO
rH r H
•
1
1
0J
<
l
m
in
in
CO
sr sr
o
0 . 01
rH rH
1
CM r
CQ u
E
E
00
O)
rH
1
1
CD
CD
CO
C0 CO
CM CM
CC
it
Q
+J
0 L,
X)
3
H)
_.
0
•0
fe
m
CO
CO
CD
CD
sr
sr
sr
CO
00
rH
ST
OC
CD
in
rH
O
r—i
O
O
CM
rH
CM
X
c
cc
CO
rH
O
O
O
CO
o
oo
rH
CM
CC
CO
H
Cv
m
00
CO
cn
cr.
cc
.
c
cr.
t>
c
CD
L
c
CO
in
sf
M
rH
5
IF
E
C^
_r:
CD
O
I
g
ID
o
o
o
CO
_•
CO
g
CT,
1
rH
•
cn
CQ
si
O
CM
CNJ
rH
1
1
E
_£
i
cn
rH
en
m
rH
F
co
ST
CO
CM
sr
b
c
CM
CC
CO
sr
CO
"--.
ST
vcn
-
CO
0.
CM
CO
CD
CO
CO
o
CO
cn
CO
rH
cn
ri-H
mH
g
CO
ST
CO
CM
co
b
V
•H
>
CO
rH
TJ
ra
_
__
_
I
i_
0
>
a.
H
rH
<
ra
r
S
E
c£
,
c
CS
fi3
•a.
cn
-C
O
"V
•s.
N,
-H
rH
r-i
0
E
•
•rl
cc
DO
o
CM
CM
O
CM
CM
a
H
CM
CM
2
•
&
_:
^
o
X
rH
rt
CM
s
CM
CM
CO
rH
•a'.
EQ
00
_^
OJ
*s
0.
CM
CM
EQ
__
_—
ca
_.
__
>
CO
rH
CO
>
co
l-l
(0
>
eo
rH
CO
•rl
•r*
•rH
i H
_3
3
fi
3
o3
fi
a
a
C-
a
sr
*«s
_0
V.
10
CM
CM
CM
CM
H
OJ
CO
V
-^
-CM
"«s.
CO
0J
*>
LO
CM
0J
OJ
m
CM
CM
Ov
~
r^
• •* *
u
9
•rl
-p
L
3
s
XI
9
5
r-i
m
cp
(.
0
__
CO
C
rH
0
oo cn
-a
co
_E
C3
cn
m
CM
rH
OJ
•p
u
03
3
P
__
u
CO
<a
rH
;.o
CU
01
>
U
o
0.
a.
sr
rH
o
CM
r01
CM
rH
CM
c0
•a
rH
0
1
8
CO
C-
a 3
m
aj
o
c-
>_,
o „
E
CO
OJ
g
rH
o
r^
8
CM
rH
g
LO
rH
4
cn
I
s,
I
CO
CO
a
O
_-, 2
1
in
o
CM
c^
10
CO
CM
1
rt
rH
£™
o
i
CM
CM
U
&
Si
m
cn
_c
cn
CQ
<
CO
l>
CM
S
CM
•rl
cu
o
rH
a.
cc
*__
c
a)
a
p
ra
o
(H
E
O
•a
a
_?
.
c
0
_- •
4) CP
c
sr in co
sr sr sr
O O O
cn cn cn
co co co
rH
rH
rH
I
I
m
u
I
cn
<
CM
<
sr
cn
o
cn
co
rH
I
m ID
cn cn
o o
cn cn
co co
rH
rH
I I
C M sr m
< o c_>
OJ
to
<
co
CD
cn
rH
I
OJ
CQ
rH
CO
_.
o
CQ
CO
mi
CO _•
cn
o
o
cn cn
cn cn
CO CO
CM
rH
si
r-
|
rH
I
I
CM sr
1
sr
CQ
< <
CM
S
p
M I H•
_
X- c
(
ti
•_ •
_. u
c c
_
P
rt
3
CQ
l
o
s0J
E
rH
•c
u
n
—
0
c
_
'&
>
o
—
—
a
ra
E
.
O
u
c: c
m
o
CD
CO
0.
ID
CM
CM
O
co
CO
m
o
o
o
sT
10
cn
co
co
cn
CD
I
in
CM
I
in
CM
CM
ST
si
CO
CO
co
cn
cn
s
oi
I
CO
ST
CD
sr
co
rH
rH
CO
8
•H
>
pu
ra
B
3
tJ
C
ra
•J
ca
en
mi
_o
_J
Q
"..
ra
>
•ri
fi
3
Q
0
_c
s.
CM
uo
CM
LO
CM
CQ
0
Q
•
i
cn
__:
rl
o
*>.
o
si
0
OJ
O
^
o
m
CM
>
ra
~i
CO
h S OJ
rh
en
rm
rn
rH
c
CM
in
B
rH
OJ
<
CM
sr
sr
r H rH
1
I
rt
Q
|
1
CO
CQ
««
Bijlage 18
blad 4
Nummering DWA-gemalen Almere.
Almere-Haven
Hoofdrioolgemaal
210/0
pp centrum
211/0
pp west
212/0
pp oost
213/0
pp recreatie tuinen
214/0
pp IM
215/0
pp buitendijks gebied
216/0
Almere-Stad (WEST)
Rioolgemaal Markerkant
220/0
pp 2B
221/0
pp 2Q
221/1
pp centrum
222/1
pp centrum gracht
222/2
pp 2E oost
223/1
pp 2E west
223/2
pp Gooisekant
224/1
pp 2J
224/..
pp sportvelden 2M
225/1
pp sportvelden 2M
225/2
pp zwembad 2M3
225/3
pp 2D
226/0
pp 2G
227/..
pp 2U
228/..
Almere-Stad (OOST)
serie 230/0 t/m 239/...
Almere de Vaart
Rioolgemaal
240/0
* « • »
Bijlage 18
blad 5
Almere-Buiten
Rioolgemaal (west)
250/0
PP 3B
251/0
pp sporthal 3F
251/1
pp sportvelden 3F
251/2
PP 3C
252/0
pp 3A5
253/0
PP 3G
pp sportvelden zuid
254/0
PP 3H
255/0
PP 3D
256/0
PP 3J
Rioolgemaal (oost)
257/0
PP 3L
261/0
pp 3N
262/0
pp 3M
263/0
PP 30
264/0
PP 3S
265/0
PP 3R
266/0
PP 3T
267/0
PP 3U
268/0
254/1
260/0
-I -
DISPOSITIE
TiT
1
VOEDING
t_T
MELD-
CENTR
PROCESSOR INGIFTE
IPM 1
CPM3
PSM1
KOMMAN-
TELEFOON
DO UITG.
KIEZER
OPM1
TRMM 5
aanslui klemmen
IQQQQQQ
1 (8)
2 19!
3 (10)
MODUUL. ___,
ADRES (HEX.)
4(11)
5 (12)
03
00
M
mo-tn -l.mintn.traok in gtmoltn tn pompputftn.
IPULS VAN CA 1 SEK
K3» N
K4 =
K
5= }
K6 =
K7 =
K8 =
DE
RESERVE
IJSSELMEERPOLDERS
STEDEBOUW EN OTENBAKE WERKEN
CMELTECHNISCHE WERKEN
AANSLUITSCHEMA DATAFOON-V TERMINAL
iEMALEN/POMPPUTTEN-RWZ
nvt.
B i j l a g e 21
^lt»r"d
>.t.eft TYPE-TEKENING
MthaaKen)
3F.
K1= K0MMAN00 PARAAT
K2= KOMM NIET PARAAT
RIJKSDIENST VOOR
_lirfk.it:
__._tel.ng
7(14)
2 impulskontakten
imp
* 1 retour
8 verbreekkontakren *1 retour
A1 = STORING VOEDING
A2= LAAGW ONTVANGK
A3 = HOOGW ONTVANGK
A4= STORING POMP 1
A5= STORING POMP2
A6 = WATER OP K VLOER
A7= RES.
A8 = GEM NIET PARAAT
6 (13)
JtTr
'rbcstek
ySF*
TBV
ZUIOELUK-FLEVOLAND
i
»)< d _ l . r -
<_irso
«___>
blad
r^
___£_*
f o - m • rchief nr
___.__- 103075