1 In Vlaamse Velden. 1 - N
Download
Report
Transcript 1 In Vlaamse Velden. 1 - N
In Vlaamse Velden. 1
Voorwoord:
Wat hier volgt, beste lezer, heeft rechtstreeks betrekking op wat Kontich definitief in
de annalen van onze modernste geschiedenis deed belanden.
De capitulatie van Antwerpen die dit jaar, 100 jaar geleden, plaatshad herdenken wij
hier op 10 oktober 2014. De voorwaarden tot overgave werden ondertekend in de nu
nog bestaande villa “Rest-And-Be-Thankful” gelegen aan de Antwerpsesteenweg.
Deze overeenkomst is bekend onder de naam “de Conventie van Kontich”. Hiermee
was de val van het – volgens tijdgenoten - vrijwel niet in te nemen “Nationaal Bolwerk
Antwerpen” een feit.
In het gemeentelijk informatieblad van maart 2014 is daarover door dhr. P. Catteeuw
al een uitvoerig artikel verschenen.
Er is al veel over de “Groote Oorlog” geschreven en nu kan men een stroom aan
publicaties verwachten. Het is dan ook normaal dat wij, als Vlaams nationalisten en
erfgenamen van het “Vlaamsche Front” (de Frontpartij - opgericht in 1919 door
gedemobiliseerde Vlaamse oudstrijders), niet mogen achterblijven om bepaalde
accenten te leggen, daar waar met de waarheid, in de loop der jaren, herhaaldelijk
een Belgicistisch loopje werd genomen.
♦♦♦
Naar aanleiding van de bijzonder degelijke televisiereeks “In Vlaamse Velden” volgt
hier een beschouwing op dit boeiende vervolgverhaal en meteen een terugblik op dat
deel van onze bewogen geschiedenis.
Uit historische bronnen blijkt dat er tijdens de opmars van de "Hunnen" vrij vlug grote
verwarring en angst onder de burgerbevolking heerste.
De Duitsers waren al van bij het begin van hun inval in de waan overal “vrijschutters”
te zien en gingen daarom willekeurig onschuldige en ongewapende burgers te lijf.
De gruwelijkheden die de Duitse soldaten hadden begaan te Leuven en elders,
gingen hen vooraf.
Het lijkt mij dan ook niet abnormaal dat er in die eerste dagen sprake was van
Belgisch patriottisme.
1
Vele burgers vluchtten naar het neutrale Nederland. Ook een gedeelte van het
Belgische leger dat, na het verlaten van Antwerpen, ingesloten dreigde te worden
volgde later dezelfde weg en werd er geïnterneerd.
Leuven 25 augustus 1914
Het doktersgezin kiezen als kapstok voor deze reeks, geeft de regisseur de kans om
de taaldualiteit onder de aandacht van de hedendaagse kijker te brengen. Aan de
vooravond van de Groote Oorlog was het "gewone volk" in het nog overwegend
agrarische Vlaanderen (Gent en Antwerpen uitgezonderd) in grote mate katholiek en
nog behoorlijk ongeletterd.
Mijn Waalstalige overgrootmoeder, langs vaders kant, kon lezen nog schrijven!
Belgische legeruniform begin WO1
2
De mannelijke bevolking werd opgeroepen en al vrij vlug kwamen zij in contact met
de hiërarchie in het Belgisch leger. Alle officieren en een groot deel van de
onderofficieren waren Franstalig. Zij keken neer op de Vlamingen met hun
"Vlaamsch" die op hun beurt daarvoor zelden in aanraking waren geweest met de
Franstalige "bovenlaag"
De fictieve dokter Boesman, zijn echtgenote Virginie hun zonen Vincent en
Guillaume en dochter Marie, vertegenwoordigen de Gentse middenklasse. Zij
vervullen elk hun taak uitstekend en worden in de context van de Wereldoorlog
a.h.w. symbolen. De beide zonen Vincent en Guillaume - perfect tweetalig - lijken,
gezien de extreme oorlogsomstandigheden, de aangewezen personen om tussen de
arbeidende klasse en de verfranste Vlaamse kleinburgerij in te gaan staan. Langs de
figuur van dokter Boesman om, die al van voor de oorlog pleit voor de
vernederlandsing van de Gentse universiteit, haalt de scenarist ook even het
Algemeen Nederlands Verbond (*1) aan.
Augustus 1914. In de tweede aflevering van “In Vlaamse velden” was kort een
vergadering van de afdeling Gent van het Algemeen Nederlands Verbond te zien. De
Nederlandse predikant J.D. Domela Nieuwenhuis (*2) - een radicale dominee - die
nog een rol zal spelen in het activisme tijdens WO1 - probeert het ANV over te halen
mee te doen met Jong Vlaanderen, een pro-Duitse beweging die ijvert voor een
onafhankelijk Vlaanderen. Voorzitter Reimond Speleers is op dat moment kort en
duidelijk: “Wie daar lid van wordt, wordt bij het ANV onmiddellijk buiten gegooid! ”
Ook de Franstalige historicus Henri Pirenne (*3) verschijnt ten tonele. Hem een
vergadering van het ANV laten bezoeken lijkt mij historisch onjuist. Domela
Nieuwenhuis zat inderdaad sedert 1910 in het Gentse ANV bestuur maar de
Franstalige Belgicist Pirenne zat daar zeker niet in, wel Paul Fredericq (*4), die op
het oude flamingantische standpunt van de tweetaligheid stond.
In februari 1916 werd naar de hoogleraren een vragenlijst gestuurd over het
onderwijs in het Nederlands.
Pirenne, Fredericq e.a. verzetten zich tegen de vernederlandsing van de Gentse
universiteit door de Duitsers. Daarom werden beiden naar Duitsland gedeporteerd.
De Duitsers hoopten hierdoor de onwillige hoogleraren die hun lessen opschortten,
voldoende te intimideren om hun colleges in Gent te hervatten.
Paul Fredericq werd in 1919 rector van de voorlopig terug Franstalige Gentse
universiteit. Hij nam al na enkele weken, wegens de heersende rabiate Vlaamse
vijandigheid, ontgoocheld ontslag.
In de TV reeks zagen wij Dr. Boesman - die ook een Duitse officier en zijn ordonnans
in huis heeft moeten opnemen - toegeven aan de druk en zijn handtekening zetten
onder het document om de universiteit te heropenen. Daarmee lijkt de weg geopend
voor de “Von Bissing” universiteit van Gent in een vernederlandste vorm. Weliswaar
onder het waakzaam oog van de Duitse bezetter.
Intussen zitten de voor de dienst opgeroepen zonen, samen met het restant van het
Belgische leger, in de loopgraven aan de IJzer. Deserteur en plantrekker Guillaume
Boesman krijgt aanvankelijk een luizenleventje als chauffeur van een “Vlaamse”
majoor. Een uitzondering die de regel bevestigd bij de heersende Franstalige
Belgische officierenkaste aan het front.
3
Het haveloze Belgische leger, dat in zijn operetteachtige uniform uit 1870, aan de
IJzer zijn stellingen betrekt, krijgt een nieuw uniform en eindelijk ook beschermende
Franse helmen.
Het Belgische leger, ten velde, in nieuwe uniformen. Links op de foto, mijn grootoom Jos Smits.
Korporaal Vincent, actief in een gevechtseenheid, komt als tussenpersoon tussen de
vele ongeletterde soldaten en het Belgische militaire kader vrij vlug in aanraking met
de dagdagelijkse brutaliteit van het bestaan in de loopgraven. Waar de in
meerderheid Vlaamse jongens, maar ook gewone Waalse soldaten, als
kanonnenvlees worden ingezet door de zich superieur voelende Franstalige
oversten. Ook de Waalse soldaten, waarvan sommigen het Frans niet echt machtig
zijn - zij spreken toch in hoofdzaak Waals - komen daardoor in de problemen.
Vincent Boesman vertaalt de in het Frans geblafte bevelen ( …”et pour les Flamands
la même chose”) voor zijn mannen en leert, sommigen onder hen, lezen en schrijven.
Ook dit komt terecht aan bod.
In deze barre mensonterende omstandigheden ontstaat er een aarzelend verzet van
de Vlaamse soldaten en verschijnen de eerste frontblaadjes. De legerleiding komt er
al gauw achter en verbied ten strengste de vlugschriften die zij beschouwd als een
vorm van defaitisme. De toon is gezet!
Boesman aarzelt om mee in het verzet te gaan. “Wij hebben hier aan de overkant
een gemeenschappelijke vijand. Die moeten wij eerst bestrijden”.
De Frontbeweging is dan nog embryonaal. Zij treed pas in de openbaarheid op 11 juli
1917 met een open brief aan koning Albert. Waarover meer in het tweede deel.
Activisme:
Activisme was in de periode van de Eerste Wereldoorlog de benaming voor het deel
van de Vlaamse Beweging dat via de collaboratie met Duitsland een aantal Vlaamse
grieven en zelfs Vlaamse onafhankelijkheid hoopte te verwezenlijken (maximalisten).
De flaminganten die samenwerking met de bezetter afwezen, werden door hen
4
passivisten (minimalisten) genoemd. Het activisme nam haar aanvang met de
oprichting in oktober 1914 van de groep Jong-Vlaanderen te Gent, onder leiding van
dominee J. D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard.
Flamenpolitik
In de TV reeks “In Vlaamse velden” komt de rol van de Duitse “Flamenpolitik” niet
echt goed uit de verf. Het lijkt wel alsof men de kijker zelf wil laten oordelen wie er
eerst was: de kip of het ei.
Uit de Duitse WO1 oorlogsarchieven, die vrijkwamen na WO2 blijkt dat de Duitse
militaire geheime diensten - Geheimdienst III b en de Marine nachrichtendienst ook
„Nachrichtenabteilung“ genaamd - die elkaar trouwens tijdens de oorlog sterk
beconcurreerden - al van voor de oorlog een zoektocht ondernamen naar mogelijke
bondgenoten in België. Een moeilijke klus. Er bleek namelijk geen enkele Belgische
politieke partij voorhanden die hand en spandiensten kon verlenen. Dat zou wel
anders zijn in de aanloop tot WO2. Bij het begin van WO1 werden hun conclusies
doorgespeeld naar de dienst “Vlaamsche Aangelegenheden” verbonden aan de
“Politische abteilung” in Brussel. Deze dienst moest een strategie uitwerken om de
Vlamingen mee te krijgen. Hun aandacht ging vooral naar Vlaamse intellectuelen,
actief in de toenmalige Vlaamse beweging. De met de Duitse opmars gepaard
gaande brutaliteiten bevorderden niet bepaald de tegemoetkoming van de bevolking,
die daardoor allesbehalve collaboratie gezind was. Wat de activisten niet konden
vermoeden, was de geheime agenda van de Duitsers. Zij wilden immers, na de
overwinning, de Vlaamse kust militair bezet houden. Na de ontbinding van België zou
het zelfbestuurde Vlaanderen een Duits protectoraat worden!
Generaal gouverneur Moritz von Bissing (1844-1917)
Wat de Belgische politiek voor de oorlog niet kon of wilde geven, is voor de Duitse
bezetter geen enkel probleem. Bij een deel van de jonge generatie intellectuele
flaminganten groeit de bereidheid om uit de handen van de vijand het recht op hoger
5
onderwijs in de eigen taal te ontvangen. De Duitsers spelen handig in op de
verzuchtingen van de Vlaamse Beweging. De hogeschool kwestie, bijvoorbeeld,
verdeelt de Vlaamse rangen in maximalisten en minimalisten. De maximalisten of
activisten, een minderheid, trekken de Duitse kaart. De minimalisten of passivisten,
een meerderheid, willen het verloop van de oorlog afwachten. Dat betekent het einde
van de vooroorlogse Vlaamse eensgezindheid.
De generaal gouverneur van België, Moritz von Bissing, biedt de Gentse Vlaamsche
Hoogeschool (21 oktober 1916) a.h.w. op een dienblad aan, maar de prangende
morele vraag luidt of de Vlaamse Beweging een lang gekoesterd en rechtmatig
streven mag aanvaarden van de vijand:
“Moeten wij, Vlamingen, zulk een Hoogeschool aanvaarden, lijk ze ons door den
bezetter wordt aangeboden? – Zulks is de vraag, de groote vraag, die zoovelen heeft
doen aarzelen, die het Vlaamsche heir gesplitst heeft in aktieven en passieven’…”
Zo opent het eerste nummer van “Onze Hoogeschool”, een toenmalig weekblad voor
Vlaamse studenten.
Dochter Marie Boesman, van wie de grootmoeder in het neutrale Nederland woont,
komt in contact met brievensmokkelaars van en naar Nederland. Zij aanvaardt de
gevaarlijke klus om brieven van en naar frontsoldaten achter de IJzer, aan huis te
bezorgen.
Limburg: reconstructie draadafsluiting, “Schalthaus” en grenspaal.
Het Duitse leger, dat intussen de grens met Nederland met een geëlektrificeerde
afsluiting heeft beveiligd om smokkelaars en spionnen te beletten België binnen te
komen, komt de “weerstanders” op het spoor. Marie moet vluchten en geraakt met
een vals paspoort en met de hulp van grensbewoners in Nederland. Daar scheept zij
in naar Engeland om verpleegster te worden.
6
In oktober 1916 geeft vader Boesman, voor korte duur, zijn eerste college in de
Vervlaamste universiteit van Gent. In de aula zitten nauwelijks studenten…
Voor de oorlog waren er 2400 handtekeningen verzameld van academici voor de
vernederlandsing van Gent. In 1916 waren er dat nauwelijks 150. Er kwam een grote
wervingscampagne aan te pas om studenten te lokken. Zo waren er slechts 40
aangetreden bij de opening. Op het einde van het eerste jaar 138. Er werden zelfs
720 studiebeurzen voor sociaal zwakkeren beschikbaar gesteld. Ondanks
vrijstellingen van de verplichte tewerkstelling en extra rantsoenen bleef het aantal
studenten heel laag. Bij het einde van het tweede en laatste jaar waren er 417
ingeschreven; 66 hadden examen afgelegd. De Belgische regering in Le Havre,
verklaarde de tijdens de oorlog uitgereikte diploma’s niet te zullen erkennen, los van
latere gerechtelijke vervolgingen. Dat deed velen afhaken. Ook de geestelijkheid,
met kardinaal Mercier op kop, veroordeelde de Von Bissing universiteit en al
diegenen die eraan deelnamen.
De “Passerelle” van de Hoop aan het ondergelopen front.
De stellingenoorlog aan het ijzerfront vreet intussen aan het moreel van de soldaten.
Dat is de Duitsers niet ontgaan. Wanneer het Duitse leger vlugschriften dropt vanuit
vliegtuigen met daarop o.a. de tekst: “Vlaamen komt maar over, de Duitsche schieten
niet” is voor sommigen de verleiding zo groot dat ze de sprong wagen. De soldaten
krijgen bevel om vanuit hun loopgraven op de overlopers te schieten. Anderen
worden gevat en komen onverbiddelijk voor het vuurpeloton…
Tot slot van dit eerste deel hoort nog de vaststelling dat de prestigieuze
televisiereeks ”In Vlaamse Velden” zich naar het einde toe, vooral toespitst op de
personages die elk op hun specifieke wijze zich staande weten te houden in de
Eerste Wereldoorlog. Het grote geopolitieke verhaal verdwijnt min of meer naar de
achtergrond. De gruwel van de oorlog aan het front en de schaarste in het bezette
land, doet mensen zich in zodanige extreme omstandigheden positioneren dat het
ons als bijna onwerkelijk of onmogelijk voorkomt. De fictie achterhaalt de
werkelijkheid en omgekeerd.
7
Bij de laatste aflevering pakken de Duitsers hun biezen maar daarmee is de kous niet
af. De terugkeer naar het België van voor WO1 en hoe men overging naar de orde
van de dag, met de terugkeer van de frontsoldaten naar het burgerleven en de
daaropvolgende ongenuanceerde repressie, dat bleef allemaal in de kast. Het laatste
woord is daarover nog niet geschreven…
Toch verdienen de Scenaristen: Charles De Weerdt, Carl Joos, Geert Vermeulen en
regisseur Jan Matthys veel lof voor deze TV reeks.
Voetnoten:
(*1) Het Algemeen Nederlands Verbond (ANV). Het ANV werd in 1895 als Algemeen
Nederlandsch Verbond opgericht op initiatief van Hippoliet Meert, een leraar
Nederlands te Brussel. De statuten werden in 1898 goedgekeurd. In het begin was
het ANV een literaire vereniging met een zendingsdrang op onderwijsgebied. Men
trachtte angstvallig buiten politieke kwesties te blijven, zoals in het begin van de
20ste eeuw de Boerenoorlog in Zuid-Afrika, de Vlaamse taalstrijd,
het activisme tijdens de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen en de daarop
volgende repressie. De vernederlandsing van de Universiteit van Gent werd echter
met adhesiebetuigingen ondersteund.
Het huidige Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) is een vereniging naar
Nederlands recht die de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen wil
bevorderen.
(*2) Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard (Amsterdam (1870-1955). Toen hij
predikant was in Vlaanderen (Oostende) kwam hij in aanraking met de Vlaamse
Beweging, en werd hij lid van het Algemeen Nederlandsch Verbond. Vanaf 1913,
vlak voor de Eerste Wereldoorlog werd hij voorzitter van de groep Jong-Vlaanderen.
In het tijdschrift” de Vlaamsche Post” schreef Domela Nieuwenhuis veel artikelen,
over zijn visie dat Vlaanderen en Nederland onder een Duits protectoraat moesten
komen. Hij publiceerde in 1915: “ Vlaanderen bevrijd van allen zuidelijken dwang”.
J. D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard.
Op latere leeftijd, na WO2, kwam hij in contact met Vlamingen van de groep 'Vive le
Gueux - De Blauwvoet' (1947-1949).Deze groep was ontstaan uit een
Vlaamsgezinde Groot Nederlandse jongeren verzetsbeweging Nederland Een in
8
WO2. Uit die kring ontstond het maandblad Het Pennoen van Oostendenaar Jan
Olsen waarvan, merkwaardig genoeg, Domela 'beschermheer en raadsman' werd en
waarvoor hij nog vele artikelen schreef.
(*3) Henri Pirenne (1862-1935). Amper twee jaar na zijn doctoraat in de
geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Luik behaald te hebben (op 6 juli 1883) en na
een postgraduaat in Parijs, in Leipzig en Berlijn, wordt Henri Pirenne benoemd in
Luik en reeds het jaar daarop, in 1886, in Gent. Hij zal er tot in 1930 nationale en
middeleeuwse geschiedenis doceren.
H. Pirenne en P. Fredericq.
(*4) Paul Fredericq (1850-1920) was zeer bedrijvig in de liberale vleugel van de
Vlaamse Beweging. Tijdens de periode1891-1895 was hij, als liberaal lid van de
gemeenteraad, voorzitter van de Gentse lokale afdeling van het Willemsfonds. Hij
werd ook hoofdredacteur van het liberale tijdschrift “Het Volksbelang”. Hij stichtte in
1894 “Hooger Onderwijs voor het Volk” waarmee hij trachtte de opleidingskloof te
overbruggen tussen de elites en de arbeidersklasse. Fredericq verwierf betekenis in
de strijd om het Nederlands, naast het Frans, een volwaardige plaats te geven in het
Belgische onderwijssysteem.
Marc Vincké
Oud-lid redactieraad “Het Pennoen”.
9