Document 6200068

Download Report

Transcript Document 6200068

T I E VAN D E W I E R I N G E R M E E R ( I J S S E L M E E R P O L D E R S )
en Mededelingcn inzake de Droogmaking. Ontginning en Sociaal Economische Opbouw
der Ijsselmeerpolders
Mr. 33
DE BODEMGESTELDHEID VAN DE NOORDOOSTPOLDER
door Prof. Dr. A. I. Wiggers, F H. de long, en
In deze reeks zijn reeds verschenen:
1. ZUUR, A. ). Ontstaan en aard van de bodem van de Noordoostpolder. Zwolle, 1951
2. DOMINGO, W. R. De physische rijping van de jongere Zuiderzeeafzettingen in de Noordoostpolder. Zwolle, 1951.
3. SlEBBN, W. H. De ontwatering van de zavelgronden in de Noordoostpolder. Zwolle, 1951.
4. KALISVAART, C. De bestemming en de waardering van de Noordoostpolderbodem. Zwolle, 1951.
5. SCHREVEN, D. A. VAN. De microbiologic van de Noordoostpolderbodem. Zwolle. 1951.
6. FEEKES, W. en D. BAKKER. De ontwikkeling van de natuurlijke
vegetatie in de Noordoostpolder. Zwolle. 1954.
7. BAKKER, D. Oecologie van klein hoefblad en de bestrijding van
deze plant in de Noordoostpolder. Zwolle, 1952.
8. BLAAUBOER, A. Inrichting en oniuikkehng van het gemeentelijk
bestuur van de Noordoostpolder. Zwolle. 1952.
l
< OVERDIJKINK, G. A. en L. W. WILMES. Beplantingsplan en uit
voering van de beplanting in de Noordoostpolder. Zwolle, 1953.
10. HISSINK, D ). De humus- en stikstofgehalten van de ingepolderde
gronden in de voormalige Zuiderzee. Zwolle. 1954
I I. SCHREVEN, D. A. VAN. Ammoniakvervluchtiging op kalkrijke Zuiderzeegronden bi] gebruik van ammoniumhoudende meststoffen.
Zwolle. 1955.
12. MOLEN, W. H. VAN DER, en W. H. SIEBEN. Over de landbouwkundige betekenis en de kartering van de kwel in de Noordoostpolder. Zwolle. 1955.
13. HEIDE, G. D. VAN DER. Aspecten van het archaeologisch onderzoek
in het Zuiderzeegebied. Zwolle. 1955
14. WlGGERS, A. |. De wording van het Noordoostpoldergebied.
Zwolle, 1955.
15. KONING. J. C. DE, en A. J. WIGGERS. Over de bodemgesteldheid
van Oostelijk Flevoland. Zwolle. 1955.
16. ZUUR, A. J. Over het kali- en fosfaatgehalte der Wienngermeergronden. Zwolle. 1956.
Zie roar remlf pxi. 3 nulstff
VAN
T. X
Z E E
T O T
L A N D
Rapporten en ntededelingen inzake de droogmaking,
ontginning
cn sociaal-economische opbouw van de IJ'sselmeerpolders
De bodemgesteldheid
van de Noordoostpolder
door Prof. Dr. A. J. Winers
T o t 1 j.,iiiuii'i i 9 6 0 Wi
K IliinfUniiibtuuiinr
l.ii iii. H i i ' . i i i . v j 111 Hi- Wii'iiiiKiTiiii-i-r <IJ>ii-liiii'iT|iiilili.r<)
MET
U S D
lc n K R K I H G
VA S
F. H. de Jottfl
U a n d b o n w k o n d i g lli...l.l,i--ic-li'iil III) T o o r n o e m e l e D i n e t t e
I N
K. Spanj cr
T o t I Januari 1957 l.anilliiuiwkiiiiilic; 11 • >• •!<t.i — i-i.-nl
bU v o o r n o e m d e D i r e c t i e
~) r-x
>Q
DJR..C
(JJ3JI '
N V. H T i , i ; V I ' l ( S M I |
W
I-. J
-
S R EER
M ^
TJEENK
WILLINK / ZWOLLE /
am ^
1962
afito
With a Summary:
..Soil conditions of the North-Eastern-Polder"
Aan de nagedachtenis van
Prof. Dr. Ir. A. J. Zuur
INHOUD
Blz.
VOORWOORD
5
INLEIDING
6
I.
II.
ill.
METHODIEK
EN IITVOERING VAN DE KASTERIN
9
In hiding
De kartering voor het droogvallen
De voorkartering
De definitieve, gedetaillrrnli- kartering
9
9
IS
18
ALGEMEEN GEOLOGISCH OVERZICHT
'J-i
Inleiding
H,-t Pleistoceen
H.i Holoceen
24
24
26
D E AFZONDERLIJKE SEDIMENTEN EN HUN EIGENSCHAPPEN
.
. .
32
Inleiding
32
])i- keileem, hetproglacialeen het postmorenale Iluvioglacialezand 32
li. i dekzand
34
De oude zeeklei
38
Het veen
40
De detritus-gyttja
43
J)r >|iiefnt/i-ttingen
45
Hi-t kleidek op het veen
52
De Zuiderzeeafzettingen
53
De IJsselmeerafzetting
64
Het Ramspolzand
65
De zanden van lokale oorsprong
66
IV
DE BODEMCLASSIFICATIE VAN DE GRONDEN
POLDER
Inleiding
Bodemclassificatie
Bodemclassificatie
Bodemclassificatie
Bodemclassificatie
volgens
volgens
volgens
volgens
IN DE
NOORDOOST-
het lutumgehalte
het U-cijfer
diverse andere kenmerken
laagdikte en laagdiepte
70
70
71
74
75
76
4
Blz.
V.
VI.
VII.
D E BODEMKUNDIGE CODE- EN PROFIELENKAART
78
Inleiding
De Codekaart 1 : 10 000
1). Profielenkaarl
78
79
84
Pi
86
BOUWVOORKAART EN DE BODEMKAART 1 : SO 000
Inleiding
De Bouwvoorkaart
De Bodemkaart
86
86
92
STORTGRONDEN, VLOEIGRONDEN,TOCHTWALLEN EN ZANDDEPOTS
95
Inleiding
95
De grote stortgrondgebieden nabij Kuinre, I'rk en Emmeloord . 97
Overige stortgronddepots
9.->
De vloeigronden
loo
hlwallen
In I
De zanddepots
102
VIII. GRONDVERBETERING
BI WERKING
DOOR
DIEPPLOEGEN
EN
ONDERGROND
104
Diepploegen
lli-l breken van de - >n.l i ci.nnl
IX.
H E T H U M U S - , S T I K S T O F - , K A L I - RN F O S F A A T G E H A L T E
JONGE MINERALE GRONDEN
Het
Het
Het
Het
104
106
VAN D E
humusgehalte
stikstofgehalte
kaligehalte
fosfaatgehalte
1<)9
109
112
113
115
SAMENVATTING
117
SUMMARY
123
LITERATUUR
130
AANHANGSEL
132
Kenvooi voor de Bodemkundige Code- en Profielenkaart van de
Noordoostpolder
BlJLAGl
1.
2.
3.
4.
5.
6.
\
Verkavelingskaart
Kaart met diepteligging van het pleistocene oppervlak
Kaart met diepteligging v a n het veen
Bouwvoorkaart
Bodemkaart
Overzicht diepploegen en ondergrondbewerking
VOORWOORD
llii manuscript Nan deze publikatie werd begin 1960 voltooid. Bij een
bespreking van de inhoud met Prof. Zuur rees de gedachte bepaalde geili • li. n nil hi-i manuscript te lichten en gezamenlijk deze gedeelten in
uitgebreider vorm te publiceren, Dil betrof speciaal hoofdstuk V, handeli ad
over de I.ndt-inkimdige Code- en Profielenkaart van de Noordoostpoldei
Zoals uii tabel 17 blijkt, staan de eerste 9 ["oelichtingen op naam van
Prof. A. J, Zuur, terwijl de overige 12, geschreven door F. H. de Jong en
K. Spanjer, geheel zijn stempel dragen.
Mel lift voorstel van Prof. Zuur gezamenlijk bepaalile gedeelten om te
werken cn uit te breiden ging de auteur gaarne akkoord, zodat hij besloot
het manuscript op een aantal punten vrij ingrijpend te wijzigen.
Door de ziekte \ an Prof. Zum en door verandering van werkkring van de
auteur kon aan het \
nemen gezamenlijk te publiceren geen uitvoering
worden gegeven. Na hel overlijden van Prof. Zuur werd besloten het
manuscript weer in zijn oorspronkelijke vorm te herstellen, daar dit uit\ mi iger artikel over de opzet van de Code- en Profielenkaart van de Na >rd
t polder nu, helaas, ongesclueven zal blijven.
Deze publikatie is opgedragen aan dc nagedachtenis van hem, wiens
naam verbonden zal blijven aan het bodemkundig onderzoek in de IJssel
meerpolders en wiens kritische opmerkingen bij het manuscript ook aan
publikatie zo zeer ten goede zijn gekomen.
INLEIDING
AJs eerste aflevering in de serie monografieen „Van Zee tot Land" verscheen in 1951 de publikatie „Ontstaan en aard van de bodem van de
Noordoostpolder" (ZUUR, 1951). In het voorwoord werd meegedeeld dat van
de vcelli.'icl van landbouwkundige problemen in de Noordoostpolder,
waarovei de volgende afleveringen van de genoemde serie zouden handelen,
de problemen van de bodem in zekere zin het fundament vormen.
De bodemgesteldheid van de polder is in de genoemde publikatie echter
sie lit- globaal behandeld, mede in verband met liet feit dal destijds de
kartering van de Noordoostpolderbodem nog niet was voltooid Nu dil
intussen wel het geval is en de 21 bladen van de Bodemkundige Code- en
Profielenkaart van de Noordoostpolder (1947 1956) in druk zijn verschenen, is er alle reden de bodemkartering en de bodemgesteldheid van de
polder thans uitvoeriger te behandelen
In hoofdstuk I wordt een overzicht gegeven van de methodiek en de
uitvoering van de kartering en de bemonstering, aangezien door de ei.
aard van het object de wijze van werken in velerlei opzicht afwijkt van die
op lui . oude land".
Alvorens in hoofdstuk III de afzonderlijke sedimenten en hun si happen te behandelen, wordt in hoofdstuk II een beknopt overzicht
gegeven van de wording van bet Noordoostpoldergebied. Voor uitvoeriger
beschouwingen hieromtrent kan worden verwezen naar WIGGERS (1955).
In hoofdstuk IV wordl de bodemclassificatie behandeld, zoals deze tijdens
het onderzoek van de jonge gronden in de Ijsselmeerpolders is ontwikkeld,
terwijl in hooldstuk V de Bodemkundige (Ude- en Profielenkaart I : I00C0
en in hoofdstuk VI de als bijlagen 4 en 5 toegevoegde kaarten: de bouwvoorkaart en de bodemkaart, worden toegelicht
Een bijzondere plaats nemen de stortgronden, vloeigronden, tochtwalgronden en zanddepots in, reden waarom deze in een afzonderlijk hoofdstuk (VII) worden besproken.
Alhoewel het in het voornemen ligt te zijner tijd een aflevering van de
serie „Van Zee tot l a n d " te wijden aan de grondverbetering in de Noordoostpolder, diende in deze publikatie in hoofdstuk VIII een suminieie
bespreking van de grondverbetering door diepploegen en ondergrondbewerking le w i
egeven. i >e adviezen voor grondverbetering worden
namelijk enerzijds in hoge mate gebaseerd op de kennis van de bodemgesteldheid, terwijl anderzijds de bodemgesteldheid door deze bewerkingen
in vele gevallen ingrijpend wordt gewijzigd. Ir. C. Kalisvaart, voormalig
Hoofd van de Afdeling I.andelassiliratie en Grondverbetering, heeft het
manuscript van liet desbetreffende hoofdstuk kritisch doorgelezen en van
opmerkingen voorzien, waarvoor hem op deze plaats nog gaarne dank
wordt gebracht.
In hoofdstuk IX worden ten slotte enkele gegevens vermeld over het
humus-, stikstof-, kali- en fosfaatgehalte van de jonge afzettingen. waarbij
uitsluitend de uitgangstoestand ten aanzien van deze grootheden wordt
besproken, dat wil zeggen de toestand tijdens en kort na het droogvallen
van de gronden; de daarna opgetreden veranderingen blijven hierbij dus
geheel buiten beschouwing.
I. METHODIEK EN UITVOERINC. VAN DE KARTERING
INI.KIHINI,
ln dit hoofdstuk zullen achtereenvolgens worden besproken: de kartering
van de Zuiderzeebodem voor het droogvallen van de Noordoi stpolder,
de kartering onmiddellijk na het droogvallen, dm li voor dat de sloten en
greppels waren gegraven en ten slotte de definitieve en gedetailleerde kartering, die werd verricht door de in de sloot- en greppelwanden ontsloten
profielen op te nemen.
DE
KARTERING VOOR HET DROOGVALLEX
Reeds in 1874 werden in de Zuiderzeebodem ten oosten van S< Imkland
ongeveei I OO boringen verricht under leiding van Ir. W. F. I.l EM VNS (LELV,
1891). Het grootste gedeelte van de Zuiderzeebodem ter plaatse van de
huidige Noordoostpolder werd in 1889 in opdrachl van de Zuiderzeevereniging onder leiding van Ir i . l i i v gekarteerd. Van de bij dil onderzoek genomen grondmonsters werd een grool aantal doi i Prof. A. MAYBE
geclassificeerd, gedeeltelijk op grond van analyses, gedeeltelijk door vergelijking met reeds geanalyseerde monsters,
De resultaten van de kartering zijn door LELY verwerkt tot een „Geoloe kaart der Zuiderzee", waarop als grondsoorten werden aangegeven
klei. zavel, lichte zavel, zand en veen. Figuur 1 toont het gedeelte van deze
kaart dat betrekking heeft op de Noordoostpolder.
In tabel 1 is opgenomen de samenstelling van de bodem van het in tc
dijken gebied in het noordoostelijke deel van de Zuiderzee, volgens de opgave
van LELY (1891).
TABEL 1.
De samenstelling van de bodem van de Zuiderzee, ongeveer ter plaatse van
de huidige Ncordoostpolder
Benaming
Klei . . .
Zavel . .
Lichte r a v d
Zand . .
Veen . .
Nadere omschrijving
minder dan <;" ",, /and
6 0 - 80 % zand
80—90 % zand
meer dan 90 % zand
20 % of meer humus
i ippervl, in ha
Oppervl. in ",,
32 200
10 200
5 3(10
•2 400
200
64.0
SO 300
2o.a
10.5
4.8
0.4
100
1(1
Fig. 1. Gedeelte van de 'Geologische kaart der Zuiderzee', samengesteld door
I ii v (1891)
Part of the •Geological Map of tft, Zuydet Sea'.aftet LELY (1897)
1 /anil
sand
2 lichte zavel
light loan:
3. zavel
1
Ltd
clay
o. veen
peat
n huidige dijk van ik- Noordoostpolder
present einlitiiikniet,! •>/ III, North7. dooi LELY voorgesteld dijktrac6
Lay-out of the embankment proposed by I.KLV
Het onderzoek van de Noordoostpolderbodem is daarna blijven rusten tot
de plannen voorde indijking van de polder nader moesten worden uitgewerkt.
In de jaren 1931 en 1932zijn onder leiding van Dr. D. J. HISSINK ongeveer
-clHl
regelmatig over het gehele gebied verspreid liggende
boringen tot
1 m diepte verricht, terwijl in 1932 en 19.33 nog ongeveer 300 boringen zijn
uitgevoerd tot een diepte van 7 a 10 m beneden de meerbodem. De genomen
monsters zijn op het Bodemkundig Instituut te Groningen onderzm lit.
u
Fig. 2. Bouwvoorkaart van hei Noordoostpoldergebied (Driem, lier. Z.Z.W.,
1936
Map ol the top soil of the North-Eastern-Polder area (Driem Ber, Z.Z.W.,
1936)
zand
coarse sand
'J i'i|u zand
fine sand
3 lu bte zavel
light loam
1
zware zavel
loam
.->. klei
clay
6 veen
•1
petit
7
keileem
boulder
tt'.n
8. gronden
mogelijk plaatselijk bestaande uit veen
areas possibly containing pent sals
in pl i
Deze boringen hebben allereerst geleid tot een verbetering van de bouwvoorkaart van de Noordoostpolder; de verbeterde kaart is in figuur 2
weergegeven. Voorts /ijn uit de verkregen gegevens kaarten samengesteld
betreffende de aard van de ondergrond, de dikte en de diepte van de veenlaag, de diepte van het pleistocene zand, en de te verwachten inklinking
Zl IK. 1938).
12
"CH
J_km
0
oz
1
5
r.-:vV.-.i2
••
•_•
•'•
'•••'•'••:•'•••
3
4
6
• : . • •
"
'
13
;
—
10
15
7
8
14
12
16
•y-T\
.is
n
l
17
IR
,9
?0
Ki
Fig. 3. K a a r t van de bodemgesteldheid van d e Noordoostpolder, samengesteld
in 1940, voor het droogvallen van ci. polder
Soil map of the North-Eastern-Polder,
compiled in hi It), before the polder
had been M
1 i. k a a r t heeft betrekking op de laag van 0—40 c m . Indien de sainenStelfing van de laag 20 —40 cm sterk afwijkt van die van de laag 0—20
cm. is de aard van de laag 20—40 cm aangegeven me. let iers. I le letters
z, 1, kl, v. p en k duiden het voorkomen aan van respectievelijk zand.
lichte /.avel, klei, veen, pleistoceen zand en keileem.
1. kleiloos zand, zandfractie normaal
nm,-clayey sand, sand fra
normal
9. kleihoudend zand en teer lichte
zavel
clayey u
2. klciiuii- /.nnl. zandfractie grover
dan nominal
sand
coarser than normal
10. zeer lichte zavel en kleihoudend
zand
loamy and
3. kleiarm zand, zandfractie normaal
sand, poor in clay, sand /r i
nm,
4. kleiarm zand, zandfractie grover
.Lui normaal
Sand, poor in cUt
taction
coarser than normal
5. klcicinn .•.m.i. zandfractie inner
dan normaal
s-ainl. poor in clay, sand fraction
finer than normal
II
/ . . I lichte zavel
loamy sand
12 Iii In.- zavel
loam
13 zware zavel
loam
I-I
zavel '-ii 1.U-i
heavy loam and clay
IS klei
clay
16 veen
6. kliilioiulond zand, zandfractie
normaal
clayey sand, sand fraction normal
7. kleihoudend zand, zandfractie
grover dan normaal
clayey sand, sand fraction coarser
than normal
8. kleihoudend zand, zandfractie
fijner dan normaal
clayey stead. Sand /in. Hon finer than
normal
peat
17. l.aagterraszand
Pleistocene sand
IS
I .lagterraszand en mariene grond
Pleistocene sand, covered by marine
sediment
19. keileem
boulder day
20. stortgrond
dumped soils
14
In tabel 2 is de samenstelling van de bouwvoor van de Noordoostpolder
weergegeven volgens de in 1936 beschikbare gegevens (DRIJ M. BER, Z.Z W.,
1936).
TABEL 2. De samenstelling van de bouwvoor in de Noordoostpolder
Benaming
Nadere omschrijving
meet dan 40 "„
20- 40 %
10—20 %
•1 10 %
0—4 %
klei
klei
klei
klei
klei
Oppervi,
in ha
Oppervi.
15 Will
12 500
9 90(1
7 900
600
850
50
33.2
26.2
20.8
16.6
1.3
1.8
0.1
•17 600
100
In de jaren na 193.'. zijn nog enkele boringen voor verschillende doeleinden verricht, lotdat in 1939 werd begonnen met de bodem gedetailleerder
op te nemen, waarbij vooral de randen van de polder werden betrokken.
De boringen reikten meestal tot 1 m diepte.
De gegevens van de toen verkregen ruim .SU0 boringen werden verwerkt
tot een nieuwe kaart van de Noordoostpolder, waarop naast de aard van de
bouwvoor ook de samenstelling van de ondergrond (laag 20—40 cm) werd
aangegeven, althans voor zover ze in belangrijke mate afweek van die van
de bovengrond. De het laatst voor het droogvallen van de polder samengestelde bodemkaart is weergegeven in figuur 3.
Bij een vergelijking van de figuren 1, 2 en 3 blijkt de grote vooruitgang
i n d e kennis van de bodemgesteldheid \ a n de Noordoostpolder zeer duidelijk.
Enerzijds is dit een gevolg van het verhoogde aantal boringen en vooral van
de verbetering van de boortechniek ( W I T . 1954), anderzijds van de betere
kennis van de geologische ontwikkeling van het betrokken gebied.
Het nut dat de kartering van voor liet droogvallen van de polder heeft
opgeleverd, is tweeledig: nl. het nut ten aanzien van de eigenlijke inpoldering
en het nut ten aanzien van het in cultuur brengen.
Ten aanzien van de eigenlijke inpoldering leerde de kartering van de
Zuiderzeebodem dat de beste gronden in de zuidelijke kom van de Zuiderzee
zijn gelegen. Dit gegeven heeft een - vermoedelijk grote — rol gespeeld
bij de opzet van het inpolderingsplan van L E L Y , dat inhield de polders in de
Zuiderzee zo te projecteren dat er in het noorden. waar de bodem uit zand
bestaat, een meer overbleef, dat verschillende waterstaatkundige functies
zou kunnen vervullen. Ook dc begrenzing van de polder is beinvloed door
In i resultaat van de karteringen van voor het droogvallen van de Noordoostpolder. Dc kartering van 1931—1933 leerde dat de bodemgesteldheid
15
benoorden Urk minder gunstig was dan de kaart van LI:I.Y aangaf. Als
gevolg daarvan werd de dijk van Urk naar Lemmer OOStelijker gelegd.
Hit nut dat de kartering van de Noordoostpolder van voor het droogvallen heeft gehad ten aanzien van het in cultuur brengen van de polder,
hangt nauw samen met het feit dat de Noordoostpolder niet d< eersti
doch de tweede inpoldering in de Zuiderzee 1-. De ervaring in de Wieringermeer opgedaan, heeft het belang naar voren gebracht om allerlei aangelegenheden reeds in een zeer vroeg stadium te regelen, omdal dan nog
vaak met geringe kosten, de daartoe nodige voorzieningen kunnen worden
getroffen. Voor het nemen van de juiste maatregelen te dien aanzien is veelal
de kennis van de bodemgesteldheid onontbeerlijk.
Zo zijn de bodemkundige gegevens gebruikt voor: het opstellen van hel
ontginningsplan (de zandige strook langs de kust en het zandcomplex nabij
Ramspol konden volgens de gegevens het eerst worden ontgonnen), de
verbetering van minder goede gronden met baggerspecie uit de voor het
droogvallen gebaggerde kanalen, het nemen van de beslissing ter plaatse van
Emmeloord slappe lagen weg te baggeren en ze door zand te vervangen,
enz., enz. Van de gegevens, verkregen bij het onderzoek naar de te verwachten inklinking is gebruik gemaakt bij de vaststelling van de polderpeilen en de verdeling van de polder in afdelingen.
DE
VOOKKARTHKIM,
De bemaling van de Noordoostpolder ving aan in januari 1941 I'IHIII
in mei van dat jaar een waterstand van ongeveer 1 m — N.A.P. was bereikt,
kon mei de kartering van de drooggevallen hoge, zandige, en dus direct
toegankelijke gebieden, een begin worden gemaakt.
In 1941 werd een oppervlakte van 8 000 ha gekarteerd, in de jaren 1942
en 1943 respectievelijk oppervlakten van 22 000 en 18 000 ha. Bij deze
voorkartering werd de polder afgeboord in een vierkantsverband van
250 x 250 m, of in een verband van 2IM) • 300 m.
Bij de plaatsbepaling kon ten dele gebruik worden gemaakt van raaien.
die in de polder reeds waren uitgezel voor hel aanleggen van wegen en
sloten. Een groot gedeelte van In t meetwerk moest door de karteringsploegen zelf worden uitgevoerd met gebruikmaking van vaste pun;
voor dit doel uitgezette meetassen. In het centrale deel van de polder,
waar vrijwel geen enkel vast punt aanwezig was, werd door de Diensi
der Zuiderzeewerken met de sextan) een vierkant met bekende ligging
uitgezet met zijden van 1 kin. Met behulp van jalons, of in weinig begroeid terrein me1 behulp van de toppen van de bij de kartering opgeworpen grondbergje> werden deze raaien vi-rlt.-ngd en dooi aliinten met
een meetdraad van 50 m op afstanden van 250 m gemarkeerd. Loodrecht
op deze raaien werden weer andere raaien uitgezet met behulp van een
hoekspiegel (fig. 4). Op deze wijze werd het karteringsnet over een oppervlakte van 35 km- uitgezet.
Hoewel dit meetwerk door de karteringsplorgeii
naast het eigenlijke
karteringswerk — met eenvoudige hulpmiddelen werd verricht, was de
Ifl
Fig -I Het iiit/ciieii van de boorplek ken tijdens de voorkartering van de
Noordoostpolder met behulp van jalons en hoekspi
ti in-locating during the / .
soft survey of the North-Easteml-'oto Directie [Jsselmeerpolders.
nauwkeurigheid van de op deze wijze uitgevoerde plaatsbepaling voldoende.
Bij controle is bijvoorbeeld gebleken dat deze plaatsbepaling op een afstand
van fi km vanaf bet begin, een fout van minder dan 20 in vertoonde.
In gebieden met grote verschillen in bodemgesteldheid is het net van
250 x 250 m of van 200 x 300 m vernauwd. De kleinste afstand waarop
geboord werd, bedroeg 25 m, doch dit is slechts bij uitzondering voorgekomen. Het aantal boorplekken van de voorkartering bedroeg ongeveer
SIM HI
De kartering vond plaats in nog onontwaterd terrein. dat bij regen reeds
spoedig onbegaanbaar werd, vooral in de winter. De voorkartering kon
daarom alleen in de zomermaanden worden uitgevoerd; ook dan waren er
echter nog verscheidene dagen waarop niet kon worden gewerkt.
17
Fig. 5. I'rofielbeoorilcling tijdens de v o o r k a r i e r i n g van de N
in een kuil van SO cm diepte is mei een gutsboox tot l.S m onder maai
veld geboord
ExaminatH
•'! profile during the preliminary
survey of tin SorihEastein Poldei : in n pit ,. tlh a depth oj 50 c in o boring has been made to a
depth of 1.5 m below the surface
Foto I'inc in- [Jsselmeerpolders,
D a a r in bet tr karteren terrein nog geen wegen lagen en er slei 1 its bij
uitzondering van \ aaj tuigen gebruik kon worden g e m a a k t , nioesfen per dag
vele kilometers te voel worden afgelegd; 12 km pei dag vormden allerminst
een uitzondering. Bij het schaften op di eenzame vlakte bood een mcegevoerd zeiltje de enige beschutting tegen regen en wind.
Een karteringsploeg bestond oit een karteerder en twee arbeiders. Was
het terrein sterk begroeid. zodat het uitzetten der plekken veel moeite
kostte, dan gingen drie arbeiders mee. Door gebrek aan ervaring wade vordering van de kartering aanvankelijk gering, doch nadat voldoende
V a n 7rp
rot I »nrl nr
«
18
ervaring verkregen was, kon een karteringsploeg 10 a 15 plekken per
dag afwerken.
Bij de opname bleek al spoedig, dat bij de kartering te land veel meer
bijzonderheden aan het licht kwamen dan bij de kartering onder water. Dit
was vooral te danken aan het feit dat bij de voorkartering op de plaats van
de boring een gat van ongeveer 80 cm in het vierkant werd gespit, met een
diepte van omstreeks 50 cm. In dit gat werd met een gutsboor tot 1,5 m
beneden maaiveld geboord (tig. 5).
Rij de beschrijving werd het profiel ingedeeld in lagen die ieder als een
eenheid konden worden beschouwd. Op daartoe bestemde formulieren
werden van iedere laag notifies gemaakt betreffende de aard ervan, en
betreffende het kleigehalte, het U-cijfer van de zandfractie, het humus- en
koolzure-kalkgehalte, de kleur, de aeratie, de gelaagdheid, de vastheid, het
voorkomen van schelpen, van schelplaagjes en van gangen. Bij het veen
werd speciaal gelet op de botanische samenstelling, de humositeitsgraad en
liet afiochthone dan wel autochthone karakter, terwijl bij het pleistocene
zand in het bijzonder aandacht werd geschonken aan de verschillende
In a izonten in de vaak gepodsoliseerde profielen.
De monsters werden in de eerste plaats genomen als controle op en ter
correctie van de taxaties. In 1941 werd in de kleihoudende afzettingen het
gehalte aan afslibbare delen (deeltjes < 16 mu) getaxeerd en analytisch
bepaald; in 1942 is dit slibgehalte vervangen door het lutumgehalte (gehalte
aan deeltjes < 2 m u ) .
De gegevens van de voorkartering zijn verwerkt in twee in 1944 verschenen kaarten, de Voorlopige Bodemkaart en de Voorlopige Bodemprofielenkaart van de Noordoostpolder. Op de Voorlopige Bodemkaart,
waarvan een fragment in figuur 6 is weergegeven, is behalve de aard van
d. bovenste 25 cm (de bouwvoor) tevens de aard van de ondergrond
(25—40 cm) aangegeven, althans voor zover de ondergrond in belangrijke
mate van de bovengrond afwijkt.
Het belang van deze vroegtijdige kartering kan niet hoog genoeg worden
aangeslagen J >c resultaten van de voorkartering zijn gebruikt voor correcties op het verkavelingsplan, voor de vaststelling van het definitieve
ontginningsplan, de vereiste greppelafstanden en het voorlopige bestemmingsplan, voor het uitzoeken van de bouwplaatsen van de bedrijven van
de Cultuurtechnische Afdeling, voor de keuze van de ligging van pi.
velden ten einde de I" m.-lingsbi boefle tijdens het ontginningsstadium t e
kunnen aangeven. en bij de oplossing van nog vele andere problemen, die
zich bij het in cultuur brengen van dergelijke gebieden voordoen.
DE DEFINITIEVE, GEDETAILLEERDE KARTERING
De waarnemingen voor de definitieve en gedetailleerde kartering zijn
verricht in de verse wanden van de pas gegraven sloten en greppels In 1941
werd begonnen met het graven van sloten en greppels, zodat de definitieve
kartering reeds in dat jaar kon aanvangen. In grote lijnen volgde dc kartering hel graven van de sloten en de greppels op de voet, zodat de v. irdering
2 1 •••• ••• ••••
I
3^3
Fig. 6. Fragment van de uit de gegevens van de voorkartering samengestelde
bodemkaart van de Noordoostpolder
Part of the soil map of the North-Eastern-Polder,
compiled with the data
of the preliminary
soil survey
11. kaart heeft betrekking op de laag 0—40 cm. Indien de s a m e n
stelling van d e laag 25—40 c m s t e r k afwijkt van die van d e laag 0 26
cm, is de aard van de laag van 25—40 cm met letters aangegeven.
De letters D, V en P dniden aan hel voorkomen van respectievelijk
detritus, veen en pleistoceen /and.
1. kleihoudend, zeer fijn tand
clayey, very fine ,•.
2. kleihoudend. uiterst fijn zand
clayey, extremely fine sand
3, ik lit.- ravel A
light loam I
4 Iii hi.- tav el 11
light loam 1st
B. zware zavel A
ii
zware zavel B
loam ll
detritus, bedekt door minder dan
10 cm mariene grond
detritus-gyttja, covered by less than
10 cm marine sediment
8. detritus, bedekt door 10—20 cm
niarieiii' grond
ered by 10—20
cm marine sediment
9. veen. bedekt door minder dan
Ml ,iu mai i.".- croud
vtred by It SI than 10 cm
marine seditm
10. veen. bedekt door 10—20
mariene grond
•peal, covered by 10—20 cm
sediment
van de kartering mede bepaald werd door de voortgang van het ontginningswerk. In tabel 3 is een overzichl gegeven van de in de jaren 1941 1954
gekarteerde oppervlakten.
TABF.I. 3.
!... t
D e vordering van de kartering van de Noordoostpolder
Gekarteerde o p p e r v l a k t e
In totaal gekarteerde oppervlakte
in ha
in ha
ISM I
800
800
1942
1943
1944
I94S
1946
4 200
6000
6 700
ll 000
1947
8 300
1948
1949
1950
1951
1952
1953
1954
soo
'J Si III
3 500
1 100
500
600
250
50
17 70(1
18 200
21 ooo
29 300
38 300
-It soo
42 90H
43 400
-I-l
44 250
4-1 300
•
De sloten en greppels zijn in het algemeen opgenomen lot de diepte
waarop zij waren gegraven, d.w.z. de sloten tot 1 a 1,4 in en de greppel- toi
60 cm.
De normale kavelafmeting in de Noordoostpolder bedraagt 300 • S00 m.
De sloten langs de lange zijde van de kavels liggen derhalve op een onderlinge al-iand van 300 m. In deze sloten werd hei profiel in homogene
gebieden opgenomen om de SO m; in gebieden met een sterkere variatie in
prolielopbouw werd deze afstand teruggebracht tot 25 in. Zodoende is op
l plek per 0,75 -1,5 ha het profiel toi een diepte van I a 1,4 m opgenomen.
Deze opgave vormt echter eigenlijk geen juiste maat voor de inien-iteit van
debodemopname. daar de verse dootwanden immers de mogelijkheid Imden
iedere verandering in aard en dikte van de afzonderlijke lagen te volgen en
de te beschrijven plekken zo te kiezen dat ze geheel representatief waren
voor lat betrokken gedeelte van de slootwand.
Bij de opname werd van de slootwand met de si hop een dunne laag
grond verwijderd, waardoor de profielopbouw duidelijk zichtbaar werd
Bij de opname van de bodemgesteldheid in de schuin staande wanden van
de sloten was het noodzakelijk de dikte- en dieptematen met behulp van een
lat van ruim 1 m lengte, voorzien van een waterpas, over te brengen naar de
verticaal staande maatstok of duimstok (fig. 8).
De afstanden waarop de greppels, loodrecht op de sloten, weiden ge
trokken varieerden van 8 tot 24 m. In homogene gebieden werd om de 48 m
°cn greppel opgenomen, waarbij in de greppel om de 25 m het profiel werd
21
Fig 7 I lei a isiekcn van een dunne laag van de slootwand teneinde l»* i de
kartering d< versctiillende afzettingen te kunnen onderscheiden
7 a ditch tin; ing Hoamine
diments
Foto Directie [Jsselmeerpolders
2a
B. Het meten van il<- dikte en diepte van de verschillend. ai
met
b e h u l p v a n e e n l a n g v v a t e r p a s e n e e n v e r t i e a a l s t a , m i l e iliiiinstolc
.Measuring thickness and depth of the various sediments by weans of a
voter-level and a vertical rule
Foto Directie [Jsselmeerpold
23
genoteerd. Het aantal waarnemingen bedraagt op deze wijze omstreeks
8 per ha.
In gebieden met een bonte profielopbouw werd het aantal opnamen
opgevoerd tot 40 a 50 pel ha. I rver de gehele polder heeft het aantal waai
nemingen in de greppels gemiddeld ongeveer in per ha bedragen.
In de slootwand werden de verschillende afzettingen in de eerste plaats
stratigrafisch ingedeeld, waarna van iedere laag de eigenschappen werden
grin.teerd. Aangezien het inzicht in de geolngis. he interpretatie in de jaren
1941 1954 aanmerkelijk is verruimd, is het in enkele gevallen noodzakelijk
gebleken, ter wille van de uniformiteit van de bodemopname, sommige
gedeelten opnieuw te karteren.
Bij de kartering van de greppelwanden kon veelal worden volstaan met
het noteren van de diepte en de dikte van de verschillende lagen en met een
eenvoudige notatie betreffende de diverse eigenschappen.
! ii gegevens van de -lootkartering weiden genoteerd op daartoe bestemde
booistaten. Hoewel aanvankelijk ook de gegeven- van di- gn-ppelkartering
op de/.e wijze werden vastgelegd, i~ men na enige tijd er toe overgegaan deze
untitles in het veld aan te geven op speciale veldkaarten, waardoor de
betrokken karteerder reed- tijdens de bodemopname meer overzicht verkreeg over de variatie in bodefngesteldheid. In enkele gebieden met een zeer
bonte profielopbouw volgens een grillig patroon. was het trouwens nood
zakelijk in het veld het voorkomen van bepaalde grondsoorten en bodem-
tvprii in te schetsen.
Terwijl tijdens de voorkartering de bemonstering tegelijk met het karteren
plaats vond, aangezien de analyseresultaten in de eerste plaats bedoeld
waren als controle op en zo nodig ter correctie van de taxaties. is bij de
definitieve kartering de bemonstering naar een later tijdstip verschoven.
ll. i-i nadat de gegevens van de greppelkartering waren verwerkt op
kaarten, werden de te bemonsteren terreinen uitgezocht. Van de bouw vom
(0—25 cm) werd, al naar de ti verwachten variatie in de eigeiiscliappcn.
1 monster genomen per 12 a ,50 ha. In totaal is in ongeveer 3000 monsters
van de bouwvoor het lutumgehalte bepaald. Van de lagen tussen 25 en 50 . in
is een kleiner aantal monsters onderzocht, terwijl van de lagen tussen 50 cm
en 1 m van iedere laag slei his 1 monster pei 100 a 150 lia i- geanalyseerd.
De monsters van de bouwvoor werden verkregen uit 40 boringen, gi
langs een rechte lijn en op een onderlinge afstand van 1 a 15 m. Indien de
bouwvoor uit stortgrond bestond, zijn steeds 50 boringen vooi 1 monster
V( nu ht. De monsters van de diepere lagen zijn in de meeste gevallen samengesteld uit 20 boorkernen.
gegevens van de slootkartering zijn verwerkt tot de zogenaamde sloot
profielen met een lengteschaal 1:2500 en een hoogteschaal 1 : 10. Deze
slootprofielen zijn, vercenvoudigd en verkleind (lengteschaal 1: 100(H),
hoogteschaal 1 : 40), samengevoegd tot de Profielenkaart van de Noordoostpolder (ver-, In inn in 21 bladen). De Profielen- en Codekaarten worden in
hoofdstuk V nader besproken.
24
I I . ALGEMEEN GEOLOGISCH O V E R Z I C H T
INLEIDING
Aangezien over de geologische wordingsgeschiedenis van de Noordoostpolder een uitvoerige publikatie in deze reeks is verschenen (WlGGERS, 1955),
kan worden volstaan met een beknopte behandeling van de genese van het
Noordoostpoldergebied, waarbij het zwaartcpunl zal vallen op de wordingsge-i hiedenis tijdens lu t Holoceen. In hoofdstuk III worden lnt voorkomen
en de eigenschappen van de afzonderlijke sedimenten in de polder, voor
zover deze van invloed zijn op de bodemgesteldheid, meer in detail behandeld.
H E T PLEISTOCEEN
Voor het landijs vanuit hel noorden hel gebied v a n d e huidige Noordo
polder bereikte, vond de afzetting plaats van een pakket overwegend fijn
zand. Volgens DI \ \ WKD (1949) betreft dit de zogenaamde pn .glaciale
sedimenten, afgezet voor het naderende landijs. In WIGGERS (1955) en
D E RlDDER en WIGGERS (1956) is uiteengezel dal hel niel uitgesloten en
in bepaalde gevallen zelfs waarschijnlijk is. dat men hier deels niet aeolische
sedimenten te doen heeft.
Ih 1 pi..gl.i. tale Band komt in de Noordoostpolder nabij I'rk en de Voorst
aan de oppervlakte voor. Op de bodemkaarten van de polder 1 : 10 000 is
hei desbetreffende /and in de omgeving van de Voorst aangegeven met de
letter F, daar indertijd de benaming (premorenaal) fluvioglaciaal i- aangehouden. Nabij Urk is op de bodemkaarten 1 : 10 ooo m het pmglaeiale
zand geen geologische aanduiding geplaatst. O p d e bouwvoorkaart (bijlage 4)
is het proglaciale zand nabij de Voorst en I'rk aangeduid als pleistoceen
/ a n d (P).
De keileem, afgezet door het landijs, komt op vijl plaatsen in de Noordoostpolder aan de oppervlakte voor. Aangezien deze gebieden in sterke mate
zijn geabradeerd, dragen zij plaatselijk een duidelijke steenbestrooiing.
De keileem laat zich in twee type
iderscheiden: de normale keileem,
meer of minder sterk verweerd en in kleur varierend van donkergrijs tot
roodbruin en de zogenaamde rode schollenkeilcem (DE W A A R D , 1949;
WIGGERS,
1955; DE K I D D E R en W I G G E R S ,
1956). Beide
keileemsoorten
dateren uit het Drenthien.
Op de keileem komen aan de niet geabradeerde ftanken plaatselijk echte
(postmorenale) fluvioglaciale sedimenten voor. bestaande uit grindrijk,
grof zand, doch deze afzettingen zijn door hun geringe verbreiding van
weinig betekenis.
25
Tijdens het warme Eemien werd een groot gedeelte van het Noordoostpoldergebied door de zee overdekt. Hiervan getuigen de o p een diepte van
ongeveer 15 m voorkomende mariene Eemafzettingen, voor het grootste
gedeelte uit klei bestaande. Naast mariene Eeinscdiinciitcn zijn in .1. Noord
oostpolder ook zoetwaterafzettingen uit dezelfde tijd aangetroffen. Ook
hierbij heefl men veelal met kleilagen te doen, die in dit geval vaak humeus
/iin en met veenlagen afwisselen. De begrenzing van In t mariene en teri. - u i - . he Eemien is aangegeven in WIGGERS (1955). Slechts op een plaats
in de Noordoostpolder is het Eemien ontsloten, namelijk bij de Voorst in de
zuideliike wand van de Zwolse Vaart. even voor de Voorster Sluis en het
gemaal Smeenge. Hier ligt namelijk op de keileem een veenlaag, het ,
naamde Brasenia veen, die gevormd i- tijdens hel Eemien.
Nadat de zee zich tegen liet einde van hel Eemien uit het Noordoo-tpoldergebied had teruggetrokken. werd door rivieren een pakket grof,
veelal grindhoudend /.and afgezet. Dit ..fluviatiele Laagterras". daterend
uit het begin van het Weil hselien, reikt in liet oosten tot ongeveer 6 a 7 m
— N.A.P. en in het westen van de polder tot ongeveer 12 m — N.A.P.
Blijkens een datering van een boven het Laagterras gelegen veenlaag
mei behulp van een u C-analyse, moet dit rivierzand zijn afgezet vom
omstreeks 25000 jaar voor hel begin van onze jaartelling.
rijdens hel drogere en zeer koude latere deel van het Weichselien vond
in het Noordoostpoldergebied de sedimentatie van het ouden- dekzand
plaats. Dit zand is door de wind vanuit het noorden en noordwesten aangevoerd. Het bezit een dikte van gemiddeld ongev vet -I in. doch hierin
treedt, vooral in het zuiden van de polder, een vrij aanzienlijke variatie op.
Tijdens het Laatglaciaal heeft in enkele gedeelten van de polder een
oppei vlakkige omwei kmg van het oudere dekzand plaats gevonden, waarbij
door de wind enkele /andruggen zijn opgewoq>en, bestaande uit het zogenaamde jmigere dekzand. Deze /andruggen verlenen aan het pleistocene
oppervlak zijn relief. Een van de belangi ijk-te ruggen verloopt in de lie hting
west-oostzuidoost door het noorden van de poldei. Bijlage 2 geeft een vrij
gedetailleerd beeld van de diepteligging vim hit pleistocene oppervlak ten
opzichte van het maaiveld.
Tijdens het Laatglaciaal vond voorts in enkele gebieden veengroei plaats.
vormde laatglaciale veenlaag is plaatselijk aangetroffen en w
onder d e bovengenoemde zandrug ten westen van de Lemstervaart. Blijkens
een nader ingesteld onderzoek is de veengroei veelal begonnen op de permanent bevroren ondergrond tijdens de Oude Drynsiijd, die onmiddellijk
iging aan de klimaatverbeteiing tijdens de Allcrnd-oscillatie die, globaal genomen, kan worden gedateerd tus-en 9 000 en 10 (HM) v. I In 1 ••-.-. •
In I iinde van de Allcrnd-oscillatie is hel terrein op vele plaatsen ZO nat
geweest. dat hit veen verspoelde en hi.T en daar iiieei 'bodeina Izet t ingen
werden gevormd.
I ijdens de klirnaatverslechtering gedurende de Jonge Dryastijd zijn het
veen en de meerbodemal/.ettingen op verschillende plaatsen sterk kryoturbaat verstoord, waarna de sedimentatie van het jongere dekzand volgde
tot in het begin van het Holoceen.
In het zuiden van d e polder werd tijdens d e bovengenoemde fasen van
het Laatglaciaal nog enig „fluviatiel Laagterras" afgezet door een aantal
rivierarmen, die gedeeltelijk mogen worden beschouwd als voortzettingen
in westelijke tic hung van de Kuinder, de Overijsselse Vecht en de IJssel
(PONS en WIGGERS, 1958). Ook hier vormde zich tijdensdeAllerod-oscillatie
plaatselijk een veenlaag, die veelal is overdekt door een laag rivierleem,
daterend nit de overgang van de AUerad-oscillatie naar de Jonge Dryastijd.
bangs de diep ingcsneden geulen treft men in het zuiden voorts hoge
zandruggen aan, opgebouwd uit /.and dat uit de periodiek droogvallende
rivierbeddingen is gestoven. Deze rivierduinen zijn in hoofdzaak tijdens de
Jonge Dryastijd en het begin van het Holoceen tot afzetting gekomen.
In hoofdstuk III zal de kaart, aangevende de diepte van het i leistoeeiie
zand ten opzichte van het maaiveld (bijlage 2) nader worden besproken.
Ill I HOI OCEEN
Bij het begin van het Holoceen, namelijk in hel Praeboreaal, vond in hel
noorden van het polderg. bi. .1 reeds i inge veengroei plaats in kleine depressdes in het pleisloi ene oppervlak. Hel gevormde veen bestaat uit rieti.. Deze veengroei zette zich tijdens hel Boreaal voort, waarbij het
areaal zich enigermate uitbreidde.
In hei overige deel van de polder is vrijwel nergen- prai boreaal oi boreaal
veen aangetroffen. Blijkens verschillende pollendiagramm. n begun de
veengroei hier eerst in het Atlantic um (PONS en WlGGERS, 1958).
Rij de overgang van liet Boreaal naar het Atlanticum veranderde de
veenvorming in het noorden van het poldergebied van karakter. Terwijl in
bet Boreaal nog uitsluitend eutrooph en mesotrooph veen, in hoofdzaak
rietzeggeveeii en zeggeveen, was gevormd. ontstond in het Atlant i. um
voornamelijk oligotrooph veenmosveen.
in het centrum van de polder bezil het in het Atlanticum gevormde
veen een oligotrooph karakter Zo koiuen bijvoorbeeld in sectie M en in de
omgeving van Emmeloord nog dunne lagen atlantisch oligotrooph vein in
kleine koinmen in het dekzand voor.
In het westen en het zuidwesten van het Noordoostpoldergebied stond de
veengroei in het Atlantic tun vrijwel geheel onder invloed van de rijzing van
de zeespiegel en van de aanvoer van voedselrijk watei door de geulen. Hel
hier gevormde veen bestaat dan ook in hoofdzaak uit zeggeveen, rietveen.
broek veen en bosveen.
Tijdens de sedimentatie van de Beemster-afzettingen in het midden van
Noordholland en in het Zuiderzeegebied, drong het slibrijke water ver
binnen in het geulenstelsel in het uiterste zuiden van het huidige polder
gebied. In de geul ten zuiden van Schokland bevindt zich een klei-afzetting.
die lioogstwaarschijnlijk tot de Kecmster-afzettingen kan worden gerekend
(VAN DER H E I D E en W I G G E R S , 1954;
P O N S en W I G G E R S , 1959).
De Wieringermeer-afzettingen, gedateerd tussen ongeveer 2900 en 2200 a
2300 v. Chr., zijn het Noordoostpoldergebied binnengekomen via de geulen in
het westen van de polder ( P O N S en W I G G E R S , 1959). In en langs de geulen
27
zette zich een kleilaag af, die door de toevoer van zoet water vanuit het
oosten een brakke tot zoete fades bezit. In deze klei komen plaatselijk veil
exemplaren van Cmo limidus (een zoetwaterschelp) voor, waardoor de klei
d e n a a m v a n I'nioklei heel t verkregen (Mil i .ER en VAN RAADSHOQVEN, 1947).
Terwijl het voorkomen van de Unioklei in hit zuiden van d. poldei veelal
beperkt blijfl tot de geulen en hun naaste omgeving. komt de I'nioklei in
se. lie II, globaal gesproken tu—en Emmeloord en Tollebeek, over een groot
gebied in een aaneengesloti a pakkel voor. Hier bereikt de klei een dikte
van gemiddeld 2 m. Aanvankelijk vond de sedimentatie in hoofdzaak onder
water plaats Naaiinate de opslibbing voiderde. verkreeg dit terieni hei
karakter van een schor- ol gorsgebied, waarbij de klei een zware begroeiing,
in hoofdzaak van net, droeg. De bodemkundige eigenschappen van de
Unioklei komen in hoofdstuk 111 nader aan de orde.
rijdens de sedimentatie van de Unioklei, voorkomend in het zuidw
van de poldei
de veengroei in het noorden van hit poldergebied onio..id voort. Gedurende het begin van het Mil.boreaal breidde het vein
/ii h vermoedelijk Ova vrijwel hel gehele poldergebied int. waarbij het in
hoofdzaak oligotrooph van karakter was. Slechts langs de geulen in het
sodden van de polder zal een betrekkelijk smalle strook eutrooph veen
aanwezig zijn geweesi He1 subboreale veen i- behalve m bei noorden van
de polder slei hi- in de omgeving van I'rk en Schokland gespaard gebleven.
Omstreeks 1600 V. < In drong de zee opnieuw het Noordoostpoldi-igebied
binnen. Via een diepe geul. gelegen ten noorden van I'rk, werd door het
slibhoudende water in en langs de geulen een kleilaag afgezet. die op
van het voorkomen van veel exemplaren van Ciirdiiini cdulc al- I ai diumklei
i- aangeduid en die blijkens PONS en WIGGERS (196
de Westfriese afzettingen II nioei worden getekend. In de secties H en J komt de Cardiumklei
tot. 1 iiiteii de geulen voor; de afzetting van deze klei vond gedeeltelijk plaats
ds aanwezige I fnioklei.
I'it de aanwezigheid van veel exemplaren van Cardium cdulc in de klei
mag wordtudeerd, dal he! zoutgehalte van het water betrekkelijk
hoog was.
De ouderdom van de < ardiumklei is bepaald met behulp van l4< analyses
(WIGGERS, 1955). Lit twee analyses volgde. d.-u in de omgeving van Urk
in i begin van dc turn
ie omstreeks 1550 v . Chr. plaats vond, en d a t de
inv loed van de /.ee /.ich omstreeks 1350 V. Chr. in de omgeving van Schokland
deed gevoeleii. I)e/e invloed iiittf zich in het bijzonder iii de vorming van
een vaak kleirijke riet veenlaag in het subboreale, oligotrophe vein.
Hoewel vermoedelijk reeds vooi de afzetting van de Cardiumklei enkele
i n . u n v m enige omvang in het Noordoostpoldergebied waren ontstaan.
heeft de I'ai diumklei-t ransgiessie de stoot gegeven tot de vorming van grote
meren door afslag in hei veengebied (PONS en W I G G E R S , 1960). In dit open
water is een sediment tot afzetting gekomen. dat bij de kartering is aangeduid n u t de naam detritus. Bij een later ingesteld onderzoek is komen vast
te staan dat deze detritus, w aaraan later de naam detritus-gyttja is gegeven,
moet worden opgevat als een sediment, waarin de organise he stof behalve
uit albraakprodukten van het aangrenzende veenland ten dele ook bestaat
28
uit resten van planten en dieren, die in de plassen hebben gegroeid en geleefd.
De detritus is in een groot gedeelte van de polder in de ondergrond, en in
het noorden zelfs to1 in de bouwvoor aanwezig (fig. 12, blz. 44).
De detritus dateert, blijken- pulynologisch en archeologisch onderzoek,
in hoofdzaak uit de tweede helft van het Subboreaal en het begin van het
Subatlanticum, met andere woorden uit de periode tussen 15(H) v. Chr. en
het begin van onze jaartelling.
Na de -ediinentatie van de detritus vond in het Noordoostpoldergebied
de afzetting plaats van de sloeflagen. In de profielen ziet men de detritus
naar boven veelal zeer geleidelijk, overgaan in een sediment dat minder
organische stof en meer minerale delen bevat. In deze afzetting komt een
relatief hoog percentage deeltjes 2—16 micron voor, hetgeen de reden is
dat aan dit sediment de naam sloefafzetting ol kortweg sloef is gi
daar het gebruikelijk is de fractie 2—16 micron met de naam sloefirai tie aan
te duiden. Onitient de oorzaak van dil relatie! hoge sloefgehalte in de/.e
afzettingen kan worden verwezen naar Z t r i ; (19511 en WIGGERS (1955).
Bij de kartering is het pakket -1. efafzettingen in 7. veelal vrij duidelijk te
onderkennen, lagen ingedeeld. De/.e lagen verschillen onderling in lutumgehalte, in gehalte aan organische stot en in de aard van de gelaagdheid.
In een later stadium zijn de 7 lagen in 3 groepen ingedeeld waaraan de
symbolen opgenomen in de volgende lijst zijn toegekend:
droge -loei
vette
- SI I"
- S I Ih
droge bandjessloef
SI I [•
humeuze bandjessloef
SI l l h
humeuze sloe!
- SI II C
magere sloef
sterk humeuze sloef
SI HI"
SI l l l h
Hm wel in de aard van de diverse sloeflagen binnen de polder regionaal
verschillen optreden, waarop in hoofdstuk III nader wordt ingegaan, is in
tabel 1 de gemiddelde samenstelling van de sloeflagen. ontleend aan Wil Gl RS
(1955), opgenomen.
In de tabel valt op, het naar beneden afnemende koolzure-kalkgehalte,
de huge gehalten aan organische stoi in de lagen si l b en SI IIIh (resp.
genoemd humeuze sloef en sterk humeuze sloef), de variatie in het lutumgehalte, waarbij drie lagen (I*, II" en 111°) een gemiddeld gehalte van
minder dan 7 ".. vertonen, het relatief hoge gehalte aan sloef'fractie. en de
fijnheid van de zandfractie, welke rich uit in hoge U cijfers. In de laatste
kolom vindt men de gemiddelde verhouding tussen de lutum- en de slib
fractie, welke zich beweegt tussen gemiddeld 35 en 42. In normale mariene
afzettingen in Nederland bedraagt deze verhouding gemiddeld 65 a 70.
De sedimentatie van de sloef in een slechts zwak-brak milieu vond plaats
tussen het begin van onze jaartelling en het einde van de zestiende eeuw.
2S
TABKL 4. Gemiddelde samenstelling van de sloeIlai>iii m de Noordoostpolder.
Gehalte aan hoofdln-t,in l.li-li-n 111 cc
• stof
CaCO,
SI
SI
SI
SI
SI
SI
SI
0—2 mu
I -. ijfi-r
Laag
ia
lb
lia
lib
lie
III-*
nib
Org.
stof
11.2
9.5
8,5
72
7.U
6.4
4.5
2.2
3.3
2.9
7.5
12 i
47
13.1
1297
1297
Lutum
II
'2
miii
6.8
9.9
4.9
si I
Sloef
(2—16 mn)
\t-in.i.
delen
(i
o .«„..,
Zand
Mi mu (> 16 mu)
14 n
46
10.9
17.0
20.2
6.4
16.1
18.8
25.7
13.9
26.1
31 2
11 n
37.0
67.8
61 5
74.7
59 2
46 i
77.9
55.4
336
284
294
109
340
305
302
36
39
35
35
36
42
40
1522
1365
1365
1365
-tin
1365
12.0
15.8
9.0
Totaal
aantal
nonstei -
De dikte van het pakket varieert vrij sterk. In het noordoosten van de
polder ontbreekt de sloef, gedeeltelijk door secundaire oorzaken. Het
pakket neemt naar het zuiden in dikte toe, zodat in het westen en midden
van de polder een dikte van 5—10 dm over vrij grote gebieden voorkomt.
In het zuiden worden plaatselijk grotere dikten dan A m aangetroffen, doch
de/e dikke lagen zijn gebonden aan hit voorkomen van diepe, met slappe
sedimenten ge\ ulde geulen. zodat door de inklinking van dez
en dik
sloefpakket kon worden afgeze.
Tijdens de vorming van de oudste sloefafzetting vond o p het nog resteren
de veengebied de sedimentatie plaats van een kleidek. In de nog slechts op
enkele plaatsen voorkomende volledige veenprorielen. afgedekt door deze
kleilaag, riet men het oligotrophe veenmosveen geleidelijk plaats maken
voor mesotrooph en ten slotte eutrooph veen. In de overgangslaag van het
veen naar het kleidek is sprake van kk-injk net veen, dat geleidelijk overgaat
m venige klei. die op vele plaatsen als katteklei is ontwikkeld.
Op grond van diverse gegevens uit de Noordoostpolder en naar analogic
van ouderdomsbepalingen van overeenkomstige kleidekken elder- in
Nederland, werd de vorming van het kleidek gedateerd tussen de vierde en
de negende eeuw (WlGGERS, 1955). Door PONS en \VH,..I:KS (19e.ni wordt dit
kleidek gerekend tot de laat-Romeinse en vroeg-Merovingische afzettingen.
gevormd tussen ongeveer 250 en 500 a WMI n. t hr,
Hoewel het kleidek vermoedelijk tegen hel einde- van de achtste eeuw een
vrij grote verbreiding bezat, vindt men thans in de polder nog slechts enkele
restanten nabij Kuinre, rondom Schokland en nabij Urk (WIGGERS, 1955).
dczieii de oorspronkelijke hoogteligging van het kleidek, die ongeveer
0.5 m — N.A.P. bedroeg, behoeft het geen verwondering te wekken dat van
dit kleidek in vele delen van de polder niets meer valt te bespeuren. daar
de bodem van de polder vrijwel overal dieper dan 1.5 m — N.A. I'. is gelegen.
x,0
°
M
De oorspronkelijke verbreiding van liet kleidek kon worden vastgesteld met
behulp van stratigrafische aanwijzingen, gesteund door archeologische
vondsten. H e t kleidek is namelijk in het begin van dc negende eeuw vrij
intensief bewoond geweest (VAN DER H E I D E , 1955a), waaraan de namen
Espel, Nagele, Bant of Bantegan, Vene of Veenhuizen nog herinneren.
Nog tijdens de middeleeuwen werd het veenlandschap met het kleidek
vrijwel geheel weggeslagen door het opdringende water. H e t landverlies
vond vooral sinds hel begin van de dertiende eeuw plaats. Hij I'rk en Schokland hebben de bewoners zich reeds vroeg tegen In t opdringende water
verdedigd door het opwerpen van dijken, terwijl de bevolking van Schokland ook terpen heeft gebouwd om zich te beveiligen. De resten van een
gedeelte v a n de dijken nabij Urk en Schokland zijn bij de kartering teruggcv onden en op de bouwvoorkaart (bijlage 4) ingetekend.
De afbraak van het landschap bleef niet tot het veengebied beperkt.
Ook de keileemopduikingen nabij de Voorst, I ollebeek en Urk en het hoogliggende zandgebied in het noordoosten van de polder werden door het
water aangetast. Bij deze abrasie kwam zand vrij, dat als Urkzand en als
Kuinrezand reeds in de Almere-tijd, dus nog tijdens de zoete t o t zwakbrakke fase van de Zuiderzee, werd afgezet. Ook door dc IJssel werd zand
aangevoerd, dat als Ramspolzand is aangeduid.
Tegen het einde van de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw
is in een vrij snel tempo verzilting van het water ingetreden. Hiermee ving
de zoute fase van de Zuiderzee aan, die werd afgesloten in 1932 bij het
gereedkomen van de Afsluitdijk. De verzilting van het Zuiderzeewater is
mede en wellicht zelfs in hoofdzaak een gevolg geweesi > an de verminderde
IJssel-afvoer (VAN DER H E I D E , 1955b; B A K K E K . 195N).
Tussen
1575 en 1982 /.ijn een vijftal mariene lagen in het Noordoostpoldergebied afgezet, die achtereenvolgens zijn aangeduid als Zus, Zu IV,
Zu 111, Zu II en Zu I. De oudste laag vormt hierbij dc overgang tussen de
sloefafzettingen en de echte Zuiderzee-afzettingen en is derhalve aangeduid
met het symbool Zus (Zuiderzee -f sloef). D e vier jongere lagen dragen
alle de duidelijke kenmerken van een sedimentatie in een brak tot zout
milieu. Terwijl in de laag Zus slechts zeer kleine exemplaren van Cardium
edule voorkomen. bevatten de overige Zuiderzee-afzettingen zeer veel
exemplaren van Mya arenaria. zij het d a t deze mollusk nimmer de grootte
van die uit het vol-mariene milieu bereikt. Voor verdere beschouwingen
omtrent het zoutgehalte van het water tijdens de Zuiderzee I. is. moge worden
verwezen naar
WIGGERS
(1955) en VAN DER MOLEN (195N).
Hoewel in hoofdstuk I I I het voorkomen en de eigenschappen van de
afzonderlijke lagen gedetailleerder zullen worden behandeld, zij thans
vermeld d a t de laag Zus in een groot gedeelte van de polder voorkomt,
doch nimmer een grotere dikte dan Id cm heeft. Deze laag is in de profielen
gemakkelijk te herkennen aan zijn gevlamde uiterlijk en aan het voorkomen
van kleine exemplaren van Cardium edule.
De laag Zu IV komt slechts in het oosten van de polder als een betrekkelijk
luturnrijke afzetting voor.
I )e laag Zu III i- / n r gemakkelijk te herkennen aan de zandige en schelp-
31
rijke facies, hetgeen er op wijst d a t tijdens de vorming van deze laag (tweede
helft van de zeventiende eeuw) de erosie veelal de sedimentatie heeft ovei
troffen,
De laag Zu II, die over een groot gedeelte van de poldei voorkomt, is een
lutumrijke laag met een zeer geringe variatie in zwaarte.
De laag Zu I vormt de laatst afgezette laag voor de afsluiting van de
Zuiderzee. De dikte en aard van deze laag loopt. zoals in hoofdstuk 111 nader
zal worden besproken. sterk uiteen.
Tijdens de Zuiderzeefase vond naast sedimentatie erosie plaats, hoewel de
afbraak van de veengebieden bij het begin van deze fase reeds zo ver was
gevorderd, dat nog -le. hi- hij I'rk. Si hokland en aan t\f kust tussen Lemmi i
cn Kuinre enige vergroting van de wateroppervlakte optrad ten gevolge
van afslag van veengebieden.
Bij de afbraak van het veenland werden door de eroderende kracht van
de golven op vele plaatsen gaten in het veen geslagen. Deze gaten zijn in een
volgend stadium veelal dichtgeslibd met meer of minder kleirijke afzettingen.
De belangrijkste veenafbraakgebieden, waarvan een gedeelte uit de zoete
Flevomeer- en Almerefase dateert, die aan de zoute Zuiderzeefase voorafging, zijn in de bijlagen 3, 4 en 5 aangegeven met een aparte notatie.
Ook in de Zuiderzeefase is Urkzand, Kuinrezand, Nagelezand en Ramspolzand gesedimenteerd Bij de Voorst breidde het Urkzandgebied zich
in deze fase naar liet noorden uit, bij Tollebeek werd een gedeelte van
hit reeds afgezette Urkzand uit de voorgaande fase weer omgewerkl. terwijl
bij Urk door abrasie van de keileem grote hoeveelheden Urkzand vrij
kwamen en in de omgeving van In t eiland werden gesedimenteerd.
Bij Kuinre vond in de Zuiderzeefase nog enige abrasie van het hooggi legen zandgebied plaats, waarmee sedimentatie van het zand langs de
kusl gepaard ging.
De IJssel voerde in de Zuiderzeefase nog zand aan, dat werd afgezet
ongeveer in hetzelfde gebied waar in de voorgaande fase eveneens sediliientatii- van zand had plaatsgevonden.
Na de afsluiting van de Zuiderzee werd in het snel verzoete milieu van het
I |—I'lni.i i het I |s.-.lmeet-lik afgezi t I >e herkomst van het slib is t e zoeken
in een geringe aantasting van de bovenste laag van de Zuiderzeeafzetting.
Aangezien de lutumrijkere gedeelten de geringste weerstand tegen opwoeling
bezitten, hebben deze het meeste materiaal geleverd. Dit komt tot uiting
in het relatief hoge lutumgehalte van het 1 fsselmeerslik, dat namelijk ruim
20% bedraagt.
In de Noordoostpolder is het 1 Jssclmeerslik aangeduid met het symbool ZuO, terwijl veelal de term polderslik is gebezigd. Dit hangt samen met
hi ' I. it dat de sedimentatie van liet slik geheel oi
els heeft plaats
gevonden sedert de bouw van de westelijke polderdijk.
Op de eigenschappen van het IJsselmeerslik wordl in hel volgendi
hoofdstuk nader teruggekonu-n
•a
III. DH AFZONDERLIJKE SEDIMENTEN EN HUN
EIGENSCHAPPEN
INLEIDING
Is nit het geologische overzicht in het voorgaande hoofdstuk Meek, is
de bodem van de Noordoostpolder opgebouwd uit tal van sedimenten.
In dit hoofdstuk zullen het voorkomen en de belangrijkste eigenschappen
van deze sedimenten nader worden besproken, voor zover ze althans voor
de bodemgesteldheid van belang worden geacht. Ten aanzien van de
behandeling van de wetmatigheden in dc granulometrische samenstelling
kan grotendeels worden verwezen naar WlGGERS (19.55).
In de I inlichtingen op dc 21 bladen van de I.odemkundige Code- en
Profielenkaart (1947—1956) zijn het voorkomen en de eigenschap]«-n van
de afzettingen vom elk blad afzonderlijk, naar de mate waarin zij voor het
betrokken blad van betekenis zijn. in detail behandeld. Vergeleken met
hetgeen over de diverse afzettingen in de genoemde Toelichtingen i- opgemerkt. draagt de behandeling van de sedimenten en hun eigenschappen
in dit hoofdstuk een globaler karakter.
D E KEIl.IKM,
ZAND
HET I ' K I M . I . A C I A L E
EN HET POSTMORENALE
FLUVKH.I.ACIALE
In de Noordoostpolder komt in 5 gebieden keileem aan de oppervlakte
voor, te weten ten westen van Vollenhove (gebied de Voorst I. leu westen
van Kadoelen (gebied Kadoelerweg), ten westen vein Schokland, ten oosten
van lollebeek en ten noordoosten van Urk.
Bij de dctailkartering van de keileem is een aantal typen onderscheiden,
waarbij in hoofdzaak is gelet op de male van verwering. De onverweerde
keileem, die slechts in het gebied van de Voorst plaatselijk aan de oppervlakte komt. is grijszwart van kleur. Bij verwering wordt deze kleur roodbruin en rocstbruin, lerwijl daar waar de keileem door veen bedekt is
geweest, de kleur onder invloed van ieductieprocessen lichtgrijs tot blauwg n j s is.
Het fysisch gedrag van de keileem is afhankelijk van de mate van verwering, doch aangezien de keileem in de Noordoostpolder uitsluitend met
bos is beplant. zal hierop niet nader worden ingegaan. Dooi WI'.STHA (1959)
/iin gegevens vermeld betreffende de groeistoornissen in de bosbeplantingen
op de keili em
De korrelgrootteverdeling van de keileem i- nitermate uniform. Slechts
bij h.t • om,I. t tussen de keileem en het onderliggende proglaciale zand
heeft plaatselijk een meer of minder innige vermenging plaats gevonden.
33
ten gevolge waarvan een secundaire variatie in de korrelgrootteverdeling
kan optreden. Op de geringe variatie in de granulometrische samenstelling
is gewezen door in W ' w u n (1949), terwijl door DE RlDDER en WlGGERS
(1956) een meer algemene behandeling van de korrelgrootteverdeling van
de keileem gegeven is.
Het koolzure-kalkgehalte van de keileem varieert vrij sterk. De onverweerde keileem bezit een koolzure kalkgehalte van ongeveer 7 ",,, doch
onder invloed van de verwering heeft de keileem deze kalk grotendeels of
geheel verloren. Zelfs is plaatselijk een duidelijke uitslag van basis- h ferrisulfaat in de keileem geconstateerd, namelijk in het contactvlak van de
keileem en het bedekkende veen.
I'..-halve de hierboven beschreven ..normale" keileem komt in de Noordoostpolder een ander type keileem voor, door in WAARD schollenkeileem
genoemd. Voor nadere gegeven- betreffende het voorkomen van deze kei
leem in en buiten de Noordoostpolder zij verwezen naar DE WAARD (1949),
WlGGERS (1955) en DE RIDDEN en WICGEKS (1956).
De schollenkeileem onderscheid! zich in velerlei opzicht van de normale
keileem; zo is deze schollenkeileem o.a. karmijnrood, koolzure-kalkrijk en
belangrijk rijker aan lutum dan de normale keileem.
In tabel 5 is de korrelgrootteverdeling van enkele monsters keileem weergegeven.
I l.t proglaciale zand, waaronder wordt verstaan het zand gesedimenteerd
voor de komst van het landijs, komt in de Noordoostpolder slechts in de
keileemgebiedeii bij I'rk en De Voorst aan de oppervlakte voor. Terwijl het
areaal bij Urk .slechts zeer klein is, treft men dit zand in het keileemgebied
IABEL 5. Granulometri-' be samenstelling van enkele monsters keileem mi do Noordoostpolder
100 g droge stof bevatten in g
van de aubfracties (in nun
Kavel
u-
a 2
I
19 l
134*
22 s
97 •
32*
7«
10.6 n.b.» 7.1) 10.6 7.3
-is I I 'i 7 S
11.9 0 4
n.ii
10.8 0 2
10.8 8.7
15 2 0.2 i i i i 15.2 8.7
24.8 n.b.' 23.4 -MS 21.2
26.6 n.b. ' 24.8 26.6 20.8
1
onverweerde keileem
* gedeeltelijk verweerde keileem
' verweerde keileem
' schollenkeileem
•*• niet liepaald
7.8
10.3
7 n 10.5
5 9 9.7
5.8 3.0
5.0 4.1
85
ii 1
7 11
5.9
8.5
7.1
12.5
94
:
—
i
is 3
15.2
18.1
15.7
3.6
3.3
CTI
cijlei
:
16.2
14.7
16.6
15.9
2.4
2.2
9.2
9.9
10,0
1.7
1.5
5.9
6.5
6.1
5.7
1.4
1.3
2.9
3.0
29
2 4
II
1 ll
2.6
2.6
2.2
1.1
1.0
1.5
106
too
105
103
202
181
34
bij De Voorst over een vrij grote oppervlakte aan. Op de bouwvoor- en
bodemkaart (bijlagen 4 en 5) is het zand aangegeven als pleistoceen zand (P).
H e t proglaciale zand is meestal matig fijn (U-cijfer 50—80) of middelfijn
(U-cijfer 80—120) en kleiarm, doch plaatselijk komen zeer fijnzandige en
lemige lagen voor, veelal afgewisseld met leemlagen (tabel 6).
E c h t postmorenaal fluvioglaciaal zand komt in de Noordoostpolder
slechts zeer lokaal voor. Het op de bodemkaarten 1 : 10 000 met de letter F
(Fluvioglaciaal) aangegeven zand is namelijk voor het grootste gedeelte
geen postmorenaal fluvioglaciaal, doch proglaciaal zand. Slechts op hel
keileemgebied ten westen van Schokland ligt plaatselijk een pakket dat als
postmorenaal fluvioglaciaal zand mag worden beschouwd.
H e t fluvioglaciale zand wijkt overigens in eigenschappen niet veel af van
het proglaciale zand. Het is eveneens veelal matig fijn en kleiarm; slechts
in enkele gevallen is het matig grof en grindhoudend. In tabel 6 zijn enkele
gegevens betreffende de granulometrische samenstelling van het proglaciale
zand vermeld.
TABKL 6. Granulometrische samenstelling van enkele monsters proglaciaal zand uit de Noordoostpolder
100 g droge stof bevatten in
van de subii .. ties ta mu:
JJ
•a
Kavel
E
a
§
a
Ja
s
T
T
T
131
131
31
D nu
1
1.5
3.7
26.9
0.5
I cij lei
s
- i
tr.
:
:
:
te.
77
J
0.1
0.1
0.2
0.3
in.
0.0
0.0
0.0
1.5
3.7
26.9
0.5
3.1
0.9
9.4
1.6
20.2 22.3
0.4
0.6
8.2
12.8
5.0
0.9
14.6
16.5
9.7
2.9
31.6
26.7
7.7
11.0
28 1
17 6
6.0
26 3
9.0
7.0
1.1
33.7
2.2
2.6
0.8
19.7
0.5
1.0
0.2
3.2
0.2
0.8
0.1
90
118
0.4
53
proglaciale leem
H E T DEKZAND
Zoals in het voorgaande hoofdstuk is uiteengezet, kunnen de Laagterrasafzettingen die dateren uit het Weichselien (inclusief het Laatglaciaal),
worden onderverdeeld in het (llnviatielc) l.aaglenaszand, het oudere dek
zand cn het jongere dekzand.
Het (fluviatiele) Laagterraszand is in de Noordoostpolder vrijwel overal
afgedekt door ouder en jonger dekzand. Het op de bodemkaarten 1 : 1(1 000
met de letter L (Laagterras) aangegeven zand betreft dan ook steeds
dekzand.
I let dekzandoppervlak vertoont in de Noordoostpolder een helling van
het noordoosten naar het zuidwesten. Ten westen van Kuinre reikt het aan
35
de oppervlakte, in het zuidwesten van de polder ligt liet veelal op een diepte
van 4 a 5 m beneden maaiveld (zie bijlage 2).
Bij het beschouwen van de kaart aangevende de diepte v an hei pleistocene
oppervlak t.o.v. maaiveld moet worden bedacht, dat deze kaart ter willc
van de schaal plaatselijk sterk moest worden vereeiivoudigd. Zoals nog
nader zal worden aangetoond aan de hand van figuur 9, vertoond. het
dekzandoppervlak plaatselijk vrij veel relief, waarbij in vele gevallen van
een typisch microrelicf kan worden gesproken (PONS en WlGGERS, 1958).
In het zuiden van de polder, waar behalv. diepe geulen ook hog. zand
n (rivierduinen) voorkomen, geeft de kaart slechts het algemene beeld,
met weglating van vele details. Op de kaart is voorts geen onderscheid
gemaaki I a.v. de aard van het pleistocene oppervlak. Terwijl dit oppervlak
in het grootste gedeelte van de polder wordt gevormd door dekzand, vindt
men in het zuiden ook keileem, proglaciaal zand en postmorenaal fluvioglaciaal aan de oppervlakte van het pleistocene pakket.
In het noordoosten van de polder en ook op een aantal ruggen in het
zuidwesten. dus in het algemeen daar waar het zand hoog ligt, heeft tijdens
het Holoceen podsolisatie van het dekzand plaats gevonden. Deze podsolvorming is in het zandgebied ten westen van Kuinre wel het sterkst geweest. Hier kwamen zeer sterk ontwikkelde B-horizonten voor, die de
eerste jaren na de ontginning hinderlijk vooi dc heworteling en voor de
waterbeweging waren. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, is tijdens
de ontginning een aantal van deze banken door een ondergrondbewerking
gebroken. Toch waren de bezwaren niet zo grool als de extreme hardheid
van dc banken had doen vermoeden. In de jaren na de ontginning, toen er
voldoende Lucht in de grond kon komen. nam de hardheid van de B-horizonten vrij Snel af, zodat het zand nu in vele gevallen normaal wordt dooi
worteld. Slechts plaatselijk vertonen de B-horizonten nog hinderlijke verkitting.
Aangezien geen speciaal onderzoek I- ingesteld n a a r d e ontwikkeling van
de bodemprofielen in het pleistocene zand, zal niet nader worden ingegaan
op de vraag onder welke vegetatie de sterke podsolisatie heeft plaats
gevonden. terwijl evenmin een beschrijving van de verschillende bodemprofielen met uiteenlopende podsolisatie zal worden gegeven.
Bij de latere aantasting van het pleistocene oppervlak door het water
van het Flevomeer, het Almere en de Zuiderzee heeft plaatselijk ecu sterke
abrasie plaats gevonden. Hierbij i- op de hoogste gedeelten hel gehele
j.i.ii. 1 geabradeerd, zodat daar thans de onvcranderde C-horizonl ..nder de
afdekkende lagen aanwezig is. Op iets lager gelegen plekken is dc !'. horizont
nog intact gebleven, terwijl langs de randen van depressies ook de A-horizont
aanwezig is, en in de depressies tevens nog veen op de A-horizonl voorkomt
,\angezien het dekzandgebied in het noordeii van de polder plaatselijk een
sterk micro-relief vertoonde. vindt men daar thans ecu zeer bont abrasie\dak,
waarin de C-, de B- en de A horizonten of het veen dagzomen. Een detail
van ei n dergelijk gebied is in figuur9weergegeven
De in het zuiden van de polder voorkomende ruggen zijn, vooral als zij
ver boven de omgeving uitstaken, grotendeels geabradeerd. In het centrum
M
Fig. 9. F r a g m e n t van een afgedekte b o d e m k a a r t van hel g e a b r a d e e r d e d e k zandgebied in het noorden van d e Noordoostpolder. De k a a r t is verschenen als bijlage bij blad 5 van de B o d e m k u n d i g e Code- en Profielenkaart van dc Noordoostpolder
Part of a soil map of the abraded cover sand area in the northern
the
North-Eastern-Polder
1. dekzand nut \H( profiel
cover sand with ABC-profile
4. veen
2. dekz.m.l met B('-prciiiel
covet
'•' BC-profile
5. mariene afzetting
marine sediment
3 dekzand met c-profiel
cover sand with C-profile
6. sloot
ditch
pt ti:
part of
37
van deze ruggen zijn dan ook meestal de A- en B-horizonten afgeslepen,
waardoor de C-horizont dc bovenkant van het dekzand vormt. De A- en
ll horizontcn vindt men in deze gevallen allien terug op de flanken van
de ruggen.
In het voorgaande werd reeds opgemerkt dat in het dekzand twee typen
kunnen worden onderscheiden, namelijk het oudere. veelal lets lemige
dekzand en het jongere, iets grovere dekzand. Op enkele plaatsen in de
poldei v indt n u n op de grens tussen beide een laag, veelal sterk k r v o t u r b a a t
gestoord, laatglaciaal veen (.\llered-veen). Dit been is aan de bovenzijde in
enkele p-vallen afgedekt door een slikkige laag meerbodemafzetting.
In tabel 7 zijn enkele analyses van het jongere en oudere dekzand op
genomen.
"ABEL 7.
(iraniiliiiiii'tnscliiT samenstelliiif. van enkele monsters d e k z a n d mi de
100 c
N....rdoostpolder
: b e v a t t e n in g
V.HI il.- -ail.Ira. tica in mu
Kavel
Horizon*
Diepte
in c m
1
a
3
8
I
83
,,
,,
.
3
,,
\
B
C
A
B
I'oord
(
—
i
—
16
45 - 6 5
65—85
85
20—35
35- 65
70- 100
425- -450
Isil 4911
•20
430
8.2
to
2 I
o
I
«5
0.0
0.0
0.0
0.0
0.0
1, II
trs
trs
9.8
14.1
17.6
in 7
li. ii
7 :i
t-i 7
s -i
o
M
?!
I I I I
5.4
1.7 11. 2.7
0.9 114 2 n 7 1
2.2 il.n 5.6 11 7
2 S
1.6 1.8 5.2 8.3
II 1
i :.
1.2 •2 \ 6.4
(1.4
1 (. 0.3 7.9 12.4
I M ; 16.6 1(1.5 13.6 29 1 6 i
0.8 12.9 6.7 5 1 13.7 7.2
n . b 13.5 l s 3 . 9 13.S l i S
3.6
ns
8
21 si
21.6
27.1
2? :<
!4 9
27.4
in (
18.2
22 8
2vi5
28.0
2,4:;
25.2
28.8
20.8
7.2
l-IS
5
o
04
(U)
1
| 8 . 3 6.0
16.2 5 1)
B 8 2.3
16.2 5.2
17 5 5 2
''ii 2.1
S.l 0.7
7 1 1.7
19.0 -17 1.2
Spec.
Opp.
zand!"l,c lie
l.O
ns
ii 5
i 0
0.3
0.1
0.3
Ii2
0.3
77
04
81
ii 1 104
0.4
89
e 1
78
0.3 111
0.0 205
0 . 0 137
0.1
In de beide bovenste profielen neemt de leemhoudendheid van het zand
en daarmee het U-cijfer van boven naar beneden toe. De bovenste monsters,
n u t U-cijfers tussen 77 en 89, zijn karakteristiek voor het jongere dekzand.
Tabel 7 vermeldt ook enkele zeer lemige monsters van het oudere dekzand.
I let gehalte aan leeinfractie (fractie 16—50 mu) bedraagt hier 14 a 23 % .
Bij een toenemend gehalte aan fijnere delen ziet men in het dekzand veelal
ook bet koolzure-kalkgehalte stijgen. In de diepere lagen komen kalkgehalten v..oi \.\n 15 a 20 %.
I le l jonge dekzand bev al, zekei in d. l.ovvn-te meter, in hel geheel geen
koolzure kalk. In de N'oordoostpoldei werden o liter in hel dekzand nimmer
pH's van inindei dan ti aangetroffen. Ten dele hangt dit wellicht samen met
het feit, dat het dekzand vrijwel nimmer geheel aan de oppervlakte treedt;
meestal was het zand bij het droogvallen overdekt door een dunne laag
kalkhoudend fijn zand, afgezet tijdens de Zuiderzeefase. Hij de grond
38
bewerking is dit zand mei het onderliggende dekzand gemengd. waardoor de
pll sterk is opgelopen.
DE OUDE ZEEKLEI
Zoals reeds in het voorgaande hoofdstuk werd opgemerkt, kan in „de
oude zeeklei'' in de Noordoostpolder onderscheid worden gemaakt tussen
de Beemster-afzcttingen. de Wieringermeer-afzettingen (Unioklei) en d e
Westfriese afzettingen II (Cardiumklei).
De Beemster-afzettingen zijn geheel beperkt tot het uiterste zuiden van
de polder en komen op geen enkele plaats dicht onder of aan de oppervlakte
voor. In het verband van deze publikatie kunnen deze afzettingen derhalve
buiten beschouwing worden gelaten.
De Wieringermeer-afzettingen zijn door MULLER en VAN RAADSHOOVEN
(1947) en door WK.GERS (1955) beschreven als I'nioklei. Deze klei komt
ten westen van Emmeloord in sei tie 11 en aansluitend daaraan in sectie G,
in de ondergrond vi" il
De begrenzing van liet Cardiumkleigebied komt ten dele overeen met die
van de Wieringermeer-afzettingen. De Cardiumklei ligt ten westen van
Emmeloord in de zuidoostelijkc helft van het in figuur 10 aangegeven
gebied.
Hoewel de afzettingen in enkele opzichten duidelijk van elkaar verschillen,
zijn zij in figuur 10 samengevat. f i t deze kaart, die de diepteligging van de
beide klciafzettingen t.o.v. het maaiveld weergeeft, blijkt dat slechts in een
beperkt gebied de klei deel uitmaakt van de bovenste 50 cm van het bodemprofiel; meestal ligt de klei dieper
Behalve in het op de kaart aangegeven gebied worden de beide kleiatzet t ingen ook in het zuidwestelijke deel van de polder, met name in sectie J,
plaatselijk aangetroffen. Het voorkomen in dit gebied blijft echter vrijwel
geheel beperkt tot betrekkelijk smalle stroken in en langs de in het pleistocene oppervlak ingesneden geulen.
De Unioklei vet toont een grote variatie in lutumgehalte. Vooral in de
diepere lagen is deze afzetting soms zandig ontwikkeld, waarbij gehalten
van minder dan It) ",, lutum zijn aangetroffen. Anderzijds treft men, vooral
aan de oppervlakte. hoge lutumgehalten aan, een enkele maal tot 5 0 % .
H e t gemiddelde lutumgehalte van 60 monsters Unioklei bedraagt 28 "„.
De lutum-slibverhouding varieert van 38 tot 67 en bedraagt gemiddeld 59.
De Cardiumklei is als een homogene, kleirijke afzetting ontwikkeld.
Het lutumgehalte varieert weinig en bedraagt gemiddeld 37 % , terwijl de
lutum-slibverhouding eveneens weinig variatie vertoont en een gemiddelde
waarde van 65 bezit.
Het koolzure-kalkgehalte van Cardiumklei is vrij uniform, gemiddeld
bedraagt het 15 %. Het koolzure-kalkgehalte van de Unioklei vertoont
daai.-ntegen een grote variatie (PONS en W
HKS, 19.59; 1960). Naast lagen
met kalkgehalten van 13 % komen ook geheel koolzure kalkloz.e lagen voor,
en wel aan de oppervlakte van hel kleipakket. De klei i- tijdens dc afzetting
van de bovenste lagen begroeid geweest. terwijl na de afzetting een veenlaag
39
m
i n
E
i *
Fig. 10. Diepteligging van d e 'oude zeeklei' (Unioklei cn Cardiumklei), v o o r
zover aanwezig binnen 1.50 in beneden maaiveld
Depth of the older marine sediments {Unioclay and Cardiumclay),
as
far as present within 1.50 m below the surface
1. diepte van de bovenzijde van de klei in cm beneden maaiveld
depth of the surface of the clay in cm below the surface
2. nitwiggingsgrena'
limit of ureal extent
1
Wanneer in tig. 10 en in de volgende figuren sprake is van uitwiggingsgrens wordt
het begrip uitwiggen zuiver descriptiel gebruikt. De begrenzing kan hetzij tijdens de
sedimentatie, hetzij bij latere erosie /ijn tot standgekomen.
40
op de klei tot ontwikkeling is gekomen. Het sterk doorgroeide en doorwortelde gedeelte. dat veelal duidelijke structuur-elementen bevatte waardoor de klei als „korte" klei werd beschreven, is op de slootprofielenkaarten
1 : 10 000 aangeduid als Uniokwelderklei (Ukw),
Doordat deze klei een grote hoeveelheid zwavelverbindingen bevatte
die na het droogvallen o.a. tot zwavelzuur oxydeerden, was het koolzurekalkgehalte bij de kalkarmere lagen te gering om het gevormde zwavelzuur
te neutraliseren. De Unioklei reageerde na het droogvallen derhalve soms
sterk zuur, waarbij de pH tot beneden '.* kon dalen. Deze lage p H ' s komen
slechts in de als Uniokwelderklei aangeduide lagen voor.
Op slechts enkele plaatsen is ook de I ardiumklei als kwelderklei ontwikkeld. Vergeleken met de Uniokwelderklei is deze Cardiumkwelderklei
(op de bodemkaarten 1 : 1 0 000 aangeduid als Cakw) van zeer geringe
betekenis. H e t voorkomen van koolzure-kalkloze lagen is in de Cardiumkwelderklei tot enkele uitzonderingen beperkt.
Het gehalte aan organische stof in de Unioklei is sterk afhankelijk van
de mate van doorgroeiing. In de sterk doorgroeide lagen. vlak nuclei hit
veen, treft men gehalten aan organische stof aan van 15 a 2 0 % . In de
diepere lagen bedraagt dit gehalte gemiddeld slechts 5 ",,.
H e t gehalte aan organische stof in de Cardiumklei varieert minder sterk
en bedraagt gemiddeld 8 % .
Bij het droogvallen van de polder bevatten de kleirijke lagen veel water,
hetgeen na het droogvallen aanleiding gaf tot scheurvorming, mits de lagen
niet te diep in het profiel voorkwamen. Zeer waarschijnlijk was hit watergehalte in de Cardiumklei naar verhouding hoger dan dat van de Unioklei,
zodat de Cardiumklei grotere neiging tot scheuren vertoonde. Meestal is de
oude zeeklei echter afgedekt door een tamelijk dik pakket jonge, kleiarmere
afzettinp ti. waardoor de indroging en daarmee de scheurvorming geremd
werd.
H E T VEEN
Tot omstreeks 1600 v. Chr. was vrijwel het gehele Noordoostpoldergebied
door veen bedekt. Het gevormde veenpakket had op vele plaatsen een dikte
van i nkele meters.
Bij de inbraak van dc zee tussen 1600 en 1500 v. Chr. zette de afbraak
van het veenlandschap in. welke afbraak sedertdicn gestadig verder ging.
Bijl.
it de diepteligging van het resterende veen ten opzichte van
het maaiveld weer. In bet noorden van de polder ligt het veen over een
betrekkelijk groot gebied aan of vrijwel aan de oppervlakti Voorts tn-lt
n u n het veen binnen 75 cm diepte aan in een gedeelte van de sei ties C en G.
Een derde gebied met een ondiepe ligging van de veenoppervlakte ligt
rondom Schokland, terwijl ten slotte ook nabij Urk het veen hetzij aan de
oppervlakte ligt. hetzij alleen maar door een betrekkelijk dunne laag jongere
afzettingen is bedekt.
Met veen in de Noordoostpolder is slechts ten dele autochthoon. Ken
belangrijk gedeelte bestaat uit verslagen veen. Met autoi hthone vein is naar
41
de aard nog te verdelen in zeggeveen, rietveen, bosveen en veenmosveen.
In deze groep is het zeggeveen het belangrijkst. Het veenmosveen wordt
in het noordoosten van de poldei aai
n m een v rij smalle strook langs
d. kust en voorts-nabij I'rk. Met bosveen of broekveen i- vrijwel geheel
beperkt tot de flanken van de dekzandruggen en de oever-. van de geulen.
Rietveen treft men aan in de omgeving van het gebied n u t oude zeeklei en
voorts op verschillende plaatsen in het zuidwesten van de polder.
I l.t gehalte aan organische st..| is het hoogsl in hei zeggeveen en het
veenmosveen. In de meeste gevallen ligt het voor beide veensoorten boven
85 % , terwijl in enkele gevallen zelfs gehalten van meer dan 90 ",, voorkomen. Bij lut rietveen en het broekveen zijn deze percentages in het
algemeen lager en aan grotere schommelingen onderin vig, hoewel hiei ook
nog enkele malen organische-stofgehalten van nicer dan 80 % voorkomen
Uiteraard hangen deze verschillen samen met de slibrijkdom van lut milieu
waarin de desbetreffende veensoorten zijn gegroeid.
Het veen is, doordat lui gedurende eeuwen met zeewater bedekt was,
doordrenkt met de zouten daaruit. Doordat het daardoor kationen kon
opnemen, was het tijdens hit droogvallen dan ook veelal minder zuur dan
let veen op het oude land. Mier staat evenwel tegenover, dat de overstroming met zeewater dc mogelijkheid tot ophoping v an sulfiden heefl gegeven.
Deze sulfiden oxydeerden na het droogvallen onder andere tm zwavelzuur;
doordat et geen andere kationen dan die van het adsorptiecomplex aanwezig waren om het gevormde zwavelzuur te neutraliseren, leidde de
M. tot een sterke verzuring. Door deze twee tegenovergestelde processen komen binnen een gebied, naast elkaar, zowel z u r lage als tamelijk
hoge pH's voor. Waarom op de ene plaats niet en op de andere wel een
Sterke ophoping en o.\ydatie van sulfiden heeft plaats gevonden, is nog
onbekend.
Bij het droogvallen van de polder was het watergehalte van de veensoorten hoog en bedroeg ongevea het 10-voudige van het humusgehalte
Na het aanleggen van een ontwateringssysteem daalde het watergehalte
vooral in de bovenlagen sterk, hetgeen zich uitte in een ter plaatse optredende grote inklinking en in het ontstaan van grote scheuren in het veen,
Naderhand is een groot deel van de veengebieden gei'nfiltreerd. ten einde
een te sterke indroging van het vein te vom komen. hetgeen immers voor
de waterhuishouding van de grond bezwaren zou opleveren, Bij bemonste
ringen in 1949 bleek, dat hit watergehalte in de bovenste laag ( 0 - 30 cm)
reeds tot ongeveer de helft was gedaald. Verdere indroging heeft tot 1956
niet plaats gevonden, mede dank zij de intussen aangebrachte infiltratie.
In de ondergrond had het veen. ook in niet-geaSreerde toestand, toch een
lager watergehalte verkregen. Het watergehalte bedroeg in 1956 beneden
50 cm ongeveer het 7 a 8-voudige van het gehalte aan organist he -toi. In het
watergehalte beginnen zich verschillen t.a.v. kwel, wegzijging e.d. thans
duidelijk ai ti- tekenen.
Zoals reeds werd opgemerkt, is aanvankelijk de oppervlakte veen ter
plaatse van de Noordoostpolder veel groter geweest. Het gFOOtste deel van
het aanwezige vein is door de Zuiderzee of haar voorgangster (het Almere)
42
Fig. 11 Bezande gedeelten in het veengebied in hel noorden van de polder
Parts of the peat area in the northern part of the polder covered artifically
with a thin layer of sand
1. zand ontleend aan kanaal- en tochtgrond
sand laken from the dredgings dumped along canals and main ditches
2. zand omhooggebracht door diepploegen
.sand taken from the subsoil by deepplou
opgeruinid. Doch ook in de gespaarde oppervlakten zijn veelal grotere en
kleinere gaten in het veen geslagen, die later met minerale sedimenten zijn
opgevuld. De aard van deze sedimenten verschilt binnen de Noordoostpolder nogal sterk. Zo werd in sectie A en in het gebied rondom Schokland
meestal zware zavel en klei, in het veengebied in de secties K en L fijn zand
of lichte zavel en in het gebied ten noorden van Urk grof zand in de ontstane
gaten afgezet. De betrokken gebieden zijn op de bodemkaart aangegeven als
veenafbraak complexen. Doordat de in het veen geslagen gaten vaak
tamelijk diep waren, trad daar na het droogvallen van de polder ecu .
ongelijke inklinking op. Indien de gaten in het veen zijn opgevuld met zand
ol /..a lichte zavel ontstaat een gebied waar, na de inklinking van het veen,
.1. opgevulde gaten een hogere ligging dan het omgevende veen verkrijgen.
Bestaat de opvulling van de gaten echter uit zware zavel of klei, dan vertoont ze veelal een grotere inklinking dan het veen, zodat tussen de gespaarde v eengedeelten depressies ontstaan.
De gebieden waar het veen nagenoeg of geheel aan de oppervlakte ligt,
43
zijn voor cultuurgrond niet erg aantrekkelijk, zowel in verband m e t d e
stevigheid van de grond als ook vanwege andere bezwaren van zuiver veen
(opvriezen, stuiven, gevaar voor nachtvorst, enz,). Om aan deze bezwaren
tegemoet te komen, zijn in het veengebied ten zuiden van Lemmer enkele
kavels of kavelgedeelten bezand en enkele andere kavels of kavelgedeelten
gediepploegd, ten einde de deklaag op hi't veen dikker te maken. Voor het
bezanden zijn de aanligg. nd. tocht cn kanaalvvallen gebruikt, terwijl bij
het diepploegen het onderliggende dekzand naar boven werd gebracht. In
hel algemeen werd er naar gestreefd een afdekkende laag van 15 a 20 cm
o p het veen te verkrijgen. De kavels waarop deze werkzaamheden zijn
uitgevoerd. vindt men aangegeven in figuur 11.
DE
DETRITUS-GYTTJA
In het voorgaande werd reeds opgemerkt. dat een groot deel van het
ter plaatse van d e Noordoostpolder gevormd. vein tijdens de Flevomeer-.
de Almere- en ten slotte tijdens de Zuiderzeefase werd afgebroken. Ten tijde
van de Klevomeerfase werd in de door de veenafbraak ontstane meren een
deel van dit veen weer als zeer fijn gewreven resten ervan, vermengd met
de resten van planten en dieren die in deze meren leefden, en met klei en
een weinig zand. op de resten van het autochthone veen afgezet. Deze
afzetting is aangeduid met de naam detritus-gyttja.
In figuur 12 is de diepteligging van de bovenzijde van de detritus-gyttja
ten opzichte van het maaiveld weergegeven. Uil deze kaart blijkt, dat de
detritus in het noorden van de polder plaatselijk tot aan of tot dicht onder
de oppervlakte reikt. Ten zuiden van de zandrug door de secties F, A en B,
ligt de detritus in de secties B, C, F en G plaatselijk minder dan 50 cm diep,
doch veelal op een diepte van 50—150 cm. Voorts komt de detritus op
geringe diepte voor nabij hit keileemgebied van Tollebeek en ten noordOOSten daarvan. In het OOSten son de polder komt de detritus slechts tussen
Emmeloord, Luttelgeest en Marknesse, t u s s e n 7 5 en 150 cm diepte voor.
In WlGGERS (1955) is uitvoerig ingegaan op het ontstaan en de eigenschappen van de detritus-gyttja. Volledigheidshalve zij hier vermeld dat het
gehalte aan organische Stof gemiddeld 34 % bedraagt. terwijl dit gehalte
in 80 % van de monsters tussen 20 en 40 % ligt. Het lutumgehalte bedraagt
gemiddeld 17 % ; in 75 ".',, van de monsters ligt dit tussen 13 en 21 %. Het
koolzure-kalkgehalte van de detritus is nihil oi vrijwel nihil. In het gehalte
aan fosfaaiverbindingen treedt een zeer grote variatie op, hetgeen samenhangt met de ontstaanswijze van dit sediment.
Doordat de detritus een grote hoeveelheid zwavelverbindingen bevatte,
die na het droogvallen onder andere tot zwavelzuur owdeenleii, trad bij
de oxydatie van de detritus door de afwezigheid van koolzure kalk plaatse
lijk een sterke daling van de pH op. Evenmin als bij het veen is nader v 'astgesteld, waarom deze daling van de pll zo lokaal optrad.
Bij het droogvallen van de polder was hit watergehalte van de detritus
z.ei hoog. Bij een gehalte aan organische stof van 30 ",, en ecu lutumgehalte van 30 % bedroeg het watergehalte, uitgedrukt in grammen water
'1
=£7=
K E I
E L M E E
Fig. 12. I >icptcligging van de detritus-gyttja, voor zover aanwezig binnen
1.50 m beneden maaiveld
Depth of the this: ins gyttja, as far as -present within 1.50 m below the
surface
I. d i e p t e van (le bovenzijde van de
detritus »• 15 i in
depth i>/ the surface of the detritusgyttja 0—15 cm
•2 idem, 15 25 cm
ditto. 15 -25 cm
3. idem. 25—50 cm
ditto, 25
•I i.l.m 50 75 cm
50—75 cm
5 idem, 75 150 cm
ditto. 15—150 cm
per 100 gram droge grond, ongeveer 340. Na het aanbrengen van een
ontwateringssysteem trad vooral in de bovenlagen een sterke daling van
het watergehalte Op. De detritus was in het voorjaar van 1949 reeds zo ver
ingedroogd, dal he. watergehalte in de bovengrond (0 30 cm) slechts
ongeveer lu-t 4 a 5-voudige van het humusgehalte bedroeg. in de uitgangs-
•Id
toestand bedroeg het watergehalte hel 10- a 12-voudige van het humusgehalte. In de lagen 3 0 - 5 0 , 50—70 en 70—100 cm bedroeg het watei
gehalte in 1949 gemiddeld ongeveer respectievelijk het 6-, 7- en 8 voudige
van liet humusgehalte. In de watergehalte!) is in de jaren 1949 —1956 vrijwel
geen verandering opgetreden, mede ten gevolge van het feit dat de detritus,
waar ze hoog in het profiel aanwezig is, gci'ntilticerd wordl.
Hit indrogen van de detritus uitte zich in de eerste plaats j n het vormen
van grote scheuren in de grond. Vooral wanneer deze laag in de ondergrond
voorkomt, is dit zeer belangrijk, doordat een dergehik gescheurde laag de
doorlatendheid van de grond zeer bevordert en d.- watei berging sterk doet
toenemen. In de tweede plaats veroorzaakte de indroging een sterke inklinking. Ten einde de indroging van de detritus, die voor de waterhuishouding van de grond bezwaren /on opleveren. binnen de gewenste grenzen
te houden, is men er toe overgegaan deze gebieden, vooi zover dit nodig
bleek. le infiltreren. Inderdaad wa- dit niet overal nodig: m een tamelijk
groot gebied is de kwel z... sterk dat van een natuurlijke infiltratie kan
worden gesproken, die de indroging beperkt.
D E SLOEI-Wizi I i i M I N
In stratigrafische volgorde volgen op de detritus de sloidafzettingen.
Deze sloefafzettingen bestaan achtereenvolgens uit:
sterk humeuze sloef
magere sloef
humeuze sloef
humeuze bandjessloef
droge bandjessloef
vette sloef
droge sloef
(SI
(SI
(SI
(SI
(SI
(SI
(SI
III**)
111")
ll c )
II b )
11")
1")
I»).
De oudste sloefafzettingen (SI III", III", I I ' en II b ) komen zo diep in
het profiel voor, dat zij hier niet nader behoeven te worden besproken. Een
globaal overzicht van de samenstelling van alle sloeflagen is weergegeven
in tabel 4 (blz. 29). De sloeflagen voor zover ze hoger in het profiel voor
komen, nl. binnen 75 cm onder maaiveld, zullen in hit kort nader worden
besproken. Als uitgangspunt kan worden genomen de kaart waarop de
diepteligging van de laag SI I
• geven (tig. 13). Hieruit blijkt dat deze
bovenste sloeflaag, die overigens geen grote verbreiding heeft in de Noord
oostpolder, het hoogste reikt in een gebied ten noordoosten van Schokland.
Hier komt deze laag over een tamelijk groot gebied binnen 25 cm voor,
en zelfs nog in een klein gebied binnen 15 em. zodat zij deel uitmaakt van
de bouwvoor. Van hieruit neemt de diepteligging in oostelijke richting
geleidelijk toe, zodat de laag ten slotte beneden 75 cm diepte komt te liggen.
Vergelijkt men nu de figuur, aangevende de diepteligging van de laag SI 1"
met die waarop het lutumgehalte van dezelfde laag i- vermeld (fig, 14)
dan blijkt dat vrijwel in het hele gebied de SI 1" uit zeer lichte zavel bestaat
46
m i i m i
Fig. 13, Diepteligging van de laag SI I a , voor zover aanwezig binnen 75 cm
beneden maaiveld
Depth of the layer SI / a , as far as present within 75 cm below the surface
I diepte van de bovenzijde van de laag in cm beneden maaiveld
depth of the surface of the layer in cm below the surface
2. uitwiggingsgrens
limit of ureal extent
(„droge sloef"). Alleen langs de westelijke en de oostelijke begrenzing bestaat
de betrokken laag uit lichte zavel B. De zandfractie van deze lichte zavel
is uiterst fijn. met U-cijfers van 325—350.
Door het lage kleigehalte scheuren dergelijke lagen niet en door de uiterst
fijnkorrelige opbouw blijven deze gronden lange tijd ongeaereerd. De doorlatendheid van deze gronden is zeer gering en de waterberging uiterst klein.
De gronden met een profiel dat grotendeels uit deze lichte zavel bestaat,
stellen dan ook zeer hoge eisen aan het ontwateringssysteem. Daar komt
nog bij, dat de sloeflagen bij een dergelijk laag lutumgehalte zeer vast en
M
s^r
KE r
Fig
=
l l l t i l
14. Samenstelling van de laag SI la, voor zover aanwezig binnen 7.5 cm
beneden inaaiveld
Composition of the layer SI Ia, as far as present within 75 cm below the
surface
1. samenstelling (lutumgehalte en organische-stofgehalte) aangegeven met
codetekens (zie de tabellen 14, 15 en 16)
composition (clay and organic matter content) indicated bv codes (see tables 14,
15 and 16)
2. uitwiggingsgrens
limit of ureal extent
h a r d zijn. D o o r al d e z e e i g e n s c h a p p e n w a s de n e i g i n g v a n d e w o r t e l s o m
in d e z e g r o n d d o o r t e d r i n g e n d a n ook niet b i j z o n d e r groot ( J O N K K K , 1958).
Z o a l s g e z e g d , v e r t o o n t j u i s t d e l a a g SI 1" d o o r zijn laag k l e i g e h a l t e deze
o n g u n s t i g e e i g e n s c h a p p e n in h e t b i j z o n d e r , en v o o r a l d e z e laag w a s er d e
o o r z a a k v a n d a t d e sloef in h e t a l g e m e e n ( s o m s t e r e c h t , d o c h ook m e e r m a l e n
ten " i m < lite) in l a n d b o u w k u n d i g o p z i c h t een m i n d e r g u n s t i g e n a a m kreeg
48
Fig. 15. Samenstelling van de laag SI lb, voor zover aanwezig binnen 75 cm
beneden maaiveld
• ition of the layer SI /*>, as far as present within 75 cm below
the surface
1. samenstelling (lutumgehalte, grufheiil zandfractie en organische-stofgehalte)
aangegeven met codetekens (zie tabellen 14. 15 en 16).
composition (clay and organic mailer content and coarseness of the sand fraction)
indicated by codes (see tables 14, 15 and 16).
2. uil WIT
limit of ureal extent
Naarmate de laag SI l a dieper in hel profiel voorkomt. wordt de gemakkelijk
doorwortelbare zwaardere bovenlaag dikker, en neemt dc betekenis van de
sloeflaag af.
In de gebieden waar de laag SI I" op geringe diepte aanwezig is. is de
ondergrond op verschillende wijzen gebroken (zie hoofdstuk VIII).
Deondei di >l 1' voorkomende laag is de SI l b . Zoals uit fig. 15, met de
tt
zwaarteverdeling van deze laag, blijkt, komt de laag SI l b over een aanmerkelijk groter gebied voor dan de laag SI I*. Het lutumgehalte v .in deze
sloeflaag - ook wel genoemd de „vette doef" - is, zoals de naam al a.in
geeft. gemiddeld hog< I dan dat van de droge sloef. In het midden en zuiden
van de polder bestaat de SI I" v rij wel steeds uit lichte zavel II. Na het droog
vallen -• heurde de lichte zavel I'. n e d - behoorlijk en van deze sloeflaag
U. uien dan ook nagenoeg geen moeilijkheden ondervonden. In het gebied
rondom Schokland bestaat de SI I b zelfs nit /.war.- zavel. In dat geval deden
zich in het geheel geen moeilijkheden voor.
In het westelijke poldergebied. uitgezonderd in een gebied ten noorden
van Urk, is de laag SI 1" minder kleihoudend en bestaat ze uit lichte /:i\ el A
of zelfs uit kleihoudend zand A. In Lutumgehalte verschilt deze laag dan
-le. lits weinig van de liierv..or genoemde laat: SI ['. Dat deze Iii hte sloei tot
belangrijk minder moeilijkheden ten aanzien van de ontwati ring en doorworteling aanleiding heeft gegeven dan hiervoor werd beschreven voor de
51 I", is te danken aan twee factoren. In de eerste plaats vertoont de
profielopbouw belangrijke verschillen. In het centrum van de polder l» staal
lut profiel voornamelijk uit een bouwvoor van zware zavel, die plotseling
overgaal in do onderliggende zeer lichte sloeflaag (SI 1"); in het westen v an
de polder daarentegen bestaat het gehele profiel nit lichte zavel. In de
tweede plaats i- de zandfractie van de sloeflagen in het westelijke deel van
de polder minder fijn, hetgeen aan de doorlatendheid en de doorluchting v ,\n
de grond ten goede komt. Het U-cijfei van de SI l b bedraagt in het westen
van de polder gemidd. Id ongeveer 200.
De laag SI 11", ook wel genoemd de droge bandjessloef. i- weer een ,,droge",
dus kleiarme sloeflaag. Zoals nit lig. 16 blijkt, waarin de zwaarteverdeling
van deze laag is afgebeeld, bestaat deze laag vrijwel steeds uil uiterst fijn.
kleihoudend zand of uit zeer Lichte zavel. Een enkele maal bestaat zij zelfs
uit kleiarm zand. Door dit lage kleigehalte en dooi d. grote fijnheid van de
zandfractie wijkt deze sloeflaag in vastheid en hardheid weinig af van de
laag SI I". I le I a. er; SI 11" komt evenwel belangrijk dieper in lut profiel v oor
dan de laag SI 1" en aan de doorwortelbaarheid worden dan lagere eisen
gesteld. Door haar geringe doorlatendheid en kleine waterberging stelt deze
sloeflaag wel huge eisen aan de detailontwatering.
Uit het voorgaande zal het duidelijk zijn. dat voornamelijk de sloeflagen
I" en II* als minder gunstige bodemcomponenten zijn te beschouwen, vooral
als zij hoog in het profiel voorkomen. De ongunstige invloed van deze lagen
is in de loop van de jaren door de toegepa-te ondergrondbewerking echter
sterk verminderd.
De andere sloeflagen liggen meestal zo diep, dat zij slechts in zeer beperkte
mate het bodemprofiel tot 75 cm diepte mede bepalen.
ln tabel S volgen nog enkel.- analyses van typische monster- SI I a . SI l h ,
SI II" en SI ll h , ten einde het verschil te demonstreren in granulometrische
samenstelling dat tu—en deze lagen bestaat.
l i t de tabel blijkt duidelijk. dat de sloeflagen I" en II" zgn. „droge"
sloeflagen zijn. Slechts zelden is het lutumgehalte van deze lagen hoger
dan 6 ",,. Tevens valt hit op dat de zandfractie over het algemeen zeer fijn
50
K t
1 t l M t
E •
Fig. Ifi. Samenstelling van de laag SI l l a , voor zover aanwezig binnen 75 cm
beneden maaiveld
Composition of the layer SI II*. as far as present within 75 cm below the
surface
1 -.cineiisielliiig (lutnmgehalte, grofheiil zandfractie en organische-stofgehalte)
aangegeven met codetekens (zie tabellen 14, 15 en 16)
composition (clay and organic muller content und coarseness of the sand fraction)
indicated by codes (see tables 14. 15 and 16)
2. uitwiggingsgnii
limit of ureal extent
is, alhoewel de fijnheid in westelijke richting duidelijk afneemt. Voornamehik
treedt dit op bij die sloeflagen die een grote verbreiding in westelijke richting
bezitten, nl. de lagen SI l b en SI l l \ In de oostelijke helft van de poldei ligt
het U-cijfer van de sloeflagen nagenoeg steeds boven 300, zelfs een enkele
maal boven 350. In westelijke richting neemt de fijnheid zozeer af, d a t het
U-cijfer bij de Westermeerdijk gedaald is tot beneden 200.
51
Granulometrische samenstelling van monsters behorende tot de sloefafzettingen in de Noordoostpolder
100 g droge stof bevatten in g
1
s
ia
93
51
84
109
7
J
B
I
5
=
a
-4.2
48
5 4
6.3
6.5
Spec.
Opp.
zandfractie
(U)
van de subfracties in mu
P
£
-72
j
I
I
:
13.3
12.4
1 7 10.7
1.3 10.9
1.4
11.2
4.2
4.8
54
8.1
6.9
6.3
6.5
12.6
13.7
57.0
63.4
61.3
63.2
62.4
1.3
1.9
2.2
1.9
2.9
4.1
3.8
4.4
8.3
5.8
6.0
6.5
4.9
12,0
13.3 35.9 20.1
12.6
10.2
10.4
11.8
9.5
1.3
1.3
10.0
3
,
12.4
27.5
2.6
0.9
III
0.6
0.6
0.8
0.3
38.6
10.8
32.1 12.2
1.5 0.7
9I
1.9
8.5
7.8
5.3
I7
0.2
II.I
:
0.2
0.2
0.3
0,3
0.1
0.1
02
n.2
0.1
0.3
0.2
0.2
0.3
0.1
0.2
trt;
11 5
0.4
0.3
0.3
0.3
5.2
1.8
115
0.2
0,9
1.5
0,1
0.2
nl
II
6.5
1.7
0.4
0.1
0.3
0.2
0.3
1.0
0.9
0.2
0.3
0.2
0.3
0.9
0.9
0.9
0.3
1.0
0.9
3.9
0.4
I.l
ll-1
0.3
0.3
0.5
34
II'J
0.1
0,1
0.1
0.1
II
1
n1
0.1
III
o.o
llll
II (I
322
338
336
347
348
lb
1
I OS
22
80
13
65
tvl
11»
12
105
132
91
92
80
6.0
6.5
8.0
9.5
10.4
12.9
16.2
3.1
3.5
tfl
it.
4.8
5.1
1.0
1.5
1.6
2.1
2.7
1.7
8
II
10.4
12.9
16.2
86
17.3
21.3
27 4
27.8
4.1
6.1
3.1
81
46
9.4
•i i ;
10.5
li 6
48
13.5
13.9
5.1
8.3
5.2
7.7
7.6
5.5
7.2
8.2
6.3
9.3
6.9
23 s
19.8
11.7
24.2
40.3
3.5
2.9
5.9
9.9
29,0
58.5
ll s
34.2
38.7
13.9
37,3
39.6
58.0
64.2
58 I
5.3
1.2
3.7
0.3
27 4 39.4
29.5 11.8
6.0
28.1
2.7
9.6
1.0
I7
1.5
7.3
0.6
II
:,
0.2
il'J
0.4
0.3
0.5
i
(1 s
0.8
n 1
0.0
0.1
0.1
0.0
1)11
.'III
0.1
(12
0.2
0.1
(I.l
0.0
0.1
0.1
0.1
0.1
1) 1
till
0.2
0.1
0.2
0.2
0.6
0.1
0.1
0.1
0.1
0.3
0.1
0.0
0.1
0.2
0.5
0.1
0.1
III
0.1
no
0.0
nu
0.2
I
ti 3
II
166
-rin
235
365
322
306
394
166
250
270
326
352
327
nb
24
40
70
29
39
7
6.8
6.9
7.8
9.0
9.6
1117
7.1
7.5
6.7
6.6
8.8
8.8
7.8
9.0
9.6
10.7
42.6 21.2
16.8
3.7
44.5 12.9
39.4
9.2
35.2 ' 12.7
34.2
1.6 |
3.9
2.0
3.1
2.8
1.9
1.3
0.8
5.4
0.2
0.6
tl 2
0.4
n1
0.3
1.7
111
0.3
mi
0.0
0.2
0.2
0.2
ti 1
288
338
306
259
302
335
52
Dooi \\ I.,,I KS (1955) is uitvoerig de abnormal- verhouding tussen het
lutumgehalte en het slibgehalte van de sloefafzettingen beschreven. Hier
zij slechts vermeld dat de verhouding tussen beide grootheden, die bij
jonge mariene afzettingen vrij constant is en 65 7<i bedraagt, in de sloefafzettingen een grotere variatie vertoont en gemiddeld aanzienlijk lager ligt.
Voor de sloeflagen I", I b . II" en I l b bedraagt de verhouding tussen het slibgehalte en het lutumgehalte, uitgedrukt als
—
x 100, gemiddeld
O—lb mu
respectievelijk '.Ms, 38, 35 en 35. Hieruit blijkt dus dat de sloefafzettingen
een relatief laag lutumgehalte bezitten.
Van do sloefafzettingen SI l a , SI I b . SI l l a en SI II h bedraagt het gemiddelde koolzure-kalkgehalte respectievelijk 11.2, 9.5, S.5 en 7 . 2 % . Het
kalkgehalte vertoont dus enige daling. die zich ook voort zet in de lagen -1 II",
SI I I I J en SI I I I " (resp. 7.2, 6.4 en 4.5 % ) . In de 4 jongste lagen komen
vrijwel nimmer zeer kalkarme monsters voor. In
WIGGERS
(1955) zijn
histogrammen opgenomen. aangevende de gehalten aan koolzure kalk in de
divers,, sloefafzettingen.
Het gehalte aan organi-. he stol vertoonl eveneens enige variatie. In de
vier genoemde lagen bedraagt dit gemiddeld 2.2, 3.2, 2.9 en 7.5 %. De
organisclie-stofgehalten binnen de 3 jongste lagen blijven vrijwel steeds
beneden 4 ",. Slechts in de laag SI l l b varieert lut gehalte aan organische
vrij willekeurig tussen 2 en 13 %.
Ill- l KLEIDEK o r 111 I VEEN
Tijdens de afzetting van de oudere sloeflagen is op enkele plaatsen in lut
Noordoostpoldergebied op het veen een kleilaag afgezet. Zeer waarschijnlijk
is de verbreiding van deze laag aanmerkelijk grotei geweest dan over het
gebied waar nog resten van deze kleilaag worden gev. >nden, Men vindt thans
dit kleidek op het veen ten noorden van I'rk, langs de oude kust bij Kuinre,
en in de omgeving van het eiland Schokland. In de meeste gevallen is deze
laag als een kleirijke afzetting ontwikkeld; vrijwel steeds bestaat zij uit
ZWare zavel en lichte kiel. Hel kleidek o p het v i e n is In
reden waarom het op de profielenkaart als kwelderklei (Kw) is aangegeven.
Door de begroeiing is lut gehalte aan organische stof aanmerkelijk hoger
dan in de jongere afzettingen in de Noordoostpolder.
Wellicht reeds tijdens de vorming, doch anders daarna, heeft deze klei
een zeer grool gedeelte van zijn koolzure kalk verloren. De nog aanwezige
koolzure kalk was daardoor in vele gevallen onvoldoende om het bij de
oxydatie van de sulfiden ontstane zwavelzuur te neutraliseren; veelal
werden deze gronden na het droogvallen sterk zuur, waarbij zeer duidelijk
kattekleivorming optrad.
Van de op de eilanden Schokland en Urk aanwezige kleilaag is het onderste
gedeelte gevormd in dezelfde tijd waarin ook elders lut kleidek op hit veen
tot afzetting kwam. Op dc eilanden is deze kleilaag nadien overdekt door
een dikke laag mariene klei, afkomstig van de vele overstromingen. Het
van nature hoge koolzure-kalkgehalte, de enigszins andere wijze van sedi-
f>:s
mentatie, en de geringere ouderdom van dit mariene kleidek zijn oorzaak
dat de kleiafzettingen op de eilanden Schokland en Urk niet kalkarm of
kalkloos zijn geworden.
1)1
Z l ' I I H KZIclc-ArZIcTIIM.I N
Nadat het Flevomeer en het Almere, waarin de sloeflagen zijn afgezet,
v erzilt waren, zijn enkele lagen afgezet die worden aangeduid met de naam
Zuiderzee-afzettingen. De verbreiding en dikte van deze lagen is dooi
WlGGERS (1955) uitvoerig behandeld. In dit bestek worden deze lagen dan
ook slechts nader belicht voor zover zij hel bodemtype binnen 75 cm diepte
mede bepalen. De Zuiderzee-afzettingen, die hierna besproken zullen
worden. zijn bij de kartering ond. is. Iieiden in 5 lagen, die van oud naar jong
met de volgende symbolen zijn aangeduid: Zus, Zu IV. Zu III, Zu II en
Zu I.
De onderste laag van deze afzettingen vormt de overgang tussen de
sloeflagen en de eigenlijke Zuiderzee-afzettingen en i- derhalve aangeduid
met bet symbool Zu- (Zuiderzee
sloef). De vier jongere lagen Zu I
t in Zu IV vertonen duidelijke kenmerken van een afzetting tot stand
gekomen in een brak tot zout milieu.
In fig. 17 is de verbreiding van de Zus-laag aangegeven, V00I ZOva ze
binnen 75 cm voorkomt. Lit deze kaart blijkt, dat de Zus-laag ovei een
tamelijk grote oppervlakte binnen deze diepte aanwezig is. Opvallend is hel
ontbreken ervan in het centrum van de polder. In het oosten van de poldi t
komt deze laag nog wel voor, doch ligt zij dieper dan 75 cm onder het maaiveld, en is dan in bodemkundig opzicht van minder betekenis,
Tevens is in lig. 17 het lutumgehalte van de Zus-laag aangegeven. In
grote trekken verschilt het lutumgehalte niet zoveel van de laag SI I b ,
hoewel de Zus laag gemiddeld iets zwaarder is. F.venals bij d
-I l b en
bij enkele hierna te bespreken lagen, neemt ook bij de Zus laag hel lutum
gehalte in westelijke richting af. Bij de Zus laag doel dil verschijnsel zich
evenwel tweemaal voor. In liet oosten van de polder bestaat zij aanvankelijk
uit zware zavel A (plaatselijk zelfs uit zwan- zavel B). Van hiei nil neemt het
kleigehalte in westelijke richting via lichte zavel B af tot lichte zavel A,
waarna de laag uitwigt. ln hit westelijke deel treedt in grote trekken hetzelfde verschijnsel op. In detail bezien, komen plaatselijk verschillen voor;
het hiervoor geschetste verloop moet dan ook globaal worden beschouwd.
In het noorden bestaat dc laag Zus plaatselijk uit kleihoudend zand
De dikte van de Zus-laag vertoont zeer weinig variatie. In het westelijke
deel van de polder i- deze laag zelden dikker dan 10 cm. In het oostelijke
deel is de dikte iets groter en vertoont ook grotere verschillen. Vanuit liet
centrum neemt de dikte Oostwaarts geleidelijk toe tot plaatselijk ze!
meer dan .'id . in
Zoals uit fig. IS blijkt. komt dc laag Zu IV over een belangrijk kleiner
gebied voor dan voornoemde laag.
Het lutumgehalte, eveneens weergegeven in fig. 18. ligt belangrijk hoger
54
I t
t
i I M E £ K
Fig. 17. Samenstelling van d e laag Zus, voor zover aanwezig binnen 75 cm
beneden maaiveld
Composition of the layer Zus. as far as present within 75 cm below the
sin face
i
lamenstelliiig [lutumgehalte, grofheid zandfractie ea organische-stofgehalte)
aangegeven met codetekens (zie tabellen 14. 15 en 16)
composition (clay and organic matter content and coarseness of the sand fraction)
indicated by codes (see tables 14, 15 and 16)
2. uitwi^gingsgrens
limit of ureal extent
3. contact tussen de laag Zus en zanden van andere oorsprong
contact between the layer Zus and sandy deposits of different origin
SB
^7—
K E
I
E I
M E E
lug. 18. Samenstelling van de laag Zu IV, voor zover aanwezig binnen 75 cm
beneden maaiveld
Composition of the layer Zu IV, as far as present within 75 cm below the
surface
1. samenstelling (lutumgehalte) aangegeven met codetekens (zie tabel 14)
composition (clay content) indicated by codes (see table 14)
2. uitwiggingsgwna
limit of ureal extent
3. contact tussen de laag Zu IV en zanden van andere oorsprong
contact between the luyer Zu IV and
'",sits of different origin
dan dat van de Zus-laag. Ook bij de laag Zu IV treedt in westelijke richting
een afneming van het kleigehalte op. Voor het overgrote deel bestaat deze
laag uit zware zavel B en klei A. In de uitwiggingsgebieden is liet lutumgehalte lager, zodat de laag daar bestaat uit zware zavel A en lichte zavel B.
Er is een tendens aanwezig d a t naarmate de laag in dikte toeneemt, ook
het lutumgehalte stijgt.
58
In liet oostelijke en zuidoostelijke gebied bedraagt d e dikte plaatselijk
meer dan 40 cm.
Door het tamelijk hoge lutumgehalte en een tamelijk ondiepe ligging in
het profiel is de Zu IV-laag als een gunstige bodemcomponent op te vatten.
In ln-t gebied waar deze laag dieper dan 75 cm voorkomt, is het hoge lutumgehalte en de tamelijk grote dikte van grote betekenis voor de mogelijkheid
grondverbetering door diepploegen uit te voeren.
J >i laag Zu III is zo dun, dat ze in de regel gem inv loed uitoefent op de
samenstelling van het bodemprofiel. Doordat de Zu llf-laag uit zeer fijn
en uiterst fijn kleihoudend zand bestaat, kan zij echter bij een grotere dikte
dan 5 cm door haar compact heid en si helprijkdom als een ongunstige bodem
component worden opgevat. Deze terreinen beslaan binnen de Noordoostpolder echter een zeer geringe oppervlakte. Het kleigehalte van de Zu IIIlaag is nagenoeg steeds hetzelfde (kleihoudend zand A). De fijnheid van het
zand neemt vanaf het oosten, waar het zand uiterst fijn is (U-cijfer + 300),
in westelijke richting af, doch ook tegen de westelijke meerdijk bestaat de
laag Zu III nog uit zeer lijn zand (U-cijfer ± 140).
Di- verbreiding van de laag Zu II is blijkens fig. 19 weer aanmerkelijk
groter dan die van de Zu IV-laag. In fig. 19 is tevens de dikte aangegeven
van deze laag. Hieruit blijkt. dat het gebied waar de Zu II-laag dikker is dan
20 cm beperkt blijft tot een klein gedeelte in het oosten van de polder.
Het lutumgehalte van de laag Zu II varieerl zeei weinig. Ook in hel uit
wiggingsgebied, waar bij de lagen Zus en Zu IV meestal een daling van het
lutumgehalte optreedt, blijft het lutumgehalte van de Zu II-laag nagenoeg
gelijk. Gemiddeld bedraagt dit ongeveer 30 %.
Fig. 20 geeft de diepteligging van de laag Zu II aan. Behoudens in het
oo-ten en het zuidoosten van de polder, waar de afdekkende lagen dikker
zijn. ligt deze laag vrijwel steeds direct onder de bouwvoor en maakt hiervan
soms ook di el uit. Evenals de laag Zu IV is de Zu II-laag in het oosten en
zuidoosten van de polder van betekenis met In
ip de mogelijkheden
van grondverbetering door diepploegen.
Het watergehalte van pas drooggevallen gronden is zeer nauw gecorreleerd met liet lutumgehalte en stijgt naarmate het lutumgehalte hoger
is. Derhalve hadden lutumrijke lagen, zoals bijvoorbeeld de Zu II-laag, bij
het droogvallen een zeer hoog watergehalte. Na het droogvallen van de
polder en vooral na het aanleggen van een ontwateringssysteem trad een
sterke afneming van dit watergehalte op. Als gevolg hiervan scheurden
vooral deze lutumrijke lagen sterk. De Zu II-laag tekende zich tijdens de
bodemkartering dan ook veelal af als een sterk gescheurde laag. Voornamelijk doordat deze laag over een groot gebied deel uitmaakt van de
directe ondergrond, is de Zu II-laag als een belangrijke bodemcomponent
o p t e vatten. Om deze reden is bij het samenstellen van de Codekaart
1 .1)000 het voorkomen van deze kleilaag zeer gedetailleerd weergegeven.
57
\
IJ
S
S
E
I
M
ItMMEII
[
E
B
2
3
Fig. 19. Dikte van de laag Zu II, voor zover aanwezig binnen 75 cm beneilen
maaiveld
Thickness
surface
of the layer Zu II, as far as present within
75 cm below the
1. dikte in cm
thickness in em
2. uitwiggingsgrens
limit
3. contact tussen de laag Zu II en randen van andere oorsprong
contact between lite layer Zu II and
Origin
De Zu I-laag is de laatst gevormde laag ter plaatse van de Noordoostpolder voor de afsluiting van de Zuiderzee. Uitgezonderd daar waar deze
laag door een dun laagje nog jongere afzettingen wordt afgedekt, vormt de
laag Zu I het bovenste deel van het bodemprofiel. Hierdoor en mede dooi
de zeer grote verbreiding (fig. 21) die ze heeft, bepaalt dc Zu I laag in het
grootste deel van de polder het karakter van de bovengrond.
..2
3
I ie. '20 1 iiepu-ligging van ile laag Zu II, voor zover aanwezig binnen 75 cm
beneden maaiveld
Depth of the layer Zu II, as far as present within 75 cm below the surface
1 diepte van de bovenzijde van de laag in cm beneden maaiveld
depth of the surface of the layer in cm below the surface
2. uitwiggingsgrens
limit of ureal extent
3. contact tussen ile laag Zu II en zanden van andere oorspn
contact between the layer Zu II and sandy deposits of different origin
In het centrum en het westen van de polder vertoont de dikte van de
Zu [-laag zeer weinig variatie; in het grootste deel bedraagt de dikte geen
30 cm. Evenals bij de hiervoor genoemde mariene lagen neemt de dikte naar
de kust toe, evenwel bij de laag Zu I veel sneller en in sterkere m a t e dan
bij de overige lagen. In het uiterste oosten en noordoosten van de polder
bereikt de Zu I-laag zelfs een dikte van meer dan 2 m.
M
Fig. 21. Dikte v.'iii de laag Zu I
Thickness of the layer Zu I
I. dikte in cm
thickness in cm
'_'. dikte sterk wisselend; veenafbraakcomplex
thickness, greatl)
'••. nitwiggingsgrens
limit of area! extent
4. contact tussen de laag Zu I cn zanden van andere oorsprong
contact between the lave, Zu / ami .
• •; different origin
Over het algemeen is de dikte van de Zu 1-laag zeer gelijkmatig en zijn
de overgangen naar de dikkere gebieden zeei geleidelijk. Op een aantal
plaatsen in de polder is de dikte echter zeer variabel, ook op korte afstand
Dit betreft de zgn. veenafbraakcomplexen. Door de zee zijn in het veen
diepe gaten geslagen, die later zijn opgevuld met minerale sedimenten,
voornamelijk bestaande uit Zu I. In deze gebieden, waar normaliter de
1,0
J t E T E
I M E E n
Fig. 22. I'-ciilcrs van de zandfractie van de laag Zu 1
ires of the sand fraction of the lay1. lijnen van gelijk I'-djfer van ele c.andfi
lines of equal •
•
- traction
2. oitw:
limit of areal extent
3. contact tussen de laag Zu I en zanden van andere oorsprong
contact between the layer Zu I and sandy deposits of different
4 r.'i.n waarin de monsters van tabel 9 zijn genomen
• ng which the samples have been talon, mentioned in table 9
mariene d e k l a a g op het veen dun is. wis-elt d e dikte v a n d e z e laag o p k o r t e
a f s t a n d zeer s t u k . Men treft d e z e g e b i e d e n aan ten zuiden v a n L e m m e r ,
t e n w e s t e n van K u i n r e cn in d c o m g e v i n g v a n S c h o k l a n d .
Van n a g e n o e g alle g e n o e m d e lagen v e r t o o n i de v e r d e l i n g van het lutumg e h a l t e v a n d e laag Zu I wel d e grootste variatie. D a a r de Zu I-laag vrijwi 1
lit
steeds de bouwvoor vormt, is lut zwaartepatroon van de laag Zu I dan ook
gedetailleerd weergegeven op de bouwvoorkaart (bijlage I
I'.ij een nadere beschouwing van de bouwvoorkaart valt hel op, dat de
sedimentatie van de laag Zu I zei i wetmatig is verlopen. Vanuit hel westelijke gedeelte van de polder, dat het dichtsl bij de aanvoermond van hel
materiaal lag en waar de Zu I uit zeer ijjn. kleihoudend zand bestaal '.
wordl deze laag in oostelijke richting kleirijker. Deze toeneming van het
lutumgelialte zet zich voort tot ongeveer hel centrum van de polder, waar
de Zu I-laag uit zware zavel B bestaat. Daarna blijft het lutumgehalte
ongeveer constant tot Marknesse, Verder oostelijk treedt evenwel een
daling in. Deze daling gaat gepaard met ecu toeneming van de dikte van de
laag. Vanuit het gebied waar de Zu I-laag uit zwan- zavel [! bestaal loopt
het lutumgehalte vrij snel terug via zware zavel A. lichte zavel I'.. lichte
zavel A, kleihoudend zand A tot zelfs kleiarm zand A*. Deze daling van het
lutumgehalte in oostelijke richting, die te wijten is aan de aldaar tijden- de
sedimentatie opgetreden grotere waterbeweging. is uitvoerig beschreven
d..o; WIGGERS (1955).
Ook in de fijnheid van de zandfractie valt, na een aanvankelijke toeneming van west naar oost. een daling in oostelijke richting waar te nemen
(fig. 22). Deze daling begint echter enkele kilometers oostelijker dan de
omslag in bet lutumgehalte (WlGGERS, 1955).
Ter illustratie van het verloop van lui lutumgehalte en de Fijnheid van
de zandfractie is in tabel .) de granulometrische samenstelling opgenomen
van een aantal monsters, genomen in een raai (zie figuur 22) van west naai
...-I in de Noordoostpolder.
l i t deze label blijkt zeer fraai de aanvankelijke toeneming en latere
daling van het lutumgehalte. Duidelijk i- ..ok lut verschil tussen de plaatsen
waar de omslag in bet lutumgehalte en in liet U-cijfer van de zandfractie
plaats vindt. Bij het lutumgehalte treedl de daling reeds op bij het monster
van kavel N 63, terwijl bij hel U cijfei nog toi kavel R 3 3 een toeneming
van de fijnheid valt o p te merken; daarna volgt dan een afneming van de
fijnheid.
Hoe de verandering in dikte en samenstelling vein ,\t- Zu 1 laag zich vol
trekt. is weergegeven in tig. 2'... Een sedimentologische interpretatie van dit
verschijnsel is gegeven in WlGGERS (1955).
Het koolzure-kalkgehalte van de Zuiderzee-afzettingen is uitvoerig be
handeld in WlGGERS (1955). Uit een daartoe ingesteld onderzoek is gebleken, dat de fractie 8—16p. vrijwel steeds het hoogste kalkgehalte vertoont. Per 100 g fractie 8—16p. bedraagt lut gemiddelde koolzure-kalkgehalte in 10 monsters 18.4 %, bij een gemiddeld kalkgehalte van de gehele
monsters van 9.2 % .
Voor zover er een verband bestaat tussen het lutumgehalte en het
1
1
Dit zand wordt in de Noordoostpolder veelal aangeduid met de naam Kspelzand.
Dit zand wordt in de Noordoostpolder veelal aanyeduid met de naam Blokzijlzand.
62
TABEL 9.
Granulometrische samenstelling van monsters van de laag Zu I in de Noordoostpolder
100 g droge stof lie vatten in g
van de subfracties in mu
Kavel
1"'
ei
S
g
5
-
I.
=
i
1
D
D
C
H
C
G
H
G
M
M
N
N
Ii
li
S
R
li
l
24'
63>
22
132
72
73
63
529224
63
67
33
62
73
75
6.4
7.7
7.5
9.4
10.5
18.4
18.7
21.9
23.6
1.0
1.0
1 4
1.9
1.4
2.1
2.1
2.5
3.2
2.8
i 8
8.0
•JI
18.7
14.-1
•17
ii 1
2.7
2.8
2.4
2.0
1.9
1.6
0.7
0,7
6.7
6.9
6.4
8.3
8,0
8.8
S.4
7.7
7.5
9.4
10.5
18.4
10.8 18.7
9.6
9.2
107
10.8
11.1
11.2
11.0
9.0
7.8
5,9
21.9
2t. 11
23.6
211 8
18.7
[4.4
9.7
6.1
2.7
2.8
ea
3.8
4.2
4.1
4.5
6.3
9.5
11.3
13.5
17.4
18.8
I I
9.2
8.1
11.6
14.6
20.7
17.3
17.8
21.6
30.8
15.0 37.4
13.9 44.0
lu7
2.7
1.2
0.2
54.0
62.1
64.7
68.2
ii a
11.4
22.9
25.0
31.2
32.4
25.6
29.7
23.8
10.-1
8.6
5 4
3.9
5.2
6.4
13.1
17.4
41.4
35.8
88.4
4 i Ja
29.3
23.5
lid
7.2
5.0
1.8
1.6
0.8
1.0
0.8
0.5
1.2
1.1
3.4
!
i
29.7
8.3
6.3
1.9
1.4
0.8
0.5
0.6
1.1
0.5
0.9
0.9
0.6
0.4
0.4
0.2
0.5
1.0
0.3
0.3
0.4
0.3
0.5
0.5
0.5
1.1
0.4
0.7
0.7
11 S
0.4
n:»
0.2
o.I
0.4
0.2
0.2
0.2
0.2
0.3
0.3
0.3
u-j
0I
0.1
0.1
0.1
Ull
III
0 7
0.2
0.2
0.2
0.3
ii;;
II
0.4
0.4
0.3
0.2
0.2
u t
ul
II'J
I
0 2
0.2
n i
o.i
0.1
0.0
0.1
III
0.1
0.1
un
"I
0.1
no
0.0
II I
.1 1
0.0
II 1
0.1
II.I
0.0
0.0
0.0
0.2
o0
0.2
0.0
0.1
o.i
0.0
0.0
0.0
0.1
0.0
0.1
0.0
nu
1
In deze monsters is de Zu 1-laag vermengd met enkele centimeters [Jsselmeerafzet
* In deze monsters i- de Zu I-laag vermengd met enkele centimeters Zu I I .
g e h a l t e v a n d e o v e r i g e , v o o r a l fijne fracties, v i n d t m e n d o o r g a a n s een n a u w e
c o r r e l a t i e t u s s e n bet l u t u m g e l i a l t e en h e t k o o l z u r e - k a l k g e h a l t e . D i t v e r b a n d
is in veli- p u b l i k a t i e s b e h a n d e l d (zie b . v . WlGGERS. I 9 6 0 ) , l n WlGGERS (1955)
is een grafiek o p g e n o m e n (fig. 84), a a n g e v e n d e h e t v e r b a n d l u s s e n bet
k o o l z u r e - k a l k g e h a l t e en h e t l u t u m g e h a l t e in d e l a a g Z u I. Bij een l u t u m g e h a l t e v a n 5 % b e d r a a g t h e t k o o l z u r e - k a l k g e h a l t e in m o n s t e r s in h e t
westelijke deel v a n d e p o l d e r g e m i d d e l d 6 % , in m o n s t e r s in h e t oostelijke
deel e c h t e r 9 "/„. D i t verschil vloeit v o o r t u i t h e t feit, d a t d e m o n s t e r s in bet
o o s t e n v a n d e p o l d e r bij een gelijk l u t u m g e h a l t e een h o g e r g e h a l t e a a n fijne
d e e l t j e s b e z i t t e n . U i t t a b e l 9 blijkt d a t h e t g e h a l t e a a n d e e l t j e s 1 6 — 5 0 p.
in h e t m o n s t e r v a n k a v e l D I ( l u t u m g e h a l t e 6.4 % ) 4.4 b e d r a a g t . t e g e n o v e r
een g e h a l t e in h e t m o n s t e r v a n k a v e l S 6 2 ( l u t u m g e h a l t e 6.1 % ) v a n
64.7.
I'ij een l u t u m g e l i a l t e v a n I S " , , b e d r a a g t h e t k o o l z u r e - k a l k g e h a l t e g e m i d d e l d 10 % , o m bij een t o e n e m e n d l u t u m g e h a l t e n o g s l e c h t s weinig t e
stijgen.
4
«
II
Mttln bineden muliilil
mcliei brlow Ihr turfscr
Fig. 28. W-E profiel ten westen van Blokzijl, aangevende de afneming van lut
lutumgehalte en de fijnheid van de zandfractie en de toeneming in
dikte van de laag Zu I in de richting van de kust
ll"-Is set Htm,, in the eastern pari of the polder near Blokzijl, iiitiit ating the
decreasing clay conti nl ami fineness of the sand fraction and the inct
thickness oj the layer Zu 1 in the direction of the former coast-line
1. lutumgehalte en grofheid zandfractie aangegeven met codetekens (zie
tabellen I t en 15)
clay content and coarseness sand fraction indicuted by codes (see tables 14 und 15)
2. scheiding tussen de marine afzettingen Zus — Zu I
boundary between the layers Zus — Zu I
3. scheiding tussen de textuurgroepen in dc laag /<\ I
boundary between the texture classes within the layer Zu I
In de laag Zu II, die een gemiddeld lutumgehalte vein ruim 30 ",, bezit,
bedraagt het gemiddelde kalkgehalte 8.3 % . Ook in de laag Zu IV werd bij
de hogere lutumgehalten een gemiddeld kalkgehalte van 8.3 % vastgesteld.
H e t koolzure-kalkgehalte van de laag Zu~ varieert vrij sterk, hetgeen ten
dele samenhangt met verschillen in granulometrische samenstelling. Bij
lutumgehalten tussen 5 en 1 0 % bedraagt liet koolzure kalkgehalte in de
vier het westelijkst gelegen secties gemiddeld 5 a 6 %, tegen 9 % in de
oostelijke secties. Bij lutumgehalten boven 10 % bedraagt het koolziir.-kalk
gehalte in het oostelijke deel ruim 9 "/„, een waarde die derhalve iets
hoger ligt dan die van de lagen Zu II en Zu IV in hetzelfde deel van de
polder.
Het gehalte aan organische stof in de laag Zu I zal nader worden besproken
in hoofdstuk IX. In dit gedeelte kan thans worden volstaan met op te
merken, dat het gehalte aan organische stof in de laag Zu 11 overeenkomt
met dat van even lutumrijke monsters van de laag Zu I. Bij een gemiddeld lutumgehalte van 30 % bedraagt het gehalte aan organische
stof 3.5 %.
64
In de laag Zu IV is het gehalte aan organische stof bij een gelijk lutumgehalte iets hoger dan in de lagen Zu I en I I , doch iets lager dan in de
laag Zus. Bij een lutumgehalte van 2(1 % vindt men in de lagen Zu I
II,
Zu IV en Zus gemiddelde gehalten aan organische stof van respectievelijk
2.1. 3.1 en 3 . 6 % .
DE IJSSKl.MF.EK.MZKTTIM,
Na de aanleg van de Noordoostpolderdijk en voor liet droogvallen van
de polder is in het westen van de polder een afzetting tot stand gekomen,
die in enkele gevallen sterk contrasteert met de onderliggende Zuiderzeeafzettingen.
Fig. 14. Dikte van de laag Zu O
77,;i kness of the layer Zu O
t. dikte in cm
ihickness in cm
2. uitwiggingsgrens
limit of ureal extent
65
De verbreiding van dit laagje dat wordt aangeduid met het symbool
Zu O (polderslik), is aangegeven in fig. 24. Tevens is in deze figuur de dikte
van de afzetting weergegeven.
Z.vvel de dikte als de verbreiding van de laag Zu O is tamelijk gering;
in het grootste deel van het gebied bedroeg de dikte van dit laagje in ongeklonken toestand nog geen 5 cm. Alleen in de directe nabijheid van de
Westermeerdijk en ten zuidoosten van Urk is de dikte iets groter.
I l.t is dan ook niet de dikte, doch de zwaarte van deze laag die van groot
tg is geweest voor de samenstelling van de bouwvoor in liet westen van
de polder. Het lutumgehalte van deze afzetting bedi OIL: in vele gevallen
meer dan 20 % (ten zuiden van Urk zelfs wel meer dan 30 % ) , zulks in
-•telling met dat van de onderliggende laag Zu I, waarvan het lutumgehalte in dit gebied veelal minder dan 5 "„ bedraagt. Bij het in cultuur
nemen van deze grond wordt de bovenste 25 cm bij de grondbewerking
gemengd; in dit geval vond dus een menging plaats van enkele centimeters
Zu O met Zu I. De verhoging van het lutumgehalte, veroorzaakt door de
zware Zu O-laag, was dan meestal zodanig, dat de bouwvoor, in plaats van
tot het kleihoudend zand, tot de lichte zavel A ging behoren. De Zu O-laag
vormt in het westen van de polder dus als het ware enige compensatie voor
de afneming van het lutumgehalte van de laag Zu I in die omgeving.
Het gehalte aan organische stof van de laag Zu O zal worden besproken
in hoofdstuk I X .
H E T RAMSPOLZAND
Tijdens de sedimentatie van de sloef- en de Zuiderzee-afzettingen kwam
binnen het Noordoostpoldergebied zand tot afzetting, dat behoort tot de
door de IJssel gevormde delta. Dit zand, het zgn. Ramspolzand, wordt aangetroffen in het zuiden van de polder. De verbreiding is aangegeven op de
bouwvoorkaart (bijlage 4).
In het centrum vertoont dit zand een dikte van enkele meters. Naar de
randen wordt de laag dunner en in het overgangsgebied tussen het Ramspolzand enerzijds en de mariene lagen en sloeflagen anderzijds, is een heterogeen
opgebouwd profiel ontstaan met afwisselend matig fijn Ramspolzand en
kleirijkere, uiterst fijnzandige lagen. Daarbij komt dat tijdens de verschillende afzettingen de verbreiding van het Ramspolzand niet altijd even
groot was, zodat men in deze doorgaans tamelijk brede overgangsstrook
profielen aantreft. waar onder een bovenlaag van Ramspolzand kleirijke
lagen voorkomen en waar omgekeerd zwaardere, jonge mariene afzettingen
plaatselijk op Ramspolzand rusten.
In WIGGERS (1955) is de overgang van het Ramspolzand naar de zuivere
Zuiderzee-afzettingen nader besproken en in een dwarsprofiel weergegeven.
Voor details moge overigens worden verwezen naar de desbetreffende
Profielenbladen 1 : 10 000.
Het lutumgehalte van het Ramspolzand is, zoals uit de bouwvoorkaart
ls.fr I , , , . 1
nt
XX
blijkt, aan enige variatie onderhevig. Over het algemeen zijn de diepere
lagen iets kleiarmcr dan de bouwvoor. De zandgrofheid van het Ramspolzand varieert zeer weinig (uitgezonderd in de overgangsgebieden. waar
vermenging met fijner zand kon optreden) en vertoont ook geen correlatie
met het lutumgelialte. Dc U-cijfers van hit zand liggen grotendeels tussen
60 en 90. In tabel 10 zijn enkele analyses van het Ramspolzand opgenomen.
TABEI. Id
Graaulometrischo namengtelling van enkele monsters Ramspolzand uit de Noordoostpolder
10(1 g droge stof bevatten in g
Spec,
Opp.
van ile subtract it"- in mu
Kavel
I1
IIQ
Q
28
?:<
52
63
120
il
1.9
3.1
-1.5
5.5
6.3
1 i
0.2
0.6
0.6
0.6
0.6
3.5
8.7
4B
7.2
1.9
3.1
10.9
6.3
4,5
5.5
:
1.0
1.4
24
2.6
2.3
17
4.3
3.5
2.5
122
0.9
1.7
1.1
11
5.7
:
:
o
©
—
©
S
:
CTTT
i i
3.0 52.0 33.7
22.0 37.4 109
5.S 49.6 24.7
3.0 17.2 43.0 13.0
6.6 38.4 24.3 3.7
1 il
0.9
0.1
6.7
1,1
1.5
2.3
3.0
0.5
U.7
0.2
0.5
0.1
0.1
0.4
0.1
0.1
0.1
Uit deze tabel blijkt duidelijk dat van een verband tussen het lutumgehalte en het U-cijfer geen sprake is. In het monster van kavel O I2n,
welke kavel i" hel overgangsgebied tussen het Ramspolzand e n d e Zuiderzeeafzettingen ligt. is duidelijk de invloed van de Zuiderzee-afzettingen op te
HUI ken door het in dit monster optredende fijnere materiaal (fracties
16—105 mu).
Het Ramspolzand beval steeds enige procenten koolzure kalk. De hierna
besproken zanden van lokale oorsprong bevatten, voor zover ze uit de
Almerefase dateren. in het geheel geen of vrijwel geen koolzure kalk. Dat dit
bij het Ramspolzand wel lut geval is. is een gevolg van het feit dat het
door de IJssel aangevoerde sediment koolzure kalk bevat.
D E Z.VMUS VAN LOKALE OORSPKONG
Naast de reeds besproken sedimenten komen in de Noordoostpolder nog
enkele afzettingen van lokale oorsprong voor. Het Urkzand, Kuinrezand
en Xagelezand behoren tot deze groep.
Het Urkzand treft men op drie plaatsen in de Noordoostpolder aan. Hel
zijn, in volgorde van omvang, het Urkzandgebied ten westen van Vollenhove. dat in de omgeving van Urk en dat nabij Tollebeek.
Veelal is het Urkzand in deze gebieden meer dan 1 m dik, zodat daal hel
profiel van dc bovenste meter geheel uit Urkzand bestaat. De overgangsgebieden, die bij het Urkzand over het algemeen smaller z.ijn dan bij bet
zandfractie
(U)
59
82
68
70
102
67
Ramspolzand, zijn meestal tamelijk geconipliceerd opgebouwd. Soms, zoals
aan de noordrand van het Urkzand bij Vollenhove, grijpt het Urkzand ovei
de zwaardere Zuiderzee afzettingen been, terwijl elders het omgekeerde het
geval is, b.v. aan de zuidzijde van het gebied bij Vollenhove. In de omgeving
van Urk wordt het Urkzand in de richting van de daar ook zeei weinig
kleirijke Zu -lagen fijner, onder invloed van een bijmenging met fijner
Zuiderzeemateriaal. Evenals bij het Ramspolzand komt het ook bij het
Urkzand voor, dat tijden
'ting van de sloef en de Zuiderzeclagen
de verbreiding niet altijd even groot is geweest, waardoor n u n in de overgangSgebieden ook bier profielen kan aantreffen waar Urkzand in verticale
richting afwisselt met kleirijkere sloel en Zuiderzee-afzettingen.
Het Urk/.m.i 1- het kleiarmste en hel grofste zand dat in de Noordoostpolder wordt aangetroffen. Hel lutumgehalte varieert ongeveer van 0.5
tot ;. ",,. Hierbij dient nog te worden opgemerkt, dal in de twee westelijke
gebieden (bij Urk en bij Tollebeek) zelden lutumgehalten boven 2 % voorkomen. Het U-cijfer van het Urkzand varieert ongeveer van 40 75. Ook
hier komen de laagste U-cijfers in de twee hiervoor genoemde gebieden voor.
Ill lie I gebied ten Westell van V o l l e n h o v e liggen d e U-cijfers zelden beneden 50.
In tabel 1 1 is ter illustratie de granulometrisi be samenstelling . ipgeiiomcn
van een aantal tot het Urkzand behorende monsters.
TAIU I II,
Granulometrische samenstelling van enkele monsters Urkzand nit de Noordoostpolder
100 R droge stof bevatten in g
van de subfrai des in mn
I
CJ
S 19
S 32
T 86
1.6
2.0
1.5
1.2
US
II
- in
D 117
li ISO
1.7
0.0
2.1
8.2
II
4
0.7
n
16
2.0
0.8
1.7
li 4
0.7
ui!
0.8
0.2
0.0
0.3
0.4
75
-gcj,
5n
Kavel
1
5
IC
©
te
1.7
1.6
0.6
0.7
0.6
0.8
tr.
0.6
1.2
0.8
0.7
1.1
1.8
1.4
3.9
3.2
3.4
1.8
4.0
3
Spec
/andne(U)
e
T
Tl
5
7.3
11.9
9.6
35.6
2.0
15.8
23.3
29.5
484
43.3
5.5
31 '-'
-r
31.7
31 0
28 6
12.5
-II 9
25 2
15 9
ll n
6.9
2.0
33 (i
L0.9
6.5
2.1
6.3
2.7
il. 1
0.0
0.1
5.6
0.1
2.5
4 1
2.7
II. t hoge g.li,dte aan koolzure kalk van het monster van D 130 is ontstaan door de vele fijne schelpfragmenten die in dit monster voorkwamen.
Voor de analyse wordt het monster eerst gez.eefd over een zeef met een
maaswijdte van 2 mm en daarna gemalen. Met zal duidelijk zijn. dat indien
een monster een tamelijk grote hoeveelheid fijn schelpgruis bevat (kleiner
dan 2 mm) dit gruis een aanzienlijke stijging van het gehalte aan koolzure
kalk tot gevolg kan hebben. In de regel bevat het Urkzand, nadat nagenoeg
alle schelpen en schelpfragmenten uit het monster zijn gez.eefd. minder dan
1 % koolzure kalk.
51
58
57
87
40
50
In het zandgebied ten westen van Vollenhove is het gedeelte van bet
Urkzand, d a t is afgezet tijdens de zoete tot zwak-brakke Almerefase,
nagenoeg of geheel kalkloos (in tabel 11, de monsters van de kavels T 86 en
S 19). Door de oxydatie van de aanwezige zwavelverbindingen, afkomstig
uit de tijd dat het zand door zout water was bedekt, daalde de p H van het
zand na het droogvallen tot zeer lage waarden, aangezien niet voldoende
koolzure kalk aanwezig was om het gevormde zwavelzuur te neutraliseren.
Doordat dit klei- en humusarme zand maar zwak gebufferd is, is de
z.uurheid niet van lange duur, tenminste niet voor zover het desbetreffende
zand direct onder de kalkhoudende bovenlaag is gelegen. Uit deze kalkhoudende laag lost onder invloed van de plantengroei en van regenwater al
spoedig zoveel koolzure kalk op, d a t deze voor een tamelijk snelle neutralisatie, althans van de bovenste lagen. kan zorgen. Vanzelfsprekend is
deze ontzuring mede afhankelijk van de dikte van de kalkhoudende laag
en v an het kalkgehalte van die laag. Het komt in het zuidelijke deel van
het Urkzandgebied bij Vollenhove voor dat de bovenlaag, hoewel niet
zuur, toch nagenoeg kalkloos is. In dat geval zal de neutraliserende werking
ook zeer gering zijn.
Het Kuinrezand en het Nagelezand komen in zover met elkaar overeen,
dat beide bestaan uit verspoeld dekzand. Het Kuinrezand, dat wordt aangetroffen in een smalle strook langs de kust ter weerszijden van Kuinre,
is afkomstig van het dekzandgebied ten westen van Kuinre. Het Nagelezand, dat in de toelichtingen bij de Code- en Profielenkaarten van de Noordoostpolder wordt gedefinieerd als over geringe afstand verplaatst laagt e n aszand, wordt veelal aangetroffen langs de flanken van geabradeerde
rivierduinen en dekzandruggen.
De dikte van het Kuinrezand varieert tamelijk sterk, evenwel zo, dat er
geen grote schommelingen in de dikte op korte afstand optreden. In tegenstelling tot het Ramspolzand en het Urkzand is het Kuinrezand meestal
dunner dan 1 m. In een tamelijk groot gebied is deze zandlaag zelfs dunner
dan 50 cm (zie bodemkaart, bijlage 5).
De dikte van het Nagelezand loopt sterk uiteen, ook over zeer korte
afstand. De dikte van de zandlaag hangt ten nauwste samen met de mate
waarin de zandrug waarvan het zand afkomstig is door de zee is afgeslepen,
terwijl voorts ook de stevigheid van de laag waarop het zand werd afgezet
een rol speelde. Op zeer slappe lagen veroorzaakte het afgezette zand door
de extra belasting die het vormde een inklinking, welke inklinking dan weer
door sedimentatie van zand werd gevolgd. Bij een zeer slappe ondergrond
was het daardoor mogelijk dat plaatselijk een dik pakket Nagelezand werd
afgezet.
In samenstelling verschillen zowel het Kuinrezand als het Nagelezand
zeer weinig van het dekzand. Vrijwel steeds bestaan beide uit matig fijn
en middelfijn, kleiarm zand.
In tabel 12 zijn enkele analyses opgenomen van monsters Kuinrezand en
Nagelezand.
88
TABEL 12.
Granulometrische samenstelling van enkele monsters Kuinrezand en Nagelezand uit de
Noordoostpolder
100 g droge stof bevatten in g
Spec.
Opp.
zand
fractie
van lie snbfi,ictic-c in mu
-T<
R
R
R
R
R
E
82'
21
90 90 3
91 "
1*
ll
r;
1.9
0.9
1.0
1.3
1.5
1.2
5
tn
cc;
-JJ
Org.
Kavel
-
0.6
0.8
0.3
0.7
(1.5
02
1.8
O.S
l6
o.l
nu
11.8
8
I
1.9
0.9
1.0
1.3
1.5
1.2
I
0.3
0,7
0.4
0.1
0.8
1211
7.3
0.9
5.5
5.5
0.8
ir.
t/1
12.4
4.1
2.8
1.5
4.7
2.3
7.4
12.6
5.1 17.5
4.5 22 4
2.3 16.9
8.9 2S.9
7.1 33.0
20.0
36.3
33 I
36 2
33.1
40.3
17.9 10.5
22.5 4.2
25 I 7.7
19 I 14.0
15 9 2.8
12.5
1.8
2.1
0.5
0.9
2.2
0.2
0.4
0.4
0.1
0.1
0.1
0.0
0.4
1
Kuinrezand vermengd met iets Hiokzijlzand
Kuinrezand afgezet in ile Zuiderzee-fase
* Kuinrezand afgezet in de Almere-fase
* Nagelezand
2
Het monster van R 82 bestaat niet uit zuiver Kuinrezand, maar is ver
ontreinigd met ecu weinig Blokzijlzand. dat na het droogvallen als een dun
floers het Kuinrezand afdekte. Hierdoor is in dit monster de fractie 16—75
sterker vertegenwuunligd dan in de andere monsters. Ook is het koolzurekalkgehalte iets hoger.
H e t Kuinrezand dat in de Zuiderzeetijd is afgezet, komt in grote trekken
i iv it een n u t lut I'rkzand, doch is iets fijner.
Hit oudere Kuinrezand, afgezet in de Almerefase is, evenals het Urkzand
uit die tijd, nagenoeg steeds kalkloos en na het droogvallen is het zuur
geworden. Dit zure zand is echter steeds afgedekt door een laag kalkhoudend
zand. De mogelijkheid bestaat dus dat onder invloed van de kalk uit de
bovenliggende lagen de zure zone in de loop van de tijd dieper in het profiel
ki.mt ie liggen.
Ook het Nagelezand is voor zover het dateert uit de sloeffase, meestal
kalkloos en zuur. De jongere lagen bevatten in de regel een geringe hoeveelheid koolzure kalk. De zuurheid van het Nagelezand is van weinig betekenis,
omdat dit zand vrijwel steeds door een laag kalkrijke zavel is afgedekt.
110
78
65
76
87
72
71!
IV. D E MODEM! 1.ASS11-K ATI K VAN Dl-: CRONDKN IN D E NOORDOOSTPOLDER
I M BIDING
De bodemclassificatie van oudere gronden wordt veelal gebaseerd op de
meetbare of duidelijk waarneembare resultaten van bodemvormende
factoren als klimaat, moedergesteente, vegetatie, topografie en tijd. Vele
-.happen zijn duur de bodemvorming met elkaar gecorreleerd, terwijl
veranderingen in de eigenschappen van let profiel zich bijna steed- zeei
langzaam voltrekken. Hij de opname in hi t veld en bij het vaststellen van
het kaartbeeld, dat eveneens grotendeels in het veld geschiedt, ondervindt
men veel steun van verschillen in topografie, vegetatie e.d. De kartering
volgens dit prim ipe wordt veelal aangeduid als een bodemtypekartering.
I!iI de kartering van de gronden in de Ijsselmeerpolders heeft men bij het
droogvallen vrijwel uitsluitend te maken met sedimenten zonder enige
bodemvorming. Na het droogvallen en vooral na het aanbrengen van een
detailontwatering zei de bodemvorming in, waarbij in dit verband de
fysische rijping op de voorgrond treedt. D e gronden verkeren i.] i het moment
van de kartering nog allerminst in een evenwichtstoestand.
Gezien het feit d a t men bij de kartering van d e gronden in de [Jsselmeerpolders bijna uitsluitend met ongeconsolideerde sedimenten zonder andere
bodemvorming dan een gedeeltelijke fysische rijping te doen heeft, wijkt de
bodemclassificatie vrij sterk af van die welke op het oude land gebruikelijk is
ZUUR (1954a) stelde voor te spreken van een bodemfactorenkattiring
in plaats van over een „single-valae-kartering", daar men zich bij de kartering niet behoeft te beperken tot een eigen-,. hap van de grond, waarop de
term ,,siiigle-value-kartei'iiig" zou kunnen wijzen.
Bij de bodemfactorenkartering brengt men uitsluitend die eigenschappen
in kaart, waarin men voor het betrokken doel belang stelt. Deze eigenschappen en ook de gradaties daarvan, worden vaak met codeteken- aan
gegeven. Het zwaartepunt van het veldwerk ligt in het van plek tot plek
vaststellen van de van belang zijnde eigenschappen en hun gradaties.
Aangezien bij de kartering van de gronden in de [Jsselmeerpolders noch
de vegetatie noch het relief enige steun biedt bij het vaststellen van de
grenzen, en deze grenzen als gevolg van de ontstaanswijze van de gronden
uiterst vaag zijn door de geleidelijke overgangen, is het maken van de
bodemkaart en dus het trekken van de grenzen grotendeels verschoven
naar het kantoor
Een kartering volgens het bodemfactorenprincipe heeft grote voordelen
71
wanneer de kartering met een directe en bekende doelstelling wordt verlic lit. en wanneer het verband tussen de bodemfactoren en de doeleinden
waarvoor de kartering verricht wordt, bekend is, hetgeen bij de kartering
van de Ijsselmeerpolders zeker het geval is (SMITS en WlGGERS, 1959). Talloze cultuurtechnische en landbouwkundige maatregelen worden geheel
gebaseerd op de resultaten van de kartering. Voor ieder van deze maatregelen moeten de noodzakelijke gegevens gedetailleerd zijn weergegeven en
gemakkelijk uit de kaarten kunnen worden afgeleid. Het bodemfactonn
in met de weergeving van de gegevens in eodevorm, leent zich hiertoe
bij uitstek.
Van de diverse kaarten, vervaardigd volgens het bovengenoemde systeem,
is intensief gebruik gemaakt bij het bepalen van:
de vereiste greppel- en drainafstanden
het te gebruiken soort draiumateriaal
de behoefte aan infiltratie
de mogelijkheid van grondverbetering door diepploegen of breken van
de ondergrond
de bestemming van de grond
de bemesting
het bouwplan
de grondbewerking
de pachtwaarde.
De Noordoostpolderbodem is opgebouwd uit verschillende lagen du- elk
hun eigen zwaarte- en diktepatroon bezitten, dal veelal in hoge mate
onafhankelijk is van dat v an under- of bovenliggende lagen en daarvan vaak
sterk verschilt. Het inzicht in de zwaarte en dikteverdeling is door de
kartering volgens het bodemfactorenprincipe zeer vergroot, hetgeen aan de
betrouwbaarheid van de kaarten weer in hoge mate ten goede i- gekomen,
In dit hoofdstuk zal de bodemclassificatie volgens lutumgehalte, U-cijfer,
— andere kennierki-n, laagdikte en laagdiepte, nader worden bespn iken
BODEMCLASSIFICATIE VOLGENS HEI I I H M G E H A L T E
Bij gronden gevormd door tluviaticle of mariene sedimenten vormt lut
lutumgehalte een uitermate belangrijke karakteristiek voor de bodemkundige en landbouwkundige eigenschappen van de grond. Naarmate nu
de gronden jonger zijn, zijn binnen een bepaald type sediment fysische en
chemische grootheden nauwer gecorreleerd met het lutumgehalte. In de
afzettingen in de Zuiderzee vertonen o.a. het humusgehalte, het fosfaat- en
kaligehalte. het watergehalte. de krimp, de vetheid, de plasticiteit, de drukvastheid en de kationenadsoqjtiecapaciteit een zeer nauw verband met het
lutumgehalte (ZUUR, 1954b). Ten aanzien van de correlatie tussen het
lutumgehalte en de 3 eerst genoemde grootheden kan worden verwezen
naar hoofdstuk IX. In de figuren 25. 2fi en 27 is het verband tussen het
lutumgehalte en de krimp, de drukvastheid en de kationenadsorptiecapaciteit nader aangegeven. •
Iutum|ehalle
clj». conlrnl
krimp
ihrirtlutfe
Fig. 25. Verband tussen k r i m p (in p r o c e n t e n v a n oorrsponkelijke d i a m e t e r )
en l u t u m g e h a l t e (in g per 100 g droge stof)
Relation between the linear shrinkage (in percent of original
diameter)
and the clay content (in g per 100 g dry matter)
m
lu cumgehalie
'C , ,., , , . n ;
lulcim|«li»li«
clsr (omen!
dfo..4.!lC,C
mfiiflh sgstm, p.eiijjir
Fig. 2fi. V e r b a n d tussen d r u k v a s t h e i d (in
kg per blokje) en l u t u m g e h a l t e
(in g per 100 g d r o g e stof)
Relation
between the
strength
against pressure (in kg) and the
clay content (in g per 100 g dry
matter)
IcHionenwurde
aeWpclori cafMC.il/
Fig. 27. V e r b a n d tussen k a t i o n e n w a a r d e
(in m.e. per 100 g d r o g e stof) en
l u t u m g e h a l t e (in g per 100 g
d r o g e stof)
Relation between adsorption capacity (in m.e. per 100g dry matter)
and the clay content (in g per
100 g dry matter)
73
De nauwe correlatie tussen het lutumgehalte enerzijds en de fysische en
chemische eigenschappen anderzijds werkt door in de bodemkundige en
landbouwkundige eigenschappen van d e grond. en daardoor in vele cultuurtechnische en algemeen landbouwkundige maatregelen als begreppeling,
bewerking, bestemming, bemesting, enz.
Uit ei II -p. . iaal daartoe ingesteld onderzoek is gebleken, dat de genoemde
fysische en chemische eigenschappen van de gronden in de Noordoostpoldei
beter met het lutumgehalte dan met het slibgehalte zijn gecorreleerd
(Zut'K, 1954b).
Voor het samenstellen van bodemkaarten is het noodzakelijk het gehele
traject van hot lutumgelialte in een aantal klassen in te delen. In tabel 13
is de indeling in 11 klassen weergegeven.
TABKI. 13. bidding van de minerale gronden in ile Noordoostpolder volgena hel
lutumgehalte
Hen,lining
100 g droge stof
bevatten g lutum
a
Kleiarm zand A
Sand .1. poor in clay
|.
t ode
U-cijfer
0
Kleiarm zand B
B, poor in clay
IJ—3
1
Kleihoudend zaiul A
I taeut .1
3—5
2
Kleihoudend zand B
• y sand H
5—8
3
120
Lichte zavel A
Light loam A
5—8
4
120
1 ii lite zavel B
Light hum B
8—12
5
Zware zavel A
Heavy loum . I
12- 17
6
Zware zavel B
Heavy loam B
17—25
7
Kl.-i A
25 -3S
8
Klei li
Clay B
35 -50
9
Klei C
Literal translation
terms
>
of Dutch
50
100 gr. dry matter
contain gr. clay
10
fbol
TABLE 13. Texture-classes of mineral soils in the Nord-Eastern-Polder
'
figure
74
De klassenwijdte neemt blijkens tabel 13 toe, naarmate het lutumgehalte
stijgt. Dit hangt samen met het feit, dat in het lutumtraject beneden 12 %
de landbouwkundige waarde van de grond bij een stijging van enkele
percenten lutum reeds sterk toeneemt.
De kleine klassenwijdten zijn mogelijk doordat dc sedimenten in dc
Zuiderzee uiterst geleidelijk in lutumgehalte veranderen en doordat deze
veranderingen zeer stelselmatig verlopen, zij het voor vrijwel iedere te
onderscheiden laag op een andere wijze (WIGGERS, 1955). Als voorbeeld
van een uiterst geleidelijke verandering in het lutumgehalte in de bouwvoor
is in tabel 11 In t verloop van het gehalte aangegeven over een traject van
2.7 km.
TABI I 14
Kavel
S 67
S67
s 68
S 69
S 70
S 71
S 72
S 73
S 74
S 71
S 74
S 75
S 76
S 76
Voorbeeld van de zeer geleidelijke veranderingen in het lutumgehalte van
cl. biiiiwvoor in de Noordoostpolder
.1 tot voorgaande plek in m
,—
140
220
401)
180
320
asn
160
300
140
40
100
240
60
1 iitimigehalte
16.4
14.4
13.6
13.0
12.0
11.2
9.2
9.0
8.3
8.3
6.9
5.6
4 1
3,8
Gesteund d< o r zeer vele analyses was het mogelijk deze uiterst geleidelijke
veranderingen in het lutumgehalte met grote nauwkeurigheid te karteren,
waarop in hoofdstuk V nader wordt teruggekomen.
BODEMCLASSIFK ATIE VOLGENS HET U-CIJFER
Naasl het lutumgehalte vormt voor de bodemkundige en landbouwkundige eigenschappen van de zandgronden de fijnheid van het zandskelel
een belangrijke factor. De capillaire stijghoogte, de doorlatendheid en de
ipaciteit, grootheden van veel betekenis bij de ontwatering en
infiltratie van de zandgronden, zijn in hoge mate met het U-cijfer gecorreleerd.
Het gehele U-cijfer traject is verdeeld in 6 klassen, zoals is aangegeven
in tabel 15.
75
T A B E L 15.
Indeling van de zandgronden volyens liet I'-cijier van de zuiullractie
Hen,inline;
Grof zand
Coarse sand
lijn /anil
fine sunt/
Mi.l.l.'lfijn zaml
Medium fine sand
Zeer Bjn zand
1 try nut ,a
l liters! lijn /eind
mely fine sand
Uiterst fijn zand
/ tlremely fine sand
Literal translation of Dutch
terms
TAMI i 13
U-cijler /cin.lfici. Ur
lie inlli mu)
Code
< 50
a
50^-80
1
80—120
120—180
d
180
27U
e
>
270
f
U-figure sand fraction
(fraction > n
Symbt.'
Division of Hie sandy soils, according It, the U-figure of the sand fraction
Op de bodemkaarten van de Noordoostpolder wordt de code vom de
fijnheid van de zandfractie bij de zandgronden naasl die van hel lutumgehalte vermeld. Ii-zanu-ii bepalen deze grootheden voor de zandgronden
in voldoende mate het landbouwkundige gedrag. Zo is bijvoorbeeld de
bestemming van de zandgronden in de Noordoostpolder nagenoeg geheel op
het U-cijfer en bet lutumgehalte gebaseerd.
Bij de zavel en kleigronden wordl hel U-cijfer van de zandfractie niet
vermeld. daar in de gronden in de N'm irdoi istpolder bij lutumgehalten I" .ven
8 ",, hel landbouwkundige gedrag in voldoende mate door het lutumgehalte
alleen wordl bepaald.
In In-t traject van 5 8 % lutum wordl van kleihoudend zand B gesproken
indien hel U cijfer van de zandfrai tie
120 bedraagt, en van lichte zavel A
indien dit U-cijfer boven 120 ligt. Dit hangt samen met het feit, dat in dit
traject van 5—8 % lutum de grofheid van het zandskelei hei karakter van
de grond zodanig beinvloedt, dat de desbetreffende afzetting in hel ene
geval nauwe verwantschap met de zandgr
len. ill liet andere geval in -1 de
lichte zavelgronden vertoont.
Mi I ASslIle.vlll VOLGENS I'lVIKsl- ANDERE KENMERKEN
In de normale mariene sedimenten in de Moorduosipolder zijn binnen elk
sediment alle belangrijke eigenschappen zo nauw met het lutumgehalte
en voor de zandgronden tevens met het U-cijfei gecorreleerd, dal vrijwel
steeds kan worden volstaan met hel vermelden van beide grootheden.
I'll een aantal andere sedimenten zoals de sloefafzettingen en de oude
zeeklei is dit niet altijd het geval, en dient men voor de karakterisering en
76
de classificatie in voorkomende gevallen tevens aan te geven de mate waarin
deze afzettingen meer organische stof bevatten dan normaliter bij het
desbetreffende lutumgehalte wordt gevonden. terwijl ook het gehalte aan
koolzure kalk en de zuurgraad in enkele gevallen is vermeld. In tabel 16
zijn enkele belangrijke aanduidingen voor bijzondere eigenschappen aangegeven, zoals deze op de bodemkaarten van de Noordoostpolder zijn
gebruikt.
TABEL 16. Enkele belangrijke aanduidingen voor bijzondere eigenschappen zoals
deze zijn aangi-Keven o p de bodemkaarten van de Noordoostpolder
ll
h
li
ir
u
z
Zwak humeus (1}—4 % meer org. stof dan normaal)
Hum. ii
(4—10%
)
Sterk humeus ( 1 0 — 2 0 %
)
K . i l k . 1 1 11!
(0.2—0.5 % koolzure kalk; pH > 7) | niet aangegeven
Kail( < 0.2 %
„
„ ; pH > 7) bij detritus, veen
Zwak zuur
( < 0.2 %
..
,. ; P H mees- 1 pleistoceen zand er
tal 7 J-54) keileem
/-
Matig zuur
i
Sterk zuur
( < 0.2 % koolzure kalk; pH meestal
5J-4)
( < 0.2 %
„
„ ; pH meestal
<4)
bij humusarnie
zandgronden als
bijzondere eigenschap aangegeven,
overigens als ongunstige ondergrond
Daarnaast wordt op de kaarten onder andere vermeld het voorkomen van
abnormaal veel schelpen, van storende schelplagen en van grind, alsmede
van die eigenschappen die van belang kunnen zijn voor het gedrag van de
grond.
Het moge duidelijk zijn dat afzettingen in de Noordoostpolder van geheel
andere aard zoals veen, detritus, pleistoceen zand, keileem e.d. naar hun
eigen aard worden benoemd en onderscheiden.
BODEMCLASSIFICATIE
VOLGENS LAAGDIKTE EN LAAGDIEPTE
Vrijwel alle indelingen van gronden op bodemkaarten, en zeker van meer
gedetailleerde kaarten berusten, behalve o p de eigenschappen van d e onderscheiden lagen en horizonten, ook op de dikte van deze eenheden en op de
diepte waarop zij voorkomen.
Ook bij de kartering van de Noordoostpolder is gewerkt met een indeling
volgens laagdikte en laagdiepte, waarbij vooral de hierbij toegepaste detaillering aandacht vraagt. Bij de behandeling van de bodemkundige Codekaart van de Noordoostpolder 1 : 10 (MM) zal op deze laagdikte- en laagdiepteindeling nader worden teruggekomen. Hier zij volstaan met o p te merken
dat deze gedetailleerde opzet mogelijk en ook gewenst was.
Zij was mogelijk dank zij de laagsgewijze opbouw van de jonge sedimenten,
77
waarbij de te onderscheiden lagen over afstanden van soms enige tientallen
kilometers te volgen waren. Weliswaar veranderen de lagen, ovei grotere
afstanden gerekend, in aard en dikte soms aanzienlijk. doch deze wijzigingen
voltrekken zich uiterst geleidelijk en wetmati
De detaillering in laagdiepte en -dikte was gewenst, daar bijvoorbeeld
gebleken is dat de diepte waarop fijnzandige, lutumarme sloefafzettingen
voorkomen onder de zwaardere bovengrond. een grote invloed op de vei
eiste begreppelings- en drainage-afstand uitoefent.
Het volledige renvooi van de Code en Profielenkaart van de Noordoostpolder, waarin ook alle tekens voor de laagdikten zijn vermeld, is opgenomen in het aanhangsel (pag. 132—139).
78
V. DE BODEMKUNDIGE CODE- EN PROFIELENKAART
I N i, 1 •: i n i N i;
•\an het slot van hoofdstuk 1 werd reeds opgemerkt. dat de gegeven- van
de slootkartering zijn verwerkt tot de Profielenkaart van dc N'oordoo-t
polder met lengteschaal 1:10 (MK) en hoogteschaal 1 : 40, terwijl de gegevens
van de greppelkartering allereerst zijn verwerkt tot kavelkaarten 1 : 2500,
welke in vereenvoudigde en verkleinde vorm zijn samengevoegd tot de
Codekaart I : 10 000. Op de Profielenkaart is de opbouw van lut profiel ter
plaatse van de sloten weergegeven tot een diepte van 1 m, op de Codekaart
is de samenstelling van de grond in codetekens vermeld tot een diepte
van 45 cm.
De Code- en Profielenkaart 1 : 10 000 is verschenen in 21 bladen ter
grootte van 55
S" em, welke elkaar zodanig overlappen, dat iedere kavel
op minstens een blad in zijn geheel is afgebetld. De bladen zijn, voorzien van
i en uitvoerige toelichting, verschenen in de jaren 1947 1956. Het tijdstip
van het verschijnen werd in eerste instantie bepaald door de vordering van
de verwerking van de karteringsgegevens, Daar de kartering volgde op d<ontginning zijn uiteraard het eerst de bladen uitgegeven van hel gedeelte
dat het eerst in cultuur is genomen. nl. de oostelijke ln-llt van de polder.
Aan het vaststellen van hit kaartbeeld en het si I I rij ven van de toeluhlingen is in de loop der jaren door verschillende personen gewerkt.
Nadere gegevens omtrent de d a t a van verschijning en de auteurs zijn
opgenomen in tabel 17.
TABU 17. Overzicht van de data van verschijning en de namen der auteur-, van de
bodemkundige code- en profielenkaart met toelichting vein de Ncoe'
polder
No,
blad
Maand en
van
verschijnen
Kaartbeeld vastgesteld door:
Tuelii Mint; se
schreven door:
'Jl
17
13
9
april 1947
20
augustus 1952
1
Granneman
16
12
-
augustus 1953
secties M cn N: 1. \V. Tnininga
' >, R, S en T :
F. H. de Jong en J. J. Granneiuin
"
F. H. de Jong
..Iciober 1947
A. J. Zuur
-
••
II ile J DIII; en J . J .
79
No
blad
8
5
1
o
3
fi
7
4
18
19
10
11
15
14
Maand en jaar
van
verschijnen
augustus 1953
december 1953
april 1954
Kaartbeeld vastgesteld door:
1 „ W. Tuininga
K. Spanjer
F, 11. de Jong en K. Spanjer
K. Spanjer
lllrl 1954
juli 1054
februari 1955
Toelichting geschreven door:
A. J. Zuur
1
11. de Jong
K Spanjer
oktober 1955
J. J. Granneman cn H. de Haan
J. J. Granneman
K Spanjer
juli 1956
noveiiil.n 1956
J. J. Granneman en K. Spanjer
H. de Haan
I-" II di. J,ue:
Iv" Spanjer
"
Tegelijk met de eerste bladen verscheen een Renvooi voor de Modem
kundige Code- en Profielenkaart van de Noordoostpolder van de hand
van Zi'iK (1947).
D E I IU.IKAAKT 1 : 10
000
Voor de vervaardiging van de Codekaart is uitgegaan van een kaart met
topografische aanduidingen op schaal I : 10000. Op de Codekaart zijn deze
in grijs gedrukt, terwijl de bodemgrenzen en codetekens in zwart zijn aangegeven.
Een van de opvallendste eigenschappen van dc < i ulekaart i-, dal de grenslijnen tussen de met codetekens onderscheiden gedeelten veelal recht zijn
en dikwijls samenvallen met topografische scheidingen als kavelsloten,
tochten, enz, Dit houdt verband met de ..vet grote gebieden van de poldei
uiterst gelijkmatige opbouw van de bodem. De overgangen tussen de grond
soorten, zowel in d e boven als in de ondergrond, verlopen vaak zo geleidelijk,
d a t d e ligging van de grenslijnen in hoge m a t e arbitrair is. In tabel 14 VM id
reeds een voorbeeld gegeven van de gelijkmatige toeneming van het lutum
gehalte in de bouwviioi tussen de kavels S 67 en S 7<r
Een in .In verband vollediger beeld geelt ligutir 2S. op een verkavelings
kaart van een gedeelte van het noordwesten van de Noordoostpolder zijn
ter plaatse van de bemonsteringsraaien de gevonden lutumgehalten van
de bouwvoor in procenten aangegeven. Tevens zijn n u t een onderbroken
lijn die lijnen van de Codekaart 1 : 10 000 overgenomen, welke verschillen
in samenstelling van de bouwvoor (mei uitzondering van vloeigrond, to, lit
grond, stortgrond e.d.) aangeven. Duidelijk blijkt, dat al de genoemde
lijnen recht zijn en langs topograliM he grenzen lopen. Mel codetekens zijn
de groepen 2d, 4,5 en 6 aangegeven ;de desbetreffende lutumgreii/en liggen bij
(ill
IJ
S
S E
L
"
\
v Yujd A /NC
, ,
'/
Z7^
"
,v\
M E E R
/
^/V/-/"/
"/N^dj
,J
/ / , ' r ^= J
/ "/ V S c ' T v XJ
•J /
' / *
® ')fi^<C^2E'
u
...'/
((2d) \ u * / / ^"\.
s. II
^ J% / u /
/
/!5
M
\ .
f
1'
/
sU^Z, /
-. "
' 1.1 Z \ . /
/
Z
/
l >
/^K. /
/
T
1
/
1
/
£
z
zC
/
z
1
.
4
z
z
/
•LA
u
/
/
/
f'
J
/
..,..,'/
..,-*'
11
1.1
„.
c
1
1
\
.uj
I.l
i
1.1
y
1
^pr
s
I.l
/
/
u/ '''/Si
U
' 1.1 /^y
,W
i"\
' 7.1,
/
/'•'
l",
I.j\
/ " / . . ' 1
sA±/'' /
/
/'•/i^sj
/ «
/ " / \ z " /
Ai / 7C
/
/
U
Z£-"^c*
^ s I' sf
. 1 1 2? /
/ /V NfK
/ / U A / S # ? "!
/Sc/
/ ' S >/ Mc/ / A' • /f\I K "'| \ u\-.' /
,Z"5*, ^ 1 J /
/
Z
/?*». /
®
/ / " ^ /^v. /«/ /jjfsJ j if"
1 1
y
\ u
/ .'-~--V ••* 1
n.i
14
7n1 '
,'
1 i
1
Fig. 28. Gedeelte uit het noordwesten van de Noordoostpolder met liitumgehalten van de bouwvoor, aanduiding van de zwaarteklassen 2d,
4, 5 en 6 en grenzen tussen deze zwaarteklassen volgens de codekaart 1 : 10 000 (gebroken lijnen) en volgens de bouwvoorkaart
1 : 50 000 (gestippelde lijnen)
Area in the northwestern part of the North-Eastern-Polder with indications
of the clay content of the top soil, the codes 2d, 4, 5 and 6, the boundaries
between these texture classes according Io the soil map I : 10,000 (dashea
lines) and according to the soil map I : 50,000 (dotted lines)
5, 8 en 12 % . Uit de op de kaart vermelde lutumgehalten blijkt wel zeer
duidelijk, d a t bij de uiterst geleidelijke overgangen het trekken van rechte
lijnen verantwoord was en zelfs de voorkeur verdiende, ten einde duidelijk
te doen spreken d a t de overgangen zich in feite uiterst geleidelijk voltrekken. In figuur 2 8 zijn m e t een stippellijn de grenzen tussen d e verschillende zwaarteklassen weergegeven zoals ze op de bouwkaart (bijlage 4)
voorkomen. Voor deze overzichtskaart was het afronden v a n de hoekige
lijnen in verband met het kaartbeeld gewenst
De variatie in de aard van de ondergrond wordt in grote delen van d e
polder veroorzaakt door de geleidelijk verlopende veranderingen in diepte.
dikte en aard van de diverse afzettingen. Ook de grenz.en tussen de code-
Bl
tekens, wanneer ze verschillen ten aanzien van de ondergrond aangeven,
zijn derhalve in vele gev alien recht en langs topografische grenzen getrokken.
In figuur 29 zijn van een gedeelte van het zuidoosten van de polder - met
een uniforme bouwvoor, behorend tot groep 6 — de codetekens en de
grenzen aangegeven zoals ze o p d e Codekaart 1 : l o o o o voorkomen. .\lle
grenslijnen lopen in dit gedeelte recht, waarbij moet worden opgemerkt dal
de invloed van menselijke activiteit (aanwezigheid van Stortgrond, vloeigrond, tochtwallen e.d.) buiten beschouwing is gelaten. O p d e betekenis van
de verschillende codetekens wordt nog tertlggekomen.
Uiteraard zijn. ook wanneer men afziet van de invloed van dc menselijke
activiteit, niet alle bodemlijnen op de Codekaart recht. De aanwezigheid van
pleistocene geulen en zandruggen, van grillig begrensde erosieresten van
het veen en vele andere factoren, ten dele van sedimentologische aard. zijn
oorzaak van het feit dal in bepaalde gedeelten van de polder in lui geheel
geen rechte begrenzingslijnen worden aangetroffen.
Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, geeft de Codekaart de samenstel I ing
van de bodem toi een diepte van minstens 45 cm. De laag ter dikte van
45 cm is gesplitst in een bouwvoor van normaliter 25 a 30 cm en een ondergrond welke zich bevindt tussen 25 a 30 cm en minstens 45 cm. De aard van
de Loven- en ondergrond wordt dooi letter- en cijfersymbolen aangegeven.
De aanduidingen voor de bouwvoor worden op de kaart geplaatst boven die
van de ondergrond. gescheiden door een deelstreep: —. In de gedrukte toelichtingeii zijn de aanduidingen van de boven- en ondergrond, om druklei Imische redenen, steeds achter elkaar geplaatst, gescheiden dooi een
schuine streep (x/y). De deelstreep op de kaart en d e schuine streep in d e
tekst zijn enkel als de aard van de ondergrond geheel gelijk is aan, of geheel
afwijkt van die van de bouwvoor en dubbel als het bovenste deel van de
x
ondergrond in aard overeenkomt met de bouwvoor: = ; x//v. In dat geval
y
wordt onder de dubbel.- streep sie. hts dat deel van de ondergrond vernield.
dat afwijkt van de bouwvoor.
Bij gronden waarvan de laag van 0 25 cm uit twee lagen bestaat.
waarvan men uit landbouwkundig oi bodemgenetisch oogpunt de eigenschappen en dikte in ongemengde toestand wil kennen (bijvoorbeeld in het
geval van een dunne zandlaag op veen). wordt de bovenlaag indien deze
15 a 20 cm dik is. als bouwvoor voorgesteld, onder afgesloten door een
stieiplijn: ' ; de rest van de laag van 0—25 cm wordt bij de ondergrond
gerekend. Is de bovenlaag 10 a 15 cm of 5 a 10 cm dik, dan worden beide
bestanddelen van de laag van 0 25 als bouwvoor vermeld; zij zijn dan
gescheiden door een enkele schuine deelstreep als de bovenlaag 5 a 10 cm,
door een dubbele schuine streep als deze 10a 15 cm dik is resp.:
x/y x//v
—;
Hut
Fig. 29. Gedeelte van de c o d e k a a r t I : 1(1 (MM) uit het zuidoostelijke deel van de
Noordoostpolder met een bouwvoor b e s t a a n d e uit zware zavel A
(groep 6). De grenzen tussen de gebieden zijn steeds recht; de invloed
van menselijke activiteit is buiten beschouwing gelaten
Part of the soil map 1: 10,000 of an area in the south-eastern part of the
North-Eastern-Polder.
The top soil consists of loam (clay content 12—
17 %, code 6). The boundaries between the soil types with different codes
have been indicated by straight lines. Human activities have been left out
of consideration
n
Behalve voor het geval dat een deel van de ondergrond van dezelfde aard
is als de bovengrond, in welk geval de reeds genoemde eenvoudige voorstellingswijze voor twee ondergrondlagen kan worden gebruikt, is er in het
algemeen naar gestreefd de ondergrond als een laag aan te geven. Lagen van
5 ' in dikte en dunner zijn daarom v erwaarloosd, behalve wanneer zij voor
het landbouwkundige karakter van de grond van veel belang zijn.
Overigens zijn bij het voorkomen van twee verschillende ondergrondlagen, deze beide lagen onder de streep die de scheiding met de bovenlaag
aangeeft in een kleiner letter- en cijfertype boven elkaar geplaatst,
x
gescheiden door een puntlijn: y .
z
Indien de terreingesteldheid zo bont was, dat uit de bij de opname verkregen gegevens geen behoorlijke kaart te trekken viel, ol indien de schaal
van de Codekaart h i t niet toeliet het opgenomen kaartbeeld daarop aan
te geven, zijn voor het desbetreffende terreingedeelte dc daar In t meesl
voorkomende grondsoorten aangegeven door deze achter elkaar te vermelden. verbonden dooi een
teken. In de regel zijn twee, bij uitzondering
drie grondsoorten onderscheiden. Deze kunnen zijn: overheersend (onderstreept), algemeen voorkomend (zonder bijzondere keiitekenenl of plaatselijk
X
v r (z)
(tussen haakje
—. Indien de voorkomende grondsoorten
schommelen om een bepaald gemiddelde. dan wordt dit gemiddelde aan-
+x
gegeven met het teken + : —
~~
• Indien de voorkomende grondsoorten een
?..
doorlopende reeks vormen, zijn de uitersten van deze reeks aangegeven,
\ — v
gescheiden door een horizontale streep:
—-.
z
Indien de ondergrond uit twee componenten bestaat, waarvan het tela
tieve voorkomen zowel in horizontale als verticale zin wisselt, zijn beide
componenten aangegeven, verbonden door een x teken; hierbij staat dan
de belangrijkste voorop. Komt een van de componenten slechts plaatselijk
voor of is ze van geringe betekenis, dan wordt ze tussen haakjes geplaatst
x
y • (*> '
Indien de bontheid van het terrein wordt veroorzaakt doordat de lagen
waaruit d e grond bestaat van plek tot plek in dikte wisselen, dan worden
de onderbroken en voile deelstrepen die tussen boven- en ondergrond staan,
als golflijnen getekend.
In het aanhangsel is een volledige lijst opgenomen van alle gebruikte
tekens voor laagdikten en voor bonte grond. Met de kennis van de betekenis
x
van 8 cijfers ( 0 t o t 8 ) , v a n 5 letters (a tot f) en van drie deelstrepen: *, =,
y
y
v
z
H
is het reeds mogelijk naai si hatting 90 % van de Codekaart van de Noordoostpolder te lezen.
Behalve hel mei een . ijfer of met een cijfer en letter aangegeven lutumgehalte en de zandgrofheid, tn It men op dc- Codekaart ook letters en symbolen aan die bijzondere eigenschappen aangeven. Betreft dit ongunstige
eigenschappen, dan zijn de letters geplaatst voor de andere codetekens. Is de
bijzondere eigenschap niet bepaald ongunstig, of gunstig, dan zijn de letters
en tekens achter de codering vermeld en iets hoger geplaatst.
Mi i nadiiik zij er op gewezen dat bij de vaststelling van de laagdikten
en laagdiepten op de Codekaart rekening is gehouden met de inklinking die,
n a a r schatting, nog zou optreden na de kartering. Het heeft in de bedoeling
gelegen de uiteindelijke diepten en dikten te vermelden. l i t later ingesteld
onili-izoek is ei liter gebleken, dat voor de zwaardere gronden de inklinking
wellicht enigermate is onderschat.
DM P K O I I E L E N K A A R T
De Profielenkaart geeft een doorlopend profiel van elke kavel ter plaatse
van de kavelsloten. Het profiel reikt tot 1 m beneden maaiveld. De horizontale schaal bedraagt 1 : 10 (MX), de verticale 1 : 40. De overdrijving is dus
grool. namelijk 250 x.
De profielen hangen op de kaart als het ware met hun maaiveldlijn aan
de sloot waarin zij zijn opgenomen. Zij worden naar die sloot genoemd door
het aangeven van de nummers van de belendende kavels (b.v. profiel S 67/68)
De profielen zijn op de kaart 2.5 cm breed en beslaan dus een groot
gedeelte van de oppervlakte van de kavel, die op de kaart veelal 3 cm
breed is. Ten einde de profielen beter te laten spreken, is de resterende
ruimte van de kavel van een grijze arcering voorzien
De lagen op de Profielenkaart dragen normaliter twee aanduidingen, een
bodemkundige en een geologische. Wanneer deze samenvallen zijn de aanduidingen als bodemkundige aangegeven.
De waarnemingen ten behoeve van het vaststellen van de profielen zijn
verricht op afstanden van maximaal 50 m. In verband mei de sterke
vertekening zijn de grenslijnen enigermat. afgerond. Lagen dunner dan
5 cm zijn bij het tekenen voorts verwaarloo-d, tenzij zij voor de karakteristiek van het profiel van belang zijn; zij zijn dan zo dun mogelijk getekend.
Het voorkomen van schelplagen en schelplaagjes is aangegeven met het
teken s. Dit teken staat tussen haakjes als het schelplaagje van zeer gering.
betekenis is en allien plaatselijk voorkomt; het is onderstreept als de
schelplaag dik is. De classificatie van de schelplagen behoeft op de Codekaart niet dezelfde te zijn als op de Profielenkaart, daar voor de Codekaart
de landbouwkundige betekenis maatgevend is en deze afhangt van de
diepte waarop de schelplaag voorkomt en de grondsoort waarin de laag ligt.
Wanneer de laag in horizontale richting zeer geleidelijk verandert wat
betreft de zwaarte of de grofheid van dc zandfractie. is de grens tussen de
twee grondsoorten — welke grens natuurlijk betrekkelijk willekeurig is —aangegeven door een verticale streep.
Indien een laag bestaat uit twee componenten, in die zin dat ze is opgebouwd uit een pakket elkaar alwisselende laagje- van verschillend
materiaal, zijn dc beide componenten afzonderlijk aangegeven, verbonden
door een x - t e k e n ; de belangrijkste component is voorop geplaatst. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor in de overgangsgebieden, bijvoorbeeld
tussen het Ramspolzand en het normaal Zuiderzeesediment.
De profielen hebben betrekking op de natuurlijke grond en zijn derhalve
getekend vanaf het oorspronkelijke maaiveld. Het voorkomen van stortgrond, vloeigrond, en vergraven grond — welke boven lut oorspronkelijke
maaiveld liggen — is aangegeven door horizontale zwarte strepen boven
het profiel over de afstand waarover de stortgrond, de vloeigrond en de
vergraven grond voorkomen. Ken streep heeft betrekking op een laag van
5 a 10 cm, elke streep meer op 10 cm dikte meer. I- de dikte grotei dan
50 cm, dan is dit aangegeven door verticale strepen dwars door de horizontale.
Met nadruk zij er op gewezen dat de laagdikten en laagdiepten op de
Profielenkaart betrekking hebben op de toestand bij de opneming van liet
profiel. Met de destijds ned- opgetreden inklinking (welke overigens zeei
gering was) en met de daarna nog op te treden inklinking is derhalve geen
rekening gehouden,
M
VI. D E B O U W V O O R K . \ A R T E N D E B O D E M K A A R T 1 : 50 000
INLEIDING
Al- bijlagen 4 en 5 zijn aan deze publikatie toegevoegd twee kaarten,
de bouwvoorkaart en de bodemkaart, op schaal 1 : 50 000.
De bouwvoorkaart geeft naast een gedetailleerd overzicht van de samenstelling van de bouwvoor (0—25 cm), ook een overzicht van het voorkomen
van afwijkende gronden zoals stortgrond, vloeigrond. zanddepots, gediepploegde kavels en kavelgedeelten.
De bodemkaart geeft, behalve de samenstelling van de bouwvoor in iets
vereenvoudigde vorm, ook de aard van de ondergrond t o t een diepte van
75 cm aan.
DE
BOUWVOORKAART
De bouwvoorkaart is afgeleid van de Codekaart 1 : 1 0 000. Zoals reeds is
opgemerkt, zijn de veelal hoekige lijnen van de Codekaart voor de bouwvoorkaart tot vloeiende lijnen verwerkt. De kaart berust op een zeer groot
aantal waarnemingen (gemiddeld 8 per ha), terwijl aan de correcties van de
taxaties van de zwaarte en zandgrofheid van de bouwvoor ongeveer 3000
monsters ten grondslag liggen.
De kaart heeft betrekking op de laag 0"—25 cm in geklonken toestand.
Op die plaatsen, waar binnen 25 cm twee in landbouwkundig opzicht sterk
van elkaar verschillende grondsoorten voorkomen, is bij een dikte van de
afdekkende laag van minder dan 15 cm slechts de daaronder gelegen grondsoort vermeld, terwijl bij een dikte van de afdekkende laag van 15 a 20 cm
beide componenten, die bij de normale grondbewerking niet worden gemengd, zijn aangegeven. In het laatste geval is de aard van de deklaag in
kleur weergegeven en die van de onderliggende grond met een letterarcering.
Die gebieden waar de aard van de bovenlaag thans afwijkt van de op de
kaart vermelde oorspronkelijke toestand, zijn van een fijne puntarcering
voorzien; op deze plaatsen bestaat de bouwvoor geheel of ten dele uit grond
afkomstig uit de kanalen en tochten of uit door diepploegen naar boven
gebrachte grond.
Van een tweetal stortgrondcomplexen, gelegen ten westen van Kuinre
en ten noordoosten van Urk, is de samenstelling van de stortgrond wel aangegeven. Deze gebieden, welke zijn bestort ter verbetering van de oorspronkelijke toestand, overtreffen de overige stortgrondgebieden zodanig
in grootte (de oppervlakten bedragen respectievelijk 535 en 210 ha) dat het
gewenst was ze wel op de kaart aan te geven. In de beide complexen is op
87
de kaart een op zijn punt staande driehoek geplaatst, als teken dat de grond
daar ter plaatse uit stortgrond bestaat.
De gediepploegde gedeelten zijn aangegeven in hun oorspronkelijke
toestand. De schaal van de kaart het niet toe de samenstelling van de
huidige bouwvoor in de vaak betrekkelijk kleine, gediepploegde kavelgedeelten gedetailleerd weer te geven. Van een gebied, namelijk van dat
gelegen tussen Vollenhove. Blokzijl en Marknesse, is de samenstelling van
dc bouwvoor na het diepploegen op ecu bij kaart aangegeven.
Een bijzondere positie nemen ten slotte op de kaart de smalle banen nabij
Schokland en Urk in. Deze banen given de ligging van oude dijken aan. De
samenstelling van de grond wijkt op deze plaatsen soms aanzienlijk af van
die in de omgeving.
Voor een nadere beschouwing van de grondsoorten, zoals ze op de bouw
voorkaart zijn aangegeven, is het gewenst uit te gaan van het centrale
gedeelte van de polder, vervolgens de veranderingen in de samenstelling van
de bovengrond in de verschillende richtingen te volgen om ten slotte de
afwijkende gronden nader te bezien.
In het centrum van de polder bestaat de bouwvoor over een klein areaal
uit klei (groep 8, lutumgehalte 25—35 % ) . De zwaarte verschilt hier evenwel
slechts weinig van het omliggende gebied; het gemiddelde lutumgehalte
ligt slechts even boven de grens van de zware zavel B en bedraagt 26 & 27 % .
Vanaf dit gebied neemt het lutumgehalte van de bouwvoor zowel in
oostelijke als in westelijke richting af, voornamelijk door het dalen van het
lutumgehalte van de laag Zu 1, welke laag d e gehele bouwvoor vormt, of er
de belangrijkste component van uitmaakt. In westelijke richting neemt de
zwaarte van deze laag zeer geleidelijk doch voortdurend af. zodat men via
zware zavel B , zware zavel A lichte zavel B en lichte zavel A in het westen
van de polder kleihoudend zand aantreft.
De laag Zu I is in het westen echter over een vrij groot gebied afgedekt
door een dunne laag polderslik (Zu 0 ) , dat uit zware zavel of klei bestaat.
Dit zware laagje. dat naar het westen dikker wordt, compenseert de daling
van het lutumgehalte van de laag Zu I zozeer, dat alleen in het noordwesten
en in een klein gebied in het zuidwesten van de polder de bouwvoor inderdaad uit kleihoudend zand A (groep 2d) bestaat. Ten westen van Espel
bereikt de laag Zu O een zodanige dikte dat de bouwvoor aldaar weer tot
groep 5 behoort. Ten zuiden van Urk neemt door de aanwezigheid van het
polderslik het lutumgehalte van de bouwvoor zelfs zodanig toe, dat deze
aldaar aan de dijk tot groep 8 behoort.
Met het afnemen van het lutumgehalte in westelijke richting daalt ook
het U-cijfer van de zandfractie (fig. 22).
Vanuit het hiervoor genoemde kleigebied in het centrum van de polder,
neemt ook in oostelijke richting het lutumgehalte van de bouwvoor geleidelijk af. Aanvankelijk verloopt deze daling nog langzaam, zodat de
grens tussen de zware zavel B en de zware zavel A nog ten oosten van
Marknesse ligt, doch daarna verloopt de teruggang in het lutumgehalte
veel sneller. Over een afstand van enkele kilometers verandert de aard van
de bouwvoor van zware zavel B via zware zavel A, lichte zavel B en lichte
zavel A in kleihoudend zand. en ten slotte in kleiarm zand.
ln tegenstelling met de situatie in het westen van de polder, waar de
afneming van het lutumgehalte nagenoeg parallel verloopt aan de daling
van het I -cijfei van de zandfractie. neemt in het oosten v an de polder het
U-cijfer van de zandfractie aanvankelijk nog toe bij een dalend lutumgehalte (fig. 22). De zandfractie bereikt de grootste fijnheid in het gebied
met d e lichte zavel, waar het U-cijfer veelal ongeveer 350 bedraagt. Bij
overeenkomstige lutumgehalten in hit westen van de polder vindt men
U-cijfers van ongeveer 175.
Dichter naar de kust treedt echter ook in het oosten van de polder een
daling van het U-cijfer up- Aanvankelijk behoort het zand nog tot de grond-I..iten 2f en If, doch d a a r n a tot grondsoort le. Dit uiterst fijne zand in het
oosten van de polder, het zogenaamde Blokzijlzand, treft men aan langs de
kust tussen Kuinre en Vollenhove. Voorts k m i l hit vooi in een strook langs
de kust ten zuiden van de Lemmer. In het grootste gedeelte van dit laatste
gebied, dat aan de westzijde wordt begrensd door hel veengebied, bestaal
de bouwvoor uit uiterst fijn, kleihoudend zand A (2e en 2f). Dichter naar
de kust neemt het kleigehalte en daarna ook de fijnheid van de zandfrai tie
af, zodat daar de grondsoorten 1 f, l e en 1 d voorkomen.
De hiervoor beschreven afneming van hot lutumgelialte van de bouwvoor
telijke richting vindt ook plaats in zuidoostelijke richting, zij het op
een enigszins andere wijze. Vanaf het zware gebied in het centrum van de
polder daalt in zuidoostelijke rii hting het lutumgehalte reeds vrij spoedig,
zodat het zuiden van s,ctie 0 reeds uit zware zavel A bestaat. In de oming van de bocht in de Knscrvaart bestaat de bouwvoor zelfs in een
tainelijk groot gebied uit lichte zavel B. Dit kan evenwel niet geheel op
rekening van het lichter worden van de laag Zu 1, die normaal de bouwvooi
vormt, worden gesteld, daar in dit gebied deze laag tevens zo dun is, dat de
onderliggende sloeflagen, bestaande nit lichte zavel. deel uitmaken van de
bouwvoor.
In lut iiitiTste zuidoosten verandert de bouwvoor weer via lichte zavel B
en lichte zavel A in kleihoudend zand A. In tegenstelling met het oostelijke
deel v on de polder, waar de daling van het lutumgehalte snel verloopt,
voltrekt do daling van dit gehalte zich in het zuidoosten van de polder veel
langzamer. H e t gelijkmatige patroon in deze omgeving wordt echter enigermate verstoord door het voorkomen van hit onde Zwolse Diep. Deze oude
• ul. zelf opgevuld met lichte zavel A. heefl mil zijn leidaiiinieii blijkbaar een gunstige sedimentatiemogelijkheid geschapen in bet gebied ten
noorden ervan. Aan de noordzijde is name ijk belangrijk zwaardere zavel
gesedimenteerd dan aan de zuidzijde.
Vanuit het centrum van de polder wordt de laag Zu I naar het noorden
en noordoosten geleidelijk dunner en ten slotte zelfs zo dun, dat de eronder
liggende afzettingen van veen, detritus en pleistoceen zand de bouwvoor
vormen, In de overgangsstrook treft men grondsoorten aan, waarvan de
bouwvoor tin dele door Zuiderzee afzetting, ten dele door veen. detritus ot
pleistoceen zand wordt gevormd.
Naast de tot nu toe beschreven grondsoorten komen in de Noord
polder nog andere grondsoorten voor, die in verschillende opzichten sterk
van de bovengenoemde afwijken. Achtereenvolgens zal worden besproken
het voorkomen in de bouwvoor van Ramspolzand, Kuinrezand, 1 rkzand,
oudere kalkarme of kalkloze klei, kalkhoudende klei op Schokland, veen,
detritus-gyttja, pleistoceen zand en keileem.
Het Ramspolzand, dat men in het zuiden van de poldei aant n i t . b,
nd uit matig fijn zand. Naar het lutumgehalte is het onder-. heiden
in kleiarm zand B, kleiarm zand A on kleihoudend zand B. De grofheid van
di zandfractie loopt echter ook enigermate uiteen, zodat naast groep b
(U-cijfer 5o 80) ook groep c (C-cijfer 80—120) wordt aangetroffen,
Het Kuinrezand treft men aan in een smalle -in.ok king- de ku-t. voornamelijk ten zuiden van Kuinre. Ook ton noordwesten van deze plaats komt
dit zand voor, doch in veel geringere mate. In zuivere v..rm bestaat hot
Kuinrezand Oil kleiarm zand A. Iii dr bouwvoor is het Kuinrezand veelal
vermengd met een dunne laag Blokzijlzand, waardoor het meestal uit
middelfijn kleiarm zand B (lc) bestaat. In het overgangsgebied tussen het
Kuinrezand en het Blokzijlzand treft men een strook aan, waar de bouw v
door menging van matig fijn met uiterst fijn zand bestaat mi zeer fijn,
kleiarm zand B (Id).
Het Urkzand treft men op de bouwvoorkaart aan op drie plaat-en:
l e , rondom hot keileemgebied van De Voorst; 2°, nabij Tollebeek; 3°. ten
noorden en noordoosten van I'rk. In samenstelling varieert lut zand van
deze coniplexeii zeer weinig. Behalve in de overgangszone naar de zavel
gebieden is het zand kleiarm en matig fijn lot matig grol He1 I 'ikz.md in de
omgeving van Urk is gemiddeld iets grover en ook iets kleiarmer dan hot
zand nabij De Voorst. Wel komt ten noorden van I'rk nog kleihoudend
Urkzand voor, doch dit hogere lutumgehalte is veroorzaakt door bijmenging
van polderslik (Zu O).
Nabij Tollebeek reikt hel Urkzand over een betrekkelijk klein gebied tot
in de bouwvoor. Het Zand behoort hier tot gnu-]
ch aan do rand vindt
men, dooi vermenging met de daar aanwezige afdekkende zavelk
groepen lb en 2c. Ten zuiden van Tollebeek reiki een aldaar in do ondergrond aanwezige plaat Urkzand over een klein areaal nagenoeg tot aan de
oppervlakte. Door vermenging van hel zand met de bovenliggende zavel
bestaat de bouwvoor hier thans uit middelfijn kleihoudend zand A (2c) en
uit lichte zavel A (4).
Terwijl in hot overgrote doel van do Noordoostpolder de bouwvoor uit
zeer jonge sedimenten bestaat, treft men op enkele plaatsen kleiige afzettingen aan, die belangrijk ouder zijn. Men vindt deze afzettingen in een
smalle strook lang- do kust ton noordwesten on ton zuidoosten van Kuinre
en ten noorden van I'rk. lerwijl ook op schokland deze klei in dc oiidergrond
aanwezig is. Ten noordwesten van Kuinre bestaat deze kalkarme of kalkloze
klei uit humeuze klei .-\ en ten zuidoosten ervan uit zwak humeuze zware
zavel A. Ten noorden van Urk varieert bet kleigehalte eveneens enigermate,
zodat naast zware zavel A ook klei A aanwezig is. Zoals reeds in hoofdstuk
III Word opgemerkt, komt in beide gebieden plaatselijk katteklei voor.
M
De klei op Schokland is door de latere overstromingen. gepaard gaande
m e t sedimentatie, in d e bovenlaag aanmerkelijk jonger. Ook het kalkgehalte is hoger, zodat op Schokland geen katteklei wordt aangetroffen.
De bouwvoor op Schokland is de kleirijkste van de gehele Noordoostpolder.
het lutumgehalte varieert veelal tussen 35 en 50 % .
Veen treft men in de bouwvoor in de Noordoostpolder op slechts enkele
plaatsen aan. In de eerste plaat- is dit het geval in het noorden. In het
gebied tussen l e m m e r en Kuinre vindt men over een grote oppervlakte het
veen zo hoog in het profiel, dat het de bouwvoor vormt. Op (le bouwvoorkaart is een bedekking van het veen door een laag zavel of fijn zand dunner
dan 15 cm niet aangegeven. Op de Codekaarten is deze bedekking, die vrijwel
steeds aanwezig is, wel vermeld, waarbij onderscheid is gemaakt tussen een
dikte van 5 a 10 cm en van 10 a 15 cm.
In het veengebied ten zuiden van Lemmer en in dat ten noordwesten van
Kuinre zijn nog twee veenafbraakcomplexen onderscheiden. H e t ontstaan
hiervan is in een vorig hoofdstuk reeds nader toegelicht. Het is in dit verband
nog van belang op te merken dat in het eerste gebied (ten zuiden van
Lemmer) de in het veen gestagen gaten zijn opgevuld met lutumrijke grond
(gemiddeld groep 6), terwijl de opvulling in het tweede gebied (ten noordwesten van Kuinre) nagenoeg steeds uit uiterst fijn zand en lichte zavel
(gemiddeld groep 4) bestaat.
Het veengebied benoorden en bewesten Schokland is aanmerkelijk kleiner
dan het hiervoor genoemde gebied. Het is vrijwel geheel te beschouwen als
een vecnafbraakgebied. De gaten in het veen zijn opgevuld met zware zavel
(gemiddeld groep 7).
Ook nabij Urk beslaat het gebied waar het veen tot in de bouwvoor reikt
slechts een kleine oppervlakte. Het noordelijke deel vormt een veenafbraakcomplex. De opvulling bestaat hier evenwel uit grof zand (gemiddeld
groep Ob).
Ten slotte is aan de zuidzijde van het keileemgebied nabij De Voorst
nog een kleine oppervlakte veen op de kaart aangegeven.
Ten zuiden van het veengebied bij Lemmer reikt de detritus tot zo hoog
in het profiel, dat de bouwvoor er grotendeels door wordt gevormd. Ook
deze detritus is steeds afgedekt door een dun laagje zavel of fijn zand.
Ten westen van Kuinre vormt het dekzand over een tamelijk groot areaal
nagenoeg de gehele bouwvoor. Het is slechts afgedekt door een zeer dunne
laag Blokzijlzand of lichte zavel. Bij de grondbewerking is dit laagje met
het onderliggende kalkloze dekzand gemengd, waardoor de bouwvoor thans
enigermate kalkhoudend is.
Behalve het dekzand komt nog pleistoceen zand voor in de keileemgebieden bij De Voorst, Urk en Schokland.
Keileem ten slotte treft men in een viertal gebieden aan in de Noordoostpolder. Het gebied bij De Voorst is het grootst en daarna volgen in belangrijkheid het keileemgebied bij Urk, d a t bij Schokland en dat bij Tollebeek.
Uit het laatste gebied is na het droogvallen van de polder de keileem voor
een groot deel vveggebaggerd of bestort met andere grond.
Ul
Zoals reeds aan het begin van dit hoofdstuk werd opgemerkt, zijn op de
bouwvoorkaart diverse afwijkende gronden aangegeven, zoals stortgronden,
zanddepots, vloeiwallen en tochtwallen. De schaal van de kaart liet niet toe
de aard van deze voor het merendeel heterogene gronden aan te geven.
Derhalve is volstaan door middel van een stippeling alleen do plaatsen aan
te geven, waar deze afwijkende gronden voorkomen.
Voor een tweetal stortgronddepots is hierop een uitzondering gemaakt,
nl. het stortgrondgebied in sectie L en dat ten noordoosten van I'rk. Voor
het droogvallen van de polder was het bekend, dat de bodem daar ter
plaatse grotendeels bestond uit in landbouwkundig opzicht minderwaardige
grond. Ten einde deze terreinen te verbeteren heeft men op grote schaal
grond gestort die bij het baggeren van de kanalen vrij kwam. De samenstelling van de grond binnen de depots varieert vrij sterk : op de bouwvoorkaart is de gemiddelde samenstelling aangegeven.
Nabij Urk bestaat de stortgrond ten dele uit oude zeeklei. Deze plekken
onderscheiden zich van de omgeving door hun veel hoger kleigehalte; vaak
is deze grond kalkloos en soms zelfs sterk zuur.
In tabel 18 is de samenstelling van de bouwvoor van de Noordoostpolder
nader aangegeven. Ten einde de overzichtelijkheid te bewaren, zijn verschillende zandtypen samengenomen bij de berekening van de oppervlakten in ha en procenten.
TABEL 18. Samenstelling van de bouwvoor in de Noordoostpolder
Oppervlakte
Symbool
Oa. Ob. la. l b
Oc. lc
Id
le. K
2b, 2c
2d
2e, 2f
3b. 3c
4
5
6
7
8
S
U
D
V
A
P
K
Omschrijving
Grof en matig fijn. kleiarm zand A en B
Midclellijn. kleiarin zand A en B
Zeer fijn, kleiarm zand B
Uiterst fijn. kleiarm tand B
Matig fijn en middelfijn kleihoudend zand A
Zeer fijn, kleihoudend zand A
Uiterst fijn. kleihoudend zand A
Matig fijn, kleiluniilenil /.and B
Lichte zavel A
Lichte zavel B
Zware zavel A
Zware zavel B
Klei \
Kalkhoudende klei op Schokland
Oudere kalkarme of kalkloze klei
Detritus-gyttja
Veen
\ .en-afbraakcomplex
1 'leistoceen zand
Keileem
Eiland Urk
in ha
1 1411
195
280
830
735
1 050
1 890
795
7 365
6 650
7 775
1 1 . ill l.S
330
130
150
410
585
690
455
41so
90
I S 0(1(1
in%
2.4
04
0.8
17
1.5
2.2
3.9
1.7
15.4
13.9
16.2
93 3
0.7
0.3
0.3
0.8
1.2
1.4
1.0
0.9
0.2
HHI
92
l i t t]o tabel blijkt, dat de zavelgronden de belangrijkste groep grondsoorten in de Noordoosipolder vormen. Met 79 % van do totale oppervlakte
geven zij de N
doostpolder wel het type van eon zavelpolder. De zandgronden nemen 14 % van do totale oppervlakte in, zodat do overige grondsoorten met slechts 7 % van het areaal van geringe betekenis zijn.
D E BODEMKAAKI
Zoals n o d s werd meegedeeld, is op de bodemkaart de aard van de bouw
voor in enigszins vereenvoudigde vorm weet gegeven, voornamelijk van de
zandgronden, waarin slechts drie typen zijn onderscheiden.
Behalve do bouwvoor is ook de aard van do ondergrond tot een diepte
van ITS cm aangegeven, althans vom /.ovei d.-ze in belangrijke mate afwijkt
van die van do bouwvoor. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen let voorkomen van do verschillende grondsoorten binnen 50 on tussen 50 cn 75 cm.
J)e ondeiM heidiugeii in de ondergrond hebben betrekking op kleiarm.
grof tot middelfijn zand, fijn zand en lichte /.avel, zware zavel en klei, oudere
kalkarme of kalkloze klei, detritus gyttja, veen, pleistoceen zand en keileem.
Wanneer bijvoorbeeld lichte zavel voorkomt binnen 50 of binnen 75 cm,
terwijl de bouwvoor eveneens uit lichte zavel (groepen 4 en 5) bestaat, wordt
het profiel als homogeen beschouwd; komt do lichte zavel echter voor op
plaatsen waar de bouwvoor uit zware /avel bestaat, dan is de ondergrond
aangegeven met een aparte notatie voor lichtere ondergrond.
Op ile bodemkaart is van een 10-tal plekken de samenstelling van hot
profiel weergegeven, met daarboven eon blokje aangevende de aanduiding
van hot desbetreffende profiel op de bodemkaart.
Wanneer men de bodemkaart overziet, valt hel op dat het areaal met
homogene profielen betrekkelijk klein is. In het centrale deel van de poldei,
waar de bouwvoor door de groepen 6, 7 en 8 wordt gevormd. komt binnen
50 cm bijna steeds fijn zand en lichte zavel voor. Deze lichtere ondergrond
bestaat vrijwel steeds uit sloefafzettingen. Ten oosten van Schokland
komen doze zo hoog in het profiel voor (fig. 13), dat zij deel uitmaken van
do bouwvoor. Doze behoort daardooi tot groep 5, zodat het voorkomen van
do Iii hie zavel aldaar in i\.- ondergrond niot is aangegeven. In hot westelijke
gedeelte van dit gebied met een bouwvooi van groep 5 bestaat de ondergrond uit zwaardere afzettingen (SI I", groep 6) (zie lig. 15).
\ anal het centrale gedeelte met een lichtere ondergrond naar het westen
gaande, vervalt de aanduiding van de Iii htere ondergrond doordat de bouw
VOOt OVergaal van groep ti naar groep 5. Naar hel oosten gaande vanuit hot
centrum komt over een smalle zone de li. I tere ondergrond tussen SO en
75 om voor. om daarna to dalen tot dieper dan 75 cm, hetgeen zowel een
gevolg is van de toenemende dikte van de Zuiderzee afzettingen als van de
toenemende zwaarte van de laag Zus. .Men verkrijgl aldus in het oosten een
zeer smalle strook homogene, zwaardere grond, doch zodra de bouwvoor tot
groep 5 gaai behoren, komt het teken voor zwaardere ondergrond binnen
50 (in Op t\v kaart voor. Hier rusl do bovengrond op zwaardere Zuiderzeeafzettingen, aanvankelijk voorkomend binnen 50 cm, verder oostelijk tussen
50 en 75 cm. Nogoostelijkor ligt dc zwaardere ondergrond dieper dan 75 cm,
zodat het profiel tot een diepte van 75 cm bestaat uit lijn zand (zie ook
fig. 23).
In zuidoostelijke richting vindt men een soortgelijk verloop. Aanvankelijk
bestaat do ondergrond binnen 50 cm uit lichte zavel onder eon bovengrond
van zware zavel. Do lichte zavel komt vervolgens slecht- tussen 50 on 75 cm
VOOT, om in zuidoostelijke richting ten slotte beneden 75 cm to verdwijnen.
Bij de overgang van de zware zavel naar de lichte zav el wordt ,\c ondergl ..nd
die minder snel in zwaarte afneemt. als zwaar aangeduid, aanvankelijk
voorkomend binnen 50 cm, in het zuidoosten tu—on 50 on 75 cm.
Over vrij grote delen van de polder komt binnen 50 of binnen 75 cm veen
..f detritus v....i (bijlage 3, iig. 12), terwijl ook hot pleistocene zand ..v. i een
betrekkelijk groot areaal binnen 50 of binnen 75 cm voorkomt (bijlage 2
In het gebied nabij Tollebeek is onder eon bovengrond bestaande uit
lichte zavel hot voorkomen van zwaardere ondergrond aangegeven. Deze
zwaardere ondergrond bestaat hieruit oude zeeklei. die over eon betrekkelijk
klein gebied binnen 75 cm aanwezig is (fig. 10).
In het algemeen zijn do afzettingen van lokale oorsprong tamelijk homogeen van opbouw. lb t Ramspolzand en het Urkzand zijn dan ook op de
kaart al- homogene bodemtypen aangegeven. Het Kuinrezand i- voor eon
deel homogeen. doch een deel ervan is dunner dan 50 cm en rust op venige
grond.
Bij de bespreking van de bouwvoorkaart werd reeds opgemerkt, dat de
overgangsstrook tussen het Blokzijlzand en hot Kuinrezand bestond uit eon
mengsel van de/.e twee zanden. In de ondergrond is het gebied waar de
vermenging tus-eii deze twee afzettingen plaatsvindt nog aanmerkehik
groter. Hier wisselen grofzandige en fijnzandige lagen.
en vlougjos
elkaar in bonte verscheidenheid af. Aangezien hel middelfijne, kleiarme
Kuinrezand in de ondergrond overhoorst, i- in dit gebied op de bodemkaart
do aard van de ondergrond aangegeven met het token G.
Naast de tot nu beschreven bodemgesteldheid is op de kaart tevens
aangegeven de landbouwkundig belangrijke kwel. Doordat deze kwel sums
zeer sterk plaatselijk kan optreden en daarbij zeer moeilijk in verschillende
gradaties van sterkte is te karteren, zal het duidelijk zijn, dat de wijze
waarop het voorkomen van de landbouwkundig belangrijke kwel is aan
gegeven slechts als zeer globaal moet worden gezien. Voor uitvoerige beschouwingen omtrent de kwel in de Noordoostpolder zij verwezen naar
VAN DER MOLEN on Sn HEN (1955).
Do kwel is naar de sterkte en do invloed die zij daarbij op hot bodemprofiel uitoefent. onderverdeeld in drie groepen:
l e . Landbouwkundig gunstige kwel. Deze voor het merendeel in eon
zwakke vorm optredende kwel is op dc kaart aangegeven op die plaatsen,
waar zonder kwel de vochtvoorraad in de zomer niet geheel voldoende zou
zijn. Do kwel steunt in dit geval de vochtvoorziening in de zomer, zodat de
waarde van de grond or dooi wordl verhoogd of — bij toepassing van
infiltratie — de hoeveelheid infiltratiewater kleiner kan zijn. Het grootste
M
gebied dat onder dit kweltype gerekend kan worden, treft men aan in een
vrij brede strook langs de Western.eerdijk tussen Lemmer en Urk. Van de
hier voorkomende lichte zavel- en zandlagen is de vochthoudendheid in de
zomer te gering voor een optimale vochtvoorziening. Verder treft men ten
zuiden van Kuinre een klein gebied aan met een gunstige kwel. Door het
van nature weinig vochthoudende pleistocene zand d a t hier de ondergrond
vormt, zou de vochtvoorziening in de zomer niet voldoende zijn, zodat de
hier optredende zwakke kwel voor een (gedooltelijke) compensatie zorgt.
2 e . Landbouwkundig ongunstige kwel. In het oosten en zuidoosten van
de polder treft men in een brede strook, op enige afstand van de kust,
profielen aan mei een zware ondergrond. Door de hier optredende kwel
wordt de rijping van deze ondergrond zeer belemmerd, waardoor voor deze
profielen een nauwere drainage noodzakelijk is. Ook in het zuiden van de
polder, ten zuiden van Schokland treft men een soortgelijke toestand aan.
Langs de Westermcerdijk daarentegen en in sectie A is het verschijnsel
van de daar optredende kwel, die overigens op dezelfde wijze is aangeduid,
enigszins anders. De kwelsterkte is hier nl. belangrijk groter dan in het oosten
van de polder. Doordat de profielen hier uit lijn zand en lichte zavel bestaan,
welke niet of bijna niet scheuren. is de invloed van deze sterkere kwel op de
rijping van de grond en de daarmede samenhangende drainafstand niet
groter dan in het oosten van de polder.
3 e . Landbouwkundig hinderlijke kwel. Op enkele plaatsen in de polder
treedt een kwel op die de rijping in sterke mate belemmert, zo sterk zelfs,
dat deze invloed niet is op te heffen door een nauwere drainage. Dit is in
het zuidoosten van de polder het geval. Langs de Westermeerdijk, in de
secties B en C, is op een smalle strook tegen de dijk de dijkskwel zo sterk,
dat door een nauwere drainage geen gunstige grondwaterstand kan worden
verkregen. Op deze overigens normale gronden is de oogstzekerheid geringer
door het veelvuldig optreden van oogstdepressies.
95
VTI.
STORTGRONDEN,
VLOEIGRONDEN,
ZANDDEPOTS
TOCHTWALLEN
EN
INLEIDING
Bij de waterbouwkundige werken voor do Noordoostpolder i- veel grond
verzet uitgevoerd. Een van de vragen die zich hierbij voordeden en waarop
van bodemkundige zijde een antwoord werd verlangd, is de vraag van tUberging van de bij het grondverzet vrijkomende grond.
H e t grondverzet voor de Noordoostpolder bestond enerzijds uit lui
wegbaggeren van slappe lagen ter plaatse van de dijk, van enkele weg
trace's en van de toekomstige bewoningskernen Emmeloord en Marknesse,
anderzijds uit hot voor hot droogvallen van de poldei baggeren van de
kanalen en enkele tochten en ten slotte, na het droogvallen, uit het opschonen van reeds gebaggerde kanalen en tochten en hot graven van de overige
tochten en kavelsloten. De bij het wegbaggeren van d e slappe lagen ter
plaatse van de dijk vrijkomende grond is vrijwel geheel buiten de polder
gestort en kan derhalve in dit verband buiten beschouwing worden gelaten.
De grond afkomstig van de grondverbetering ter plaatse van Emmeloord
en Marknesse is gestort in sectie L, welk gebied in de volgende paragraaf
nader wordt besproken.
Bij bet baggeren ten behoeve van de bovengenoemde grondverbetering
en voor de aanleg van de kanalen en enkele tochten is door de baggermolens gewerkt in verschillende sneden. Men heeft er naar gestreefd het
profiel zodanig in te delen dat de sneden zo veel mogelijk zouden bestaan
uit een van de volgende grondsoorten: zand, voor de landbouw bruikbare
grond, voor de landbouw onbruikbare grond.
Het zand is in hoofdzaak bestemd voor de grondverbetering van wegtrace's of bewoningskernen en voor het overige deel gestort in depots. Hierbij
heeft men er naar gestreefd deze depots zo dicht mogelijk te maken bij de
plaats waar in de toekomst veel zand nodig zou zijn (kruispunten van wegen,
aanleg dorpen enz.).
Wanneer een baggersnede in hoofdzaak bestond uit landbouwkundig
geschikte grond is het gebaggerde materiaal zo mogelijk gebruikt om hiermee
voor de landbouw minderwaardige gronden te bestorten ten einde i\o
kwaliteit van de grond Io verbeteren. Wanneer do v aaiat-tand to groot
werd voor deze wijze van werken, mede in verband met het beschikbare
materiaal (sleepboten, bakken), is de baggerspecie gestort op andere daartoe
bestemde terreinen.
Het onderscheid tussen voor de landbouw geschikte en voor de landbouw
ongunstige grond valt niet scherp aan t e geven. Een van nature slechte
96
grond in de polder kan worden verbeterd mot grond die, wanneer deze op
betere grond /.mi zijn gestort, een waardeverrnindering van de bodem tot
gevolg zmi hebben. Baggerspecie bestaande uit veen heeft bij het storten
op veengrond geen of si.. hi- een uiterst geringe waardeverrnindering van
do bestorte plek ten gevolge.
Voor zover de vaat afstand niet te groot was, hoeft men de voor do landbouw ongunstige grond buiten do polder gevaren en aldaar gestort. Voor het
veen uit het centrum van d e polder was d e vaarafstand tot buiten de polder
evenwel te groot. Men heeft dit veen gestort op een plaats waar de waardeverrnindering betrekkelijk klein zou zijn, namelijk op het recreatieterrein
ten noorden van Emmeloord.
Na het primair baggeren van de kanalen en enkele tochten heeft zich
hierin wederom veel slib afgezet. Dit slib is ten dele roods vom hot droogvallen weei verwijderd. Zo lang do watordiepte naast het kanaal groot
genoeg was voor sleepboten en bakken is lut j. inge slib op enige afstand van
de kanalen gestort. Nadat de watei stand te laag was geworden heeft men
het slib hetzij met vloeimolens via vloeigoten, hetzij met perszuigers via
pet-leidingen langs do kanalen gevloeid of geperst. Bij het vloeien van hot slib
zijn lange stroken vlooiwallon ontstaan, bij hot pcrsen ontstonden vloeidepots.
De tochten zijn gedeeltelijk met baggerm
raven, waarbij vom hot
droogvallen van do polder t\f uitkoinende grond. evenals bij de kanalen,
is weggevoerd en elders gedeponeerd. Voor een deel zijn do tochten na het
droogvallen met baggermolens gegraven, waarbij do vrijkomende grond
in zogenaamde primaire vloeiwallen naasl do tocht op de wal is gevloeid.
Hot grootste doel van de tochten is echter met draglin
ven na hot
droogvallen. De uitkomende grond is daarbij aanvankelijk in eon hoge wal
naast do tochl gedeponeerd en later over een gedeelte v an do kavel verspreid.
De kavelsloten zijn deels met de hand, deels n e t dragline- gegraven. De
nil komende grond is veelal verspreid over een strook van 15 in breedte,
ter weerszijden van de sloot. Deze slootgrond is bij de bodemkartering met
opgenomen en derhalve ook niet o p de bodemkaarten aangegeven.
In tabel 19 is een overzicht gegeven van de hoeveelheid grondverzet bij
hot primain baggerwork, waaronder wordt verstaan hot wegbaggeren var.
de oorspronkelijk aanwezige afzettingen.
TABEI.
19.
O m v a n g v a n h e t p r i m a i r e b a g g e r w e r k in de X o o r d o o s t p o l d e r . u i t g e d r u k t
in m s
Plaats van herkomst
kanalen
/and
GeineiiKile g r o w l (klei e n
dorps
tochten
5 755 0 0 0
295 0 0 0
8 145 0 0 0
225 0 0 0
9 2 s lion
| 14 125 000
1 220 000
wegbanen
Totaal
kemen
i; 05(1 (Kin
545 (HM.
5 1 5 000
2 725 (10(1
l-j :i in oon
225 000
' 2 7 2 5 0 0 0 ' 18 6 1 5 0 0 0
97
Het secundaire baggerwerk, waaronder wordt verstaan het verwijderen
van het in de reeds gebaggerde kanalen en tochten weer afgezette -lib.
omvatte ongeveer 11 510 000 at*. Na het droogvallen is uit de met draglines
gegraven tochten nog ongeveer 6 000 000 m 3 grond vrijgekomen.
D E GROTE STORTGRONDGEBIEDEN NAUIJ
K I I N K I : , URK BH EMMELOORD
l i t het bodemkundige onderzoek voor het droogvallen van de polder
was gebleken dat de bodemgesteldheid in verschillende delen van de polder
zodanig was, dat deze kon worden verbeterd met behulp van de grond
afkomstig van de grondverbetering van de dorpskernen en uit de kanalen.
D a a r in verband met de diepgang van de onderlossers een waterdiepte van
ongeveer 2 m vereist was, is uiteindelijk de keuze gevallen op twee gebieden,
het ene gelegen in sectie L nabij Kuinre, ter grootte van ongeveer 535 ha,
het andere gelegen in sectie D , met een oppervlakte van ongeveer 210 ha.
In sectie L reikte het dekzand over een vrij groot areaal vrijwel tot aan de
oppervlakte, zodat het gewenst leek op de slechts zeer dunne afdekkende
laag Zuiderzee-afzetting een laag stortgrond aan te brengen. In het gebied
nabij Urk bestond het profiel uit het relatief grove en lutumarme Urkzand.
Daar het aanbrengen van een laag stortgrond slechts mogelijk was bij
een waterdiepte van ongeveer 2 m is in het gebied nabij Kuinre, gelegen
boven 2.5 m — N.A.P., geen stortgrond aangebracht. Nabij Urk ligt een
klein gedeelte van de stortgrond op een Ioi rein met een hoogte van ongeveer
1.5 m — N.A.P., doch het grootste deel ligt ook daar op plaatsen met een
diepte van meer dan 2.5 m — N.A.P.
De te bestorten terreinen waren verdeeld in vierkante vakken ter grootte
van ongeveer 25 ha. Het lag in het voornemen doze vakken na elkaar te
bestorten met een laag ter dikte van 50 cm. Door allerlei omstandigheden
is hot stmtplan echtei niet geheel voltooid.
Voor de verbetering van het gebied in sectie L is ongeveer 2 000 00(1 nv'
gestort, waarbij de grond afkomstig was van het baggerwerk ter plaatse van
Emuieloord en Marknesse en uit de kanalen. De stortgrond bestond hoofdzakelijk uit Zuiderzee-afzettingen en sloefafzettingen met uiteenlopend
humusgehalte. De grond is bij het baggeren en storten tamelijk goed geiiiongd; de samenstelling varieert van zwak humeuze, lichte zavel A (4h)
tot huniouzo lichle zavel B (5 h |. Hier en daar komen plekken zwaardere
grond voor, afkomstig van oude zeeklei.
Na het storten is bijna 40 % van de stortgrond weggespoeld, uiteraard het
meeste van de koppen. Het relief is daardoor afgevlakt; bij de ontginning
en tijdens de daarop volgende cultuurperiode werd deze egalisatie, doch nu
met opzet, voortgezet. Als gevolg daarvan ligt de stortgrond thans, op
korte afstand bezien, ongeveer vlak; over grotere afstanden komen echter
nog aanmerkelijke diktev•erschilien voor.
Slechts in een kleine kern bestaat het profiel tot 50 cm uit stortgrond;
hot gebied met een laag stortgrond tot 35 a 40 cm beslaat ongeveer } van
het gehele stortgrondterrein. Ook deze plekken vormen echter nog losse
kernen, waaromheen de laag stortgrond dunner is. Op de gedeelten met
minder dan 25 cm stortgrond heeft men veelal te maken met verspoelde
grond, die in het algemeen humeuzer is. Daardoor is de bouwvoor op plekken
waar deze slechts gedeeltelijk uit stortgrond bestaat, toch nog zwak humeus.
Door het bestorten is de gebruikswaarde van deze gronden stork toegenomen. De dikte van het kleihoudende dek is echter niet groot genoeg
om de watervoorziening van de gewassen in droge zomers te waarborgen.
Met gebied is dan ook geinfiltreerd, waarmede de watervoorziening veilig
is gesteld. De waarde voor do landbouw van het stortgrondgebied is 20 %
tot 30 % hoger dan die van de aangrenzende, niet bestorte gedeelten met
het dekzand op zeer geringe diepte.
Tabel 20 bevat enkele analyses van stortgrondmonsters uit het gebied
in sectie L.
TABEL 20. Samcnstellin;; van een aantal stortgrondmonsters uit het gebied bewesten Kuinre
100 g droge stot bevatten in g
Kavel
11
C
B
s
V
L
I.
I.
L
EC
i.
37
38
in
46
62
;i8
1
5.1
5.6
5.6
7.0
7.5
13.3
I
8
O
'rC
5.3
71
3.6
6.0
3.0
3.3
s:i
4.8
7.1
6.1
5.5
6.7
De subfractie 2-
Spec,
opp.
zandfrac
lull-')
van de subfiacties {in nm)
-*
1 ^
7
i
=
5.1
5.6
5.6
7.0
7.5
18.8
=
9.5
9.S 32 2
9.8 24.6
10.1
43.7
12.6
± 15.9 39.6
± 9.2 2N.2
± 15.8 26.1
6.7
7 I
±
.
5(1
•I 1
?,
'5
"
6.5
7.2
5.1
3.8
6.1
3.7
10.3
II 9
7.0
5.5
11.2
6,3
c
9.7
11.8
6.4
5.6
12.6
8.7
4.6
5.0
3.0
2.6
6.6
5.0
1.6
1.6
0.7
0.9
2.3
1.6
0.3
0.3
0.1
0.2
0.5
0.3
0.1
0.2
0.1
0.1
0.2
0.1
210
187
256
266
191
210
16 inn is bij deze monsters niet rechtstreeks bepaald. doch met behulp van vers lui
lende gegevens berekend
Het stortgrondgebied nabij Urk beslaat een oppervlakte van ongeveer
210 ha. Hier is ongeveer 1 500 000 m 3 baggerspecie aangevoerd, voornaun hjk
afkomstig uit de Urkervaart, de Espelervaart en de Nagelervaart. De
bestorting heeft plaats gehad op overeenkomstige wijze als bij het depot
ten westen van Kuinre. In het gebied bij Urk is echter meer egalisatie
nodig geweest, doordat de dikte van de stortgrond hier vrij sterk uiteen hep.
De aard van de gestorte baggerspecie loopt -terk uiteen. Het grootste
gedeelte bestaat uit meer of minder humeuze sloefafzettingen met varierend
lutumgehalte (grondsoorten 4 h , 5 h , 6 h ). Soms evenwel is de stortgrond nog
lichter van samenstelling en bestaat uit kleihoudend zand. Indien er oude
zeeklei gestort is, en deze oude zeeklei tijdens hot baggeren niet vermengd is
met lichtere grond, bestaat de stortgrond uit klei (8 h ). Deze klei is soms
koolzure-kalkarm of zelfs kalkloos, zodat op enkele plaatsen na het droogvallen eon sterke daling van de pH optrad.
M
Ook in hot stortgebied nabij Urk is de dikte van de kleihoudende laag o p
de meeste plaatsen niet voldoende om de vochtvoorziening van de gewassen
in droge zomers te waarborgen. Het gebied is dan ook tezamen met de niet
bestorte zandgronden van een inhltratiesysteem voorzien.
In tabel 21 zijn enkele analyses van stortgrondmonsters uit het gel mil
nabij Urk opgenomen.
21.
:
s a m e n s t e l ing v a n een a a n t a l s t o r t u r n n d m o n s t e r - ml lie! gebied t.-n o o s t e n \ an 1! •k
Mill H ilnige stof b e v a t t e n in g
i.
D
1)
D
H
ll
1)
D
D
D
li
in;
90
117
ns
55
54
119
129
89
87
86
4.'-'
5.4
6.1
7.0
78
9 i
12.11
15.4
31.9
35.0
35 2
3.4
6.7
3.1
4.9
4.8
7.2
5 5
7.4
5.9
6.7
4 II
WS
i-.
i - i 1:1
N
1 2 4.9
41
3.4
5.4 6.5
i. 1 5.9 15.6 19.4
4.5
41
7.0 7.5 15 9
8.6
7.8 I'J n 27.1 19.5
7.9
'i 5 s.H
4.4
6 . 3 12.0 14 2
2 . 0 1 5 4 8.6
0 . 3 3 1 . 9 18.1
II a 35.0 18 9
1 n 35.2 19.7
7.7
11
13.2
7.2
5 2
5.4
e
8
o
o
-r
1
:
IC
7.6
8.3
2.3
C-l
7.8
11.0
(17
6.2
9.3
nl
3.8
53
0.2
2000
©
.e.
und
u
Q
r.
tr,
-
600- 85
5«
E
-
105—150
il
JJ
2£
105
|1
S
75
Kavel
Spec.
v a n de subtree ties (in mu)
jr.
H.
19
i l l .
o 1
3 2
1.6
0
0.2
0
in
l l . t stortgroiidooinplox benoorden Emmeloord beslaat een oppervlakte
van ongevcei IStl ha Hier i- 1 .'.00 000 m 3 baggerspecie gestort, afkomstig
van hot baggerwerk tor plaatse van Emmeloord en van enkele andere
gebieden. Een deel van deze specie bestond uit veen en zure grond en
behoorde derhalve tot voor de landbouw ongunstig materiaal. Zoals in de
inleiding reed- is vermeld, was do afstand to groot om deze grond buiten
de polder te brengen, zodat besloten werd dit materiaal te storten op het
vom recreatie bestemde terrein.
Onmiddellijk na het storten is reeds veel venige grond verspoeld. Het
overgebleven deel is plaatselijk nog sterk venig, doch hot grootste deel
bestaat uit humeuze lichte zavel (4h en 5 h ); er komen ook enkele zandige
plekken voor. De dikte van de stortgrond bedraagt o p vele plaatsen 80 a
100 cm.
O V E R I G E STORTGRONDDEPOTS
Voor zover de vaarafstand mot hot oog op het tor beschikking staande
materiaal (sleepboten en bakken) te groot was om de voor de landbouw
opp.
zandfractie
|U)
149
132
224
geschikte baggerspecie in de beide grote depots te storten, heeft men de
baggergrond gedeponeerd op stortplaatsen welke in hot algemeen niet meer
dan - km waren verwijderd van de plek waar werd gebaggerd. Hierbij heeft
men er veelal naar gestreefd de stortgrond op het midden van een later te
maken kavel te deponeren. De plaats waar de sloten zouden komen, bleef
dan vnj. zodat geen extra grondverzet bij het graven der sloten nodig was,
terwijl de afwatering van de kavel naar de sloten bevorderd werd. 4\angezien
later het verkavelingsplan enkele malen is gewijzigd, is deze wijze van
werken niet geheel tot zijn recht gekomen. Verschillende stortgronddepots
liggen thans niet op het midden van de kavel.
Bij de kleine depots is hot in het algemeen vrij goed gelukt de oppervlakte
van de stortplaats vlak te houden. doch op verschillende depots was na het
droogvallen egalisatie noodzakelijk.
Sommige stortgronddepots bestaan geheel uit slib, afkomstig van het
secundaire baggerwerk. Dergelijke depots vindt men op de kavels F 14, 15,
24, 33. G 26. 27, M 2, 16, 27 en 28. Op de kavels G 103, L 3 , 15 en M 52
vindt men naast elkaar zowel specie van primair als van secundair baggerwork.
De samenstelling van de stortgrond van het secundaire baggerwerk is
gelijkmatiger dan van de depots van de primaire specie. Ook is het lutumgehalte veelal hoger, tenzij bij het secundaire baggerwerk pleistoceen zand
mee is opgehaald, hetgeen bij enkele depots het geval is.
Op de kleinere stortgronddepots is in totaal ongeveer 3 700 000 m 3 grond
gedeponeerd.
D E VLOEIGRONDEN
Zoals hiervoor reeds is beschreven, is er veel slib bezonken in de onder
water gebaggerde kanalen. Gedeeltelijk is dit slib met baggermolens verwijderd, een ander deel is met een persmolen in depots gevloeid.
Bij het opschonen van de kanalen is van de bodem vrij veel zand, afkomstig van de pleistocene ondergrond, mee omhoog gebracht. De specie
bestond derhalve uit een mengsel van slib en zand. dat met water vermengd
in de depots is geperst. Doordat de verschillende bestanddelen van de specie
een ongelijke bezinkingstijd hebben, vindt bij de afzetting een sortering
plaats. Vlak bij de uitmonding van de buis worden de snel bezinkende delen
afgezet, verderop do langzaam bezinkende. Zo vindt men het zand steeds in
de omgeving van de plaats waar de uitmonding heeft gelegen; de fijnere
delen zijn verderop bezonken. De organische bestanddelen blijven lang in het
water zweven, zodat deze aan de rand van de depots worden afgezet. Bij
deze wijze van werken ontstaan dus vaak sterk zandige spuitkoppen, tenzij
tijdens het spuiten de uitmonding van dc persbuis herhaaldelijk wordt
verlegd.
Na het droogvallen is het secundaire baggerwerK voortgezet, waarbij
de vrijkomende grond, vermengd met water, terzijde van het kanaal is
gevloeid. Een kade langs het kanaal voorkwam het terugvloeien van de
specie. Door deze wijze van werken is de laag vloeigrond hot dOcste langs het
101
water. Bovendien vindt men hier de snelst bezonken delen, zodat vele vloeiwallen langs het kanaal uit zand bestaan of zandig zijn.
Toen de wallen te hoog boven het water kwamen te liggen voor deze
werkwijze, zijn weer vloeigronddepots gemaakt, zoals hiervoor is beschreven,
Zandige spuitkoppen, ontstaan bij het maken van vloeigronddepots,
vindt men op de volgende kavels: A 83, 86, 88, E 5. 7, F 13, 85. 92. 99, <. 29,
H 6 3 . 64, 103, IOI. | 94, K 3 2 , 3 3 , M 15, 126,0 10,33, 41, 41, 48, 51. VM.
86, 87, 108. Q 3, S 4, 9, 13, 14, T 17 en T 21.
Hij hot gebruik voor landbouwdoeleinden onderscheiden de vloeigronden
zich evenals de stortgronden in twee opzichten van iU- normale gronden in
de Ijsselmeerpolders, namelijk door hun heterogene opbouw en door hun
hogere gehalte aan organische stof.
De vloeigronden zijn minder heterogeen dan de stortgronden door de
schifting van hot materiaal, die bij het bezinken heeft plaatsgevonden
De heterogeniteit van deze gronden is veelal zodanig dat bij de toepassing
van cultiiiirmaatregelen wel rekening kan worden gehouden met de variatie
in bodemgesteldheid.
Wat hot organische-stofgehalte betreft, de secundaire vloeigrond bevat
vrij veel vers organisch materiaal, afkomstig van de in de vaarten levende
flora en fauna. Bij afbraak van de organische stot komt stikstof vrij.
In tabel 22 zijn enige gegevens betreffende de samenstelling van enkele
monsters vloeigrond uit de Noordoostpolder opgenomen
TABEL 22. S.niienstelling van enkele monsters vloeigrond uit de Noordoostpolder
100 g droge stof bevatten in g
Kavel
F
S
i
J
J
E
E
10
10
82
42
19
18
3
lutum
(0—2 mu)
3.2
8.0
12.0
15.5
21.5
30.3
36.7
ai
slib
16 nun
3.8
13.4
19.2
32.4
447
55.6
566
organische
stof
kooi/ure
kalk
0.6
2.2
2,5
4.9
6.6
7.6
10.9
1.0
8,0
47
10.1
9.1
10.1
7.1
l cijfer
zandfractie
111
262
182
—•
—
—
—
D E TOCHTWALLEN
De tochtwallen kunnen worden onderscheiden naar de wijze waarop do
to. I it en zijn gegraven. H e t grootste deel is gegraven met draglines, enkele
zijn gebaggerd voor het droogvallen van de poldei. doch voor en tijdens het
droogvallen grotendeels volgoslibd, terwijl ton slotte enkele tochten zijn gel mg
gerd na hot droogvallen van de polder, waarbij de specie o p d e wal is gevloeid.
Alle tochten zijn later opgeschoond en afgewerkt met draglines. De
tochtgrond is derhalve geheel of gedeeltelijk door draglines verwerkt en
draagt daarvan de sporen door de ongelijkmatigheid van de v -erwerkte grond.
102
Hi gevloeide tochtwallen langs de onder water gebaggerde tochten
bestaan voor een belangrijk deel uit jong slib, afkomstig van hot opschonen
van de tochten, doch zijn minder gelijkmatig dan de vloeiwallen lang- de
kanalen door de vermenging met door de draglines uit ,\,- tocht omhooggebrachte grond.
Hot materiaal van de overige gevloeide tochtwallen bevat geen jong -lib
en hoeft daardoor ecu andere samenstelling. Ook doze vloeiwallen zijn
minder gelijkmatig dan die langs t\r kanalen door de bijmenging van
dragline-grond.
De tochtwallen, bestaande uit grond welke geheel met dragline- i- ver
werkl, vertonen do meeste overeenkomst mei de stortgronden afkomstig
van primair baggerwerk. De gevloeide tm htwallen vormen een overgang
tussen stortgrond on vloeigrond, al n a a r d e hoeveelheid bijgeniengde grond.
Daar de meeste tochten door draglines zijn gegraven on de gevloeide tochtwallen minder homogeen zijn dan de vloeiwallen langs do kanalen is de
tochtgrond op do bodemkundige kaarten I : 2500 als stortgrond aangegeven.
Op de c d . kaarten 1 : 1 0 0 0 0 zijn de tochtwallen niet nader aangeduid,
aangezien bij de kartering do door de draglines opgeworpen wallen nog niet
alle geslecht en sommige tochten zelfs nog niet eens op definitieve diepte
gebracht waren.
De tochtwal is later over eon grotere of kleinere afstand over do kavel
verspreid. Daar vole tochtwallen een belangrijke hoeveelheid pleistoceen
zand en/of veen bevatten, is de waarde voor landbouwdoeleinden van do
geegaliseerde tochtwal op vele plaatsen kleiner dan die van de oorspronkelijke bodem. Door diepploegen worden in vele gevallen de oorspronkchike
bovenlagen mot SUCH- weer naar boven gebracht,
DE
ZANDDEPOTS
Zoal- in de inleiding teed- is vermeld, bevatten de zanddepots hel / a n d
waarvoor geen directe bestemming was. Do depots zijn aanvankelijk
omsloten door een keileemdam, waarbinnen het zand werd gestort. Bij latere
depots heeft men slechts gedeeltelijk dammen gemaakt, of deze zelfs geheel
weggelaten.
In totaal is in de zanddepots ±_ 2 0 0 0 0 0 0 m 3 zand opgeslagen, waarbij
de meeste depots op een kruising van gt-projecteerde wegen lagen. In het
midden van do poldei, waar enerzijds veel zand nodig was in verband met
de grote dikte der slappe lagen en er anderzijds juist door de diepe ligging
van hot pleistocene oppervlak weinig /.and ter beschikking kwam bij het
| work, is op een enkele plaats (kavels E 169 en 170) zand vanuit het
IJsselmeer aangevoerd.
In gebieden met gebrek aan zand heeft men de depots zo zorgvuldig
mogelijk afgegraven. Vim eon depot op de hoekpunten van do kavels F 45 en
F 97, waar 18 000 iu ; is gestort, is slechts op de kavel F 97 over een kleine
oppervlakte een laagje ter dikte van 5 a 10 cm achtergebleven.
Verschillende andere depots zijn echter niet geheel weggehaald. In
sommige gevallen heeft men het resterende zand in een depot van kleinere
103
oppervlakte bijeengebracht. m andere gevallen is het overgebleven zand
in eon dunne 1.
re
oppervlakte buiten het depot verspreid,
terwijl elders het zand door diepploegen met eon laag oorspronkelijke grond
is overdekt.
Do keileemdammen vormden, voor /.over de keileem voor bepaalde duel
einden niet was verbrtukt, eon moeilijkheid bij het opruimen van de zanddepots. Het resterende deel van de dammen is veelal of in een zeer dunne
over de omgeving verspreid ol door spitten met andere grond ver
mengd.
104
V I I I . G R O N D V E R B E T E R I N G DOOR D I E P P L O E G E N EN O N D E R GRONDBEWERKING
DIEPPLOEGEN
In het voorafgaande is ook gebleken, dat bij de kartering op verschillende
plaatsen in de Noordoostpolder bodemprofielen werden aangetroffen,
waarvan de bovenlaag van mindere kwaliteit was dan do daaronder gelegen
lagen. Hierdoor waren uiteraard ook d e desbetreffende percelen van mindere
kwaliteit. Dit betrof in de eerste plaats die gevallen waar in het oorspronkelijke profiel zand of zeer lichte zavelgrond rustte op zwaardere grond.
Deze profielen vond men hoofdzakelijk in lut oosten en zuidoosten van de
polder bij de overgangen van het Blokzijlzand (tussen Kuinre en Vollenhove), het Ramspolzand en het Urkzand (rond Vollenhove) naar de zavelgronden. Ook in do omgeving van Urk trof men plaatselijk dergelijke profielen aan.
Daarnaast is ook op vele plaatsen, waar zandige of heterogene stortgrond,
vloeigrond of tochtgrond op goede grond was gedeponeerd, de onderliggende
natuurlijke grond beter dan de stortgrond. Men vindt deze gedeponeerde
gronden verspreid over het gehele gebied van de Noordoostpolder.
Het lag voor de hand te trachten boveiigenoemde profielen door „omkering" te verbeteren. Dit is in veel gevallen mogelijk gebleken door diepploegen, waarbij de goede grond meer of minder volledig naar boven en de
mindervvaardige grond naar beneden word gebracht. Ploegdiepten tot
± 1.70 m /ijn toegepast. In veel gevallen kon of moest echter met een
geringere diepte van ploegen worden volstaan, afhankelijk van de dikte
van de slechtere bovenlaag en de dikte van de betere onderlaag. E r is
daarbij als ideaal gestreefd naar een goede bovenlaag van tenminste 60 cm
dik, wat echter vanwege het beschikbare profiel niet altijd te verwcrkelijkcn
was. Hoewel de kosten van dit diepploegen vrij groot waren (bij het prijspeil
van 1959 globaal van f 200 per ha bij een diepte van 50 cm tot f 1500 bij eon
diepte van 170 cm), was de waardevermeerdering die er door werd verkregen meestal groter, zodat het diepploegen in het merendeel der gevallen
die er voor in aanmerking kwamen reeds is toegepast.
Behalve d e genoemde profielen van een mindere bovenlaag op een betere
onderlaag. kwam ook het omgekeerde voor, namelijk gronden met een
betrekkelijk dunne zware laag op grof zand (meestal pleistoceen zand). Ook
deze gronden zijn minder waard dan homogene zavelgronden omdat zij
armer en vooral omdat zij drooglegevooligor /ijn, zij het ook in mindere mate
dan homogene zandgronden of dikke zandlagen op zavel. Voor dit type
gronden kan een verbetering worden verkregen door de zware laag door
herhaald diepploegen of door eon bewerking met een speciale woeler t e
mengen met eon doel van het onderliggende zand. De zware laag wordt
105
daarbij weliswaar lichter. doch als het lutumgehalte ervan maar niet daalt
beneden de 10 %, dan is de waardedaling hierdoor veel geringer dan de
waardevermeerdering door het toenemen van de dikte van de laag en
daarmee ook de weerstand tegen droogte. Het heeft ook in dit geval
geen zin de zware laag dikker te maken dan 60 cm. Dieper dan cloze 60 cm
wordt in dit geval dus nooit geploegd.
Zowel in het geval van zand op zavel als van zavel op zand, kon meestal
aan de droogtegevoeligheid ook tegemoet worden gekomen door infiltratie.
Voor een goede werking van de infiltratie moest de zandlaag op de zavel
echter een behoorlijke dikte hebben, zodat gronden waar de afdekkende
zandlaag dun was, niet werden geinfiltreerd. Het diepploegen van dit
profiel is dus begonnen aan de randen van de genoemde zandgebieden
(tevens infiltratiegebieden), waar uiteraard ook niet diep behoefdo to w< in len
geploegd. Echter is later, toen de technische mogelijkheden groter werden,
het diepploegen ook uitgebreid tot dikke zandprofielen ..p /avel, die er
ondanks de goed werkende infiltratie en de hoge kosten van het noodzakelijke zeer diepe ploegen, toch voldoende door in waarde omhoog gingen.
Met hot mengen van de profielen zavel op zand ligt dit iets anders. Dit is
feitelijk tot nog toe alleen toegepast als infiltratie technisch niot of moeilijk
uitvoerba.n via-. Voor een deel kan dit hieraan worden toegeschreven, dat het
goed mengen een moeizaam werk is, terwijl in veel gevallen de infiltratie
ondanks hot uitgevoerde mengen, toch gehandhaafd zou moeten blijven.
Tot eind 1960 is in totaal 3485 ha gediepploegd (zie tabel 23 en bijlage6).
Hierbij is ook inbegrepen een oppervlakte van l 0 8 ha veengrond. Deze
veengrond is gediopploogd als de afdekkende mariene laag dunner was dan
10 cm en binnen ± 100 cm (pleistoceen) zand voorkwam, mot do dnbbele
liedoeling het veen los te maken en de afdekkende minerale laag te verdikken tot 15 a 20 cm door bovenploegen van pleistoceen zand. Het aanwezige mariene deklaagje word daarbij zoveel mogelijk door . o v e i z e t t e n "
ook bovengehouden. Eon kleine Oppen lakte veen nabij I'rk, waar goon zand
kon worden bovengeploegd, is verbeterd door bedekking met It) cm kalkhoudend zand, aangevoerd uit de omgeving.
T A B E L 23.
Gediepploegde
ein.l 196(1
oppervlakte
hij verschillende
diepten
\cin ploegen
(ippervlaktc
Diepte in c m
in
30-^10
40—55
55—80
80 120
120—150
150 170
uiteenlopend '
mengwoelen
Totaal
1
Op proefvelden
h.i
222
S65
753
1079
271
108
i;i.
154
24 8
21.6
30.6
7.8
3.2
0.9
4.5
3485
ioo
.(.(
tot
106
Het resultaat dat met het diepploegen kan worden bereikt, blijkt als nu i
de bouwvoorkaart van eon gediepploegd perceel vorgelijkt met die van vooi
het diepploegen en nog vollediger als men een dwarsprofiel voor en na liet
diepploegen beziet (fig. 30).
Fig. 30. Opbouw van het profiel op kavel O 121 voor en na het diepploegen:
diepte ploegvoor 1 m, breedte ploegvoor 0.6 m
i omposition of the soil prop:
' 121 before and after deeppUnn
!o a depth of 1 in
Do proof op do som moet uiteraard de produktiviteit van de geploegde
gronden geven. Met vrij grote zekerheid kon wel worden vastgesteld. dat
de kunstmatig gevormde profielen eon vrijwel gelijk produktievermogen
hebben als vergelijkbare oorspronkelijke profielen die onder dezelfde omstandigheden van ligging, ontwatering, rijping en behandeling verkeren.
In gevallen dat hot produktievermogen tegenviel, waren het deze bijkomende omstandigheden, die hiervoor aansprakelijk konden worden gesteld.
H E T BREKEN VAN DE ONDERGROND
Het bodemprofiel bevat in sommige gedeelten van de polder grondlagen
.lu zo dicht zijn, dat zij water en lucht slecht doorlaten on plantenwortels
or moeilijk of niet kunnen indringon (JONKER, 1958). Bij een grond als het
plaatselijk voorkomende keileem is het onmogelijk hierin zodanige verbetering to brengen, dat landbouwgewassen er mot succes op verbouwd kunnen
worden. Deze grond wordt daarom intensief begreppeld, tot 35 a 50 cm
losgeploegd of -gespit en met bos beplant.
Bij andere dichte gronden hikt hel wel om door een bewerking de doorlatendheid zodanig te verbeteren, dat een normale. zij het ook vrij intensieve
ontwatering met drainbuizen en een normaal landbouwgebruik mogelijk
worden. I Iel is daarvoor in de regel voldoende gebleken als op bepaalde
afstanden door de grond met een slecht doorlatende laag, loodrecht op de
drainreekseii. do z.g. vemielploeg — die men /ich kan voorstellen als een
zeer zwan- nihiv atortand met ganzevoet — getrokken wordt. Dit gebeurt
naar do aard der bodemomstandigheden tot eon diepte van : 70 cm en op
onderlinge afstanden uiteenlopend van 1 tot 8 m.
107
Als de storende laag binnen bereikbare diepte werd gevonden (bij dieper
voorkomen was de storende working ook van minder belang), kwamen voor
deze bewerking in de eerste plaat- in aanmerking de profielen met con
/aud-oerlaag en die mei di< hte sloeflagen,
In gevallen van iets mindere dichtheid en weerstand van de ondergrond
heeft men meestal gebruik gemaakt van de ..Neptunus", zo genoemd wegens
zijn uitrusting met drie zware sterke ..i.union" op eon onderlinge afstand van
90< in, waarmede do ondergrond tot op een diepte van • 70 cm kan wi .uien
losgemaakt (lig 31). I >•- tanden be-taau uit verticale ..me—en", met aan
mill n i l
Fig, 31. OpbOUW van hel profiel op kavel I! SR vonr en ua hel broken van de
ondergrond nui de Neptunus: werkdiepte 70 cm
Soil profile of plot />' i
to a depth of 70 cm
de onderkant iets schuin omhoog lopende dwarsmessen van | 4 0 c m . Een
zelfde bewerking tot • 60 em is o.,k uitgevoerd mei con soortgelijk werktuig, do z.g. Ripper.
Vooral de bewerkingen op grotere afstanden uitgevoerd met de verniel
ploeg, maal vaak ook de bewerkingen mot N'optunus en Kipper, waren niot
altijd geeigend om de bezwaren die de beworteling ondervindl te ondervangen. Daarom heefl nun. v
al als de dichte, slecht doorwortelbare laag
vrij ondiep voorkwam. getracht con verbetering te verkrijgen door bij hot
gewone ploegen achtei iedere -chaar een ondergronder aan to brengen, om
zo de grond over do gehele oppervlakte tot maximaal 60 cm los te maken.
In do mei ste gevallen hebben do uitgevoerde ondergrondbewerkingen een
gunstig resultaat gehad. Het w-as echter nodig dai alleen gewerkt word
wanneer do grond vrij droog via- In natte grond is de brekende werking
geringer on ook minder duurzaam dan in droge grond, Om do verkregen
gunstige toestand in -land te houden was hel van belang. na do bewerking
rk on diep wortelend gewas te verbouwen, b.v. luzerne. Mode doordat
met een en ander niet altijd voldoende rekening is gehouden en soms ook
doordat do bewerking, met name van de vemielploeg, niet intensiel gi noeg
was gobeurd. heeft tot einde I960 een oppervlakte van | 1100 h a reeds een
herhaalde bewerking ondergaan. Overigens is in hot algemeen rekening
gehouden met de mogelijkheid. dat binnen afzienbare tijd een herhaling
nodig kan zijn.
108
In tabel 24 volgt een overzicht van de bewerkte oppervlakte ultimo 1960
(zie ook bijlage 6), waarbij echter geen rekening is gehouden met de vermoedelijk slechts kleine oppervlakte die door pachters zelf of voor hen door
loonploegers is uitgevoerd, zonder dat hiervan kennis kon worden genomen.
TABEL 24. Oppervlakte van ile uitgevoerde ondergrondbewerking tot eind
Bewerking
Losmaken door vemielploeg
Neptunus
.. Kipper
diverse woelers
Nniniaal ploegen met ondergronden
ha
3 760
7 725
143
197
7 040
Totaal
Herhaalde bewerking
18865
Bewerkte oppeivlakto
17 785
I I LSI I
I960
109
IX. H E T HUMUS-, STIKSTOF-, KALI- EN F O S F A A T G E H A L T E VAN
D E J O N G E M I N E R A L E G KONDEN
H E T HUMUSGEHALTE
Bij het onderzoek van de jonge minerale gronden is het gebruikelijk en
ook wel verantwoord om de totale hoeveelheid organische stof, met uitzondering van de niet of slechts weinig verteerde. grovere plantenresten,
humus te noemen, aangezien deze organische stof grotendeels uit ..echte"
humus bestaat. Bij de sloefafzettingen, die soms een betrekkelijk grote
hoeveelheid verslagen veen bevatten, verdient het de voorkeur van organische stof te spreken. hetgeen ook in tabel 4. aangevende de gemiddelde
samenstelling van de sloefafzettingen in de Noordoostp* ildei, is gedaan.
Het humusgehalte van jonge gronden is aan verandering onderhevig.
Eerst na verloop van tijd stelt zich, wanneer de overige omstandigheden
(gebruik van de grond, ontwateringstoestand, e.d.) niet veranderen, een
evenwicht in.
Dit evenwicht hangt, behalve van het gebruik van de grond, van het
koolzure-kalkgehalte, van de ontwateringstoestand en van diverse andere
factoren, ook af van het lutumgehalte. Bij een hoger lutumgehalte ligt het
evenwicht Op een hoger niveau.
In dit hoofdstuk zai in hoofdzaak worden ingegaan op de toestand ten
aanzien van het humusgehalte zoals die was tijdens en kort na het droogvallen van de gronden. Over de sindsdien opgetreden veranderingen in hot
humusgehalte is nog weinig mede te delen; slechts op het proefveld Kraggenburg zijn de genoemde veranderingen nader bestudeerd (ZUUR, 1957).
In verschillende publikaties over de gronden in de IJsselmeerpoldor- is
reeds gewezen op het nauwe verband tussen het humus- en het lutumgehalte van de grond. HISSINK (1954) wijdde een gehele publikatie aan het
humus- en stikstofgehalte van de ingepolderde gronden in de voormalige
Zuiderzee.
Figuur 32, ontleend aan de zoeven genoemde publikatie, geeft aan hei
verband tussen het humus- en lutumgehalte (in g per 100 g droge grond)
in jonge Zuiderzee-afzettingen in de Noordoostpolder, waarbij de monsters
zijn genomen in de jaren 1947—1950. Zoals reeds bij de bespreking van deze
liguur door HISSINK werd meegedeeld, geeft de curve de gemiddelde toestand voor de gehele polder aan. Het verband is echter enigermate afhankelijk van de plaats waar de monsters zijn genomen. Over het algemeen liggen
de humusgehalten in het oosten van de polder op een relatief hoger niveau
dan in het westen, terwijl het gebied rondom Schokland een aparte plaats
inneemt.
110
11
% tiumui
organic matter
3.5
30
tl
M
1.1
1.0
Oi
Fig. 32. Hot v e r b a n d tussen hot lumiusgehalte en hot l u t u m g e h a l t e (bonte in g
per 100 g droge grond) van d e bovengrmiil m d e Noordoostpolder bij en
k o r t na hot droogvallen
Relation between the organic matter content and the clay content [both in 2
per 100 g dry matter) of the top soil in the North-Eastern-Polder
during
and just after draina
In figuur 3 3 /ijn vier lijnen o p g e n o m e n , a a n g e v e n d e h e t v e r b a n d t u s s e n
h e t h u m u s - on hot l u t u m g e h a l t e , w a a r b i j lijn 1 b e t r e k k i n g hoeft o p hot
oostelijke g e d e e l t e van d e p o l d e r ( n u t . o n d i e p t e l i g g i n g v a n m i n d e r d a n
2 m — N . A . P . ) . lijn 3 o p h i t westelijke deel ( d i e p t e l i g g i n g 3 . 6 — 4 . 0 m —
N . A . P . ) on lijn 2 o p d e o m g e v i n g v a n S c h o k l a n d . D e o n d e r b r o k e n lijn (lijn 4)
is o n t l e e n d a a n tig. 32 en geeft d u - hot g e m i d d e l d e v e r b a n d w e e r v o o r d e
g.-helo p o l d e r . Met verschil in h u m u s g e h a l t e t u s s e n h e t westelijk.' en hot
oostelijke deel v a n d e p o l d e r b e d r a a g t bij e e n l u t u m g e h a l t e v a n 15 %
o n g e v e e r 0.8 ",,. Hot h u m u s g e h a l t e v a n do g r o n d in d e o m g e v i n g v a n
Fig. 3 3 . Het v e r b a n d tussen het h u m u s g e h a l t e en het l u t u m g e h a l t e (beide in g
per 100 g droge grond) van d e b o v e n g r o n d in de N o o r d o o s t p o l d e r bij
en kort na liet droogvallen
/(elation between the organic matter content and the clay content (both in g
per 100 g dry matter) of the top soil in the North-Eastern-Polder
during
and fust after drainage
1. oostelijke deel van de polder
part of the polder
2. on.
bokland
surroundings of Schokland
3. westelijke deel van de polder
western part of the polder
4. gemiddelde van de gehele polder
average of the whole polder
Ill
Schokland is relatief niet hoger dan dat in het oosten van de polder, doch
wel dan dat in hot centrale en westelijke gedeelte, waarbij het gebied wat
betreft zijn ligging meer aansluit.
De oorzaak (of oorzaken) voorde verschillen ten aanzien van het veil.ami
tussen het humus- en lutumgehalte valt niet aan te geven. Misschien moet
echter de verklaring worden gezocht in een relatie! snelle sedimentatie in
het kustgebied en nabij Schokland in dc laatste decennia. Uit de kartering
van Oostelijk Flevoland is namelijk gebleken, dat in hot oosten van dc
poldei ci
k tegen hoger gelegen stortgronden elders in de polder in de
laatste tijd vooi hei droogvallen een betrekkelijk snelle sedimentatie heefl
plaats gevonden. De na de afsluiting van de Zuiderzee en wellicht grotendeels zelfs na hot begin van de dijkbouw ,-ifgezotte sedimenten, die wurden
aangeduid als 1 Jsselmeerafzettingen, bereiken plaatselijk eon dikte van
enkele decimeters. Ook dit sediment is gekenmerkt duur eon hoger humusgehalte en tevens door een hoger fosfaatgehalte. Zoals nog nader zal worden
aangetoond, is hot kustgebied en hot gebied random S< Imkland in de Noordoostpolder unk gekenmerkt door afzettingen met een hoger fosfaatgehalte.
Er zijn in do Noordoostpolder inderdaad enige aanwijzingen voor de veronderstelling, dat ook in doze polder in hot kustgebied en nabij Schokland
eon vrij recente en snelle sedimentatie heeft plaatsgevonden.
Het humusgehalte van het Kamspol-, het Urk- en lut Kuinrezand is laag.
1.0
% l.cin.u»
ortst
Fig. 34. Het verband tussen hot lininnsgehalte en hot Lutumgehalte (beide
in g per IOO g droge grond) van enkele afzettingen ill ilo Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland
Relation between the organii mattet content and the clay contt tit {both in g
in
natter) of some, deposits
Eastern-Piesoland
in the North-Eastern-Polder
1. Zu O (polderslik) in de Noordoostpolder
Zu O in the S orth-Eastem- Polder
2. Zu I in de Noordoostpolder
Zu I in Use North-Eastern-Polder
:, [Jsselmeeraizetl
-t.Iijk Flevoland
Lake IJssel deposits in Easier n-Plevoland
and
112
Het Ramspolzand bevat gemiddeld 0.5 % humus, het Urkzand 0.3—0.4 %,
terwijl hot Kuinrezand, voor zover zulks uit het beperkte analysemateriaal
valt af t e leiden, iets hogere humusgehalten vertoont.
Het humusgehalte van de laag Zu O, het polderslik, ligt in het westen
van de polder hoger dan dat van do laag Zu I en ook hoger dan dat van de
IJsselmeerafzettingen in Oostelijk Flevoland (DE KONING en W I G G E R S ,
1955). Het verschil ten opzichte van de laag Zu I valt gedeeltelijk te verklaren uit de aanwezigheid van vers, organisch materiaal in het polderslik,
terwijl hot hogere gehalte vergeleken met het IJsselmeerslik in Oosteh|k
Flevoland voorts te danken is aan bijmenging van organische stof, afkom-i ig
van hot stoi ton van veen in de Noordoostpolder. In figuur 34 zijn de curven
van het polderslik uit de Noordoostpolder en van de IJsselmeerafzetting in
Oostelijk Flevoland opgenomen, met ter vergelijking de gemiddelde curve
van de Zuiderzee-afzettingen in de Noordoostpolder.
H E T STIKSTOFGEHALTE
l.andbouwkundig gezien, is het gehalte aan stikstof dat de grond heeft,
een belangrijke grootheid. De stikstof is gebonden aan de humus zodat,
ten einde een indruk te verkrijgen van de stikstofbehoefte van de gronden
bij het in cultuur nemen, aandacht dient te worden geschonken aan het
humusgehalte en het stikstofgehalte van de humus.
Daar het stikstofgehalte van do humus een vrij constante grootheid is,
vertoont het stikstofgehalte een nauwe correlatie met het lutumgehalte.
In figuur 35 is het verband tussen beide grootheden aangegeven.
0.M % N - t o t
Fig. 35. Het verband tussen het stikstofgehalte en het lutumgehalte (beide in g
per 100 g droge grond) in de Noordoostpolder bij en kort na het
droogvallen
Relation between Ike nitrogen content and the clay content (both in g per
100 g dry matter) in the North-Eastern-Polder during and just after drainage
Internationaal is het gebruikelijker het stikstofgehalte niet te betrekken
Q
op het humusgehalte, doch op het C-gehaltc volgens de formule —,
C/N-quotient genaamd, waarin C = gehalte aan koolstof en N = gehalte
aan stikstof. beide in g per 100 g droge grond.
113
Het Stikstofgehalte van de humus (N/humus) bedraagt in de gronden inde
Nuordotistpolder gemiddeld 4.9; hot C/N-quotient is gemiddeld 12. In de
ttingeii, waarin een groot gedeelte van de organische stof bestaat
uit resten van verslagen veen, is het stikstofgehalte van de humus aanzienlijk lager en bedraagt gemiddeld slechts 3.1. Het C/N-qiiuticnt in deze
afzetting bedraagt gemiddeld 19.
lb..wel hot stikstofgehalte van dv Zuidorzoe-afzottingon dus duidelijk
hoger is dan van de sloefafzettingen bereikt het niet het niveau van bijvoorbeeld do andere kleigronden in (iruningon, waai dil (i a 7 ",, bedraagt. Dit
verschil v lueit zeer waarschijnlijk, althans ten dele, voort uit de omstandigheid dat ook de Zuiderzee-afzettingen nog een zeker percentage grover
plantenmateriaal bevatten. dat buiten de gehele humusomloop staat.
H E T KALIGEHALTE
Het is gebruikelijk als het kaligehalte van de gronden in de Ijsselmeerpolders aan to geven het aantal mg KjO per 100 g droge grond dat oplost in
een zoutzuuroplossing, die na instelling van hot evenwicht eon oindconcentratie van 0.1 n bezit. Dit gehalte wordt het K H C r gehalte genoemd.
ln de gronden van de Wieringermeer heeft op vrij ruime schaal onderzoek
plaats gevonden van de kalibuishouding (ZUUR, 1956), doch in de Noordoostpolder is dit onderzoek op beperkte schaal uitgevoerd. Het is bovendien
met de bedoeling in de/.e bijdrage in te gaan op di veranderingen in hot
kaligehalte die zijn opgelreden sedert hot droogvallen; slechts do uitgangstoestand WOrdM thans be-pruken.
De mate waarin jonge gronden kali bevatten. hangt in hum- male samen
met hot milieu waarin zij zijn afgezet of waarmee zij in evenwicht verkeren.
Gronden die in evenwicht zijn mot zeewater zoals de gronden in de Wieringermeer bij hot droogvallen, bevatten tengevolge van hel hoge kaligehalte
van zeewater. veel kali. \ a hot droogvallen spoell de in water oplosbare kali
snel uit. Het Kncrgehalto komt dan vrijwel overeen met het gehalte aan
uitwisselbare kali. Dit gehalte t- onder overigens gelijke omstandigheden
evenredig met het gehalte aan adsorberend materiaal (klei en humus).
Dit verklaart ook waarom in de gronden in de Ijsselmeerpolders n u t eon
ongeveer rechtlijnig verband tussen het lutum- en humusgehalte, or een
nauw on vrijwel rechtlijnig verband is tussen hel K | K r en het lutumgehalte.
In de Wieringermeei bevatten .lr gronden bij hot droogvallen um
3.5 mg KjO in uitwisselbare vorm per g lutum. Duur t\r uitspoeling van de
opgeloste zouten en door de uitloging van uitwisselbare kali door de gipsvuiming daalde het K HC rgohalte al spoedig tot ongeveer 2.5 mg per g lutum
(ZUUR, 1956).
In de Noordoostpolder zijn in 1931, dus voor de drooglegging van de
polder en voor do verzoeting van het IJsselmeer, enkele monsters genomen
waarin het kaligehalte is bepaald. Ook in doze monsters bedroeg het kaligehalte ongeveer 3.5 mg K 2 0 per g lutum (fig. 36).
._ J
114
In 1942, dus korte tijd na het droogvallen, is opnieuw in enkele monsters
het kaligehalte bepaald. H e t was toen gedaald tot ongeveer 2.5 mg K 2 0
per g lutum, welke daling zich blijkens latere bepalingen nog heeft voortgezet (fig. 36).
Fig. 36. Het verband tussen lut kaligehalte en het lutumgehalte in enkele
afzettingen in de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland
Relation between the potassium content and the clay content in some
deposits in the North-Eastern-Polder and in Eastern Flevoland
1. Zu 1. Noordoostpolder in 1931
Zu 1, North-Euslem-Polder in 1931
2. Zu I. Noordoostpolder in 1942
Zu I, North-Eastern-Polder in 1942
3. Zu I. Noordoostpolder in 1948
Zu I, North-Eastern-Potder in lOtti
4. Zu I. Oostelijk Flevoland in 1951
Zu I, Eastern Flevoland in 1951
5. IJsselmeerafzetting. Oostelijk Flevoland in 1951
IJssel-Lake deposits in Eastern Flevoland in 1951
In Oostelijk Flevoland waren de mariene afzettingen een tiental jaren
langer beinvloed door het zoete IJsselmeerwater. In de uitgangstoestand
lag het kaligehalte daardoor reeds iets lager dan in de Noordoostpolder.
Vooral het jonge IJsselmeerslik dat een intensief contact tussen grond en
water heeft gekend, vertoonde in de uitgangstoestand een lager kaligehalte
(DE KONING en WIGGERS, 1955). Ook in de monsters IJsselmeerslik of polderslik uit de Noordoostpolder kan dit het geval zijn geweest, doch hieromtrent
zijn destijds geen gegevens verzameld.
Ill,
H E T FOSFAATGEHALTE
Als maat voor het fosfaatgehalte van de grond wordt in vele gevallen
het P cllr.-cijfer vermeld. Dit cijfer geeft aan het aantal mg P 2 0 5 per 100 g
droge stof dat oplost in 1 % citroenzuur na destructie van de carbonaten
met citroenzuur.
Het fosfaatgehalte is bij jonge gronden in de Ijsselmeerpolders veelal
nauw gecorreleerd met hot lutumgehalte en wel in die zin dat naarmate de
gronden zwaarder zijn ook het fosfaatgehalte hoger is (fig. 37).
% lutum
Os,
Fig. 37. Het verband tussen het fosfaatgehalte en hot lutumgehalte in enkele
afzettingen in de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland
Relation between the phosphate content and the clay content in some
deposits in the North-Eastern-Polder and in Eastern FUvolaiul
1. Zu 1. centrale en westelijke deel Noordoostpolder
Zu I, central and western part North-Eastern-Polder
2. Zu I, oostelijke deel Noordoostpolder
Zu J. eastern part North-Easlern-Polder
3. IJsselmeerafzetting. Oostelijk Flevoland
IJssel-Luhe deposit. Eastern Flevoland
In de Noordoostpolder is gebleken dat de gronden in het centrale en
westelijke deel van de polder in de uitgangstoestand lagere fosfaatgehalten
vertoonden dan die dichter onder de kust en nabij Schokland (ZUUR, 1938)
(fig. 37). Voor dit verschijnsel kon aanvankelijk geen verklaring worden
gegeven. De kartering van Oostelijk Flevoland heeft echter uitgewezen dat
in een laat stadium, vermoedelijk vooral sedert het begin van de dijkbouw,
veel verplaatsing van materiaal is opgetreden. Langs de oostelijke rand van
de polder is eon laag I Jsselmeorsodiment van wisselende dikte in eon vrij
116
korte periode afgezet. In Oostelijk Flevoland is voorts gebleken, dat dit
jonge sediment o.a. is gekenmerkt door een wat hoger humus- en fosfaatgehalte (DE K O N I N G en W I G G E R S , 1955).
Ook in de Noordoostpolder zijn er aanwijzingen dat langs de kust en nabij
Schokland in de laatste decennia vuur het droogvallen veel sediment tot
afzetting is gekomen. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk d a t dit de verklaring vormt voor het iets hogere fosfaatgehalte van de grond in het oosten
en nabij Schokland.
117
SWII-.W v | I INC,
1.
METHODIEK
EN I-ITVOERING VAN DI
a.
de kartering
voor het tlroogvallen
KARTERING
In 1874 verrichtli' LEEMANS een aantal boringen ten oosten van Schokland.
Hot grootste gedeelte van do /.iiiderzeebodeni werd gekarteerd door LELY in
1889 (fig. 1). Tussen 1931 en 1933 werd onder leiding van HISSINK opnieuw
gekarteerd en werd eon nieuwe liuilcmkaart samengesteld (fig, 2), In 1939 word
hel Noonloostpoldergohied in kaart gebracht duur /.OUR dig. 3), Hij eon vergelijking van de figuren 1, 2 en 3 blijkt de grote vooruitgang in d e kennis vein ele
bodemgesteldheid van do poldei zeer duidelijk
I Id nm dat de/.e kartering van vuur het droogvallen van do polder heeft
opgeleverd is tweeledig; h.t ligt enerzijds op het gebied van de inpoldering zolve
digging beste gronden, begrenzing polder, e.d i en anderzijds op dal ran hel
in culiuur brengen (opstellen untginningsplan. hestenuning specie uit de kanalen
en tochten, grondverbetering voor dorpsaanleg, berekening inklinking, enz.).
h. de voorkartt
In de jaren 1941- 1943 vond m i]r drooggevallen pul.Ier de zogenaamde
voorkartering plaats, waarbij hel gebied tot een diepte van 1,5 m m een vier
kantsverband van 250
250 m (of 200 x 300 m) werd afgeboord. Deze kartering in het onontwaterde en niei van uegen voorziene terrein plaatst,- de karto
nngsploegen voor grote moeilijkheden, De plaatsbepaling geschiedde vanuit
bepaalde meetasseii met behulp van hoekspiegOls, jaluns en ineetdraden (fig.
-I i n 5).
De gegevens van de voorkartering zijn verwerkt in twee in 1944 verschenen
kaarten, do Voorlopige Hudemkaart en ile Voorlopige Bodcmprotielenkaart.
Ken fragment van de eerstgenoemde kaart is afgebeeld in fig 6
Hot belang van de vroegtijdige kartering kan niet hoog genoeg worden aan
geslagen, De resultaten van deze kartering zijn gebruikt voor correcties up het
verkavelingsplan, voor de vastStelling van het definitieve o n t g m i u n g s p l a n , de
vereiste greppelafstanden on hot voorlopige bestemmingsplan, voor het intzoe
ken van de houwplaatsen van de l>edrijven van de Cultuurtechnische Afdeling,
voor de keuze van de ligging van proefvelden ten einde de bemestingsbehoeite
tijdens het ontginningsstadiuni te kunnen aangeven, >'n bij de oplossing van nog
vele andere problemen, die rich bij hel in cultuur brengen van ilergelijkc gebieden
voordoen.
c. de definitieve, gedetailleerde
kartering
De waarnemingen voor de definitieve en gedetailleerde kartering zijn verricht
in d e verse wanden van de pas gegraven sloten en greppels (fig. 7 en Hi. De
vordering van deze kartering, welke plaats vond in de jaren 1941 —1954, is
aangegeven in tabel 3. In d e sloten word het profiel om de 25 m (in homogene
gebieden om de 50 m) opgenomen tot een diepte van 1 a 1.4 m, in de greppels
118
werd om de 25 m h e t profiel genoteerd, waarbij in n o r m a l e gevallen d e a f s t a n d
t u s s e n d e g e k a r t e e r d e greppels 48 m bedroeg, De intensiteit van d e s l o o t k a r t e ring bedroeg d u s 1 plek per 0,75 a 1,5 ha, terwijl h e t a a n t a l w a a r n e m i n g e n in
d e greppels (diepte 60 cm) gemiddeld 10 per ha heeft b e d r a g e n .
I ie gegevens van degreppelkartering zijn verwerkt toi kavelkaarten l 25uo.
welke in vereenvoudigde en v e r k l e i n d e vorm zijn s a m e n g e v o e g d t o t d e Codekaart 1 : 10 000, d e gegevens v a n de s l o o t k a r t e r i n g zijn v e r w e r k t t o t d e zogen a a m d e slootprofielen met een lengteschaal 1 : 2500 en een hoogteschaal 1 : 10.
Deze slootprofielen zijn, vereenvoudigd en verkleind (lengteschaal 1 : 10 000,
hoogtesi haal I : 40), samengevoegd t o t d e Profielenkaarl van d e Noordoostpolder. De Code- en Profielenkaarten zijn in hoofdstuk V n a d e r besproken.
II
All,I CMS] \
GEOLOGISCH O V E R Z I C H T
De geologische wordingsgeschiedenis van d e N o o r d o o s t p o l d e r is uitvoerig
beschreven in W I G G E R S (1955). Bovendien verschenen enkele publikaties van
P O N S en WlGGERS (1958, 1959, 1960), waarin de holocene o n t w i k k e l i n g v a n
N o o r d h o l l a n d en het Zuiderzeegebied uitgebreid is liehandeld.
a.
I let Pleistoceen
De Drenthien (Saalien ui Riss-glaciale) afzettingen die in de -Noordoostpolder
aan do o p p e r v l a k t e voorkomen rijn: bet proglaciale zand nabij I rk en de Voorst,
d e keileem nabij Urk, Tollebeek, Schokland. K r a g g e n b u r g en Kadoelen en de
Huv ioglaci.de suliineiiteii, welke e c h t e r van o n d e r g e s c h i k t e b e t e k e n i s zijn.
G e d u r e n d e hel w a n n e r e Eemien werden mariene en c o n t i n e n t a l e afzettingen
gevormd Behalve in eon /oor klein gebied nabij het g e m a a l Smeenge (waar h e t
Homienveon in d e k a n a a l w a n d is ontsloten) k o m e n d e E e m i e n a f z e t t i n g e n in
de poldei met aan de o p p e r v l a k t e voor.
i . e d u r e n d e het eerste gedeelte van het W'eioliselicn ( T u b a n t i e n of Wiirmglaciaal) werden fluviatiele sedimenten afgezet. terwijl in het tweede gedeelte
s e d i m e n t a t i e van d e k z a n d p l a a t s vond I >it o u d e r e d e k z a n d is plaatselijk overdekt door ruggen van j o n g e r d e k z a n d . d a t e r e n d uit h e t Laatglaciaal De d i e p t e
ligging van d e pleistocene afzet u u g o n is weergegeven in bijlage 2, terwijl figuur 9
het effect van ile m a r i e n e abrasie o p d e golvende pleistocene o p p e r v l a k t e a a n geeft. In h e t zuiden van de polder werd een vleclitend nvu-i-stelsel m e t hoge
rivierduinen
aangetroffen.
b. Het Holoceen
In h e t noorden v a n de polder ving d e veengroei plaatselijk reeds in h e t P r e b o reaal of in h e t Boreaal a a n . I n het goed o n t w a t e r d e zuidelijke gedeelte begon
d e veengroei op do pleistocene o p p e r v l a k t e eerst in h e t A t l a n t i c u m . Tijdens
het begin van het Subboreaal vond een transgressie v a n d e zee en d e sedmiontat i.
van de z o g e n a a m d e Unioklei p l a a t s . De groei van het oligotrophe veen in het
noordi lijke en oostelijke deel van de polder zette zi< h /.under o n d e r b r e k i n g voort,
waarbij het veen zich ook over de hoger gelegen gedeelten u i t b r e i d d e . I n het
westen van d e polder tekont zich een t w e e d e transgressie van d e zee af in do
aanwezigheid van d e z o g e n a a m d e Cardiumklei (fig. 10). Deze transgressie,
welke p l a a t s vond tussen 1600 en 1250 v. Chr., leidde d e afbraak van h e t veengebied in. In de ontstane meren kwam con .sediment t o t afzetting, d a t bij de
k a r t e r i n g is a a n g e d u i d met de n a a m d e t r i t u s , doch w a a r a a n later d e n a a m d e t r i tus-gyttja is gegeven. De organische stof in doze afzetting is behalve van afbraak-
119
produkten van het aangrenzende veenland ook afkomstig van de resten van
planten en dieren die in de plassen hebben gegroeid en geleefd.
Na de sedmu-nial ie van de detritus vond in het Noordoostpoldergebied tussen
het begin van onze jaartelling en het einde van de zestiende eeuw de afzetting
plaats van de sloeflagen. In doze afzetting komt eon relatn-1 hoog percentage
deeltjes 2—16 mu (sloeffractie) voor. hetgeen de reden is dat a a n dit sediment
de naam sloef afzetting is gegeven. Het pakket sloefafzettingen is bij de kartering
in 7 — veelal op grond van verschillen in lutumgehalte, gehalte aan organische
stot en aanl van de gelaagdheid duidelijk te onderkennen — lagen ingedeeld.
De gemiddelde samenstelling van de sloeflagen is aangegeven in tabel I
lie sedinieiiiatie van de sloef vond plaats in een slecht- zwak -brak milieu.
De dikte van het pakket varieert vrij sterk. Tijdens de vorming van de oudste
sloetatzeUmg vond Op het nog resterende veengebied de s e d i m e n t a t i e p l a a t s
van eon kleidek. w a a r v a n nu nog enkele resten aanwezig zijn nabij Kuinre,
rondom Schokland en nabij Urk Het kleidek is gevormd tussen ongeveer 250
en 500 a Hon n Chr. Nog tijdens de Middeleeuwen word het veenlandschap met
het kleidek vrijwel geheel weggeslagen door het opdringende waier I lei land
verlies v .m.i vooral sinds bet begin van de dertiende eeuv. plaats. Niet alleen hot
veengebied ook ile keileemopduikingen en het hoogliggende zandgebied in lui
nourduoston vein de polder werden door hel water a a n g e t a s t . Bij iloze abrasie
kwam zand vrij dal als Urkzand en Kuinrezand werd afgezet Ook door de
IJssel werd zand aangevoerd, dal als Ramspolzand is aangeduid.
I. . . n hot einde van de zestiende cn in het begin van de zeventiende eeuw is
in eon vrij snel t e m p o verzilting van het water ingetreden. Hiermee ving de
zoute fase van de Zuiderzee aan, die word afgesloten in 1932 bij het g e r o e d k o m e n
van de Afsluitdijk. I ussen ± 1575 en 1932 zijn een vijltal mariene lagen afgezet,
die achterecnvolgens zijn a a n g e d u i d als Zus, Zu IV, Zu III. Zu 11 en Zu 1. De
oudsle laag v o r m t hierbij de overgang tussen de sloefafzettingen cn de .-elite
Zuiderzee-afzettingen en is d e r h a l v e aangeduid met hot sviubool Zus (Zuiderzee
en sloef),
Ook in de Zuiderzeefase is Urkzand, Kuinrezand, Nagelezand en Ramspolzand gesedimenteerd, waarbij het Urkzand afkomstig was van de abrasie van
de keileem, bet Kuinrezand van de a a n t a s t i n g van het hoogliggende zandgebied
in hel noordoosten, het Nagelezand van de abrasie van de rivierduinen in hot
zuiden en hot Kainspolzand door de IJssel word aangevoerd,
Na d e a t s l m t i n g van de Zuiderzee werd in het snel verzoete milieu van het
1 |--i lineer het IJsselmeerslik afgezet, waarbij de herkomst van hot m a t e r i a a l
is to zoeken in een geringe a a n t a s t i n g van de bovenste laag van de Zuiderzeeafzettingen. In de Noordoostpolder is het IJsselmeerslik aangeduid met hot
symbool / , u O, lerwijl veelal de term polderslik is gebezigd.
III.
t ) E AFZONDIcRI.il KE SEDIMENTEN BIS HUN EIGENSCHAPPEN
In de Toelichtingen op de 21 bladen van de Bodemkundige Code- en Profielen1947—1956) zijn het voorkomen en de eigenschappen van de afzettingen
voor .Ik blad alzonderlijk, naar do m a t e waarin zij voor hot betrokken blad van
betekenis zijn. in detail behandeld, Hoofdstuk 111 geeft een globale samen vat ling
\ .in hetgeen in t\<- genoemde Toelichtingen is opgemerkt o m t r e n t de eigenschappen van d e sedimenten, zodat op deze plaats wordt volstaan met een verwijzing
n a a r dit hoofdstuk en de daarin opgenomen figuren en tabellen.
120
iv.
D E BODEMCLASSIFICATIB VAN DE GRONDEN IN DE N O O R D O O S T P O L D E R
Gezien hel feit d a t men bij de k a r t e r i n g van d e gronden in de [Jsselmeerpolders bijna uitsluitend m e t ongeconsolideerde sedimenten zonder andere bodemvorming d a n een gedeeltelijke fysische rijping te doen heeft, wijkt de bodemclassificatie vrij sterk af van die welk.' op het onde land' gebruikelijk is. Hij do
bodouilactoreiikartering (ZUUR, 1954a) brengt men uit-luitend die eigenschappen
(veelal nn-t Codeteken- in kaart, waarin men voor hot b e t r o k k e n duel belang
stelt. 1-a-ii kartering volgens d u principe heeft grote voordelen wanneer do k a r t e ring met een d i r e c t e en b e k e n d e doelstelling wordt verricht en wanneer het
v e r b a n d tussen de bodemlacloron on do doeleinden waarvoor de kartering verricht wordt, bekend is, hetgeen in de Ijsselmeerpolders zeker hot geval is Van
de verv a a n l i g d e kaarteu, waarop de noodzakelijke gegevens gedetailleerd waren
weergegeven on gemakkelijk uil de k a a r t e n konden worden algeleul. is eon
intensief gebruik g e m a a k t bij het bepalen van tU- vereislo greppel- en drainafstanden, hel te gebruiken soort drainmateriaal, de behoefte aan infiltratie,
do mogelijkheid van grondverbetering door diepploegen of breken van do ondergrond, de besten lining van de grond, de bemesting. het bouwplan, de grondbewerking cn de pachtwaarde
Bij gronden gevormd door fluviatiele of mariene sedimenten vormt het lutumgehalte eon uitermate belangrijke karakteristiek voor d e bodemkundige en
landbouwkundige eigenschappen van de grond. Naarmate de gronden jonger
zijn. zijn binnen een bepaald type sediment fysische en chemische grootheden
nauwer gecorreleerd met het lutumgehalte. Deze nauwe correlatie tussen het
l u t u m g e h a l t e en tie genoemde grootheden werkt door in vele cultuurtechnische
en algemeen landlxMivvkundige maatregelen. De minerale gronden in de Noordoostpolder zijn op basis van bet lutumgehalte in 10 klassen ingedeeld (tabel 13).
Bij de zandgronden vormt de fijnheid v a n het zandskelet een belangrijke
factor. H e t U-cijfer traject is verdeeld in 6 klassen (tabel 15). Op de bodemkaarten van de Noordoostpolder is bij de zandgronden de code v o o r d e fijnheid
van de zandfractie (letters a tot f) naast die van het l u t u m g e h a l t e vermeld
I n tabel 16 zijn enkele belangrijke a a n d u i d i n g e n voor bijzondere e i g e n s c h a p p e n ,
zoals deze op ile bodemkaarten v a n d e Noordoostpolder zijn gebruikt. aangegeven.
Bij de k i n . r i n g van de Noordoostpolder is gewerkt met een indeling volgens
laagdikte en laagdiepte, waarbij vooral de hierbij toegepaste detaillering aandacht vraagt. De gedetailleerde opzet was em rzijds mogelijk dank zij de laagsgewijze opbouw van de jonge sedimenten, de uiterst geleidelijke veranderingen
in dikte en diepte van deze lagen en de goede ontsluiting v a n het s e d i m e n t p a k k e t
De gedetailleerde opzet was anderzijds gewenst daar bijvoorbeeld gebleken is
dat de diepte waarop bepaalde lagen voorkomen, van grote invloed is o p de
vereiste begreppelings- en ilrainege-afstand. Het volledige renvooi met alle
tekens voor de laagdikten en laagdiepten is opgenomen in het Aanhangsel.
V
D E BODKMI
conf
IN
PROFIELENKAART
Tabel 17 geeft een overzicht van de data van verschijning en de namen van de
auteurs van de Bodemkundige Code on Profielenkaart met Toelichting van de
Noordoostpolder. Tn hoofdstuk V is voorts zeer beknopt de wijze van vervaardi-
ging en de opzel van doze kaarten besproken
VI
I 'I
BOUWVOORKAART BN DB BODEMKAART
1 : 50 000
\ls bijlagen 4 en 5 zijn a a n deze publikatie toegevoegd Iwee kaarten, de bouwvoorkaart en de bodemkaart. o p schaal 1 : 5 0 0 0 0 . De bouwvoorkaart geeft
121
n a a s l e e n gedetailleerd Overzichl van d e samenstelling van de boiiwvoor
( 0 — 2 5 cm), ook een overzicht v a n het v o o r k o m e n van afwijkende gronden zoals
s t o r t g r o n d , vloeigrond, zanddejiots, gediepploegde kavels en kavelgedeelten.
De liodeinkaart geeft, behalve dc samenstelling van de bouwvoor in iets ver
oonv o u d i g d c v o r m , ook d e .aard v a n de o n d e r g r o n d tot een diepte van 75 cm aan
l i t label IS, a a n g e v c n d e de o p p e r v l a k t e m ha en in ",, v a n de verschillende
grondsoorten in de bouwvoor in de Noordoostpolder, blijkt dal de zavelgronden
de belangrijkste grondsoorten v o r m e n . Met 7 9 % v a n d e t o t a l e o p p e r v l a k t e
geven / i | de Noordoostpoldei wel het type van eon zavelpolder. De z a n d g r o n d e n
nemen 1-1 ",, van d e t o t a l e o p p e r v l a k t e in, zodat ile overige grondsoorten mei
slechts 7 % v a n hot areaal van goring, betekenis zijn.
In hoofdstuk VI is voorts een korte toelichting gegeven o p h e t p a t r o o n van
d e verschillende grondsoorten zoals zich d a t op de b o u w v o o r k a a r t aftekent
:. i n k a a r t is behalve d e a a r d v a n de bouw v oor, d e a a r d v a n de ondergrond lot een diepte van 75 c m aangegeven. a l t h a n s vuur zover de/.e in belang
rijke m a t e afwijkt van die v a n de b o u w v o o r . H o o f d s t u k VI bevat een b e k n o p t e
toelichting o p deze b o d e m k a a r t , w a a r o p tevens de kwel, n a a r de s t e r k t e en de
invloed die deze o p h e t bodemprofiel uitoefent in drie klassen verdeeld, is
aangegeven.
VII.
Dli S T O R T G R O N D E N , VLOEIGRONDEN, TOCHTWALLEN I.N ZANDD
Bij d e waterbouvvkundige werken voor d e Noordoostpolder is veel grondverzet
u i t g e v o e r d . Zo o m v a t t e h e t primaire baggerwerk (het wegbaggeren v a n d e
oorspronkelijk aanwezige afzettingen) ter plaatse v a n de kanalen. tochten,
w e g b a n e n en d o r p s k e r n e n ongeveer IS 615 000 m*, terwijl het secundaire I
w e r k (het verwijderen v a n h e t in de reeds gebaggerde kanalen en t o c h t e n weer
afgezette slibi ongeveer 11 510 000 m* o u n
Bij h e t baggeren is door d e baggermolens gewerkt in verschillende sneden,
z o d a t d e specie kon worden ingedeeld in z a n d . in voor de l a n d b o u w b r u i k b a r e
en in voor de landbouw o n b r u i k b a r e grond.
l b ! zand is in hoofdzaak bestemd voor de grondvei-beii-ruig van wegtraces
ui bewoningskernen en is voor het overige deel (ongeveer 2 000 ooo m*) gestort
in d e p o t s , d e z o g e n a a m d e z a n d d e p o t s . D e l a n d b o u w k u n d i g b r u i k b a r e grond is
uTi.l. i andere gebruikl vuur de grondverbeteringsobjecten nabij Kuinre en Urk,
In totaal is op deze terreinen over een oppervlakte van 745 ha 3 500000 m*
gestort. De in landbouwkundig opzichl onbruikbare grond is zoveel mogelijk
buiten de polder gestort. Indien de v a a r . i l - t a n d . n te grool worden is deze grond
waar de waardeverrnindering betrekkelijk klein zou zijn
(bijvoorbeeld op hel recreatieterrein bij Kinmeloord) of w a a r door diepploegen
weer goede grond naar boven kun wordon gebrai Bt,
De vloeigronden zipi o n t s t a a n bij liet opschonen v a n de kanalen t e n dole
is do groin! geborgen in wallen langs de kanalen, ten dele in d e p o t s .
De tochtwallen irolt men a a n langs dc t o c h t e n N a a r d e verschillende Wijzen
waaroji de/e tut -tand zijn gekomen, zijn verschillende typen te onderscheiden.
De tochtwallen zijn inmiddels vrijwel geheel geslecht, terwijl duur diepploegen
de norspronkelijke bovengrond in vele gevallen weer naar boven is gebracht.
VIII.
G R O N D V I RBETBR1NG I
1 DIEPPLOEGEN EN ONDERGRONDBEWERKING
III de Noordoostpolder zijn o p verschillende plaats. n profielen aangetroffen,
w a a r v a n do bovenlaag van mindere kwaliteit was t\.m do d a a r o n d e r gelegen
122
lagen. Dit betrof in d e eerste p l a a t s die gevallen w a a r in het oorspronkelijke
profiel zand of zeer lichte zavelgrond r u s t t c o p z w a a r d e r e grond I >../.e profielen
vond men hoofdzakelijk ii] hot oosten en zuidoosten v a n d e polder. D a a r n a a s t
is ook op vele plaatsen w a n zandige of h e t e r o g e n e s t o r t g r o n d , vloeigrond of
t o c h t g r o n d o p goede grond was gedeponeerd, de onderliggende natuurlijke grond
beier dan de s t o r t g r o n d . Men v i n d t deze gedeponeerde g r o n d e n verspreid o v e r
h e t gehele gebied van d e Noordoostpolder.
Im eind 1960 i- m t o t a a l 3485 ha gediepploegd (tabel 23 en bijlage 6). M.i
vrij g r o t e zekerheid kan wel worden vastgesteld, d a t ile k u n s t m a t i g g e v o r m d e
profielen een vrijwel gelijk produktievi
hebben als vergelijkbare oorspronkelijke profielen die under dezelfde o m s t a n d i g h e d e n v a n ligging, ontw
ring, rijping en behandeling verkeren.
Hot bodemprofiel bevat in sommige gedeelten van d e polder g r o n d l a g e n die
zo d i c h t zijn. d a t /ij w a i e r on l u c h t slecht d o o r l a t e n en plantenvvoriels or moeilijk
..I niel in kunnen indringen. Met verschillende werktuigen heeft men o v e r e e n
o p p e r v l a k t e van bijna IS non lia d e o n d e r g r o n d gebroken (tabel 24 en bijlage 6).
IX.
U l c T H O M O S - , S T I K S T U F . KALI-
EN EOS FA A l G E H A L T E
VAN D E J O N l i E
MINK-
RALE OKI INDEN
Iii hoofdstuk IX zijn enkele gegevens vermeld over het h u m u s - , stikstol-,
kali-, en fosfaatgehalte van d e j o n g e afzettingen. waarbij uitsluitend d e uitg a n g s t o e s t a n d ten aanzien van deze grootheden wordt besproken, d a t wil zeggen
de toestand tijdens en kort na hot droogvallen van d e g r o n d e n . De g e n o e m d e
gehalten zijn nauw gecorreleerd m e t hot l u t u m g e h a l t e , doch binnen de polder
treden wel verschillen op.
m
SUMM VRY
S O U . C O M H I I O N S nl-' T H E
I.
NORTH-EASTERN-POLDER
SOIL S U R V E Y METHODS
In soil survey for the purposes of agricultural p l a n n i n g and o p e r a t i o n s in the
Zuyder Sea polders, three stages can be distinguished, each with its own character and purpose. This is mainly due t o t h e fact that the successive stages of
lmixildering present increasingly favourable opportunities to make detailed
-,.il surveys.
ii. undcr-water survey
In 1S74 la I-MVNS m a p p e d -i p a n ol the Zuyder Sea area, east of t h e i
oi Schokland, t h e greater part of the Zuyder Sea bottom was surveyed bv I.ELV
in 1889 (fig l Between 1981 and 1933 HISSINK made a new soil map (fig
in 1939 ZUUR started with a more detailed survey of t h e North Kastcru-l'older
area, which concerned .specially t h e areas with more complicated soil conditions (fig, 3).
Data concerning soil conditions should be available before the dike is constructed, as it is endeavoured wherever possible t o reclaim only the good soils
and t o keep the inferior ones outside t h e polder. The soil survev m a d e between
1931 and 1933 indicated that the soil conditions north of the island of Urk were
less favourable than shown on the m a p made by LELY. Therefore, t h e dike
between Urk and Lemmer was built somewhat more eastward.
The results of the soil survey were used for the determination of the reclamation plan, of the destination of material dredged from the canals, for si
forecasts, for computations a s t o the e x t e n t of the settling of t h e soil alter
drainage, etc. etc.
The carrying out of soil survey in a polder still submerged requires special
met hods of procedure. T w o types of boring apparatus were used, according to
the depth to which the sediments had t o be mapped. One of t h e appliances
rendered it possible t o collect an undisturbed core with a length of 1.5 m (5 feet).
The implements were operated from a wooden platform rigged up outboard on
the starboard side of a fishing boat.
b.
preliminary
survey
The drainage of t h e North-Eastern-Polder started in January 1941 with
three large pumping stations, ln May 1941. when the water level h a d been
lowered to 1 metre below normal sea level, the high-lying sandy soils in the
eastern pari of the polder emerged from the water and a more intensive soil
survey was made (fig. 4 and 5 Lo 1941 t h e surveyors mapped 8000 hectares,
in 1942 and 1943 22,000 and IS,000 hectares respectively. The distances between
the boring points amounted t o 250 in. Position locating was rather difficult,
especially in the last few years of the preliminary survey, when reed 3 t o 4
u n t i e s in height, covered large areas of the polder.
121
With the aid of the data of this survey a new soil map was compiled (lig. 6).
The preliminary soil map was closely studied to see whether or not the
supplementary data on soil conditions, as obtained from this survey, would
require any alterations in the scheme of land division and in the reclamation
plan to be made. Moreover, the data were used for the determination of the
spacing of the field ditches (trenches), for the choice of crops and manuring
during initial State operations, etc.
c. detailed soil survey
Although the soil maps compiled from the data of the preliminary survey gave
far more detail, they wore still not detailed enough. Excavation of the ditches
between the lota w uh a length ul 800 metres and a width of 300 metres, provided
an excellent opportunity lor examining the sediments more thoroughly and lor
making minutely detailed maps (fig. 7). The ditches in the North-EasternPolder have a total length ol about 1500 km. For the compilation of the detailed
maps the ditch profiles wore described to a depth of 1.4 metres at intervals
of 50 metres (fig. 8). Moreover, the provisional field ditches, dug at regular
distances of 8 to 24 metres exposed to view almost completely the upper 60 cm.
I ho results of this survey made it possible to compile and publish a detailed
soil map, scale 1 ; 10,000, ol the layers within the uppermost 50 centimetres
and to draw ami publish longitudinal sections of all ditches on a horizontal
scale of 1 : 10,000 and a vertical scale of 1 : 40. This detailed soil survey was
carried out between 1941 and 1954.
The results were used primarily in connection with preparations which had
to be made during the initial period of temporary cultivation for the leasing
of the land to individual fanners. The provisional detailed drainage system
by means of field ditches had to be replaced by a permanent svstem of tile
drains. The spacing of tin- lih drams is determined by the composition of the
soil profile and in the heavier textured soils by the structural condition of ihelayers, i.e. by the stage of physical ripening. The results of the detailed soil
survey have been used for the determination of the need of subterranean
in igation by moans of tiles, for the drafting and execution of soil improv i
schemes, for the determination of land use. size of farms, for the fixing of
rente ,md (or farm management (tillage, choice of crops, fertilizer requirements).
II.
GEOLOGICAL OUTI IN i s
The geological history of the North-Eastern-Polder area has been described
in detail by
WIGGERS
(1955). Moreover,
PONS
and
WIGGERS
(1958, 1959, 1960)
wrote about the Holocene genesis of the province of North-Holland and the
Zuyder Sea region.
Mn Drenthian depusits which crop out in the North-Eastern-Poldcr are:
the proglacial sand near Urk and the Voorst, the boulder clay near I'rk. I ollebeek, Schokland, Kraggenburg and Kadoelen and the glaciotluvial sediments
which are of minor importance.
During the Komi.in inlcrglacial marine and continental clayey layers were
'.il which, however, do not crop om anywhere in the polder
During the firsl part of the Weiehselian lluviatile sediments were deposited,
whereas in the second part deposition of aeolian cover sand took place. This
older cover sand is locally overlain by ridges of younger cover sand, dating from
the l.ate Glacial. Appendix 2 shows the depth of the pleistocene surface. Pig. 9
demonstrates the elicit of marine abrasion on the undulating pleistocene surface.
125
In the southern part of the polder we found a braided river s v s t e m of the
rivers Vecht and IJssel, with high-lying river dunes.
ln the n o r t h e r n pari ol the polder peat growth starled locally in t h e I'reboroal
or in the Boreal. In the well drained southern pari the oldest peal dates h u m
t h e A t l a n t i c I Hiring t h e beginning of t h e Subboreal a transgression of t h e sea
and sedimentation •>( t h e so-called Unioclay occurred (fig. 101 The growth of the
oligotrophic peat in the northern and eastern part of t h e polder continued
without any interruption, while ihe peat gradually covered the high-lying sand
ridges too. In the western p a r t of the polder a second transgression ul tin sea
is shown by the presence of a marine clay, called Cardiumclay, on account of the
abundance ot shells ol Cardium edule dig. 10). This transgression, d a t e d between
1600 and 1250 B.C., initiated or p r o m o t e d t h e destroying of the peat. In the
l i k . , thus formed, detritus-gyttja was deposited. The organic matter in this
detritus-gyttja was partly derived from the erosion of the peat areas s u r r o u n d i n g
the lakes, partly from plankton and other organisms (fig. 12).
Roman writers described the presence of a large lake, called l a k e Flevo,
in the interior OI t h e Netherlands [his lake was situated In t h e central part of
the former Zuyder Sea and included part of the N o r t h - E a s t e r n - P o l d e r area.
In 755 A.D. this lake was called Almere and in 1340 Zuiderzee Meanwhile it
had changed into an enlarged b a y which became more and more brackish
In 1932 the enclosure of the Zuyder Sea created a fresh water lake, called l a k e
IJssel (IJsselmeer). On t h e one hand the s e d i m e n t s deposited in Lake I-levo
and in t h e Almere do not differ greatly, on t h e o t h e r hand the rapid increase
of the salinity of t h e w a t e r t o w a r d s t h e end of I he sixteenth and in the beginning
of the seventeenth century greatly influenced sedimentation. Therefor, we
distinguish the following three p h a s e s : l a k e Flevo and Almere phase (ca.
0—ca. 1600). Zuv.ler Sea phase (ca. 1600—1932) and Lake IJssel phase
(1932—1940).
The sediments deposited in the Lake Flevo and Almere phase consist mainly
of 'Sloef s e d i m e n t s T h e Dutch scientific term (ur clay particles (0—2 u.) is
l u t u m , whereas the siltfraction ( 2 - 16 u.) is called sloef. In normal marine
Dutch sediments the ratio between t h e percentages of clay and silt is about
2 : 1 . In the North-Eastern-Polder, however, sediments occur with a ratio of
1 : 2. So those sediments contain a relatively high silt content and are called
sloef s e d i m e n t s .
In the sloef s e d i m e n t s we could distinguish 7 strata, each with a rather
characteristic composition, t e x t u r e , lamination and s e d i m e n t a r y p a t t e r n ,
I hose 7 strata are called (from top t o bottom) SI 1", SI lb. SI l|a, SI l i b , SI l l c ,
SI III" and SI I l l b . T h e sloef s e d i m e n t s hav e been dated by m a n y archaeological
finds. The layers SI I I I b a n d SI l l l a were deposited between the beginning ol this
era and the middle of t h e thirteenth c e n t u r y ; the layers SI II between the middle
ol the thirteenth and t h e middle of t h e fifteenth c e n t u r y and the layers SI I
bol..re t h e transitiun from t h e sixteenth to t h e seventeenth c e n t u r y . The end
..1 lli. deposition of the sloot s e d i m e n t s was caused by the rapid increase of the
salinity of t h e water in the Zuyder Sea Inwards t h e end of t h e sixteenth c e n t u r y .
During t h e s e d i m e n t a t i o n of t h e layers SI I 11 p a r t ol t h e remaining peal area
was covered by a l a v . r oi clay, deposited above the av er ag e water level. Tininitial level of this clay could be e s t i m a t e d ,n a p p r o x i m a t e l y 0.5 m below moan
sea level of today The polder b o t t o m now lies nearly everywhere deeper than
1.5 m, so r e m n a n t s of t h e clay layer can only havo been preserved on the islands
ol Schokland and I'rk and in those places, whore the deposition of sand or tinbuilding of dwelling m o u n d s or embankments had caused a great settling ol the
126
underlying peat. The clav. deposited on top of the peat, dates from the period
between 250 and 500 600 A.D.
The increase of the salinity of the water in the Zuyder Sea towards the
transition from the sixteenth to the seventeenth century is caused by the
dec leasing supply of fresh water by the river IJssel. The increasing salinity is
shown by the mollusc fauna. The layer Zus forms a transition between iln
sloef sediments and the Zuiderzee sediments, winch win- divided into four
strata, from top to bottom Zu 1, Zu 11, Zu III and Zu IV.
I hiring the Zuyder Sea phase no peat-growth took place. On the contrary,
the devastation of the peat areas had already nearly been completed at the
beginning nf this phase. In some parts of the pokier the peat in the subsoil has
,i very irregular erosion or abrasion surface. The holes were filled up with sloef
sediments or with Zuiderzee sediments, depending on the time of formation
ui these hole:
I luring the phase- described above, s.
nd, derived from the
abrasion of boulder clay outcrops, of high-lying sand ridge.-, or supplied by the
river IJssel, occurred. The sand and gravel derived from the boulder clay near
Urk and Vollenhove is called Urk-sand, that from the cover sand ridges in the
northern part of the polder is called Kuinre-sand and that from the river dunes
in the southern part, Nagele-sand. South of the village of Ens the Ramspol-sand
occurs, which belongs to the deltaic sediments of the river IJssel.
\tter the enclosure of the Zuyder Sea the layer Zu 0 was deposited in a nearly
lush-water environment. The material mainly consists ut uworked older
sediments.
III.
T H E VARIOUS SEDIMENTS AM. CHEIR PROPERTIES
Chapter III gives a short description of the properties of the various sediments
so far as they influence soil conditions, ln this nummary we mentioned already
some ul the data in the preceding part, whereas others are of minor importance.
IV.
SOIL CLASSIFICATION IN THE NORTH-EASTKRN-POLDER
Classification of older soils is generally based on measurable or clearly visible
results of soil forming factors as climate, parent material, vegetation, topography and time. Mapping the Zuyder Sea bottom soils, the surveyor is confronted for the greater part only by sediments without any soil formation.
After the drainage of the polder and especially alter the digging of the ditches
and trenches, soil formation starts, mainly consisting in physical ripening.
Physical ripening is the process by which young, newly deposited sediments
are transformed into firm ground. Due to this circumstance soil classification
differs a g n u deal from that on the 'old land'.
ZUUR. in writing about the soil classification and soil survey in the NorthK.isi, ru-Polder, used the word soil-factors-mapping, which means a mapping
of only those properties in which soil scientists are interested for a given purpose.
Mapping according to the soil-factors principle has great advantages if mapping
is done with a direct and special purpose and if the relation between the soilfactors and the aim of the mapping is definitely established. The primary object
of soil survey in the polders is to obtain results for practical application. Agricultural planning and operations are nearly wholly based on the results of the soil
survey. On behalf of each of the agricultural operations the necessary data
about soil conditions have to be available in full detail, and the maps should
read easily. As neither the vegetation nor the relief give any indication as to the
127
drawing of t h e b o u n d a r i e s between t h e different soils, t h e compilation of t h e
mainly d o n e at t h e office.
T h e various maps, compiled according t o this analytical s y s t e m , in which t h e
most i m p o r t a n t properties a r e indicated b y codes, were used in d e t e r m i n i n g t h e
spacing of t h e held d i t c h e s and tile drains, in d e t e r m i n i n g the need of s u b irrigation, in designing a n d executing soil i m p r o v e m e n t works, in planning t h e
land use, t h e m a n u r i n g and t h e farm m a n a g e m e n t , m fixing t h e rent, etc.
As is shown in t h e preceding c h a p t e r s , t h e N o r t h - E a s t e r n - P o l d e r b o t t o m
consists of several layers, each with its own p a t t e r n of thickness and clay
c o n t e n t . The m a p p i n g according t o t h e code system greatly enlarged the
knowledge of these p a t t e r n s and the reliability of the soil m a p s .
There is a close relation between the clay c o n t e n t of the soil and its physii al
b e h a v i o u r (water retention, cohesion, adhesion, swelling, shrinkage, etc.) a n d
lor t h a t reason between tin- clay c o n t e n t a n d a g r e a t n u m b e r of important
agricultural properties. In p a i n t of fact, it m a y b e said of the new Zuyder Sea
soils t h a t all their properties correlate with their clay c o n t e n t , which is the verj
basis of their classification. T h e n a t u r a l s h a p e of t h e former Zuyder Sea caused
sedimentation in a very regular pattern (fig. 28), which enabled us to group the
soils in different
texture-classes with small i n t e r v a l s (table 13).
\- regards the s a n d y soils, t h e coarseness of t h e sand traction along with t h e
clay content is an i m p o r t a n t factor as well. T h e coarseness of t h e sand fraction
may be represented by one figure, t h e so-called I' figure, t h e specific area, which
is t h e ratio between t h e t o t a l a r e a of all t h e particles and the area of an equal
q u a n t i t y b y weight of particles of the same material with a d i a m e t e r of I cm
(table 15).
Besides t h e clay c o n t e n t a n d t h e coarseness of t h e sand fraction several o t h e r
properties (organic m a t t e r , calcium c a r b o n a t e c o n t e n t , etc.) a r e used in t h e
classification of the Zuyder Sea b o t t o m soils.
des t h e p r o p e r t i e s of t h e different layers or horizons, nearlv all detailed
soil m a p s , indicate the d e p t h and thickness of these layers and horizons. I ho
classification of t h e Zuyder Sea b o t t o m soils shows a highly detailed g r a d i n g
according to ilie thickness and d e p t h of t h e layers.
V. THE sun
MAP 1 : 10,000
T h e soil condition of t h e North Eastern-I'older h a s been indicated on a m a p
1 : 10.000, issued in 21 sheets. T h e results of t h e detailed sur\ ey m a d e it possible
t o compile and publish a finely detailed soil m a p of t h e layers within t h e upper
most 50 c e n t i m e t r e s and t o d r a w and publish longitudinal sections of all diti hes
with a total length of 1500 k m o n a horizontal scale 1 : 10,000 and a vertical
scale 1 : 40.
VI.
T H E MAP O F T H E T O P SOIL AND
no
SOIL MAP 1 : 50,(KM)
\a appendices 4 and 5 t w o m a p s were a d d e d , t h e m a p of t h e t o p soil and the
m a p of t h e soil t o a d e p t h of 7 5 c m .
T h e m a p ol the top soil was derived from the m a p I : 10,000 (fig. 18). T h e m a p
has been bas.d on a g r e a t n u m b e r of o b s e r v a t i o n s (8 per h a ) ; a b o u t 3000 s a m p l e s
h a v e been t a k e n t o m a k e corrections, if necessary, in t h e e s t i m a t i o n of Uncia v c o n t e n t a n d t h e coarseness of t h e sand fraction.
T h e general key t o t h e codes requires s o m e e x p l a n a t i o n . As we pointed o u t ,
soil classification h a s been based m a i n l y on t h e clay content The 1" S Depart-
128
.sandy
Imm
Pig. 38. Map of the texture of the lop soil expressed in the nomenclature, based on
sand-silt-clay
ratios, introduced by the U.S. Department
of
Agriiiiltnre
I. Non-classified soils (boulderclay, peat, detritus-gyttja
m e n t of Agriculture introduced a classification and a n o m e n c l a t u r e based on
sand-silt-clay ratios Therefore, an a d e q u a t e t r a n s l a t i o n of t h e Dutch t e r m s is
not possible. In t h e key we t r a n s l a t e d literally to avoid confusion. As, besides
the clay content, the amount of particles 2—50 micron was determined in
number ol samples, it waa possible to compile a map of the texture of the top soil
according to the classification ol the U S Department ol Agriculture (fig. 38).
I rum the western dike of t h e polders inwards, where the t o p soil consists of
sand, the clay and the silt Content im tease, So u e find loainv sand, s a n d y loam,
I.-am. silt loam, siltv clay loam. Krom Ihe silt v-clav -loam area the i lay content
di creases in eastern direction, whereas al firsl tin- silt content still mere,,
we find silt loam and silt. T o w a r d s t h e former coast-line t h e silt c o n t e n t decrease!
rapidly (silt, silt loam, sandv loam, loamy sand. sand).
II is impossible in this s u m m a r y to give a lull e x p l a n a t i o n of all t h e p h e n o m e n a
-how ii mi the soil maps (appendices 1 and 5|.
128
VII.
DREDGED SOILS, DUMPED AT DEPOTS
Chapter VII deals with the soils which originate from human activities as for
instance by dredging the canals, the main ditches etc.. and dumping the spoil
from these canals. The principal canals were dredged before the polder had been
pumped dry. The material dredged from them — some 12 million cubic initios,
about 16 million cubic yards —- consists of peat, sand and clay. The sand was
dumped at depots such as future road junctions or in the viciiuiv ul inline
villages. If possible, peat was dumped outside the polder. Finally, the clayey
material was used t o cover sandy soils with a view to improving them.
VIII.
SOIL IMPROVEMENT BV DEEPPLOUGHING AND SUBSOILING
Soil improvement by deepploughing and subsoiling has been carried out
over a large area (appendix 6). Deepploughing occurred over an area of about
3400 ha. Due to th.
i some layers (especially the fine-grained sloei
sediments) caused some difficulties to the growth of roots and to drainage,
subsoiling was carried out over a large area (nearly 18.000 ha).
IX.
INITIAL CONTENTS OF ORGANII
PHATE
MATTER, NITROGEN, POTASSIUM A M I PHOS-
The organic matter, nitrogen, potassium and phosphate contents of the
young sediments were described in chapter IX. Only the initial contents have
been taken into account. As is shown by figures 34, 35. 36 and 37 there exists a
relation, often a very close one, between the initial contents ut the values
mentioned on the one hand and the clay content on the other hand
130
LITERATUUR
BAKKER, J . P . The significance of physical geography and pedology for historical
g e o p r a p h v in t h e Netherlands, Tijdschr. econ. en soc. geogr.; 19 195S
214 -226.
limn MKi'Miiui code en profielenkaart van de Noordoostpolder. Zwolle,
1947-'56.
I IRII viA.vM.ici I.IKS bericht betreffende de Zuiderzeewerken; 17 (1936).
Hi H I , G I), VAN DER. a \spei ion van het archaeologisch onderzoek in hel
Zuiderzeegebied. Zwolle, 1955. (Van zee lot lat
13).
—.
b. Bewoningsfasen van hei gebied van de latere Zuiderzee.
Tijdschr.
Kon. oct
s.sk. gen. sch.: 72 (1955): 39—47.
—, en A. J. W I G G E R S Enkele resultaten van het geologische en archaeologische onderzoek betreffende hel eiland Schokland en zijn n a a s t e omgeving.
In: Langs gewonnen velden. Wageningen.
1954. p. 96—113.
HISSINK, D. J. De humus- en stikstofgehalten van de ingepolderde gronden
in de voormalige Zuiderzee. Zwolle, 1954. (Van tee toi land; no. 10).
JONKER, J. J. Bewortelingsonderzoek en ondergrondbewerking in de Noordoosipoliler. Avulle, 1958. (Proefschr. Wageningen). (Van see l"t land:
no. 25).
K O N I N G , J. C. D E , en A. J. WlGGERS. De bodemgesteldheid van Oostelijk
Flevoland, Zwolle, 1955. (Van sec tot lard: no. 15).
LELY, C. Nota's betreffende hot onderzoek omtrent de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee de Wadden en de Lauwerszee. No. 6. Resultaten dor terreinwerkzaamheden verrichl in 1889 en 1890 N o . 7 — 1 .
Geologische toestand en algemeen plan van indijking. No. 7 5. Schetsoniv.erp lot indijking on droogmaking (na de afsluiting) van het noordoostelijk gedeelte der Zuiderzee Leiden, 1891.
Mui.i \ , W. II. VAN DER. Over de zouthuishouding in de Noordoostpolder.
Zwolle, 1958. {Van zee lot land: no.
— , en W II SlEBEN. Over de landbouwkundige betekenis en de kartering
van de kwel in de Noordoostpolder. Zwolle, 1955. (Van zee tot land: no. 12).
M O W E R , J., en B. VAN KAADSHOOV I:N
Hei holoceen in de Noordoostpolder.
Tijdschr. Kon. ned. aardrijksk.
gen. sch.: 64 (1947):
153—185.
PONS, L. J. Aantekeningen over het ontstaan van de bodem van de l.iemors.
Tn: De Liemers. Didam, 1953. p. 18—42.
—, en A. J. WIGGERS. De morfologie van het pleistocene oppervlak in
Noord-Holland en het Zuiderzeegebied, voor zover gelegen beneden
gemiddeld zeeniveau (N.A.P.) Tiidschr. Kon. ned. aardrijksk.
gen. sch.;
75 (1958): 140
153.
—, en — .De holocene wordingsgeschiedenis van Noord-Holland en het
Zuiderzeegebied. Tijdschr. Kon. ned. aardrijksk.
gen. sch.; 76 (1959):
I'll
152; 77 (I960):
3—57.
RlDDER, N. \ DB, en A. J, WlGGERS. De korrelgrootte-verdeling van de keileem
en hot proglaciale zand. Geol. en mijnb.; 18 (1956):
287—311.
131
SMITS,
H., en A. J. WIGGERS. Soil survey and landclassification a.s applied to
reclamation of sea bottom land in the Netherlands. Wageningen, 1959.
(Publ. of Hie Int. inst. for land reclamation and improvement; no. 4).
W A A R D , D. DE, G l a d g e e n pleistoceen; eon geologisch detailonderzoek in Lirkerland. Verhandln. Ceol. mijnb. gen. sch.; geol. serie 15 (1949):
70—246.
(Proefschr. U t r e c h t ) .
\\ BSTRA, J . J . E e n orienterend onderzoek n a a r de oorzaken van groeistoormss on
in d e bosbeplantingen in d e Noordoostpolder. Wageningen, 1959 [Uitvoerige versln. van de Stichting B
eoefstation „Uc
Dorschkamp";
bd. 4, no. 2)
WlGGERS, A. J. De wording van het Noordoostpoldergebied; een onderzoek
n a a r do physiseh-geografische ontwikkeling van eon seduneiiiair gebied.
Zwolle, 1955. (Proefschr. A m s t e r d a m ) . {Van tee tot land: no. 14).
— Die K u r n g i u s s e n v e r t e i l u n g d e r holozanen Sedimento mi Dollart — Ems
— E s t u a r i u m . In: Pas Ems-Estuarium
(Nordsee). Verhandln. Kon. ned.
geol. miinb. gen. sch.; geologische serie 19 (1960):
111—133.
WlT, C. Het iicuien van m o n s t e r s under water bij de /uiderzeempulilei mg.ii.
voorheen en thans. In: Langs gewonnen velden. Wageningen, 1954. p.
Ill
142.
ZUUR, A. J. Overde bodemkundige gesteldheid van den toekomstigen Noordoostpoldei Groningen, 1938. (Intern
rapport).
Iv'envooi voor d e b o d e m k u n d i g e code en profielenkaart van den Noord
oostpolder, b e n e v e n s sleutel voor het lezen van do bodoiiikiindig
g e v e n s o p d e code- en profielenkaart. K a m p e n , 1947.
Man en a a n l van d e bodem v a n de Noordoostpolder Zwolle. 1951.
(Van zee tot land; no. I).
a. E n k e l e beschouwingen over de grondslag van de kartering in d e
Noordoostpolder. K a m p e n . 1954. (Intern r a p p o r t ) .
b. Overde betekenis van de tra ties 9- 2 en o -16 mu voor de indeling
d.i
z w a a r d e r e gronden in do Noordoostpolder. In: Langs
gewonnen
it, 1954 p. 131 — 112
Over hot kali en fosfaatgehalte der Wioi liigorniecrgronden. Zwolle,
1956 | Van :ee tot land; no. 16).
De veranderingen in het gehalte aan koolzure kalk en h u m u s o p h e t
proefveld K r a g g e n b u r g . Zwolle. 1957. (Flevo-bern.; .1 no. ,5|.
132
. Iiinhaugsel
RENVOOIVOOR DE BODEMKUNDIGE CODE-EN PRO] 1ELENKAART
VAN DE NOORDOOSTPOLDKU
A.
ALGEMEEN
\if resultaten van de bodemkartering van de Noordoosipolder zijn in de
eerste plaats op de bodemkundige kavelkaarten 1 : 2500, die onder andere aan
de pachters zijn verstrekt, aangegeven. De code- en profielenkaart is getrokken
uit deze bodemkundige kavelkaarten
Dc codekaart geeft een overzicht van de bodemgesteldheid van de bovenste
45 cm van de grond; de profielenkaart geeft de bodemgesteldheid ter plaatse
van de kavelsloten weer tot een diepte van 1 m onder maaiveld
Meestal zijn, afgezien van de schaal, bodemkundige kavelkaart en code- en
profielenkaarl gelijk; alleen bij op korte afstand sterk varierende bodemgesteldheid geeft de codekaart een vercenvoudigd beeld.
De code- en profielenkaart is verdeeld in 21 bladen. die elk een gedeelte van
de polder weergeven en die elkaar gedeeltel jk overlappen. Op de code- en
profielenkaart is de topografie (wegen. tochten, kavelsloten, kavoliiumniers enz.)
in grijs aangegeven; de grenzen der grondsoorten en benamingen daarvan
in /wart.
Bij de kartering waren do door de draglines opgeworpen wallen langs de natte
tochten nog niet alle geslecht; sommige tochten waren zelfs nog niet eens op
definitieve diepte gebracht. Ter will, van de uniformiteit is daarom de grondgesteldheid aangegeven voor het graven of uitdiepen van de tochten door de
draglines. De slechts llauw glooiende bagger- en vloeiwallen, die over het
algemeen niet worden vergraven, zijn daarentegen wel op de code- en profielenkaart aangegeven I ie afwijkingen van de normale bodemgesteldheid in de buurt
van sloten on droge tochten door de bedekking met geslechte slootgronil zijn
evenmin aangegeven.
B.
Die IMill.l-MG DER GRONDSOORTEN
De afzettingen zijn ingedeeld naar geologische en bodemkundige kenmerken,
die in een aantal gevallen samenvallen.
1. De geologische indeling. Deze is alleen op de profielenkaart aangegeven.
Do geologische onderscheidingen rijn aangeduid .lour een hoofdlettex met
opvolgende kleine letter(s). Soms vallen de geologische en bodemkundige
indeling samen; in dat geval is alleen een hoofdletter gebruikt, die dan natuurlijk
ook op de codekaart voorkomt.
Wanneer de desbetreffende afzetting niet geheel zuiver is, doordat ze een
overgangskarakter heefl, of iloordal
mengii is met een andere afzetting,
is de aard van het nevenbestanddeel, indien het voldoende belangrijk is, ook
aangegeven. Indien de afzetting een overgangskarakter heeft, of indien de
samenstellende componenten mnig verweven zijn, is dit nevenbestanddeel
achter het hoofdbestanddeel aangegeven door het symbool voor dit neven-
isa
bestanddeel. doch alleen door de eerste letter daarvan en dan klein. Komen in
een laag twee afzettingen voor, elk in voldoende dikke laagjes. dan worden beide
bestanddelen afzonderlijk aangegeven, verbonden door een maalteken, hel
voornaamste voorop. Bij de Zu-laagjes wordt dan tevens de zwaarte tussen
haakjes toegevoegd.
Soms zijn de geologisch onderscheiden afzettingen nog onderverdeeld. Deze
onderverdeling is a.angegeven door toevoeging van een Romeins cijfer, bij de
sloefafzettingen gevolgd door ecu letter.
2. De bodemkundige indeling. Deze is zowel aangegeven op de codekaart als zij het minder volledig — op de profielenkaart. Bodemkundig zijn de gronden
in de eerste plaats onderscheiden in de volgende klassen:
a. zandige gronden. waarvan de granulometrische samenstelling een belangrijk
diiiereiuierend kenmerk vormt (hierna vanwege hun
toevallig —holocene
vorming holocene zandgronden genoemd).
b. zwaardere gronden, waarvan de granulometrische samenstelling eon belangrijk differentierend kenmerk vormt (hierna vanwege hun — toevallig —
holocene vorming holocene zwaardere gronden genoemd),
c. veen- en venige gronden (hierna venige gronden genoemd).
d. diverse, meest slechte gronden (hierna diverse gronden genoemd)
c. in combinatie met de vorige klassen: gronden met ongunstige ondergrond
(in de laag van 25—45 cm).
De klassen worden onderverdeeld in eenheden der kartering (grondsoorten).
Dive grondsoorten worden op de codekaart en — zij het minder volledig op de profielenkaart met letter- en cijfersymbolen aangegeven.
De holocene zandgronden worden onderverdeeld naar lutumgehalte en zandgrofheid; de eenheden worden met een cijfersymbool en opvolgend lettersymbool aangegeven, respectievelijk voor lutumgehalte en zandgrofheid.
De holocene zwaardere gronden v..a.len onderverdeeld naar lutumgehalte;
de eenheden worden met cijfersymbolen aangegeven.
De venige gronden worden onderverdeeld in vein on detritus. De eenheden
worden aangegeven door een hoofdlctlorsymbool.
De diverse gronden worden onderverdeeld in laagterraszand, keileem, fluvioglaciaal zand cn grind. De eenheden worden aangegeven door een hoofdlettor
symbool.
De gronden met ongunstige ondergrond worden onderverdeeld naar de aard
van de ongunstigheid (zie onder C2), De eenheden worden aangegeven door een
klein lettersymbool, Dit lettersymbool wordt voor hel codeteken gezet ter
hoogte van de scheidingslipi lussen boven- en ondergrond. Is de ondergrond
enigermate ongunstig of misschien ongunstig, dan wordt deze ongunstigheid
ala .on bijzondere eigenschap behandeld (zie hieronder).
Bijzondere eigenschappen die voor de cultuur van veel belang zijn, warder
aangegeven door kleine lettersymbolen achter die van de grondsoort, dooh iets
hoger staande Zij staan tussen haakjes als de eigenschap alleen plaatselijk
voorkomt.
134
C.
D E GEBRUIKTE SYMBOLEN
I. De symbolen voor de geologische indeling (de eenletter-symbolen zijn tevens
symbolen voor de bodemkundige indeling).
Minerale afzetting, na ± 1600 aangevoerd door de brakke tot zoute
Zuiderzee (Zuiderzee-afzetting)
Zu
Minerale afzetting, v66r ± 1600 aangevoerd door de zoete tot brakke
voorgangster van de Zuiderzee (sloef-afzettingen)
SI
M it ig en middelfijn zand, aangevoerd door de IJssel (Ramspolzand) Ra
Matig en middelfijn zand, afkomstig van de abrasie van de keileemgebieden nabij Urk, De Voorst en Tollebeek (Urkzand)
Ur
Matig on middelfijn zand, afkomstig van de abrasie van het laagterrasgebied nabij Kuinre (Kuinrezand)
Ku
Matig en middelfijn zand, in hoofdzaak afkomstig van de abrasie van
rivierduinen in het zuiden van de polder (Nagelezand)
Na
Grind
Kleiige en humeuze afzetting nabij Kuinre en Urk, doorgroeid en
\. i Id rustend op veen (Kwelderklei)
Detritus (Detritus met veel schelpen van Cardium edule is aangeduid als Cardium-detritus: cD)
Cardiumklei (het doorgroeide, humeuzere gedeelte van de Cardiumklei
is aangeduid als Cardium-kw-elderklei: Ckw)
Unioklei (het doorgroeide en humeuzere gedeelte van de Unioklei
is aangeduid als Unio-kwelderklei: Ukw)
Veen (zo mogelijk of zo nodig onderscheiden in bV = broekveen,
mV = veenmosveen, rV = rietveen, zV = zeggeveen, v-V = verslagen veen; het symbool aV geeft aan een veenafbraakcomplex en
komt uitsluitend op de codekaart voor)
Laagterraszand
Laagterraszand met ABC-profiel; A- en B-horizonten in minder dan
'/, van het terrein geabradeerd
Idem; A-horizont in meer dan '/„ B-horizont in minder dan '/» v a n
hot ten ein geabradeerd
Idem; A- en B-horizonten in meer dan '/ 3 van het terrein geabradeerd
Idem; A-horizont in meer dan a/». B-horizont in minder dan '/a v a n
het terrein geabradeerd
Idem ; A-horizont in meer dan */s, B-horizont in meer dan '/» van het
ten. in geabradeerd
Idem; A- en B-horizonten in meer dan =/, van het terrein geabradeerd
Laagterraszand met AC-profiel
Laagterraszand met verkitting onder invloed van het grondwater;
alleen op de profielenkaart aangegeven
Ondergrond, hoofdzakelijk uit Laagterraszand bestaande, doch met
laagten, waarin veen en verspoeld Laagterraszand (alleen op codekaart en slechts gebruikt als de laagten met veen niet afzonderlijk
zijn aangegeven)
Fluvioglaciaal zand
Keileem (zandige keileem = zk)
Alleen aangegeven op bodemkundige kavelkaarten:
Stortgrond
G
Kw
D
Ck
Uk
V
L
abcL
(a)bcL
(a) (b) cL
bcL
(b) cL
cL
acL
gl.
dl.
F
K
St
135
Vloeigrond
Vergraven g r o n d
De
Zu
Zu
Zu
Zu
Zu
.
VI
Gr
Zuiderzee-afzettingen zijn ingedeeld in:
O (polderslik, afgezet na d e a a n l e g van d e dijk)
1
11
III
IV
D e Sloefafzettingen zijn ingedeeld in:
SI I«
SI lb
SI II«
SI I I h
SI I K
SI U K
SI I I I b
Voor de onzuivere afzettingen m a g met enkele voorbeelden worden
Overgangslaag tussen Zu en SI, g e k e n m e r k t door het o n t b r e k e n van
Mya arenaria en het v o o r k o m e n van zeer kleine e x e m p l a r e n van
( ardiiim edule
R a - z a n d , innig g e m e n g d m e t m i n s t e n s 10 % Zu-grond
Zu-grond, innig g e m e n g d m e t m i n s t e n s 25 % Ra zand
Ra-zand, g e m e n g d m e t Zu (groep 7) in laagjes van gemiddeld m i n s t e n s
2 cm dik
Ra
volstaan :
Zus
Raz
Zur
x
Zu(7)
'1. De symbolen voor de b o d e m k u n d i g e indeling.
a. Holocene zand- en z w a a r d e r e g r o n d e n :
Lutumgehalte
in g per 100 g
droge stoi
I '.mudsiiiut
Kleiarm zand A . .
Kleiarm zand B . .
Kleihoudenil zand A
Kleihouilend zand B
Lichte zavel A . . .
Lie lit. ,'.ic , 1 1 ' , . .
Zware /avel A . . .
Zware zavel B . . .
I. 11
4—3
Kiel A
Kin B
•2=,
Ms
.is
SI I
Grof zand
Matig fijn zand .
Middelfijn zand .
Zeer fijn zand .
Uiterst fijn zand
Uiterst fijn zand
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
3—5
5—8
5—8
8—12
12—17
17—25
U-cijfer
/amlfr.i. lie
Symbool
0
i
120
120
2
3
4
5
•'•
7
S
<Sll
SI I ,s<>
80—120
120—180
180—270
270- -inn
136
li. Venige gronden (zie symbolen geologische indeling).
i.. 1 iiverse g r o n d e n (zie symbolen geologische indeling).
d. Gronden m e t ongunstige o n d e r g r o n d (25—45 cm)
(de let tot symbolen zijn o p dc- c o d e k a a r t voor het codeteken g e p l a a t s t ,
tei h o o g t e v a n d e schoidmgslijn tussen boven- on o n d e r g r o n d ) .
I lerbauk in m i n s t e n s '/ 4 v a n h e t terrein ; bij m i n d e r v o o r k o m e n a a n g e g e v e n
als bijzondere eigenschap
H a r d e o e r b a n k in niiuslens'/< van het terrein; bij m i n d e r v o o r k o m e n a a n gegeven als bijzondere eigenschap
l'laterig veen (schalter) in minstens ' , van hot t e r r e i n ; bij m i n d e r voor•: aangegeven als bijzondere eigenschap
L a n d b o u w k u n d i g binderlijke schelplaag in d e o n d e r g r o n d
L a n d b o u w k u n d i g m e r k b a r e schelplagen zijn als bijzondere eigenschap
aangegeven (zie onder c); onbelangrijke schelplagen zijn o p do Codekaart
vei u a a r l o o s d .
Matig zuur (minder dan 0.2 % CaCO* p l l meestal 5 J — 4 ) ; bij h u m u s a r m e
z a n d g r o n d e n aangegeven als bijzondere e i g e n s c h a p
Sterk / u u r (minder dan o.i; ",. I'at't v., pl I meestal lager dan 41; bij h u m u s a r m e zandgronden aangegeven als bijzondere eigenschap
e.
o
j>
p
s
£
i"
Bijzondere eigenschappen :
Kleine letters, geplaatst a c h t e r het symbool van de grondsoort, iets hoger
d a n dal sv mbool.
Mot meer grof zand dan n o r m a a l voor d e betreffende grond in ile b o u w v o o r
Weinig g r i n d h o u d e n d (minder d a n 10 % grind)
g
G
Matig grindhoudend (io 20% grind)
Sterk grindhoudend (20 50 % grind)
Zwak humeus (met IJ—-4% meer organische stof dan normaal) . . . .
G
G
h
II nm. a- (mei 4 —10 "„ meer organische stof d a n n o r m a a l )
Sterk h u m e u s (met 1 0 — 2 0 % meer organische stof d a n n o r m a a l ) . . . .
h
h
Stenen in de bouwvoor
m
O e r b a n k , in minder dan '/« van hei terrein voorkomend
H a r d e oerbank. in minder dan ' ' , van het terrein v o o r k o m e n d
l'laterig veen (schalter). in m i n d e r d a n '/. van het terrein v o o r k o m e n d . .
',!.• l a n d b o u w k u n d i g belangrijke schelplaag; indien l a n d b o u w kundig m e r k b a a r a l s bijzondere eigenschap, indien l a n d b o u w k u n d i g hinderlijk als ongunstige Ondergrond aangegeven
Op tit
tikaarl: schelplaagje. Van zeer geringe betekenis en alleen
c
o
p
S
plaatselijk vuorkoiueiid: (a); dikke schelplaag K a l k a r m (0.2 0.5 ",, koolzure kalk; pll boven 7); niet aangegeven bij D.
F. K. L en V
Kalkloos (minder dan 0.2 % koolzure k a l k ; p l l boven 7 ) ; niet aangegeven
bij D. I . K, I en V . . .'
S t e r k d o o r w o r t e l d door begroeiing voor het droogvallen
Zwak / u u r (minder d a n 0 . 2 % koolzure k a l k ; p l l meestal 7 4 — 5 4 ) ; n u t
a a n g e g e v e n bij D, F, K, I. en V
Matig zuur (minder d a n 0 . 2 % koolzure k a l k ; p l l meestal 5 4 — 4 ) ; bij
h u m u s a r m e zandgronden als bijzondere eigenschap. overigens als ongunstige
ondergrond aangegeven
Stork zuur (minder d a n 0.2 % koolzure kalk p l l meestal lager dan 4 ) ; bij
h u m u s a r m e zandgrunden als bijzondere eigenschap, overigens als o n g u n s t i g e
o n d e r g r o n d aangegeven
u
u
W
z
z_
z
1.-I7
Tekens.
l'laatselijk voorkomend, en/of van geringe betekenis
()
Geheel uit vloeigrond bestaande
•
Geheel uit stortgrond en vergraven grond bestaande
O
Ten dele uit vloeigrond b e s i a a n d o
A
Ion dole ml stortgrond en vergraven grond bestaande
V
Hoger gelegen dan de omgeving (bij stortgrond, vloeigrond en vergraven
grond niet aangegeven)
e~\
Lager gelegen dan de omgeving
^
Cow oeld
1 alleen op bodemkundige
*J
I .ediepploegd
i
kavelkaarten
\)
Arceringen.
Op blad 2 van de codekaart zijn met klei opgevulde gaten in het veen binnen
het v eenafbraakgebicd verticaal gearceerd.
Op de bladen 4 en 5 van de codekaart zijn veenplekjes voorkomend o p de
i ras ondergrond m e t golftckens gearceerd
In de omgeving van I'rk en Schokland zijn hogere ruggen met sterk humeuze
klei (vaak k.utekleii e n veen, slechts door een dunne laag Zuiderzeeafzetting
o v e r d e k t , SChuin gearceerd.
I).
I BcKENS VOOR LAAGDIKTEN (bij grondsoorten x, y en z).
X
—
x
x
25 a 30 cm x, waaronder eveneens x t o t minstens 45 cm.
25 a 30 cm x, waaronder y tot minstens 45 cm.
x
35 a 40 cm \ , w a a r o n d e r v toi minstens 45 c m .
y
X
25 a 3 0 c m x, waaronder y tot 35 a 40 cm, waaronder z tot minstens 45 cm.
z
_*_
y
x//y
10 a 15 c m x, w a a r o n d e r y tot 25 a 3 0 cm, waaronder z tot
—£~
minstens 45 cm
x v
5 a 10 cm x, waaronder y tot 25 a 30 cm, w a a r o n d e r z t o t m i n s t e n s
i
15 a 20 cm x, w a a r o n d e r y tot m i n s t e n s 45 cm.
4.s cm,
x
~
Gemiddeld 25 c m x, doch varierend van ± 15—-£ 35 cm, waaronder y tot minstens 4 5 cm.
x/y
~
5 a 10 cm x, waaronder y tot gemiddeld 25 cm, doch varierend
van ± 1 5 — ± 35 c m , w a a r o n d e r z l o t minstens 45 cm.
x
***
Gemiddeld 35 cm x, doch varierend van ± 2 5 — ± 45 c m , waaronder y tot minstens 45 c m .
138
X
25 a 30 cm x, waaronder y tot ± 25 a ± 45 cm, waaronder z
v
tot minstens 45 cm.
x
Gemiddeld 15 cm x. doch varierend van ± 5— ± 25 cm, waaronder y tot minstens 45 cm.
x
>\/ X ,
Stork in dikte variereude laag x, waaronder bij niet te grote dikte
van x tot minstens 45 cm v.
y
Meestal 25 a 30 cm x, doch plaatselijk meer, waaronder v tot
minstens -15 cm.
y
x
-—
.
y
25 a 30 cm x, waaronder soms .... , doch overigens alleen z lot
minstens 45 cm
X
(y)
z
25 a 30 cm x, waaronder soms y tot minstens 45 c m ; ontbreekl y,
.Lui /. tot minstens 45 em.
M
c ..-111111.b-liI l.S a 20 cm x, doch varierend van ±
waaronder y tot minstens 45 cm
5 — ± 30 c m ,
>•
x
25 a 30 cm x, waaronder y lot n insteiis 45 cm. Is y dunner. dan
V
y
y
z
x
(y)
tot minstens 45 cm.
35 ii 40 em x, waaronder eveneens x tot soms minstens 45 cm.
Is \ dunner, dan v tot minstens 45 cm.
X
v•:•/.
25 cm x. waaronder 4 - 8 cm y, waaronder z tot minstens 45 cm.
.'
*
35 k 40 cm x, waaronder sums v t it minstens 45 c m : ontbreekt y,
(v)/(zi
dan z tot minstens 45 cm.
*
ty)fz
35 a 40 cm x, waaronder soms y tot minstens 45 cm; ontbreekt v.
dan z tot minstens 45 cm; z overweegt.
x
35 a 40 cm x, w a a r o n d e r soms y tot nimstens 4.S cm : o n t b r e e k t y
v d u n n e r , dan z tot minstens 45 c m ; y overweegt.
v //j;i
x
~y
25 a 30 cm x, waaronder y tot 35 a 40 cm, waaronder soms z
tot nimstens 45 c m , ontbreekt z, dan z1 tot minstens 45 cm.
138
E.
T E K E N S VOOR B O N T E G R O N D (bij g r o n d s o o r t e n x, y en z).
x 4- v + (z) Naast en door e l k a a r 25 a 30 cm x, y en / , waaronder y lot minstens
——-
45 cm, x overweegt, ykoml algemeen voor, z plaatselijk.
x
Gemiddeld 15 cm x. iloch varierend van -ct 5—-± 25 cm, waal
•"•.•'
o n d e r naast e l k a a r v en z t o t m i n s t e n s 45 cm.
y+*
x
•"•.."
Gemiddeld 15 c m x, doch varierend v a n ± 5 — ± 25 c m , waaro n d e r naast e l k a a r y en / tot minstens 15 c m , y overweegt.
y_ + z
x
Gemiddeld 15 a 20 cm x, doch varierend van | 5—± 30 cm,
^v»/
w a a r o n d e r n a a s t e l k a a r v cn z t o t minstens 45 cm, v overweegt.
y + (z)
X
35 4 40 cm x, w a a r o n d e r naast elkaar v en / tot minstens 45 cm.
y+ '
x—y
z
Naast en d o o r e l k a a r 25 a 30 c m grond, d i e uiteenloopt v a n x
±x
N a a s t en door e l k a a r 25 ii 30 cm grond van uiteenlopende aard.
doch schouimclend om een gemiddelde x, waaronder v tot nnnstons
toi y, waaronder z minstens tut 45 cm.
y
45 cm.
X
25 ii 30 cm \ , w aan uid.-r lut minstens 45 c m y en z. H e t relai
v o o r k o m e n van v en Z wissell zowel in horizontale als verticale
richting; y overweegt.
y x z
X
y x (z)
X
y....z
y X (z)
25 & 30 c m \ . waaronder toi minstens 45 c m y en / I lot relatieve
v o o r k o m e n v a n y en z wisselt zowel in horizontale a l s verticale
richting; y overweegt stork
25 i 30 cm x. w a a r o n d e r t o t 35 a 4 0 c m y en z; y overweegt
D a a r o n d e r tot iniustens 45 cm y en z ; y overweegt stork. H e t
relatieve v o o r k o m e n v a n y en z wisselt zowel in horizontal' als
verticale richting.